Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1967

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2021
Datum publicatie
27-10-2021
Zaaknummer
200.288.135/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:10363, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Beslag op zeeschepen; hof handhaaft beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2021/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.288.135/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/605307 KG ZA 20-902

arrest van 21 september 2021

inzake

1 Lozenge Chemical Carriers Limited,

gevestigd te Majuro (Republiek der Marshalleilanden),

2. Garnet Maritime Limited,

gevestigd te Majuro (Republiek der Marshalleilanden),

appellanten,

hierna te noemen: Lozenge, Garnet en gezamenlijk ook Lozenge c.s.,

advocaat: mr. E. Jacobs te Rotterdam,

tegen

1 Grace Shipping Company Limited,

gevestigd te Hong Kong SAR (China),

2. Expander Shipping Company Limited,

gevestigd te Hong Kong SAR (China),

geïntimeerden,

hierna te noemen: Grace, Expander en gezamenlijk ook Grace c.s.,

advocaat: mr. J.L. Hoovers te Rotterdam.

1 Waarom het in deze zaak gaat

Grace c.s. heeft in de Rotterdamse haven conservatoir afgiftebeslag doen leggen op twee zeeschepen die in het Panamees scheepsregister op naam van Lozenge c.s. zijn geregistreerd, maar waarvan Grace c.s. eigendom claimt. Lozenge c.s. heeft in dit geding opheffing van de beslagen gevorderd. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen. Het hof bekrachtigt deze beslissing. Lozenge c.s. heeft naar het oordeel van het hof de ondeugdelijkheid van het door Grace c.s. ingeroepen recht niet summierlijk aannemelijk gemaakt. Andere gronden voor opheffing van het beslag doen zich evenmin voor.

2 Het geding

2.1.

Het hof heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het procesdossier uit de eerste aanleg, waaronder het verkorte vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 7 oktober 2020 en de op 29 oktober 2020 verstrekte uitwerking daarvan (hierna ook: het bestreden vonnis)

  • -

    de appeldagvaarding van 3 november 2020

  • -

    de memorie van grieven, met producties A2-A8

  • -

    de memorie van antwoord, met producties X17-X23

  • -

    de akte uitlaten producties van Lozenge c.s.

  • -

    de door Lozenge c.s. voor de mondelinge behandeling overgelegde producties A9a-A18

  • -

    de door Grace c.s. voor de mondelinge behandeling overgelegde producties X24-X28

2.2.

Ter zitting van 24 augustus 2021 hebben partijen de zaak door hun advocaten doen bepleiten, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities, en arrest gevraagd. Het hof heeft daarop arrest bepaald op heden.

3 Beoordeling van het hoger beroep

korte aanduiding van de zaak

3.1.

In 2018 zijn in opdracht van de Islamic Republic of Iran Shipping Lines (IRISL) op scheepswerf Hyundia Mipo Dockyard Co., Ltd in Korea vier schepen gebouwd. Tijdens de bouw zijn deze schepen ondergebracht in vier single ship companies. De MT Marvin Confidence (destijds nog Basir geheten) was ondergebracht in Grace en de MT Marvin Faith (destijds nog Latif geheten) in Expander. IRISL hield de aandelen van deze single ship companies.

3.2.

Op 12 maart 2018 heeft de scheepswerf voor (onder meer) de MT Marvin

Confidence en de MT Marvin Faith (provisional) Builder’s Certificates afgegeven, waarin

was vermeld dat deze schepen vanaf dat moment in opdracht en voor rekening van Grace respectievelijk Expander zouden worden gehouden.

3.3.

Op 27 maart 2018 is de MT Marvin Confidence provisioneel (behoudens verlenging, voor de duur van zes maanden) op naam van Grace ingeschreven in het scheepsregister van Panama.

3.4.

Voor de MT Marvin Confidence en de MT Marvin Faith zijn op 30 maart 2018 gedateerde rompbevrachtingsovereenkomsten ondertekend. In deze overeenkomsten zijn als owner aangeduid Grace respectievelijk Expander en als charterer steeds: “a company to be nominated by Marvin Shipping Services Inc”.

3.5.

Memorandums of Agreement, eveneens gedateerd 30 maart 2018, bepalen dat Grace respectievelijk Expander de Basir en de Latif verkopen aan “a company to be nominated by Marvin Shipping Services Inc”, elk voor USD 25 miljoen.

3.6.

In mei 2018 hebben de Verenigde Staten aangekondigd uit het nucleaire akkoord met Iran (JCPAO) te stappen, met een overgangstermijn van maximaal 180 dagen gerekend vanaf 8 mei 2018. Op grond daarvan herleefden effectief eerdere sancties van de Verenigde Staten tegen Iran, en verboden de Verenigde staten (weer) zakendoen met bepaalde personen en entiteiten, waaronder IRISL.

3.7.

Op 15 juni 2018 is de MT Marvin Faith provisioneel (behoudens verlenging, voor de duur van zes maanden) op naam van Expander ingeschreven in het scheepsregister van Panama.

3.8.

Op 15 juni 2018 heeft Lozenge de MT Marvin Confidence op haar naam laten registreren in het scheepsregister van Panama.

3.9.

Op 3 juli 2018 heeft IRISL haar aandelen in Grace en Expander overgedragen aan Santarosa Shipping Company Limited (hierna: Santarosa), een Cypriotische vennootschap.

3.10.

Op 12 juli 2018 gedateerde Bills of Sale bepalen dat Grace en Expander de MT Marvin Confidence respectievelijk de MT Marvin Faith overdragen (transfer) aan Lozenge respectievelijk Garnet.

3.11.

Op 18 juli 2018 heeft Garnet de MT Marvin Faith op haar naam laten registreren in het scheepsregister van Panama.

3.12.

Op 3 respectievelijk 4 augustus 2018 zijn de MT Marvin Confidence en de MT Marvin Faith aan Lozenge respectievelijk Garnet ter beschikking gesteld. Volgens de op die data gedateerde Protocols of physical delivery and acceptance is de levering van elk van de schepen in overeenstemming met “the Agreement dated 30th March 2018” en heeft Lozenge c.s. “delivery, title and responsibility” aanvaard.

3.13.

Grace c.s. heeft bij het Primer Tribunal Maritimo de Panama gevorderd de registratie ten name van Lozenge c.s. door te halen en de schepen weer op naam van Grace c.s. te stellen. Bij wijze van voorlopige voorziening heeft de Panamese rechter de huidige registratie van de MT Marvin Confidence en de MT Marvin Faith bevroren gedurende de loop van het geding. Deze voorlopige voorziening is ingeschreven in het scheepsregister.

3.14.

Op 1 oktober 2020 heeft Grace c.s. Marvin Shipping Services Inc (hierna: Marvin Shipping) medegedeeld de rompbevrachtingsovereenkomsten te beëindigen.

3.15.

Op 2 oktober 2020 heeft Grace c.s. met verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, in de Rotterdamse haven conservatoir beslag tot afgifte doen leggen op de MT Marvin Confidence en de MT Marvin Faith. In haar beslagrekesten legde Grace c.s. aan haar verzoeken samengevat de stelling ten grondslag dat zij de schepen aan Lozenge c.s. in rompbevrachting had gegeven (hiervoor, 3.4, 3.12), dat zij deze overeenkomsten wegens wanbetaling had opgezegd (hiervoor, 3.14) en dat zij daarom aanspraak heeft op teruggave.

3.16.

Op 21 oktober 2020 heeft Grace c.s. een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt onder de hiervoor in 3.4 genoemde rompbevrachtingsovereenkomsten, onder meer strekkende tot afgifte van de MT Marvin Confidence en de MT Marvin Faith.

3.17.

Voor 24 september 2021 zijn executieveilingen geagendeerd ten aanzien van de MT Marvin Confidence en de MT Marvin Faith, ten titel van salarisaanspraken van de bemanning, tot betaling waarvan de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam Lozenge c.s. heeft veroordeeld.

vorderingen en vonnis in de eerste aanleg, vorderingen in het hoger beroep

3.18.

Lozenge c.s. heeft in de eerste aanleg opheffing van de beslagen gevorderd. De voorzieningenrechter heeft met het bestreden vonnis deze vordering afgewezen, met veroordeling van Lozenge c.s. in de kosten.

3.19.

Lozenge c.s. vordert in het hoger beroep samengevat vernietiging van het bestreden vonnis, alsnog opheffing van de beslagen én veroordeling van Grace c.s. om de beslagen op te heffen, alsmede een verbod aan Grace c.s. om (nogmaals) verlof te vragen om beslag te leggen op de MT Marvin Confidence en de MT Marvin Faith, dan wel zulke beslagen te leggen.

3.20.

Grace c.s. concludeert in het hoger beroep tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de (aanvullende) eisen van Lozenge c.s.

beoordeling door het hof

Is het door Grace c.s. ingeroepen recht ondeugdelijk?

3.21.

Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt Lozenge c.s. in de eerste plaats dat het door Grace c.s. ingeroepen recht ondeugdelijk is. Volgens Lozenge c.s. hebben partijen de rompbevrachtingsovereenkomsten vervangen door koopovereenkomsten (hiervoor, 3.5 en 3.10) en zijn de schepen haar op grond van die titel geleverd (hiervoor, 3.12). Achtergrond van deze wijziging van rompbevrachting naar koop was volgens Lozenge c.s. de aankondiging van de Verenigde Staten in mei 2018 dat zij uit de JCPAO zouden stappen, in welk kader (verdere) uitvoering van de rompbevrachtingsovereenkomsten volgens haar niet meer mogelijk zou zijn (omdat ISIRL, aandeelhouder van Grace c.s., op de zwarte lijst van de VS stond).

3.22.

Ter nadere onderbouwing van de door haar gestelde rechtsgeldigheid van de koopovereenkomsten beroept Lozenge c.s. zich op notarial certificates van de Panamese Consul General in Philadelphia, PA (VS), van 16 oktober 2019, waarin deze schrijft te certificeren:

“The signature of [X] as MANAGING DIRECTOR of GRACE SHIPPING

COMPANY LIMITED.

The said [X], has presented sufficient evidence that he has the power to

execute the said document on behalf of the Company.”

In het overgelegde procesdossier bevinden zich achter deze certificaten de Bills of Sale (alles in kopie). Ook voert Lozenge c.s. nog aan dat een notaris in Panama de handtekening van [X] heeft gecertificeerd.

3.23.

Lozenge c.s. beroept zich er verder op dat Grace c.s. haar tijdelijke inschrijving als eigenaar van de schepen in het Panamese scheepsregister niet heeft verlengd, dat de schepen op naam van Lozenge c.s. staan ingeschreven, en dat Grace c.s. daartegen lange tijd, tot voor kort, geen actie heeft ondernomen. Ook heeft Grace c.s. volgens Lozenge c.s. gedurende lange tijd (circa anderhalf jaar) geen facturen gezonden voor charterhuur, wat volgens Lozenge c.s. strookt met haar stelling dat de rompbevrachtingsovereenkomsten nooit in werking zijn getreden, maar juist zijn vervangen door de koopovereenkomsten. Volgens haar heeft Marvin Shipping Lozenge c.s. ook nooit genomineerd als charterers onder de rompbevrachtingsovereenkomsten. Deze overeenkomsten zijn volgens haar ook om deze reden nooit tot uitvoering gekomen, maar – naar het hierop toepasselijke Engelse recht – in de totstandkomingsfase blijven hangen.

3.24.

Lozenge c.s. wijst er verder op dat Protocols of physical delivery and acceptance vermelden dat Lozenge c.s. title heeft aanvaard (hiervoor, 3.12). Volgens Lozenge c.s. kan dit niet wijzen op bevrachting, maar wel op koop. Ook wijst Lozenge c.s. erop dat Grace c.s. sinds de terbeschikkingstelling van de schepen geen verzekeringen voor de schepen heeft afgesloten of betaald en ook de kosten voor het scheepsregister niet heeft betaald. Lozenge c.s. heeft dat allemaal wel gedaan. Ook dit onderschrijft volgens Lozenge c.s. dat niet Grace c.s., maar zijzelf eigenaar is van de schepen.

3.25.

Het hof overweegt hierover als volgt. De vraag wie eigenaar zijn van de schepen dient te worden beoordeeld naar Panamees recht (artikel 10:127 lid 2 BW). De Memorandums of Agreement op grond waarvan Lozenge c.s. stelt de schepen te hebben gekocht, en de rompbevrachtingsovereenkomsten die Lozenge c.s. volgens Grace c.s. niet is nagekomen en die haar daarom naar zij stelt recht op teruggave geven, worden volgens de hierop toepasselijke bepalingen beheerst door Engels recht. Verder is het in dit geding naar Nederlands procesrecht aan Lozenge c.s. om de ondeugdelijkheid van het door Grace c.s. ingeroepen recht summierlijk aannemelijk te maken, in het licht van de belangen van partijen.

3.26.

De notarial certificates maken voorshands onvoldoende aannemelijk dat Grace c.s. is gebonden aan de door Lozenge c.s. bedoelde koopovereenkomsten. Grace c.s. heeft op 7 juli 2020 gedateerde affidavits van een Hongkongse advocaat overgelegd, voorzien van bewijsstukken, waarin deze advocaat concludeert dat de [X] nooit bestuurder (managing director) van Grace c.s. is geweest. Deze affidavits, dat wil zeggen: deze conclusie, heeft Lozenge c.s. in dit geding niet gemotiveerd weersproken. Reeds dit doet serieuze twijfel rijzen over de betekenis en (bewijs)waarde van de door Lozenge c.s. ingebrachte notarial certificates van de Consul General, waarin [X] immers als managing director van Grace c.s. wordt aangemerkt. Opvallend is verder dat de notarial certificates slechts vermelden dat [X] sufficient evidence heeft gepresenteerd voor de door hem gestelde bevoegdheid om de documenten namens Grace c.s. te executeren, maar niet wat die sufficient evidence inhield, waarbij nog bedacht dient te worden dat het hier de bevoegdheid betrof om namens Hongkongse vennootschappen naar het recht van Hongkong op te treden (vgl. art. 10:119 BW). Uit de notarial certificates blijkt verder niet hoe, of dat, de Consul General [X] heeft geïdentificeerd. Dat ook een notaris in Panama de handtekening van [X] heeft gecertificeerd, maakt het voorgaande niet anders. Hiervoor gelden in wezen dezelfde vragen en daarmee twijfels.

3.27.

Lozenge c.s. heeft nog wel aangevoerd dat ook indien [X] geen bestuurder (managing director) is geweest van Grace c.s., hij nog wel – om andere redenen – vertegenwoordigingsbevoegd kan zijn geweest, of althans dat Lozenge c.s. dat heeft mogen veronderstellen. Lozenge c.s. heeft hiertoe aangevoerd dat [X] director van IRISL is geweest, destijds aandeelhouder van Grace c.s., en dat Lozenge c.s. steeds ook met hem zaken heeft gedaan. De juistheid hiervan is in geschil. Los daarvan heeft Lozenge c.s. hiermee nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat [X] bevoegd was Grace c.s. te vertegenwoordigen ter zake van de door Lozenge c.s. gestelde koopovereenkomsten. Hierbij verdient nog aantekening dat de rompbevrachtingsovereenkomsten niet zijn getekend door [X], van wie Lozenge c.s. stelt dat zij met hem steeds zaken heeft gedaan. Naar zeggen van Lozenge c.s. zijn deze overeenkomsten, nadat zij in februari 2018 met ISIRL waren besproken, ter ondertekening gezonden naar [Y], de latere bestuurder van Grace c.s., en van hem ook weer, door hem ondertekend, retour ontvangen. Deze gang van zaken had Lozenge c.s. juist alert moeten maken op de vertegenwoordigingsbevoegdheid (tekeningsbevoegdheid) ten aanzien van Grace c.s. wat betreft de gestelde (latere) koopovereenkomsten, en wettigt naar het voorshands oordeel van het hof op zichzelf niet het door Lozenge c.s. gestelde vertrouwen dat [X], als director van ISIRL, ten aanzien van Grace c.s. vertegenwoordigingsbevoegd was. Hetzelfde geldt voor de overige door Lozenge c.s. in dit verband gestelde feiten en omstandigheden (hiervoor).

3.28.

Bij dit alles komt nog dat Grace c.s. de echtheid van de door Lozenge c.s. aan [X] toegeschreven handtekeningen onder de Memorandums of Agreement en Bills of Sale gemotiveerd heeft betwist door erop te wijzen dat deze er op de (overgelegde kopieën van de) onderscheiden documenten exact hetzelfde uitzien. Lozenge c.s. heeft deze bevinding van Grace c.s. niet gemotiveerd weersproken. De handtekeningen zijn naar de waarneming van het hof inderdaad zodanig identiek, dat het er op het eerste gezicht op lijkt dat (de handtekeningen op) de overgelegde kopieën het product zijn van knip- en plakwerk. Voorshands komt dat in elk geval niet onaannemelijk voor. Dit maakt überhaupt twijfelachtig of aan de gestelde koopovereenkomsten een wilsverklaring van [X] ten grondslag ligt.

3.29.

De inschrijving van Lozenge c.s. als eigenaar van de schepen in het Panamese scheepsregister levert op zichzelf tussen partijen geen bewijs van eigendom op. De enkele omstandigheid dat het Panamese scheepsregister deze inschrijving kennelijk heeft geaccepteerd, is tegen de achtergrond van het tussen partijen bestaande conflict ook onvoldoende om aannemelijk te achten dat Lozenge c.s. daadwerkelijk eigenaar is. Deze inschrijving verhinderde naar zijn aard dat Grace c.s. zich daarna (tevens) als eigenaar inschreef respectievelijk haar eerdere provisionele inschrijving verlengde. Dat zij hierop niet direct actie heeft ondernomen, maakt niet aannemelijk dat zij rechteloos was of is. Inmiddels is Grace c.s. een procedure begonnen om Lozenge c.s. uit- en zichzelf ingeschreven te krijgen (hiervoor, 3.13). Lozenge c.s. stelt dat Grace c.s. medewerking heeft verleend aan de inschrijving van Lozenge c.s. als eigenaar van de schepen in het scheepsregister, maar Grace c.s. betwist dit, en Lozenge c.s. heeft aan haar stelling op dit punt geen nadere onderbouwing gegeven.

3.30.

De stelling van Lozenge c.s. dat zij tot maart 2020 geen facturen voor charterhuur heeft ontvangen maakt op zichzelf niet aannemelijk dat deze facturen dus ook niet zijn gestuurd. Volgens Grace c.s. is dat wel het geval. Bovendien, zelfs indien die facturen destijds niet zouden zijn gestuurd, maakt dit op zichzelf nog niet aannemelijk dat de door Lozenge c.s. gestelde koopovereenkomsten rechtsgeldig zijn gesloten en titel zijn geweest van de feitelijke terbeschikkingstelling van de schepen.

Het feit dat Grace c.s. geen kosten betaalt voor de inschrijving in het scheepsregister is in overeenstemming met de omstandigheid dat zij hierin op dit moment niet is ingeschreven. Dat Grace c.s. geen verzekeringen heeft/betaalt is in overeenstemming met de rompbevrachtingsovereenkomsten, die de charterers verplichten tot verzekering. De omstandigheid dat Lozenge c.s. de schepen feitelijk in ontvangst heeft genomen onder aanvaarding van title (hiervoor, 3.12) is geen voldoende aanwijzing dat zij eigenaar is geworden, nu title ook kan duiden op inontvangstname ter gebruik (als charterer). De verwijzing in de Protocols of physical delivery and acceptance naar “the Agreement dated 30th March 2018” wijst niet noodzakelijk op de Memorandums of Agreement, die op die datum zijn gedateerd. Ook de bevrachtingsovereenkomsten zijn immers op die datum gedateerd, terwijl niet in geschil is dat laatstbedoelde overeenkomsten daadwerkelijk zijn gesloten. Gegeven dat Lozenge c.s. de schepen feitelijk in ontvangst en in gebruik heeft genomen, terwijl niet blijkt dat dit ten titel van koop is geschied, heeft Lozenge c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Marvin Shipping haar niet onder de rompbevrachtingsovereenkomsten als charterers heeft genomineerd. Hierbij verdient ten overvloede nog opmerking dat de Protocols of physical delivery and acceptance namens Lozenge c.s. zijn getekend door de heer Dimitris Mylonakis, director van Marvin Shipping, voorzien van een stempel van Marvin Shipping.

3.31.

Lozenge c.s. voert verder nog aan dat indien wordt aangenomen dat [X] ten aanzien van de Memorandums of Agreement en de Bills of Sale niet bevoegd was om Grace c.s. te vertegenwoordigen omdat hij nooit bestuurder van Grace c.s. is geweest, hetzelfde zou moeten worden aangenomen met betrekking tot [Y] ten aanzien van de door Grace c.s. ingeroepen rompbevrachtingsovereenkomsten. [Y], die de rompbevrachtingsovereenkomsten heeft getekend, is immers pas sinds 1 juni 2018 managing director van Grace c.s., terwijl de rompbevrachtingsovereenkomsten zijn gedateerd op 30 maart 2018. Deze argumentatie ziet voorbij aan het verschil tussen het (door Grace c.s.) betwisten van de vertegenwoordigingsbevoegdheid (van [X]) aan eigen zijde waarop de wederpartij (Lozenge c.s.) zich beroept, en het juist sauveren/bekrachtigen (door Grace c.s.) van die vertegenwoordigingsbevoegdheid (van [Y]) aan eigen zijde
– door een beroep te doen op de betrokken rechtshandeling – in een geval waarin die vertegenwoordigingsbevoegdheid (van [Y])op zichzelf gesproken mogelijk ter discussie zou kunnen worden gesteld. Dat [Y] de overeenkomsten voor en namens Grace c.s. heeft getekend heeft Lozenge c.s. niet gemotiveerd betwist. En uit wat zij wel heeft aangevoerd volgt niet dat [Y] in zijn verhouding tot Grace c.s. niet tot die ondertekening bevoegd/gerechtigd was. Evenmin volgt daaruit dat Grace c.s. de geldigheid van die ondertekening/rechtshandeling naar het daarop toepasselijke recht niet (desnoods achteraf) zou hebben kunnen worden aanvaarden.

3.32.

Lozenge c.s. voert ook nog aan dat in de lopende procedure ten aanzien van een ander schip, de MT Marvin Star, de (rechtsgeldigheid van de) volgens Lozenge c.s. eveneens door [X] ondertekende Bill of Sale en Protocol of physical delivery and acceptance niet word(t)(en) betwist, terwijl die stukken nagenoeg gelijk zijn aan die van de MT Marvin Confidence en de MT Marvin Faith. Grace c.s. ontkent echter dat de geldigheid van die documenten niet wordt betwist. Los hiervan maakt dit alles, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, nog niet aannemelijk dat de door Lozenge c.s. gestelde koopovereenkomsten met betrekking tot de MT Marvin Confidence en de MT Marvin Faith rechtsgeldig zijn. Tot slot voert Lozenge c.s. nog aan dat Grace c.s. in de Panamese procedure (hiervoor, 3.13) de eigendom van Lozenge c.s. heeft erkend. Volgens Lozenge c.s. is het verzoek van Grace c.s. in die procedure namelijk gebaseerd op wetgeving die een verkoper aanspraak geeft op wijziging van registratie – Grace c.s. erkent volgens Lozenge c.s. dus verkoper te zijn. Het hof volgt Lozenge c.s. niet in deze argumentatie, reeds omdat volgens haarzelf Grace c.s. in die procedure nu juist betwist te hebben verkocht.

3.33.

Lozenge c.s. heeft intussen geen overtuigende verklaring gegeven voor de door haar gestelde, maar door Grace betwiste, beslissing van partijen in mei 2018 om de rompbevrachtingsovereenkomsten te vervangen door koopovereenkomsten. Lozenge c.s., die voor het gebruik van de schepen niet heeft betaald, schort haar maandelijkse afbetalingsverplichtingen onder die beweerdelijke koopovereenkomsten op met een beroep op de Amerikaanse sancties. Dit doet de vraag rijzen wat - met dat scenario in zicht, in mei 2018 – voor Grace c.s. een geloofwaardig motief zou kunnen zijn geweest om dergelijke (nadere) koopovereenkomsten aan te gaan. Op deze vraag heeft Lozenge c.s. in dit geding geen bevredigend antwoord kunnen geven. Ook in onderlinge samenhang beschouwd maken de door Lozenge c.s. aangedragen feiten en argumenten niet dat zij de ondeugdelijkheid van het door Grace c.s. ingeroepen recht summierlijk aannemelijk heeft gemaakt.

Is het beslag onnodig?

3.34.

Lozenge c.s. voert aan dat Grace c.s. het beslag onnodig heeft gelegd, omdat zij met de door haar verkregen bevriezing van de registratie van de schepen in het Panamese scheepsregister (hiervoor, 3.13) reeds voldoende zekerheid heeft tegen verduistering van de schepen. Hiertegen heeft Grace c.s. terecht aangevoerd dat deze maatregel niet verhindert, bij gebreke van handhaving van het beslag, dat Lozenge c.s., die niets aan Grace c.s. betaalt, de schepen blijft exploiteren met de daarbij behorende risico’s, waaronder het ontstaan van schulden die op de schepen verhaalbaar zullen zijn en/of (overige) schade, al dan niet gevolgd door het ontvangen van verzekeringspenningen buiten bereik van Grace c.s. Ook na verkregen titel tot teruggave in de vorm van een arbitraal vonnis zou bij gebreke van handhaving van het beslag denkbaar zijn dat de schepen buiten bereik van Grace c.s. in exploitatie blijven, in jurisdicties waarin zodanig vonnis niet zou worden erkend en/of niet executeerbaar zou zijn. Dat Grace c.s. ten aanzien van Lozenge c.s. een verhaalsrisico lijdt is intussen voldoende aannemelijk, reeds gelet op het niet eens voldoen door Lozenge c.s. van de salarisaanspraken van de door haar voor de schepen ingehuurde bemanning (hiervoor, 3.17).

Kan het beslag niet tot afgifte leiden?

3.35.

Lozenge c.s. voert aan dat Grace c.s. geen eis in de hoofdzaak heeft ingesteld, althans geen eis die kan leiden tot een veroordeling tot afgifte. Het door Grace c.s. aangezochte scheidsgerecht (hiervoor, 3.16) is volgens Lozenge c.s. niet bevoegd om van de ingestelde vordering kennis te nemen, omdat Lozenge c.s. aan de door Grace c.s. ingeroepen rompbevrachtingsovereenkomsten niet gebonden is – aldus Lozenge c.s. Deze stellingname van Lozenge c.s. vormt voor het hof geen grond om de beslagen op te heffen, omdat zij niet als juist kan worden aanvaard; voorshands is voldoende aannemelijk dat Lozenge c.s. wel partij is bij de rompbevrachtingsovereenkomsten (hiervoor, 3.30 (slot)).

3.36.

Lozenge c.s. voert verder aan dat het beslag niet tot afgifte kan leiden omdat het haar onder de Amerikaanse sancties verboden is om de schepen terug te geven. Ook dit argument kan niet leiden tot opheffing van het beslag. In de eerste plaats is voorzienbaar dat het nog lange tijd zal duren voordat in de arbitrageprocedure een einduitspraak over de door Grace c.s. gevorderde afgifte zal worden verkregen. Dat op dat moment de Amerikaanse sancties nog zullen gelden is voorshands niet zonder meer aannemelijk. Daarbij komt dat Lozenge c.s. niet heeft onderbouwd dat (en hoe) het scheidsgerecht zich gebonden zal moeten achten aan die Amerikaanse sancties én dat die sancties in de weg zouden staan aan toewijzing van de gevorderde afgifte, dan wel dat executie van een arbitraal vonnis tot afgifte in Nederland (dan wel tot verhaal op de opbrengst van de voor 24 september a.s. geagendeerde executie) door de sancties zou worden getroffen. Bij dit alles komt dat Lozenge c.s. überhaupt onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat commerciële banden met Grace c.s. waren of zijn verboden door de Amerikaanse sanctiewetgeving, nu Grace c.s., noch Santarosa, noch de huidige aandeelhouders van Grace c.s. op de Amerikaanse sanctielijsten staan. Grace c.s. heeft verder gemotiveerd weersproken dat iemand anders dan de heer Chengcheng Dai in de relevante periode aandeelhouder van Santarosa was.

Heeft Grace c.s. de voorzieningenrechter onjuist en/of onvolledig voorgelicht en moet dit leiden tot opheffing van het beslag?

3.37.

Volgens Lozenge c.s. heeft Grace c.s. in haar beslagrekesten de voorzieningenrechter onjuist en/of onvolledig ingelicht, door haar bekende verweren en/of (voorbehouden) rechten van Lozenge c.s. daarin niet te vermelden. Dit moet volgens Lozenge c.s. leiden tot opheffing van de beslagen. Het hof volgt Lozenge c.s. hierin niet. De beslagrekesten vermelden de door Grace c.s. betwiste inschrijving van Lozenge c.s. in het Panamese scheepsregister. Door de achtergrond van die inschrijving niet in de beslagrekesten te vermelden heeft Grace c.s. de voorzieningenrechter niet onjuist ingelicht en ook niet relevant onvolledig, althans niet zodanig onvolledig dat dit zou moeten leiden tot opheffing van het beslag, daargelaten nog dat Grace c.s. betwist destijds van die – thans door Lozenge c.s. gestelde – achtergrond op de hoogte te zijn geweest.

Belangenafweging

3.38.

Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor in 3.34 (slot) overwogen loopt Grace c.s. in geval van opheffing van het beslag een risico op niet-executeerbaarheid van een tot afgifte veroordelend vonnis. Lonzenge c.s. biedt vooralsnog geen perspectief op verhaalbaarheid van de daardoor te lijden en reeds geleden schade. Andersom voert Lozenge c.s. niet aan dat zijzelf een verhaalsrisico loopt voor schade door het beslag voor het geval dat zij geoordeeld mocht worden eigenaar te zijn. Dat ligt – op dit moment – ook niet voor de hand gegeven haar verplichting, voor dat geval, om nog de volledige koopprijs voor de schepen aan Grace c.s. te betalen. Dat de schepen door het beslag mogelijk snel in waarde zullen gaan dalen doet aan dit alles niet af.

Overige bespreking van de grieven

3.39.

Tegen het bestreden vonnis heeft Lozenge c.s. vijftien als zodanig benoemde grieven aangevoerd.

3.40.

Grief 5 betreft de volgens Lozenge c.s. door Grace c.s. in het kader van de beslagrekesten geschonden waarheidsplicht, en is met het hiervoor in 3.37 overwogene verworpen.

3.41.

Grief 6 maakt bezwaar tegen de door de voorzieningenrechter in 4.6 van (de op 29 oktober 2020 verstrekte versie van) het bestreden vonnis weergegeven opheffingsgronden, en bedoelt – blijkens de toelichting op deze grief – ook de concrete toepassing hiervan op het voorliggende geval ter discussie te stellen. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis ten opzichte van de grieven die zich richten op de door Lozenge c.s. gestelde opheffingsgronden en behoeft daarom geen separate bespreking.

3.42.

Grief 3 richt zich tegen de overwegingen in 2.3 en 2.7 van (de op 29 oktober 2020 verstrekte versie van) het bestreden vonnis dat kort gezegd de schepen op 27 maart 2018 respectievelijk 15 juni 2018 op naam van Grace respectievelijk Expander zijn ingeschreven in het Panamese scheepsregister. Wat hieraan onjuist is licht Lozenge c.s. niet toe. Voor zover het haar gaat om de nuance dat dit tijdelijke inschrijvingen waren: zie hiervoor, 3.3 en 3.7.

3.43.

Grief 4 richt zich, blijkens de hierop gegeven toelichting, tegen de overweging in 2.4 van (de op 29 oktober 2020 verstrekte versie van) het bestreden vonnis dat Marvin Shipping in de rompbevrachtingsovereenkomsten als charterer is aangewezen. Dat is niet het geval: charterer zijn in beide gevallen “a company to be nominated by Marvin Shipping […]”. Zie hiervoor, 3.4. De grief is gegrond, maar dit kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis (hiervoor, 3.30 (slot)).

3.44.

Grief 7 haalt onderdelen van 3.2 van (de versie van 7 oktober 2020) en 4.8 van (de op 29 oktober 2020 verstrekte versie van) het bestreden vonnis aan met betrekking tot de totstandkoming en inwerkingtreding van de rompbevrachtingsovereenkomsten, maar formuleert daartegen geen bezwaren. Ook overigens is in de stellingen van Lozenge c.s. geen bezwaar tegen deze overwegingen te onderkennen. Voor zover het Lozenge c.s. erom gaat dat haar stelling dat Marvin Shipping geen charterers heeft genomineerd volgens haar een bevestiging inhoudt van haar stelling dat de rompbevrachtingsovereenkomsten in de totstandkomingsfase zijn blijven hangen, en daarom in zoverre niet (verder) tot stand zijn gekomen, heeft de voorzieningenrechter dit argument niet miskend, evenmin als het hof (hiervoor, 3.23 (slot)). Uit het hiervoor in 3.30 (slot) overwogene volgt overigens de irrelevantie van deze grief.

3.45.

Volgens grief 8 heeft de voorzieningenrechter in 4.7 van (de op 29 oktober 2020 verstrekte versie van) het bestreden vonnis ten onrechte overwogen dat tussen partijen in geschil is wie eigenaar is van de schepen. Gelet op het debat tussen partijen kan het hof deze grief niet plaatsen.

3.46.

Grief 9 bekritiseert een deel van 3.2 van het bestreden vonnis (versie 7 oktober 2020), waarin een deel van het standpunt van Grace c.s. wordt weergegeven. Wat er aan deze weergave niet klopt licht Lozenge c.s. niet toe.

3.47.

Grief 10 richt zich, blijkens de hierop gegeven toelichting en de overige stellingen van Lozenge c.s., tegen de overweging in 4.12 van (de op 29 oktober 2020 verstrekte versie van) het bestreden vonnis dat kort gezegd de omstandigheid dat Lozenge c.s. nog geen betalingen aan Grace c.s. heeft verricht bijdraagt aan het voorshandse oordeel dat niet uitgesloten kan worden dat Grace c.s. eigenaar is van de schepen. Deze grief behoeft niet te worden beoordeeld omdat het hof ook zonder beoordeling van dit aspect – waarbij het er dus veronderstellenderwijs vanuit gaat dat de niet-betaling irrelevant is – tot bekrachtiging van het bestreden vonnis komt.

3.48.

Hetzelfde geldt voor grief 11, die ziet op de overwegingen in 3.2 (van de 7 oktober 2020-versie) en 4.11 (van de 29 oktober 2020-versie) van het bestreden vonnis dat kort gezegd uit de conceptovereenkomsten die zijn opgesteld in het kader van de schikkingsonderhandelingen van september 2020, kan worden afgeleid dat uitgangspunt tussen partijen was dat Grace c.s. eigenaar van de schepen is. Het hof hecht in zijn beoordeling van de vorderingen van Lozenge c.s., aan dit aspect geen betekenis.

3.49.

Grief 12 betwist niet, gelet op de overige stellingen van Lozenge c.s., dat Grace c.s. heeft medegedeeld de rompbevrachtingsovereenkomsten op te zeggen, maar wel dat dit rechtsgevolg, althans het door Grace c.s. beoogde rechtsgevolg – te weten: recht op afgifte – heeft. Hiermee betreft deze grief de deugdelijkheid van het door Grace c.s. ingeroepen recht. Hetzelfde geldt voor de grieven 1, 2, 13 en 14. Al deze grieven falen, gelet op het hiervoor in 3.21-33 en 3.38 overwogene.

3.50.

Grief 15 keert zich tegen de veroordeling van Lozenge c.s. in de proceskosten van de eerste aanleg. Omdat de overige grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden dient Lozenge c.s. als de in het ongelijk gestelde partij te worden aangemerkt. Het hof ziet bij die stand van zaken geen termen om de proceskostenveroordeling van de eerste aanleg desondanks niet te handhaven.

slotsom, proceskosten hoger beroep

3.51.

De grieven behoeven geen verdere bespreking. Voor (verdere) bewijslevering biedt het geding geen plaats. Bovendien heeft Lozenge c.s. geen specifiek bewijs aangeboden van feiten die, indien bewezen, tot een andere beoordeling zouden leiden. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen, het door Lozenge c.s. in hoger beroep meer gevorderde afwijzen, en Lozenge c.s. hoofdelijk vooroordelen in de kosten van het hoger beroep. Het hof begroot deze kosten aan de zijde van Grace c.s. tot op heden op € 760 voor het vastrecht en € 3.342 voor het salaris van de advocaat (3 punten x tarief II hoger beroep), totaal € 5.102.

4 Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het bestreden vonnis;

  • -

    wijst het door Lozenge c.s. in hoger beroep meer gevorderde af;

  • -

    veroordeelt Lozenge c.s. hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Grace c.s. tot op heden begroot op € 5.102;

  • -

    verklaart dit arrest wat deze kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, J.M. van der Klooster en P.W. van Baal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2021 in aanwezigheid van de griffier.