Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1873

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
04-10-2021
Zaaknummer
2200013018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek 26Meiberg. Oplichting d.m.v.phishing van adverteerders op Marktplaats en computervredebreuk en manipulatie van computergegevens + grootschalige oplichting van consumenten + verwerven en voorhanden hebben van toegangscodes tot accounts van die adverteerders – deels in vereniging met een of meer anderen gepleegd: GEV 21 mnd m.a. (rekening houdend met overschrijding van de redelijke termijn) + zeer groot aantal vorderingen BP’s (375) + beslagbeslissing.

Verdachte heeft zich gedurende ruim anderhalf jaar schuldig gemaakt aan oplichting van adverteerders op Marktplaats, computervredebreuk en manipulatie van computergegevens t.a.v. de accounts van die adverteerders. Dat deed hij door met gephishte gegevens in te loggen op Marktplaats-accounts en via die accounts advertenties op marktplaats.nl te plaatsen. Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan grootschalige oplichting van consumenten d.m.v. daartoe opgezette webwinkels, waarbij door die consumenten bestelde en betaalde goederen niet werden geleverd en aan het verwerven en voorhanden hebben van toegangscodes tot die accounts. Een deel van deze feiten is gepleegd in vereniging met een of meer andere verdachten. Verdachte is daarbij planmatig, professioneel en geraffineerd te werk gegaan: de door verdachte gebruikte malafide webwinkels waren niet of nauwelijks te onderscheiden van echte webwinkels van gerenommeerde bedrijven als BCC en Dixons. Consumenten hadden, nadat zij via een betrouwbaar ogende advertentie op marktplaats.nl werden doorgelinkt, dan ook niet door dat zij op een frauduleuze website waren beland. In goed vertrouwen kochten zij artikelen, betaalden op een door verdachte opgegeven bankrekening waarna levering van de bestelde producten uitbleef. Dat resulteerde in financiële schade tot in een enkel geval wel duizenden euro’s per slachtoffer.

Het hof is van oordeel dat, indien het onderzoek van de gegevens op een digitale gegevensdrager zo verstrekkend is dat op voorhand is te voorzien dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager, door de rechter-commissaris die de inbeslaggenomen gegevensdragers voor onderzoek overdraagt aan een opsporingsdienst, moet worden bepaald of wel of niet beperkingen aan dat onderzoek worden verbonden. Bij die beslissing en bij het bepalen van aard en omvang van die eventuele beperkingen zullen factoren als de ingrijpendheid van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de betreffende gegevensdragers door het onderzoek en de proportionaliteit en subsidiariteit van de te verrichten onderzoekshandelingen in relatie tot de aard en omvang van de verdenking waarop het onderzoek betrekking heeft, een rol kunnen spelen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan beperkingen betreffende het aantal te onderzoeken gegevensdragers, beperkingen betreffende de te onderzoeken gegevens (zoals afbeeldingen, communicatie, internetgedrag etcetera) en beperkingen betreffende de periode waarbinnen de te onderzoeken gegevens zijn gegenereerd of op de betreffende digitale-gegevensdrager terecht zijn gekomen. Ook kan worden gekozen voor fasering van toegestane onderzoekshandelingen doordat de rechter-commissaris eventueel tussentijds beslist tot uitbreiding of (verdere) beperking van het toegestane onderzoek.

Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval het uitgevoerde onderzoek aan de gegevensdragers van verdachte niet onrechtmatig is geschied.

Hoewel enkele specifieke aanknopingspunten een sterk vermoeden oproepen dat in de kring van de verdachte en de medeverdachten is samengewerkt vanuit verschillende rollen met het oog op een gemeenschappelijk doel, vergt het bewijs van medeplegen, mede gelet op de omstandigheid dat het contact in die kring volledig online verliep, méér dan bekendheid met en/of beschikkingsmacht over dergelijke informatie bij de medeverdachten en de gebruikmaking daarvan door hen. Dat geldt temeer, omdat niet gebleken is van een systeem van verdeling van opbrengsten die zijn gegenereerd met gedeelde inspanningen. Voor de duiding van de manier waarop te werk is gegaan biedt de inhoud van de (summiere) chat-communicatie te weinig houvast. Het komt derhalve vooral aan op de verklaring van een medeverdachte, die als enige uit voornoemde kring over de werkwijze heeft verklaard. Juist op dat cruciale punt laat die verklaring echter ruimte voor de conclusie dat sprake was van een werkwijze die werd gekenmerkt door een ‘ieder voor zich’-karakter, waarbij met een welbegrepen eigenbelang en in vrijblijvendheid ten opzichte van elkaar weliswaar eenzelfde, maar geen gemeenschappelijk doel werd nagestreefd. Illustratief is in zoverre de volgende passage uit de appelmemorie van het openbaar ministerie: ‘Uit het gehele dossier blijkt dat het min of meer toevallig is welke verdachte welke website voor zijn rekening neemt’. Aldus laat het dossier en het verhandelde ter zitting naar het oordeel van het hof gerede twijfel bestaan dat de werkwijze van de verdachte en de medeverdachten in zijn algemeenheid medeplegen oplevert. Daarom zal per feit worden beoordeeld of in die gevallen desalniettemin toch sprake is van medeplegen.

Tot slot heeft zich een uitzonderlijk groot aantal personen (ongeveer 375 personen) als BP gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend. Nu uit het procesdossier blijkt dat in sommige gevallen niet uitsluitend verdachte, maar ook anderen, oplichtingen hebben gepleegd via dezelfde malafide webwinkels, dient het hof voor alle vorderingen vast te stellen of een causaal verband bestaat tussen de door die BP geleden schade en de door verdachte gepleegde oplichtingen. Enkel het feit dat een BP schade heeft geleden ten gevolge van een oplichting gepleegd via een malafide webwinkel die is opgenomen in de bewezenverklaring ten aanzien van verdachte, acht het hof onvoldoende. Het hof heeft daarom een aantal cumulatieve eisen gehanteerd om tot toewijzing van gevorderde materiële schade te kunnen komen. Hoewel het hof onderkent dat de oplichtingen bij de benadeelde partijen woede, frustratie en verdriet teweeg hebben gebracht, leveren de oplichtingen geen grond voor toewijzing van immateriële schade op.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen BTC 0,549 gelast het hof de teruggave aan verdachte. Het hof stelt vast dat dit geldbedrag is aangetroffen in een ‘wallet’ op een Asus laptop. De vraag die de verdediging aan het hof voorlegt is welke waarderingsgrondslag dient te worden gehanteerd om de tegenwaarde van de bitcoins in euro’s te berekenen. Bij arrest van heden in de zaak van een medeverdachte heeft het hof de teruggave van de Asus laptop aan verdachte gelast. Wanneer de last tot teruggave betrekking heeft op een voorwerp dat reeds is vervreemd – en aldus teruggave daarvan feitelijk niet meer mogelijk is –, dan is art. 119, lid 2, Sv ingevolge art. 353, lid 3, Sv van overeenkomstige toepassing. De omstandigheid dat art. 119, leden 1 en 2, Sv van overeenkomstige toepassing is, brengt mee dat de last tot teruggave is gericht tot de bewaarder van het voorwerp. In geval het voorwerp tegen baat is vervreemd, zal de bewaarder vervolgens overgaan tot uitbetaling van de verkregen opbrengst. Tot een dergelijke waardebepaling is de rechter niet bevoegd.

Medeverdachte: ECLI:NL:GHDHA:2021:1872.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000130-18

Parketnummer: 09-748003-16

Datum uitspraak: 26 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 december 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte 3]

geboren op [geboortedatum] 1991 te 's-Gravenhage

[adres verdachte 3].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 12, 13, 14, 19, 20, 21 april 2021 en 16 augustus 2021.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

De tekst van de - in eerste aanleg gewijzigde - tenlastelegging is als bijlage I aan dit arrest gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Dit betreft kort samengevat dat de verdachte:

feiten 1, 2 en 3 (Marktplaats)
zich in de periode van 13 maart 2014 tot en met 26
oktober 2015 schuldig heeft gemaakt aan het in
vereniging plegen van:

- oplichting door middel van phishing ten aanzien van 319 Marktplaats- of Admarkt-accounts

(feit 1);

- computervredebreuk ten aanzien van 319 Marktplaats- of Admarkt-accounts (feit 2);

- manipulatie van computergegevens ten aanzien van 319 Marktplaats- of Admarkt-accounts (feit 3);

feit 4 (BCC)
zich in de periode van 13 maart 2014 tot en met

26 oktober 2015 schuldig heeft gemaakt aan het in
vereniging plegen van oplichting van minstens 96
personen met behulp van malafide webwinkels die
leken op webwinkels van BCC;

feit 5 (Dixons)
zich in de periode van 2 juni 2014 tot en met

26 oktober 2015 schuldig heeft gemaakt aan het in
vereniging plegen van oplichting van minstens 131
personen met behulp van malafide webwinkels die
leken op webwinkels van Dixons;

feit 6 (GSM-wijzer)
zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging

plegen van oplichting van minstens 46 personen met

behulp van een malafide webwinkel die leek op een

webwinkel van GSM-wijzer, pleegperiode
17 december 2014 tot en met 26 oktober 2015 en/of
aan poging tot oplichting van een of meerdere
onbekend gebleven personen met behulp van
malafide webwinkels die leken op webwinkels van
GSM-wijzer, gepleegd op of omstreeks 12 maart 2015;

feiten 7 en 8 (Scrypt.cc)
zich in de periode van 19 tot en met 22 juni 2015
schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen
van:

- computervredebreuk ten aanzien van Scrypt.cc (feit 7);

- diefstal van BTC 629,95 van Scrypt.cc (feit 8);

feiten 9 en 10 (Hoogstra Autosport)
zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging
plegen van:

- computervredebreuk ten aanzien van Hoogstra Autosport, pleegperiode 1 tot en met 12 juni 2015 (feit 9);

- poging tot afpersing van Hoogstra Autosport en

[slachtoffer 1], pleegperiode 5 tot en met 12 juni 2015 (feit 10);

feiten 11 t/m 14 (Phonespot)
zich in de periode van 11 november 2014 tot en met
31 mei 2015 schuldig heeft gemaakt aan het in
vereniging plegen van:

- computervredebreuk ten aanzien van Phonespot, pleegperiode 11 november 2014 tot en met

31 mei 2015 (feit 11);

- oplichting door middel van phishing van minstens 8 personen met behulp van de webwinkel van Phonespot, pleegperiode 11 november 2014 tot en
met 26 oktober 2015 (feit 12);

- het voorhanden hebben van toegangscodes tot
geautomatiseerde werken van Phonespot,
pleegperiode 11 november 2014 tot en met

31 mei 2015 (feit 13);

- poging tot afpersing van Phonespot, Media Center Rotterdam en [slachtoffer 2], pleegperiode

11 tot en met 17 november 2014 (feit 14);

feit 15 (witwassen)
zich in de periode van 13 maart 2014 tot en met

26 oktober 2015 schuldig heeft gemaakt aan het in
vereniging plegen van witwassen.


Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder feiten 5 en 9 tot en met 15 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder feiten 1 tot en met 4 en 6 tot en met 8 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en omtrent de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 9 tot en met 12, 14 en 15 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tot en met 8 en 13 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Overwegingen van het hof

1 Onderzoek van gegevensdragers

Voorafgaand aan de beoordeling van de afzonderlijk tenlastegelegde feiten dient te worden nagegaan of, zoals de verdachte heeft gesteld, onderzoek naar de geautomatiseerde werken van de verdachte is gedaan, terwijl daarvoor geen wettelijke bevoegdheid bestond en dat derhalve opsporing heeft plaatsgevonden op een wijze die niet bij wet is voorzien. Dit zou een onherstelbaar vormverzuim opleveren, hetgeen in verband met het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: ‘Sv’) zou moeten leiden tot uitsluiting van het bewijs van al hetgeen is aangetroffen op de geautomatiseerde werken van de verdachte.

Dit standpunt van de verdachte betreft meer specifiek de volgende elementen.

In de eerste plaats zijn volgens de verdachte zijn digitale-gegevensdragers (concreet betreft het een Asus laptop (KL066.02.02.002.002, hierna: de ‘Asus laptop’), een iPad, een Toshiba laptop (KL066.02.03.002, hierna: de ‘Toshiba laptop’) en een Samsung Galaxy S5 (KL066.02.04.00, hierna: de ‘Samsung Galaxy’) op

26 oktober 2015 in beslag genomen tijdens een doorzoeking die plaatsvond bij de medeverdachte [verdachte 1] en is op 24 februari 2016 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt betreffende onderzoek naar de Asus laptop en de daarin geplaatste SD-kaart (hierna: de ‘SD-kaart’). Op beide momenten was hij (nog) niet aangemerkt als verdachte.

In de tweede plaats stelt de verdachte dat, als de materiële vereisten zoals opgenomen in artikel 126nba Sv zouden worden toegepast, geen onderzoek naar zijn digitale-gegevensdragers (het hof begrijpt: van de zich daarop bevindende gegevens) zou hebben mogen plaatsvinden.

In de derde plaats heeft de verdachte aangevoerd dat zijn digitale-gegevensdragers met speciale software zijn onderzocht, waardoor voorzienbaar was dat de inbreuk (op zijn persoonlijke levenssfeer, zo begrijpt het hof) zeer ingrijpend zou zijn.

In de vierde plaats heeft de verdachte een beroep gedaan op de prejudiciële beslissing inzake H.K. vs. Estland, C-746/18, van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: ‘het Prokuratuur Estonia-arrest’) dat een rechterlijke instantie voorafgaand moet toetsen of toegang tot gegevens van een verdachte kan worden verleend.

De advocaten-generaal hebben betoogd dat er een wettelijke bevoegdheid bestond tot inbeslagneming van (ook) de gegevensdragers die aan de verdachte toebehoorden op het moment dat hij nog niet als verdachte was aangemerkt en dat, nu die bevoegdheid is uitgeoefend door de rechter-commissaris, aan die gegevensdragers onderzoek mocht worden verricht. Derhalve zijn de gegevensdragers rechtmatig in beslag genomen en onderzocht en is geen sprake van een vormverzuim.

Het hof merkt op dat waar de verdediging consequent spreekt over geautomatiseerde werken en de advocaten-generaal over gegevensdragers als voorwerp van onderzoek, de hiervoor weergegeven standpunten in essentie betrekking hebben op onderzoek van gegevens in de zin van artikel 80quinquies van het Wetboek van Strafrecht (hierna: ‘Sr’). Het hof begrijpt de stelling van de verdediging aldus dat het onderzoek zoals dat heeft plaatsgevonden een zeer ingrijpende inbreuk op de grondrechten van de eigenaar maakt, waarbij (impliciet) het in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: ‘EVRM’) neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer wordt aangehaald. Nu een geautomatiseerd werk en een gegevensdrager op zichzelf ‘kleurloos’ zijn, zijn het de daarin of daarop aanwezige gegevens die informatie over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker kunnen bevatten. Nu een geautomatiseerd werk volgens de begripsomschrijving van artikel 80sexies Sr niet per definitie gegevens behoeft te bevatten, zal het hof uit praktische overwegingen in het navolgende de term ‘digitale-gegevensdrager’ gebruiken ter aanduiding van alle apparaten met de functionaliteit om digitale gegevens op te slaan, ook als deze daarnaast aangemerkt kunnen worden als geautomatiseerd werk in de zin van artikel 80sexies Sr.

Het hof gaat bij de beoordeling van de hiervoor weergegeven standpunten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Het onderzoek 26Meiberg (hierna: ‘onderzoek Meiberg’) is op 24 februari 2015 gestart. De medeverdachte [verdachte 1] is op 18 mei 2015 als verdachte van het namaken, plaatsen, beheren etcetera van malafide webwinkels aangemerkt.

Op 26 oktober 2015 heeft onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden in de woning op het adres [adres 2 verdachte 1] te 's-Gravenhage, in gebruik bij de medeverdachte [verdachte 1]. In die woning was op het moment van de doorzoeking ook de verdachte aanwezig. Door de rechter-commissaris is onder meer de Asus laptop in beslag genomen en voor nader onderzoek overgedragen aan het onderzoeksteam. De verdachte verklaarde ter gelegenheid van die doorzoeking dat deze laptop aan hem toebehoorde.

Blijkens een proces-verbaal van 24 februari 2016 is met technische hulpmiddelen (Internet evidence finder en Encase) onderzoek gedaan naar gegevens op de Asus laptop en de SD-kaart. Hieruit is kort en zakelijk weergegeven gebleken dat zich daarop onder meer het volgende bevindt:

- Skype-gesprekken in de periode van 20 tot 28 juni 2015 tussen de accounts "[bijnaam 12]" en "[bijnaam 8]" waarin onder andere de

e-mailadressen "[e-mailadres 2]", [e-mailadres 12], [e-mailadres 13] en [e-mailadres 14] worden genoemd;

- gegevens betreffende het Skype-account "[bijnaam 13]", met name dat daaraan het

IP-adres [IP-adres 5] gekoppeld was;

- een Skype-gesprek van 12 maart 2015 tussen "[bijnaam 13]" en "[bijnaam 14]" waarin onder meer "www.bcc-winkel.com" en "dixxons.com" worden genoemd;

- 24 afbeeldingen van paspoorten en identiteitsbewijzen.

Op 29 maart 2016 wordt de verdachte als verdachte aangemerkt. Uit het proces-verbaal van die datum blijkt dat dit is gebaseerd op de volgende informatiebronnen:

  • -

    TCI-informatie;

  • -

    een MMA-melding;

  • -

    afgeluisterde telefoongesprekken op een telefoonaansluiting van de medeverdachte [verdachte 1];

  • -

    historische telecommunicatiegegevens;

  • -

    antecedenten van de verdachte;

  • -

    een aangifte van ING uit maart 2014;

  • -

    onderzoek naar de inhoud van de Asus laptop.

Uit een proces-verbaal van 13 april 2016 blijkt dat onderzoek is gedaan ter vaststelling van de identiteit van de gebruiker van diverse bij de doorzoeking op

26 oktober 2015 aangetroffen digitale gegevensdragers. Het betreft de Samsung Galaxy, een harddisk en de SD-kaart, een iPad Air en de Toshiba laptop. In dit proces-verbaal wordt geconcludeerd dat de verdachte gebruiker van al deze gegevensdragers was.

Het hof zal allereerst de stelling van de verdachte beoordelen dat zijn gegevensdragers niet bij de doorzoeking op 26 oktober 2015 in beslag mochten worden genomen.

Ingevolge artikel 104 Sv is de rechter-commissaris tot inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen bevoegd, waaronder ingevolge artikel 94 Sv begrepen alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid omtrent het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft aan de dag te brengen.

Dit betekent dat de vraag aan wie een voorwerp toebehoort als zodanig niet bepalend is voor de vraag of dat voorwerp in beslag mag worden genomen, maar dat het, voor zover relevant in het kader van de voorliggende kwestie, erom gaat of de gegevens op de betreffende gegevensdragers konden dienen om de waarheid omtrent de tegen de medeverdachte [verdachte 1] bestaande verdenking van het namaken, plaatsen, beheren etcetera van malafide webwinkels aan de dag te brengen.

Die vraag beantwoordt het hof bevestigend. De verdenking betrof immers bij uitstek activiteiten die sporen achterlaten op digitale gegevensdragers. De enkele omstandigheid dat een ander dan de persoon op wie de verdenking is gericht stelt dat een bij die ‘verdachte’ persoon aangetroffen digitale gegevensdrager aan hem of haar toebehoort, betekent niet zonder meer dat die digitale gegevensdrager niet kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen omtrent de tegen die persoon bestaande verdenking.

Namens de medeverdachte [verdachte 1] is een verweer gevoerd met betrekking tot de rechtmatigheid van het onderzoek van zich op digitale gegevensdragers bevindende gegevens en daarmee samenhangend de bruikbaarheid van de bevindingen uit dat onderzoek voor het bewijs. Nu deze bevindingen ook relevant zijn voor (onderdelen van) de bewijsoverwegingen met betrekking tot de verdachte zal het hof zich in dit geval ambtshalve omtrent deze kwestie uitlaten.

In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of, zoals door het openbaar ministerie is betoogd, indien eenmaal sprake is van rechtmatig door de rechter-commissaris in beslag genomen voorwerpen, uit (de uitoefening van) die bevoegdheid zonder meer voortvloeit dat de gegevens op die gegevensdragers ongeclausuleerd mochten worden onderzocht.

Hoewel een dergelijk standpunt in zijn algemeenheid houdbaar is, geldt dat niet onverkort - zo begrijpt het hof de arresten van de Hoge Raad van 4 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:584; ECLI:NL:HR:2017:588; ECLI:NL:HR:2017:592) - indien het onderzoek van de gegevens op een digitale gegevensdrager zo verstrekkend is dat op voorhand is te voorzien dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager. In dat geval zal door de rechter-commissaris die de inbeslaggenomen gegevensdragers voor onderzoek overdraagt aan een opsporingsdienst, moeten worden bepaald of wel of niet beperkingen aan dat onderzoek worden verbonden. Bij die beslissing en bij het bepalen van aard en omvang van die eventuele beperkingen zullen factoren als de ingrijpendheid van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de betreffende gegevensdragers door het onderzoek en de proportionaliteit en subsidiariteit van de te verrichten onderzoekshandelingen in relatie tot de aard en omvang van de verdenking waarop het onderzoek betrekking heeft een rol kunnen spelen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan beperkingen betreffende het aantal te onderzoeken gegevensdragers, beperkingen betreffende de te onderzoeken gegevens (zoals afbeeldingen, communicatie, internetgedrag etcetera) en beperkingen betreffende de periode waarbinnen de te onderzoeken gegevens zijn gegenereerd of op de betreffende digitale-gegevensdrager terecht zijn gekomen. Ook kan worden gekozen voor fasering van toegestane onderzoekshandelingen doordat de rechter-commissaris eventueel tussentijds beslist tot uitbreiding of (verdere) beperking van het toegestane onderzoek.

In het onderhavige geval heeft een dergelijke toetsing niet kenbaar plaatsgevonden. Het proces-verbaal van doorzoeking bij de medeverdachte [verdachte 1] vermeldt slechts dat na telefonische opening en sluiting van de doorzoeking door de rechter-commissaris de in beslag genomen voorwerpen voor nader onderzoek zijn overgedragen aan de teamleider van het onderzoeksteam Meiberg. Tegen die achtergrond is thans slechts een beoordeling achteraf mogelijk van de vraag of de rechter-commissaris toestemming zou hebben gegeven voor het onderzoek van de gegevens op de digitale gegevensdragers van verdachte en de medeverdachte [verdachte 1], zoals dat heeft plaatsgevonden. Daartoe overweegt het hof het volgende.

Op basis van het dossier laat dit onderzoek zich in drie fasen onderverdelen.

In de eerste fase is op 24 februari 2016 hoofdzakelijk een aantal Skype-gesprekken onderzocht die waren vastgelegd op de Asus laptop en de SD-kaart. Op dat moment was de verdachte nog niet als zodanig aangemerkt. Uit het proces-verbaal waarin over dit onderzoek wordt gerelateerd blijkt dat dit niet specifiek op de verdachte was gericht, maar op de namen van enkele medeverdachten dan wel op specifieke strafbare feiten die in het onderzoek Meiberg aan de orde waren. Dit onderzoek had derhalve geen betrekking op de medeverdachte [verdachte 1], waardoor het eventueel ten onrechte ontbreken van toestemming daarvoor van de rechter-commissaris niet onrechtmatig jegens hem was.

In de tweede fase zijn op 13 april 2016 de hiervoor weergegeven digitale gegevensdragers onderzocht louter ter vaststelling van de identiteit van de gebruiker daarvan. Bij gebreke van andere mogelijkheden voor die vaststelling dan het onderzoeken van een beperkt aantal gegevens op de verschillende digitale gegevensdragers had de rechter-commissaris hiervoor toestemming mogen geven, zodat het hof dit onderzoek niet onrechtmatig.

Nadien zijn alle gegevensdragers uitvoerig onderzocht. Gegeven de zeer forse omvang van de strafbare feiten waarop het tegen de verdachte ingestelde onderzoek betrekking had en de vrijwel uitsluitend digitale aard van die strafbare feiten en daarmee ook van de mogelijke aanwijzingen van betrokkenheid van de verdachte daarbij, had de rechter-commissaris ook hiervoor toestemming mogen geven, zodat het hof ook dit onderzoek niet onrechtmatig acht.

Het hof is van oordeel dat, indien de materiële vereisten ingevolge artikel 126nba Sv toegepast zouden worden, voorgaande oordelen identiek zouden uitvallen.

Aangevoerd is tenslotte dat uit het Prokuratuur Estonia-arrest blijkt dat op grond van Richtlijn 2002/58/EG in casu voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit had dienen plaats te vinden, nu het onderzoek van de betreffende gegevensdragers op één lijn gesteld kan worden met het vorderen van gegevens betreffende elektronische communicatie.

Het hof stelt vast dat deze stelling geen bespreking behoeft, nu het hof de conclusie die de verdediging daaruit trekt - weliswaar op andere gronden - deelt.

2 Tot de verdachte te herleiden identificerende gegevens

Nu er door of namens de verdachte geen verweer is gevoerd ten aanzien van de in eerste aanleg door de rechtbank getrokken tussenconclusie met betrekking tot de tot de verdachte te herleiden IP-adressen, bijnaam en Skypeaccount- en Skypeschermnamen, gaat het hof uit van de vaststelling van deze gegevens zoals door de rechtbank vastgesteld. Dit levert in concreto het volgende op.

De verdachte was de eigenaar en de gebruiker van de bij hem aangetroffen Samsung Galaxy, Asus laptop, SD geheugenkaart en Toshiba laptop.

De verdachte maakte gebruik van onder meer de volgende IP-adressen:

- [ [IP-adres 6]

− [ [IP-adres 5].

Hij gebruikte verder onder meer de volgende aliassen (waaronder Skypeaccountnamen en Skypeschermnamen) en

e-mailadressen:

  • -

    [bijnaam 15]

  • -

    [bijnaam 16]

  • -

    [bijnaam 12]

  • -

    [bijnaam 13]

  • -

    [skypeschermnaam verdachte 3]

  • -

    [e-mailadres 15]

  • -

    [e-mailadres 15].

3 Medeplegen - overweging van algemene aard

Het openbaar ministerie heeft ervoor gekozen om de strafbare feiten die uit het onderzoek Meiberg naar voren zijn gekomen, afgezien van de oplichting in relatie tot Marktplaats, de computervredebreuk en de verstoring van computergegevens (eveneens in relatie tot Marktplaats), per malafide webwinkel ten laste te leggen, in alle gevallen in de medeplegen-variant, en niet als één oplichtingsfeit waarin alle malafide webwinkels zijn verwerkt. In hun requisitoir hebben de advocaten-generaal de beweegredenen voor die keuze toegelicht. Die keuze brengt mee dat de tot oordelen geroepen rechter niet voor het samenstel van die strafbare feiten, maar per tenlastegelegd feit en aldus voor iedere malafide webwinkel afzonderlijk heeft te beslissen of voldaan is aan de vereisten van medeplegen. Daaraan zal hieronder uitvoering worden gegeven. Dat laat onverlet dat het hof in de beoordeling van het bewijs met betrekking tot elk tenlastegelegde feit de mogelijke overeenkomsten tussen dat feit en een of meer van de andere tenlastegelegde feiten kan betrekken.

Daarnaast heeft het openbaar ministerie ervan afgezien om de verdachten te vervolgen voor deelneming aan een criminele organisatie. Aldus komt het hof niet toe aan een afzonderlijke beoordeling van de vraag of de verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het plegen van strafbare feiten binnen een georganiseerd verband.

Beide keuzes leiden ertoe dat in deze zaak de enkele cumulatie van malafide webwinkels niet relevant is. Daarom valt een beoordeling van het samenstel van strafbare gedragingen door de verdachte en de medeverdachten met betrekking tot die combinatie, buiten het bestek van deze zaak.

4 Is sprake van medeplegen?

Naar vaste jurisprudentie kan de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen worden bewezen verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verschillende verdachten.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De feiten 1 tot en met 3 vormen eigenlijk de opmaat naar de oplichting van de consumenten die slachtoffer zijn geworden van de advertenties namens malafide webwinkels die via de accounts van zakelijke en particuliere adverteerders op de website van Marktplaats B.V. (hierna: ‘Marktplaats’, waar de website van deze onderneming wordt bedoeld zal worden gesproken van ‘marktplaats.nl’) zijn geplaatst. Zonder de onder de feiten 1 tot en met 3 tenlastegelegde feiten had die oplichting van de consumenten niet kunnen plaatsvinden. Immers, zonder de gephishte accountgegevens, zonder gebruikmaking van met die aldus verkregen inloggegevens gehackt particuliere adverteerders en zonder het vervolgens vanaf die accounts plaatsen van de advertenties hadden de slachtoffers niet van het bestaan van de malafide webwinkels geweten. Het hof verstaat in dit geval onder ‘phishing’: het per
e-mailbericht bewegen van ontvangers daarvan de inloggegevens tot hun accounts bij een nagemaakte, echt lijkende webwinkel in te vullen, op zodanige wijze dat die gegevens in handen van de verdachte en de medeverdachten kwamen. Uit het perspectief van degenen die bemoeienis hebben gehad met het maken van de malafide webwinkels en het plaatsen van advertenties voor producten van die malafide webwinkels hadden zij zich zonder dit alles alle moeite kunnen besparen. Met andere woorden: elk van de feiten 1 tot en met 3 is essentieel voor het welslagen van de oplichting, zoals tenlastegelegd onder de feiten 4 en volgende. Hoewel het hof pas bij de beoordeling van de feiten 4 en volgende zal ingaan op de betrokkenheid van de verdachte bij de oplichtingen waarbij gebruik is gemaakt van advertenties voor de tenlastegelegde malafide webwinkels, overweegt het hof in dit verband dat bij die oplichtingen gebruik is gemaakt van de gedragingen die zijn tenlastegelegd onder de feiten 1 tot en met 3. Dat neemt evenwel niet weg dat het voor het medeplegen in relatie tot de feiten 1 tot en met 3 moet worden vastgesteld of sprake is geweest van samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten in de voor medeplegen vereiste zin en mate. Het hof stelt vast dat het dossier diverse aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat (i) anderen dan de medeverdachte [verdachte 2] kennis hebben gehad van en/of de beschikking hebben gehad over gegevens die hij heeft gebruikt met betrekking tot de door hem bekende feiten 1 tot en met 3 en (ii) dat de verdachte en de medeverdachten advertenties voor producten van diverse malafide webwinkels hebben geplaatst met gebruikmaking van de (resultaten van de) gedragingen zoals tenlastegelegd onder 1 en met 3.
Zo

  • -

    heeft de medeverdachte [verdachte 2] verklaard bestanden met afgevangen e-mailadressen en wachtwoorden van accounthouders en een phishing template met onder andere de medeverdachte [verdachte 4] te hebben gedeeld;

  • -

    zijn op gegevensdragers van de medeverdachte [verdachte 3] HTML-bestanden aangetroffen van op marktplaats.nl gelijkende websites alsmede een bestand met Admarkt-accounts;

  • -

    beschikten alle medeverdachten over het e-mailadres van een aangever uit de kring van de Admarkt-adverteerders;

  • -

    zijn op een gegevensdrager van de medeverdachte [verdachte 4] inloggegevens aangetroffen van twee accounts van adverteerders waarmee vanaf het IP-adres van de verdachte advertenties zijn geplaatst;

  • -

    hebben de medeverdachten [verdachte 2] en [verdachte 4] gechat over phishing e-mailberichten en phishing-sites en

  • -

    heeft laatstgenoemde met de medeverdachte [verdachte 3] gechat over het ‘pakken van accounts’.

Daarmee staat evenwel nog niet vast dat sprake is geweest van medeplegen. Hoewel de hiervoor genoemde aanknopingspunten een sterk vermoeden oproepen dat in de kring van de verdachte en de medeverdachten is samengewerkt vanuit verschillende rollen met het oog op een gemeenschappelijk doel, vergt het bewijs van medeplegen, mede gelet op de omstandigheid dat het contact in die kring volledig online verliep, méér dan bekendheid met en/of beschikkingsmacht over dergelijke informatie bij de medeverdachten en de gebruikmaking daarvan door hen. Dat geldt temeer, omdat niet gebleken is van een systeem van verdeling van opbrengsten die zijn gegenereerd met gedeelde inspanningen. Voor de duiding van de manier waarop te werk is gegaan biedt de inhoud van de (summiere) chat communicatie te weinig houvast. Het komt derhalve vooral aan op de verklaring van de medeverdachte [verdachte 2], die als enige uit voornoemde kring over de werkwijze heeft verklaard. Juist op dat cruciale punt laat die verklaring ruimte bestaan voor een werkwijze die wordt gekenmerkt door een ‘ieder voor zich’-karakter, waarbij met een welbegrepen eigenbelang en in vrijblijvendheid ten opzichte van elkaar weliswaar eenzelfde, maar geen gemeenschappelijk doel werd nagestreefd. Illustratief is in zoverre de passage uit de appelmemorie van het openbaar ministerie ‘Uit het gehele dossier blijkt dat het min of meer toevallig is welke verdachte welke website voor zijn rekening neemt’. Aldus laat het dossier en het verhandelde ter zitting naar het oordeel van het hof in zijn algemeenheid zodanige twijfel bestaan dat de werkwijze van de verdachte en de medeverdachten in zijn algemeenheid medeplegen oplevert. Echter zal per feit worden beoordeeld of in die gevallen desalniettemin toch sprake is van medeplegen in de zin van artikel 47 Sr.

5 Feitenbehandeling

Feiten 1, 2 en 3 (Zaaksdossier 1: Marktplaats)


Het zaaksdossier Marktplaats omvat drie afzonderlijke feiten: het medeplegen van oplichting van Marktplaats door phishing van 219 Admarkt- en 100 Marktplaats-accounts (feit 1), het medeplegen van computervredebreuk van die Admarkt- en Marktplaats-accounts (feit 2) en het medeplegen van verstoring van computergegevens op die Admarkt- en Marktplaats-accounts (feit 3). Het hof verstaat in dit geval onder phishing: het per

e-mailbericht bewegen van ontvangers daarvan de inloggegevens tot hun accounts op een nagemaakte, echt lijkende webwinkel in te vullen, op zodanige wijze dat die gegevens in handen van de verdachte en de medeverdachten kwamen.

Kort samengevat komen die feiten erop neer dat zakelijke adverteerders op de website marktplaats.nl over een zogeheten ‘Admarkt-account’ beschikken, waarmee ze kunnen adverteren. Aan houders van dergelijke Admarkt-accounts zijn e-mailberichten gestuurd, ogenschijnlijk afkomstig van Marktplaats, waarin stond dat ze hadden aangegeven iets aan hun account te willen veranderen; bijvoorbeeld hun e-mailadres of wachtwoord. Als ze die wijziging ongedaan wilden maken, moesten ze op een meegestuurde link klikken en inloggen op hun account. In werkelijkheid logden ze dan niet in op hun eigen account bij marktplaats.nl, maar op een inlogpagina van een nagemaakte Marktplaats-omgeving. Op deze manier werden adverteerders hun inloggegevens ontfutseld, waarna met gebruikmaking van die inloggegevens op hun accounts werd ingelogd en via die accounts advertenties werden geplaatst voor malafide webwinkels. Op dezelfde manier is gehandeld bij particuliere adverteerders op Marktplaats.

Uit gegevens van Marktplaats blijkt dat er tussen

13 maart 2014 en 9 mei 2015 in totaal 502.840 frauduleuze advertenties zijn aangemaakt vanaf 115 gehackte Admarkt-accounts. In deze advertenties werd verwezen naar 17 verschillende malafide webwinkels.

De rechtbank heeft - in grote lijnen - bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting, computervredebreuk en verstoring van computergegevens ten aanzien van Admarkt- en Marktplaats-accounts, onder vrijspraak van het tenlastegelegde medeplegen.

De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat deze feiten ten aanzien van de verdachte kunnen worden bewezen, en wel in de variant van medeplegen, omdat bij het plegen van die feiten telkens sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit op de grondslag dat voor een en ander voldoende overtuigend bewijs ontbreekt. Specifiek ten aanzien van het medeplegen heeft de verdediging ingestemd met de vrijspraak door de rechtbank.

Feit 1 (oplichting)

Door een aantal houders van Admarkt-accounts is aangifte gedaan van onder meer het verstrekken van inloggegevens ten behoeve van hun accounts naar aanleiding van de ontvangst van een e-mailbericht met een daartoe strekkend verzoek en van daaruit voortvloeiende gevolgen.

Op de SD-kaart uit de Asus laptop van de verdachte zijn twee bestanden aangetroffen met de namen ‘Admarkt spoof.html’ en ‘Admarkt spoof 2.html’. Spoofing is een aanduiding voor het vervalsen van kenmerken om tijdelijk een valse digitale identiteit aan te nemen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om een e-mailadres of een URL/domeinnaam/IP-adres. De aangetroffen bestanden betreffen (html-code van) websites waarop wordt gevraagd om in te loggen met het Admarkt-account van de gebruiker om te profiteren van een aanbod van € 150 gratis Admarkt-tegoed. De URL's van deze websites, admarkt.nnarktplaats.nl en admarkt-markpltaats.nl, duiden erop dat het gaat om nabootsingen van de echte admarkt-markplaats.nl-website. De betreffende URL's stonden niet op naam van Marktplaats. Uit het dossier blijkt dat de domeinen behorende bij deze URL's op respectievelijk

24 november 2014 en 23 december 2014 zijn geregistreerd. De echte Admarkt-inlogpagina van Marktplaats heeft de domeinnaam/URL ‘admarkt.marktplaats.nl’. Gebruikers konden op de nagemaakte websites terecht komen door bijvoorbeeld in een e-mailbericht of elders op een link te klikken die verwijst naar de betreffende URL’s. Het gaat bij de domeinnamen/URL's admarkt.nnarktplaats.nl en admarkt-markpltaats.nl dus om URL-spoofing, het nabootsen van een bestaande URL, zodat de gebruiker veronderstelt de echte website te bezoeken, terwijl het in werkelijkheid om de URL van een bedrieger gaat.

Op de SD-kaart uit de Asus laptop is ook een bestand aangetroffen met de naam ‘Alles\Admarkt accounts’ met vermoedelijk gehackte Admarkt-accounts. Bij Marktplaats zijn de gegevens met betrekking tot deze Admarkt-accounts gevorderd. Uit de door Marktplaats aangeleverde informatie is gebleken dat vanaf 83 accounts uit voornoemde bij de verdachte aangetroffen lijst Admarkt-accounts duizenden advertenties voor malafide webwinkels zijn geplaatst. Daaruit moet naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat de verdachte beschikte over de bij deze accounts behorende inloggegevens.

Op de SD-kaart is een bestand met de naam “Email lijst admarkt” aangetroffen met daarin 9.234 e-mailadressen. Op de Toshiba laptop van de verdachte is een bestand met de naam “marktplaats.txt” aangetroffen, waarin 5.403

e-mailadressen staan waaronder dat van de heer [aangever 1], eigenaar van Graffitiworld, een van de Admarkt-accounthouders die aangifte heeft gedaan, alsmede een bestand met de naam “f_0004c5” met een lijst van 9.234

e-mailadressen.

Aanwijzingen ontbreken echter dat de verdachte aan deze e-mailadressen gekoppelde accounthouders heeft bewogen om hun inloggegevens prijs te geven.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels en/of met listige kunstgrepen houders van Admarkt-accounts ertoe heeft bewogen hun inloggegevens prijs te geven. Derhalve komt het hof tot een bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde oplichting. Evenwel spreekt het hof de verdachte partieel vrij van de in de tenlastelegging opgevoerde aantallen betreffende de getroffen Admarkt- en Marktplaats-accounthouders. Het daarvoor benodigde bewijs ontbreekt immers en dat geldt ook ten aanzien van de 8 accounthouders die met naam in de tenlastelegging zijn genoemd.

Concrete aanwijzingen dat de verdachte ten aanzien van het verkrijgen van deze inloggegevens met een of meer anderen heeft samengewerkt, ontbreken. De enkele omstandigheid dat naast de verdachte ook de medeverdachten [verdachte 1] en [verdachte 4] over het e-mailadres van aangever [aangever 1] beschikten, is daarvoor onvoldoende. Derhalve spreekt het hof de verdachte vrij van medeplegen.

Feit 2 (computervredebreuk)

Namens Marktplaats is aangifte gedaan van onder meer computervredebreuk. Daarnaast hebben ook 8 accounthouders aangifte gedaan van onder meer het wederrechtelijk binnendringen in hun computers en hun Admarkt-accounts.

Onderzoek aan het eerder genoemde bestand ‘Alles\Admarkt accounts’ dat is aangetroffen op de Asus laptop van de verdachte leert dat achter een groot aantal Admarkt-accounts onder meer het volgende commentaar te zien is:

‘– – ˃ Gebruikt

– – ˃ Gebruikt – – ˃ Weer Gebruikt’

Daaruit moet naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat de verdachte er daadwerkelijk in geslaagd is toegang te verkrijgen tot de betreffende Admarkt-accounts.

Voorts zijn er met de bij de verdachte aangetroffen gehackte Admarkt-accounts vanaf het IP-adres [IP-adres 6] op 1 december 2014 146 advertenties geplaatst voor de malafide webwinkel simyo-prepaid.com.

Vanaf het IP-adres [IP-adres 5] zijn op 12 maart 2015 674 advertenties geplaatst op marktplaats.nl voor de malafide webwinkel gsmwebdeals.com.

Het plaatsen van al deze advertenties zou niet mogelijk zijn geweest als de verdachte niet opzettelijk en wederrechtelijk toegang had verkregen tot Admarkt- en particuliere accounts van adverteerders die gebruik maakten van de website marktplaats.nl en daarmee tot de computersystemen waarop die website draaide.

Een en ander levert naar het oordeel van het hof bewijs op van het onder 2 tenlastegelegde. Evenwel spreekt het hof de verdachte partieel vrij van de in de tenlastelegging opgevoerde aantallen betreffende de getroffen Admarkt- en Marktplaats-accounthouders. Het daarvoor benodigde bewijs ontbreekt immers en dat geldt ook ten aanzien van de 8 accounthouders die met naam in de tenlastelegging zijn genoemd.

Feit 3 (‘manipulatie’ van computergegevens)

Namens Marktplaats is aangifte gedaan van onder meer verstoring van computergegevens.

Daarnaast hebben ook 8 accounthouders aangifte gedaan van onder meer het toevoegen van gegevens binnen hun Admarkt-accounts bestaande uit het plaatsen via die accounts van diverse advertenties voor malafide webwinkels.

Op de 83 gehackte Admarkt-accounts, zoals aangetroffen in het bij de verdachte aangetroffen bestand, is ingelogd en vervolgens zijn vanuit deze accounts 31.909 advertenties voor malafide webwinkels op Marktplaats gezet, waaronder voor bcc-winkel.com, outlet-bcc.com, gsmwijzer-outlet.com, gsm-webwinkel.com en gsmwebdeals.com.


Zoals hiervoor reeds is vastgesteld zijn volgens Marktplaats met de bij de verdachte aangetroffen gehackte Admarkt-accounts vanaf een tweetal aan de verdachte gekoppelde IP-adressen ruim 800 advertenties voor malafide webwinkels geplaatst.
Een en ander leidt tot het oordeel dat het hof bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 tenlastegelegde, met dien verstande dat het hof de verdachte partieel vrijspreekt van verstoring van computergegevens bestaande uit het wijzigen van de CPC (cost per click). Afgezien van een proces-verbaal waarin een algemene beschrijving is gegeven van de werkwijze van het manipuleren van de Admarkt-accounts en de gerelateerde advertenties en waarin melding wordt gemaakt van de mogelijkheid van verhoging van het klikbedrag voor een advertentie ter verbetering van de zichtbaarheid van die advertentie, ontbreekt bewijs dat daarvan in de onderhavige zaak sprake is geweest.

Evenmin bevat het dossier bewijs dat de verdachte de beveiliging van de Admarkt-accounts heeft gewijzigd waardoor de accounthouders geen toegang meer hadden tot hun eigen accounts. In hun aangiftes hebben enkele aangevers weliswaar verklaard per e-mailbericht te hebben vernomdat het wachtwoord van hun account was veranderd, maar dat bericht was een voorwendsel om de betreffende accounthouder ertoe te bewegen zijn inloggegevens prijs te geven en vormde onderdeel van de oplichting waarop het hof hiervoor al is ingegaan. Die e-mailberichten leveren derhalve geen bewijs op van de ontoegankelijkheid van de Admarkt-accounts. Tot de bijlagen bij de verschillende aangiftes behoren e-mailberichten van Marktplaats, waarin wordt meegedeeld “Uit voorzorg hebben wij de toegang tot uw account tijdelijk vergrendeld”. Met andere woorden, de tijdelijke ontoegankelijkheid van de Admarkt-accounts is niet rechtstreeks terug te voeren op een gedraging van de verdachte, maar het gevolg van een (beveiligings)maatregel door Marktplaats.

Dat de verdachte het bewezenverklaarde in nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen heeft begaan, is onvoldoende gebleken. Het hof spreekt de verdachte daarvan dan ook vrij. Bij gebrek aan bewijs spreekt het hof de verdachte eveneens partieel vrij van de in de tenlastelegging opgevoerde aantallen betreffende de getroffen Admarkt- en Marktplaats-accounthouders evenals van de 8 accounthouders, die met naam in de tenlastelegging zijn genoemd.

Causaal verband met betrekking tot de oplichtingsfeiten 4, 5, 6 en 8

Bij de beoordeling van het causaal verband met betrekking tot de hierna volgende oplichtingsfeiten moet onderscheid worden gemaakt tussen:

(i) het causaal verband zoals besloten in het bestanddeel ‘beweegt tot’ uit de delictsomschrijving van artikel 326, eerste lid, Sr. Daarmee is - in de context van de onderhavige zaak - tot uitdrukking gebracht dat een onjuiste voorstelling van zaken aan de zijde van een slachtoffer resulterend in betaling ter zake van een artikel waarvoor door een malafide webwinkel is geadverteerd moet zijn terug te voeren tot één van de in datzelfde wetsartikel genoemde oplichtingsmiddelen;

(ii) het causaal verband tussen een van die oplichtingsmiddelen en de verdachte.

Ad (i)

Uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 20 december 2016 (ECLI: NL:HR:2016:2889) en daarop voortbordurende jurisprudentie volgt dat van het in het bestanddeel ‘beweegt tot’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband sprake is als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door een of meer van de tenlastegelegde oplichtingsmiddelen in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot onder meer de afgifte van een goed als bedoeld in artikel 326, eerste lid, Sr. Dat is niet het geval wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien of daarop bedacht had moeten zijn. Uit een en ander leidt het hof af dat tot dergelijke – vanuit het perspectief van slachtoffers: verontschuldigbare – omstandigheden kunnen worden gerekend associaties die door de verdachte zijn opgeroepen met bestaande en in het maatschappelijk verkeer als betrouwbaar bekend staande websites en bedrijven, zoals blijkend uit de professionaliteit waarmee die websites en advertenties zijn gemaakt, zoals wat betreft functionaliteit, vormgeving en naamgeving. Daarnaast komt betekenis toe aan het advertentieplatform waarvan door de verdachte gebruik is gemaakt en het met dat platform samenhangende handelspatroon.

Het hof stelt vast dat de verdediging op dit punt geen verweer heeft gevoerd. In het bijzonder is geen verweer gevoerd tegen de verdenking dat door één van de in artikel 326 Sr genoemde oplichtingsmiddelen bij slachtoffers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen op grond waarvan die slachtoffers zijn overgegaan tot bestelling en betaling van artikelen waarna levering van het gekochte en betaalde uitbleef. Tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat het onder (i) bedoelde causaal verband met betrekking tot de hier besproken feiten aanwezig is.

Ad (ii)

Daarentegen is door de verdediging wel verweer gevoerd tegen deze vorm van het causaal verband, in de zin dat betrokkenheid van de verdachte bij oplichting door middel van (specifieke) malafide webwinkels en advertenties voor producten van dergelijke webwinkels wordt betwist. Derhalve zal het hof per (oplichtings)feit beoordelen of de verdachte gebruik heeft gemaakt van die oplichtingsmiddelen (de betreffende malafide webwinkels en advertenties van dergelijke webwinkels).

Feit 4 (Zaaksdossier 2: BCC)
Het zaaksdossier BCC betreft één feit: het medeplegen van oplichting van tenminste 96 personen met behulp van malafide webwinkels lijkend op de webwinkel van BCC. Gedurende de maanden maart tot en met oktober 2014 zijn diverse malafide webwinkels actief geweest,waarvan het internetadres suggereerde dat deze tot BCC behoorden, zoals outlet-bcc.com, bcc-store.com, bcc-wk.com,

bcc-winkel.com en dealsbijbcc.com.

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van de oplichtingen met betrekking tot de malafide webwinkels bcc-store.com, bcc-wk.com en dealsbijbcc.com.

De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld zich te kunnen verenigen met de vrijspraken ten aanzien van deze webwinkels. Tevens hebben de advocaten-generaal gerequireerd tot veroordeling van de verdachte voor de malafide webwinkels outlet-bcc.com en

bcc-winkel.com.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat niet duidelijk is welke intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht de verdachte geleverd zou hebben. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van zowel outlet-bcc.com als

bcc-winkel.com.

bcc-store.com, bcc-wk.com en dealsbijbcc.com
Met de rechtbank, de advocaten-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend gebleken is van betrokkenheid van de verdachte bij bovengenoemde malafide webwinkels. Het hof spreekt de verdachte derhalve vrij van de betreffende onderdelen.

bcc-winkel.com
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 31 maart 2014 heeft de heer [aangever 2] aangifte gedaan van oplichting. Uit zijn aangifte blijkt dat hij op 29 maart 2014 voor € 349,- een iPhone 5 telefoon heeft besteld via bcc-winkel.com waarbij hij via een overschrijving bij ING heeft betaald. Hierna heeft hij op alle mogelijke manieren contact proberen te krijgen, maar de eigenaar was spoorloos. De site bleek een malafide webwinkel te zijn en de iPhone is nooit geleverd.

Op 26 maart 2014 heeft de heer [aangever 3] aangifte gedaan van oplichting. Uit zijn aangifte blijkt dat hij op 24 maart 2014 voor € 399,99 een spelcomputer heeft besteld via bcc-winkel.com en het geld heeft overgemaakt naar een ING-rekening [bankrekeningnr. 1]. Deze spelcomputer is nooit geleverd.

Op 31 maart 2014 heeft de heer [benadeelde partij 39] aangifte gedaan van oplichting. Uit zijn aangifte blijkt dat hij via Marktplaats bij bcc-winkel.com terecht is gekomen en een iPhone 4 heeft gekocht. Omdat hij het ordernummer niet had vermeld, heeft hij gechat met een verkoper en via een iDEAL-link is hem toen opnieuw een bedrag afhandig gemaakt. Uit de aangifte en een bijgevoegd rekeningoverzicht blijkt dat hij op 28 maart 2014 in totaal € 680,99 heeft betaald.

Op 28 maart 2014 heeft mevrouw [benadeelde partij 40] aangifte gedaan van oplichting. Uit haar aangifte blijkt dat zij bij bcc-winkel.com een Samsung Galaxy S4 telefoon heeft gekocht. Zij beschikte over de volgende gegevens:

info@bcc-winkel.com, [postbus 1], [adres 2], KvK: [KvK 1], BTW-nr: [BTW-nr. 1], bankrekeningnummer [bankrekeningnr. 3]. Na de betaling kwam zij erachter dat het oplichters waren, de site klopte niet. Uit een bij de aangifte gevoegd e-mailbericht blijkt dat de bestelling is gedaan op 28 maart 2014.

Op de SD-kaart uit de Asus laptop van verdachte is onder andere een Skype-chat aangetroffen van 7 december 2014 tussen hem (‘[bijnaam 13]’ met de naam [skypeschermnaam verdachte 3]) en iemand met de naam [bijnaam 17]. In deze chat schreef de verdachte dat hij ongeveer een half jaar geleden is begonnen met die BCC-winkels. Hij schreef dat dit de site is die het langst in de lucht is geweest, vijf weken, dat het op RTL-Late Night is geweest en dat hij 3.000 bezoekers op zijn site heeft gehad, dat iedereen hem na ging doen met BCC-namaakwebwinkels en dat de allereerste, www.bcc-winkel.com, van hem was. Hij schreef ook dat hij meer dan 100k (het hof begrijpt: € 100.000) gepakt heeft.

Op de SD-kaart is ook een Skype-chat aangetroffen van

12 maart 2015 tussen hem (‘[bijnaam 13]’ met de naam [skypeschermnaam verdachte 3]) en de medeverdachte [verdachte 2] (‘[bijnaam 14]’ met de naam [skypenaam verdachte 2]). Door de verdachte is hierin onder andere gezegd dat hij de eerste was met BCC. Hij noemde hierbij www.bcc-winkel.com en schreef: “De eerste he”.

Over de malafide webwinkel bcc.winkel.com is onder meer bekend dat verschillende benadeelden in de periode van

13 tot en met 17 maart 2014 geld hebben gestort op bankrekeningnummers [bankrekeningnr. 8] ten name van [moneymule 1] en [bankrekeningnr. 9] ten name van

[moneymule 2].

De heer [moneymule 1], een van de bedoelde bankrekeninghouders, is op 21 maart 2017 bij de rechter-commissaris als getuige gehoord. Hij had een duidelijke herinnering aan ene [verdachte 3] (het hof stelt vast: de voornamen van de verdachte), met wie hij een bedrijf zou starten en aan wie hij, zo begrijpt het hof, zijn bankpas en die van zijn toenmalige vriendin [moneymule 2] ter beschikking had gesteld. Binnen een paar weken was zijn pas geblokkeerd en kwam hij erachter dat hij als moneymule was gebruikt. Hij had [verdachte 3] de pincode van zijn pas gegeven en ook die van [moneymule 2]. Er werd geld op haar bankrekening gestort.

Hij was erbij toen [verdachte 3] ging pinnen. De getuige herkende de verdachte op een foto als [verdachte 3].

Marktplaats heeft een bestand verstrekt met de gegevens van 83 gehackte Admarkt-accounts. In dit bestand staan ook de gegevens vermeld van ongeveer 32.000 Marktplaatsadvertenties voor malafide webwinkels die via deze gehackte accounts zijn geplaatst. Op 13, 18, 19, 21 en 27 maart 2014 staan advertenties geregistreerd met het IP-adres [IP-adres 1]. Het hof gaat er - zoals uiteengezet in het arrest van heden met betrekking tot de medeverdachte [verdachte 1] - vanuit dat deze, toen hij woonachtig was op de [adres 3 verdachte 1] te Den Haag, gebruik heeft gemaakt van de IP-adressen van [persoon 1], wonende op de [adres persoon 1] te Den Haag. Dit IP-adres is in de periode 13 tot en met 31 maart 2014 65 keer gebruikt voor het plaatsen van advertenties verwijzend naar de malafide webwinkel bcc-winkel.com.
outlet-bcc.com
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Met betrekking tot de malafide webwinkel outlet-bcc.com zijn acht aangiftes gedaan door personen die in de periode tussen 9 januari 2015 en 21 januari 2015 hebben betaald voor goederen die niet zijn geleverd. Daaruit is gebleken dat de slachtoffers hebben gecorrespondeerd met de e-mailadressen info@outlet-bcc.com en betaling@outlet-bcc.com. Zes van de acht aangevers hebben betaald aan dezelfde betalingsfaciliteerder, te weten Ppro Financial Ltd.

Op de Toshiba laptop van de verdachte is een Skypechat gevonden tussen hem ([bijnaam 13]) en de medeverdachte [verdachte 1] ([skypenaam 1 verdachte 1]) gevoerd op 8 januari 2015. In deze chat stuurde verdachte de URL http://outlet-bcc.com/index.php?route=common/home naar deze medeverdachte, die vervolgens vroeg wat dat was, waarop de verdachte antwoordde dat hij die aan het maken was en dat er alleen nog info en een paar afbeeldingen bij moesten.

In dezelfde Skypechat schreef de verdachte op 9 januari 2015 aan de medeverdachte [verdachte 1] (schermnaam [bijnaam 11]):

“Beste Klant,

Bedankt voor uw bestelling bij Bcc.

Momenteel hebben wij een storing met iDeal, U kunt het momenteel hier na overmaken. Uw bestelling duurt 1 dag.

Rekeninghouder: PPRO Financial Ltd

Bank: SOFORT Bank

IBAN: [bankrekeningnr. 10]

BIC: [BIC 1]

Betalingsreferentie: 607120633

Bedrag EUR: U bestelling bedrag.

Wanneer u het bedrag heeft overgemaakt, wordt dit zo snel mogelijk gestuurd naar ons magazijn, als dit gebeurt is krijgt u een bevestigingsmail hiervan & een track en trace.

Met vriendelijke groet,

Bcc”

Op 19 januari 2015 heeft de heer [aangever 7] aangifte gedaan van oplichting. Uit zijn aangifte blijkt dat hij op 18 januari 2015 een smart telefoon heeft gekocht voor
€ 530,-, maar niets heeft ontvangen. Hij had nog een bevestigingsmail gekregen, waarin stond dat hij het bestelde product binnen een dag na betaling thuisgestuurd zou krijgen. Hij kon ook chatten met degene die uiteindelijk de oplichter bleek.

Op 18 februari 2015 heeft mevrouw [benadeelde partij 2] aangifte gedaan van oplichting. Uit haar aangifte blijkt dat zij op 19 januari 2015 een HTC M8 telefoon op de website outlet-bcc.com heeft gekocht voor € 299 en nadien nooit meer iets heeft gehoord. BCC leek haar een betrouwbare site.

Op 21 januari 2015 heeft de heer [benadeelde partij 3] aangifte gedaan van oplichting. Uit zijn aangifte blijkt dat hij via Marktplaats terecht is gekomen bij outlet-bcc.com. Hij wilde een iPhone 6 kopen en heeft gechat met een medewerker. Op 20 januari 2015 heeft hij € 450,- overgemaakt naar bankrekeningnummer [bankrekeningnr. 10], maar niets ontvangen.

Zoals hiervoor bij de beoordeling van zaaksdossier Marktplaats is gebleken, is op de SD-kaart uit de Asus laptop van de verdachte een bestand aangetroffen met de naam ‘Alles\Admarkt accounts’, met daarin een groot aantal Admarkt-accounts met gebruikersnamen en wachtwoorden. Specifiek in relatie tot outlet-bcc.com zijn met de uit het bestand afkomstige gehackte Admarkt-accounts 12.800 advertenties op Marktplaats geplaatst.

Op de SD-kaart van dezelfde Asus laptop van de verdachte is een database met de bestandsnaam 2015-01-09_13-58-59_backup.sql aangetroffen met daarin 34 bestellingen bij outlet-bcc.com.

Conclusie
Het hof acht zoals hiervoor weergegeven wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van maart 2014 tot en met januari 2015 schuldig heeft gemaakt aan oplichting met betrekking tot de malafide webwinkels bcc-winkel.com en outlet-bcc.com. Hij heeft beide malafide webwinkels gemaakt en heeft met betrekking tot enkele betalingen door slachtoffers contact gehad met en gebruik gemaakt van moneymules om de beschikking te krijgen over de betaalde gelden. Met betrekking tot de malafide webwinkel bcc-winkel.com heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplegen met een ander.

Van betrokkenheid bij de overige tenlastegelegde oplichtingen met betrekking tot de malafide webwinkels bcc-store.com, bcc-wk.com en dealsbijbcc.com of de mededaders is naar het oordeel van het hof niet gebleken. Het hof spreekt de verdachte van deze onderdelen derhalve vrij.


Feit 5 (Zaaksdossier 4: Dixons)


Namens Dixons is aangifte gedaan van het feit dat in de maanden januari en februari 2015 klanten in malafide webwinkels die lijken op de webwinkel Dixons.nl artikelen hebben besteld en betaald, maar niet geleverd hebben gekregen. Zeventig personen hebben aangifte gedaan ten aanzien van zestien met name genoemde malafide webwinkels.

In eerste aanleg is de verdachte integraal vrijgesproken van de oplichtingen met betrekking tot de malafide webwinkels behorende bij zaaksdossier 4, Dixons.

De advocaten-generaal hebben ten aanzien van de verdachte geen standpunt ingenomen omtrent de oplichtingen met betrekking tot de malafide webwinkels behorende bij zaaksdossier 4, Dixons.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting met betrekking tot de malafide webwinkels behorende bij zaaksdossier 4, Dixons, en dat de verdachte in eerste aanleg derhalve terecht is vrijgesproken van feit 5.

Met de rechtbank, de advocaten-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend gebleken is van betrokkenheid van de verdachte bij de malafide webwinkels dixons-aanbieding.com, dixons-aanbiedingen.com, dixons-dagdeal.com, dixons-dagdeals.com, dixons-dagdeals.nl, dixons-discounter.com, dixons-nederland.com, dixonssale.com, dixons-sale.com, dixons-shop.com, dixons-store.com, dixonswebshop.com, dixons-winkel.com, dixxons.nl en dixonsdeals.be, of de mededaders. Het hof spreekt de verdachte derhalve partieel vrij van die onderdelen van het onder feit 5 tenlastegelegde.

dixxons.com

Met betrekking tot de oplichtingen met betrekking tot de malafide webwinkel dixxons.com stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 14 juni 2014 heeft mevrouw [aangeefster 8] aangifte gedaan van internetoplichting. Uit haar aangifte blijkt dat zij op 14 juni 2014 een PlayStation 4 heeft gekocht via dixxons.com voor € 400,-, maar niets heeft ontvangen. Na dit bedrag overgemaakt te hebben naar het bankrekeningnummer [bankrekeningnr. 11], kreeg de aangeefster een bericht dat zij € 150,- korting zou krijgen. Vervolgens heeft zij € 150,- overgemaakt naar het bankrekeningnummer [bankrekeningnr. 12] met als betalingskenmerk 539C61081066 00200.

Op 3 juni 2014 heeft de heer [aangever 9] aangifte gedaan van internetoplichting. Uit zijn aangifte blijkt dat hij op 2 juni 2014 een PlayStation 4 heeft gekocht via dixxons.com en hiervoor € 400,- heeft overgemaakt naar het bankrekeningnummer [bankrekeningnr. 12] met als betalingskenmerk 538CC3885929 00200. De aangever heeft de PlayStation 4 niet ontvangen.

Op 6 juni 2014 heeft de heer [aangever 10] aangifte gedaan van internetoplichting. Uit zijn aangifte blijkt dat hij op 2 juni 2014 een PlayStation 4 heeft gekocht via dixxons.com en hiervoor € 400,- heeft overgemaakt naar het bankrekeningnummer [bankrekeningnr. 12] met als betalingskenmerk 538CC92FCD99 0020000772762695. Nadat de aangever het geld had overgemaakt, ontving hij een

e-mailbericht dat er een storing was en dat hij enkele dagen later nadere instructies zou ontvangen. De aangever heeft vervolgens geen nadere reacties ontvangen op door hem verzonden e-mail- en chatberichten.

Het hof stelt vast dat de hiervoor genoemde personen ieder voor zich geld hebben overgemaakt naar hetzelfde bankrekeningnummer, te weten [bankrekeningnr. 12]. Zoals het hof uiteen zal zetten bij de bespreking van zaaksdossier GSM-wijzer, is dit bankrekeningnummer aan de verdachte te koppelen.

Het hof stelt voorts vast dat binnen het zaaksdossier GSM-wijzer meerdere oplichtingen aan de verdachte te koppelen zijn, waarbij de opgelichte personen geld hebben overgemaakt naar voormeld bankrekeningnummer, [bankrekeningnr. 12], onder vermelding van betalingskenmerken die sterke overeenkomsten vertonen met hiervoor vermelde betalingskenmerken, beginnende met ‘53…’ gevolgd door een spatie en de reeks ‘00200’.

Tot slot stelt het hof ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij de oplichtingen met betrekking tot de malafide webwinkel dixxons.com vast dat de verdachte in een Skype-chatgesprek met de medeverdachte [verdachte 2] heeft geschreven dat de malafide webwinkel dixxons.com, “met dubbel x” van hem is.

Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de oplichtingen van voormelde personen – [aangeefster 8], [aangever 9] en [aangever 10] - met betrekking tot de malafide webwinkel dixxons.com heeft gepleegd. Het hof zal de verdachte dan ook veroordelen voor dit onderdeel van het onder feit 5 tenlastegelegde.

Feit 6 (Zaaksdossier 8: GSM-wijzer)


De verdachte wordt verweten dat hij, al dan niet samen met anderen, drie malafide webwinkels heeft opgezet welke de indruk hebben gewekt toe te behoren aan het bonafide bedrijf GSM-wijzer (te weten: een vergelijkingswebwinkel). Het doel was steeds het oplichten van consumenten. Om hen te attenderen op deze drie webwinkels werd (via gehackte Admarkt-accounts) een zeer groot aantal daarnaar doorverwijzende advertenties geplaatst op www.marktplaats.nl. Uiteindelijk zijn via de malafide webwinkel www.gsmwijzer-outlet.com meerdere personen (daadwerkelijk) opgelicht: zij hebben bestellingen geplaatst, betalingen verricht en uiteindelijk niets ontvangen. Een aantal personen is ook beland op de websites www.gsm-webwinkel.com en www.gsmwebdeals.com. Ten aanzien van die twee websites kan echter niet worden vastgesteld dat de beoogde oplichtingen zijn geslaagd.

De verdachte heeft geen verklaring afgelegd. De rechtbank is grotendeels overeenkomstig het tenlastegelegde tot een bewezenverklaring gekomen, maar niet wat betreft het medeplegen. Het aantal daadwerkelijk opgelichte personen heeft de rechtbank beperkt tot “tenminste 2” in plaats van het tenlastegelegde “tenminste 46”.

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte ten aanzien van een aantal feiten, waaronder feit 6, aangevoerd dat hij het niet eens is met de bewezenverklaring en wel omdat onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig zou zijn. Daarnaast is gesteld dat hoe dan ook geen sprake is geweest van medeplegen.

De advocaten-generaal hebben bij requisitoir aangegeven zich te kunnen vinden in de bewezenverklaring door de rechtbank.

De advocaten-generaal stellen inleidend voor - kort samengevat - dat steeds sprake is geweest van medeplegen reeds omdat de verdachte onderdeel uitmaakte van een dadergroep. Dat standpunt is echter al eerder door het hof verworpen. Voor zover de verdachte al met anderen zou hebben samengewerkt inzake dit feitencomplex, kan die samenwerking niet als medeplegen worden geduid.

Onder de verdachte is een SD-kaart in beslag genomen. De inhoud van die kaart maakt dat het hof reeds heeft vastgesteld (zie feiten 1 en 2 hierboven) dat de verdachte vanaf 83 gephiste Admarkt-accounts bijna 32.000 advertenties heeft geplaatst op www.marktplaats.nl. Ruim een kwart van al die advertenties verwezen naar de nagemaakte webwinkels www.gsmwijzer-outlet.com, www.gsmwebdeals.com en www.gsm-webwinkel.com.

Het doel van deze gang van zaken was duidelijk: het oplichten van consumenten die bij het plaatsen van een bestelling denken dat te doen op een bonafide webwinkel van GSM-wijzer. Dat doel is uiteindelijk ook bereikt. In totaal hebben 46 personen aangifte gedaan van oplichting via de webwinkel www.gsmwijzer-outlet.com (waaronder ook de in de tenlastelegging genoemde [benadeelde partij 322] en [benadeelde partij 323]).

Al deze aangiften vertonen belangrijke overeenkomsten:

  • -

    de datum van de oplichting is steeds gelegen binnen een periode van drie weken: de laatste twee weken van december 2014 en de eerste week van januari 2015;

  • -

    er werd door allen (behoudens twee uitzonderingen) gecommuniceerd met een van deze twee e-mailadressen: info@gsmwijzer-outlet.com of betaling@gsmwijzer-outlet.com;

  • -

    de betalingen werden steeds verricht op een van deze drie bankrekeningnummers:

- [bankrekeningnr. 12] ten name van “Deutsche Kontor Privatbank AG”;

- [bankrekeningnr. 4] ten name van “Global Collect BV”;

- [bankrekeningnr. 10] ten name van “Ppro Financial LTD”.

Het staat vast dat de verdachte bij al deze oplichtingen betrokken is geweest.

Allereerst wordt gewezen op de inhoud van twee bestanden, aangetroffen op de SD-kaart dan wel Toshiba laptop. Het betreft:

  • -

    “2014-12-23_09-51-04_backup.sql”. Dit bestand (hierna: het sql-bestand) stond op zowel de SD-kaart als de Toshiba laptop. Het is een database van de webwinkel www.gsmwijzer-outlet.com. Het bevat een overzicht van door klanten geplaatste bestellingen;

  • -

    “index.htm”. Dit bestand (hierna: het index-bestand) stond op de Toshiba laptop. Het is een opgeslagen versie van een OpenCart Dashboard. OpenCart is een eCommerce-platform dat kan worden gebruikt voor het exploiteren van een webwinkel. De eigenaar van een dergelijke webwinkel kan via het Dashboard de volledige bedrijfsvoering en functies ervan beheren. Het bestand heeft betrekking op de webwinkel www.gsmwijzer-outlet.com. Het bevat onder andere een opsomming van de laatste vijf klanten.

Een aantal klanten, waarvan de gegevens zijn aangetroffen in deze bestanden, hebben aangifte gedaan van oplichting. De gegevens komen overeen.

De inhoud van het index-bestand maakt dat de verdachte kan worden aangemerkt als de eigenaar/beheerder van de webwinkel www.gsmwijzer-outlet.com. Hij had dus toegang tot het beheerdersgedeelte van die webwinkel (“/admin”). Hij wordt daarom aangemerkt als beheerder van eerdergenoemde twee e-mailadressen gekoppeld aan deze webwinkel. Het is namelijk uitsluitend de beheerder van een bepaalde site die eraan te koppelen e-mailadressen in het leven kan roepen. Nu er geen aanwijzingen voor het tegendeel zijn, leidt dat tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die via deze twee e-mailadressen heeft gecommuniceerd met alle aangevers.

Hiermee staat de betrokkenheid van de verdachte bij al deze oplichtingen vast. Dat maakt dat genoemde drie bankrekeningnummers waarop aangevers geld hebben overgemaakt ook aan de verdachte kunnen worden gekoppeld. Dat ligt ook voor de hand aangezien het bemachtigen van geld natuurlijk de inzet was van de oplichtingshandelingen. Overigens lijkt de verdachte dit ook te erkennen, en wel tijdens een chatgesprek d.d.

12 maart 2015 met de medeverdachte [verdachte 2]. Hierin klaagt de verdachte dat zijn eigen site plat ligt. Hij noemt daarbij de site www.gsm-webwinkel.com, benadrukt dat het gaat om een “fake webshop” en noemt daarbij ook het bankrekeningnummer dat op naam staat van “Ppro Financial LTD” (zijnde een van genoemde drie bankrekeningen). Opvallend is dat op diezelfde dag vervolgens door de verdachte (zijn IP-adres is daaraan ook gekoppeld) via gephiste Admarkt-accounts 674 advertenties op Marktplaats worden gezet welke verwijzen naar een nieuwe malafide webwinkel: www.gsmwebdeals.com. Laatstgenoemde twee webwinkels vormen de grondslag voor de aan de verdachte verweten pogingen tot oplichting.

Al het bovenstaande, mede in onderlinge samenhang bezien, leidt tot de bewezenverklaring van 46 gevallen van voltooide oplichting en een onbekend gebleven aantal pogingen daartoe.

Tot slot nog dit. Zoals reeds aangehaald hebben twee aangevers niet gecommuniceerd met het e-mailadres info@gsmwijzer-outlet.com of betaling@gsmwijzer-outlet.com. Toch kunnen ook deze zaken aan de verdachte worden toegerekend. Beide aangevers, de heer [benadeelde partij 343] en de heer [aangever 11], hebben namelijk betaald op het bankrekeningnummer dat op naam staat van “Ppro Financial LTD”.

Feiten 7 en 8 (Zaaksdossier 12: Scrypt.cc)


Deze feiten betreffen het medeplegen van computervredebreuk ten aanzien van één of meer computers en/of servers van scrypt.cc en het medeplegen van de diefstal van BTC 629,95 toebehorende aan scrypt.cc.

De verdediging heeft aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen die door de rechtbank zijn gebruikt voor de bewezenverklaring van deze twee feiten, niet geconcludeerd kan worden dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte enerzijds en de medeverdachte [verdachte 1] en/of [persoon 7] anderzijds. Volgens de verdediging is geen sprake van een significante intellectuele of materiële bijdrage van de verdachte aan deze feiten. Het enkel kennis dragen van een mogelijk aanstaande hack en eventueel meedelen in de buit is onvoldoende om anders te oordelen.

Bij arrest van heden is bewezenverklaard dat de medeverdachte [verdachte 1] deze feiten heeft gepleegd.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte, gebruik makend van het Skype-account [bijnaam 12]([bijnaam 15]), van het Skype-account ‘[bijnaam 8] ([bijnaam 18])’ de volgende snelkoppeling heeft ontvangen: https://s1.scrypt.cc:2083. Deze snelkoppeling kan worden gebruikt om via de softwaretoepassing Cpanel toegang te verkrijgen tot de beheersomgeving van de website van scrypt.cc. Uit het arrest van heden in de zaak van de medeverdachte [verdachte 1] blijkt dat deze onder meer gebruik maakte van het Skype-account ‘[bijnaam 8]’. Daarnaast is op 20 juni 2015 door het Skype-account ‘[bijnaam 8] ([bijnaam 18])’ een aantal mailadressen die betrekking hebben op scrypt.cc en is op 22 juni 2015 een snelkoppeling naar een nieuwsbericht over de hack van scrypt.cc met het Skype-account [bijnaam 12]([bijnaam 15]) gedeeld. Eveneens heeft op 22 juni 2015, 10:13:19 uur, een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de verdachte en de medeverdachte [verdachte 1] waarvan de inhoud erop zou kunnen duiden dat het betrekking heeft op de diefstal van bitcoins bij scrypt.cc.

Op 23 juni 2015 is op een subforum met betrekking tot scrypt.cc op de website https://hashclub.org een bericht geplaatst met als inhoud een achttal bitcoinadressen waarnaar de bij scrypt.cc gestolen bitcoins zouden zijn overgemaakt. Uit onderzoek is gebleken dat deze bitcoinadressen allemaal bitcoins uit een cluster ontvangen dat toebehoort aan scrypt.cc.

In twee bitcoin wallets die zijn aangetroffen op de Asus laptop van de verdachte staan vier bitcoinadressen die deel uitmaken van het hiervoor genoemde achttal. Tussen 22 juni 2015 en 19 oktober 2015 heeft de verdachte voor

€ 35.286,27 aan bitcoins verkocht aan Anycoin Direct, dat zich bedrijfsmatig bezig hield met de aan- en verkoop van onder meer bitcoins. Deze bitcoins waren afkomstig van drie van de vier hiervoor bedoelde bitcoinadressen. Het genoemde bedrag in euro's is door Anycoin Direct overgemaakt op een bankrekening van de verdachte.

Het voorgaande komt in essentie op het volgende neer. De verdachte heeft de beschikking gehad over een snelkoppeling die hem mogelijk in staat zou stellen om toegang te verkrijgen tot de beheersomgeving van scrypt.cc. Of hij die toegang daadwerkelijk had is niet gebleken. Het ligt immers voor de hand dat daarvoor inloggegevens zoals een gebruikersnaam en een wachtwoord vereist zijn. Het dossier bevat geen informatie die erop duidt dat de verdachte daarover kon beschikken. Het dossier bevat evenmin informatie waaruit blijkt dat verdachte, op welke wijze dan ook, daadwerkelijk toegang tot de beheersomgeving van scrypt.cc heeft gehad. Voor het leveren van een wezenlijke bijdrage aan de diefstal van bitcoins van scrypt.cc zou dergelijke toegang wel vereist zijn. Van enige actieve betrokkenheid van de verdachte bij het door de medeverdachte [verdachte 1] binnendringen in computers van scrypt.cc is niet gebleken. Dat hij door de medeverdachte [verdachte 1] tot op zekere hoogte is geïnformeerd over het verloop van (de voorbereidingen van) het binnendringen maakt dit niet anders. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van het onder 7 tenlastegelegde.

Het hof spreekt de verdachte op grond van het voorgaande ook vrij van het onder 8 tenlastegelegde medeplegen van de diefstal van bitcoins van scrypt.cc. Als bewijs daarvoor is in aanvulling op het voorgaande nog beschikbaar dat de verdachte toegang had tot een aantal bitcoinadressen waar de van scrypt.cc gestolen bitcoins rechtstreeks op terecht zijn gekomen. Enige betrokkenheid bij de handelingen die ertoe hebben geleid dat die bitcoins aldaar terecht zijn gekomen blijkt daaruit niet. Immers heeft de daadwerkelijke diefstal volgens het dossier plaatsgevonden op 21 juni 2015 tussen 21:53:04 en 22:36:03 GMT. De verkoop van bitcoins vanaf de betreffende bitcoinadressen, zou dat al een element van medeplegen van de diefstal kunnen vormen, heeft nadien plaatsgevonden.

De andere hiervoor genoemde contacten tussen de verdachte en de medeverdachte [verdachte 1] zijn, voor zover zij al hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de diefstal zelf, informerend van aard en bevatten geen enkele aanwijzing dat de verdachte, eventueel met gebruikmaking van de aan hem verstrekte informatie, enige inhoudelijke bijdrage aan de diefstal zelf heeft geleverd.

Feiten 9 en 10 (Zaaksdossier 13: HoogstraAutosport)

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van betrokkenheid bij beide feiten. De advocaten-generaal hebben bij requisitoir verklaard zich neer te leggen bij deze vrijspraak. Om die reden zal het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

Ten aanzien van de verdachte geldt het volgende. Het hoger beroep is namens hem onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal daarom de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze vrijspraken.

Feiten 11, 12, 13 en 14 (Zaaksdossier 14: Phonespot)

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van betrokkenheid bij de feiten 11, 12 en 14. De advocaten-generaal hebben bij requisitoir verklaard zich neer te leggen bij deze vrijspraak. De rechtbank heeft verdachte ook vrijgesproken van betrokkenheid bij feit 13. Daartegen richt het hoger beroep van het openbaar ministerie zich nog wel. Het hof overweegt in dat verband het volgende.

Het tenlastegelegde betreft handelen in strijd met het in artikel 139d, lid 2, onder b, Sr strafbaar gestelde.

De verdediging heeft aangevoerd dat het voorhanden hebben van toegangscodes tot geautomatiseerde werken van Phonespot alleen bewezen kan worden met gebruikmaking van de inhoud van de SD-kaart, maar het is niet waarschijnlijk dat die van de verdachte is.

Ter onderbouwing van dit laatste punt heeft de verdediging erop gewezen dat de SD-kaart weliswaar is aangetroffen in de Asus laptop van de verdachte, maar gegevens bevat die ook op de harde schijf van de HP laptop van de medeverdachte [verdachte 1] voorkomen, maar niet op (zo begrijpt het hof) de harde schijf van de Asus laptop. De verdediging noemt daarbij als feit van algemene bekendheid dat onder meer SD-kaarten gebruikt worden voor de overdracht van gegevens van de ene computer naar de andere.

De verdachte heeft hierover niet andersluidend verklaard. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:

  • -

    de SD-kaart is aangetroffen in de laptop van de verdachte;

  • -

    die laptop was aanwezig in de woning van de medeverdachte [verdachte 1];

  • -

    op de SD-kaart stonden gegevens die wel aanwezig waren op de laptop van deze medeverdachte maar niet op die van de verdachte;

  • -

    op dat moment waren zowel de verdachte als deze medeverdachte in die woning aanwezig.

Gegeven de juistheid van het door de verdediging beschreven feit van algemene bekendheid stelt het hof vast dat de SD-kaart werd gebruikt om gegevens over te dragen van de laptop van de medeverdachte [verdachte 1] naar de laptop van de verdachte. Aldus beschikte de verdachte door de aanwezigheid van de SD-kaart in zijn laptop, over de zich daarop bevindende gegevens.

Op deze SD-kaart bevonden zich onder meer de bestanden ‘alleinfo.txt’ met daarin een groot aantal inloggegevens van e-mailaccounts en ‘userr.txt’ met daarin de FTP-inloggegevens van een aantal websites. Dit zijn gegevens waarmee toegang kan worden gekregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan. Derhalve heeft de verdachte deze gegevens verworven en voorhanden gehad en zal het hof dit feit op na te noemen wijze bewezen verklaren.


Feit 15 (Zaaksdossier 19: Witwassen)


Evenals de rechtbank acht het hof niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen (van BTC 0,549). Dat leidt tot vrijspraak. Dit oordeel sluit aan bij het standpunt van zowel de advocaten-generaal als de verdediging en behoeft daarom geen nadere motivering.

Bewezenverklaring

De volledige tekst van de bewezenverklaring is opgenomen in bijlage II en aan dit arrest gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 13 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande - kort samengevat - dat:

feit 1 (Marktplaats)

in de periode van 13 maart 2014 tot en met 26 oktober 2015 zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van:

- oplichting door middel van phishing ten aanzien van Marktplaats- en Admarkt-accounts;

feit 2 (Marktplaats)

in de periode van 13 maart 2014 tot en met 26 oktober 2015 zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van:

- computervredebreuk ten aanzien van Marktplaats- en Admarkt-accounts;

feit 3 (Marktplaats)

in de periode van 13 maart 2014 tot en met 26 oktober 2015 zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van:

- manipulatie van computergegevens ten aanzien van Marktplaats- en Admarkt-accounts;

feit 4 (BCC)

in de periode van 13 maart 2014 tot en met 20 januari 2015 zich heeft schuldig gemaakt aan het deels in vereniging plegen van:

- oplichting van tenminste zes personen met behulp van malafide webwinkels die leken op de webwinkel van BCC;

feit 5 (Dixons)

in de periode van 2 en met 14 juni 2015 zich heeft schuldig gemaakt aan:

- oplichting van drie personen met behulp van een malafide webwinkel die leek op de webwinkel van Dixons;

feit 6 (GSM-wijzer)

in de periode van 17 december 2014 tot en met 4 januari 2015 zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van:

- oplichting van personen met behulp van een malafide webwinkels die leken op de webwinkel van GSM-wijzer;

en

op 12 maart 2015 aan:

- poging tot oplichting van een onbekend gebleven aantal personen met behulp van malafide webwinkels die leken op de webwinkel van GSM-wijzer, alles meermalen gepleegd;

feit 13 (Phonespot)

op 26 oktober 2015 schuldig heeft gemaakt aan:

- het voorhanden hebben van toegangscodes tot geautomatiseerde werken van Phonespot B.V..

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, Sv wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 13 bewezenverklaarde levert op:

feit 1 (Marktplaats)

oplichting, meermalen gepleegd;

feit 2 (Marktplaats)

computervredebreuk, meermalen gepleegd;

feit 3 (Marktplaats)

opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door
middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen
en worden verwerkt en worden overgedragen,
veranderen en andere gegevens toevoegen, meermalen
gepleegd;

feit 4 (BCC)

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

en

oplichting, meermalen gepleegd;

feit 5 (Dixons)
oplichting, meermalen gepleegd;

feit 6 (GSM-wijzer)

oplichting, meermalen gepleegd

en

poging tot oplichting, meermalen gepleegd;

feit 13 (Phonespot)

het met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in art. 350a, eerste lid, of 350c Sr wordt gepleegd, vervaardigen, verkopen, verwerven, invoeren, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen of voorhanden hebben van een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Standpunten

De advocaten-generaal hebben – overeenkomstig het overgelegde schriftelijk requisitoir - gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 9 tot en met 12, 14 en 15 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en terzake van het onder 1 tot en met 8 en 13 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaten-generaal hebben daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 Sr.

Namens de verdachte is overeenkomstig de overgelegde pleitnotities bepleit dat - indien het hof tot een bewezenverklaring mocht komen – het hof rekening dient te houden met het gegeven dat de verdachte enige tijd in loondienst heeft gewerkt, inmiddels ondernemer is en graag door wil met zijn leven en verzoekt het hof om een gevangenisstraf op te leggen waarvan het voorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht en waarvan het overige voorwaardelijk wordt opgelegd met een proeftijd van twee jaar.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim anderhalf jaar schuldig gemaakt aan oplichting van zakelijke en particuliere adverteerders op Marktplaats en aan computervredebreuk en manipulatie van computergegevens ten aanzien van de accounts van adverteerders op dat platform. Dat deed hij door met gephishte gegevens in te loggen op Marktplaats-accounts en via die accounts advertenties op marktplaats.nl te plaatsen. Daarop voortbouwend heeft hij zich schuldig gemaakt aan grootschalige oplichting van consumenten door middel van die juist daartoe opgezette webwinkels, waarbij door die consumenten bestelde en betaalde goederen niet werden geleverd. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het verwerven en voorhanden hebben van toegangscodes tot accounts en aan witwassen. Een deel van deze feiten is gepleegd in vereniging met een of meer andere verdachten.

Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, is de verdachte daarbij planmatig, professioneel en geraffineerd te werk gegaan: de door de verdachte gebruikte malafide webwinkels zagen er zo goed uit dat ze niet of nauwelijks waren te onderscheiden van de echte webwinkels van gerenommeerde bedrijven als BCC en Dixons. Consumenten hadden, nadat zij via een betrouwbaar ogende advertentie op marktplaats.nl werden doorgelinkt, dan ook niet door dat zij op een frauduleuze website waren beland. In goed vertrouwen kochten zij artikelen, betaalden op een door de verdachte opgegeven bankrekeningnummer waarna levering van de bestelde producten uitbleef. Dat resulteerde in financiële schade tot in enkele gevallen meer dan duizend euro per slachtoffer.

Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen misbruik gemaakt van het vertrouwen van een groot aantal slachtoffers en hen financiële schade toegebracht, maar ook in algemene zin het vertrouwen van gebruikers van een populair advertentieplatform in het doen van online aankopen via dat platform ondermijnd. Waar het aankoopgedrag van consumenten al vele jaren een meer online karakter krijgt en aldus steeds meer een integraal en substantieel onderdeel van de economie wordt, vormt dit een belemmering van de online detailhandel.

Daarnaast beschadigt het daarmee het vertrouwen dat alle betrokkenen moeten kunnen stellen in het maatschappelijk en economisch verkeer via het internet.

De verdachte heeft zich bij zijn handelen enkel laten leiden door financieel gewin en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers of voor de maatschappij in het algemeen.

Het hof neemt de verdachte dit alles ernstig kwalijk.

Als strafverzwarend beschouwt het hof ook de planmatige en professionele werkwijze bij het plegen van de onderhavige feiten en de omstandigheid dat een deel daarvan is gepleegd in vereniging met een of meer medeverdachten.

Justitiële documentatie

Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 maart 2021, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Persoon van de verdachte

Tevens heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden zoals op de terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht.

Redelijke termijn

De advocaten-generaal en de raadsman hebben betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

Het hof stelt voorop dat in artikel 6, lid 1, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden.

Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

Het hof overweegt met betrekking tot het totale procesverloop in deze zaak het volgende.

De verdachte is op 19 april 2016 in verzekering gesteld. Het vonnis waarvan beroep is op 22 december 2017 uitgesproken. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg niet overschreden.

Namens de verdachte is op 3 januari 2018 hoger beroep ingesteld. Het arrest wordt op 26 augustus 2021 uitgesproken. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met ongeveer 19 maanden overschreden.

Het hof is van oordeel, gelet op genoemd procesverloop, dat de redelijke termijn in hoger beroep in ernstige mate, te weten met 19 maanden, is overschreden. Ondanks de ingewikkeldheid en de omvang van de zaak en gelet op het feit dat er door en namens de verdachte geen onderzoekswensen zijn gedaan, is het hof van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Conclusie

Voor feiten als de onderhavige kan, gezien de ernst, de duur en het grote aantal gedupeerden, en ondanks de ouderdom van de feiten, niet met een andersoortige straf dan een langdurige gevangenisstraf worden volstaan. Ook vanuit een oogpunt van generale preventie acht het hof een langdurige gevangenisstraf passend en noodzakelijk.

Het hof is dan ook - alles overwegende – van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden een passende en geboden reactie vormt, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft een uitzonderlijk groot aantal personen zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden (im)materiële schade. Gesteld voor de uitdaging om enerzijds recht te doen aan al die vorderingen en anderzijds de leesbaarheid c.q. begrijpelijkheid van dit arrest te dienen en tegelijk een balans te vinden tussen de overwegingen en de beslissingen die specifiek betrekking hebben op de veelheid en verscheidenheid van de vorderingen van elk van de benadeelde partijen binnen de beoordeling van de strafzaak als geheel, heeft het hof ervoor gekozen elk van de benadeelde partijen aan een nummer te koppelen. Na vooropstelling en aanduiding van de namen van de benadeelde partijen zal het hof op de vorderingen ingaan met vermelding van deze nummers, voor zover mogelijk ingedeeld in clusters van vorderingen waarop dezelfde uitgangspunten van toepassing zijn:

BCC

[benadeelde partij 2] (2), [benadeelde partij 3] (3), [benadeelde partij 4] (4), [benadeelde partij 7] (7), [benadeelde partij 8] (8), [benadeelde partij 10] (10), [benadeelde partij 11] (11),

[benadeelde partij 12] (12), [benadeelde partij 13] (13), [benadeelde partij 14] (14), [benadeelde partij 15] (15), [benadeelde partij 16] (16), [benadeelde partij 17] (17), [benadeelde partij 19] (19), [benadeelde partij 20] (20), [benadeelde partij 21] (21), [benadeelde partij 22] (22),

[benadeelde partij 23] (23), [benadeelde partij 25] (25), [benadeelde partij 26] (26), [benadeelde partij 27] (27), [benadeelde partij 28] (28), [benadeelde partij 29] (29), [benadeelde partij 30] (30), [benadeelde partij 31] (31), [benadeelde partij 32] (32), [benadeelde partij 33] (33), [benadeelde partij 35] (35), [benadeelde partij 38] (38), [benadeelde partij 39] (39), [benadeelde partij 40] (40), [benadeelde partij 41] (41),

[benadeelde partij 43] (43), [benadeelde partij 45] (45), [benadeelde partij 48] (48), [benadeelde partij 49] (49), [benadeelde partij 52] (52), [benadeelde partij 55] (55), [benadeelde partij 57] (57);

Dixons

[benadeelde partij 128] (128), [benadeelde partij 129] (129), [benadeelde partij 130] (130), [benadeelde partij 131] (131), [benadeelde partij 132] (132), [benadeelde partij 133] (133), [benadeelde partij 134] (134), [benadeelde partij 135] (135), [benadeelde partij 136] (136), [benadeelde partij 138] (138), [benadeelde partij 139] (139), [benadeelde partij 143] (143), [benadeelde partij 144] (144), [benadeelde partij 145] (145), [benadeelde partij 147] (147), [benadeelde partij 148] (148), [benadeelde partij 149] (149), [benadeelde partij 150] (150), [benadeelde partij 152] (152), [benadeelde partij 153] (153), [benadeelde partij 155] (155),

[benadeelde partij 158] (158), [benadeelde partij 160] (160), [benadeelde partij 162] (162), [benadeelde partij 163] (163), [benadeelde partij 164] (164), [benadeelde partij 169] (169),

[benadeelde partij 171] (171), [benadeelde partij 172] (172), [benadeelde partij 173] (173), [benadeelde partij 174] (174), [benadeelde partij 177] (177), [benadeelde partij 178] (178),

[benadeelde partij 179] (179), [benadeelde partij 180] (180), [benadeelde partij 181] (181), [benadeelde partij 183] (183), [benadeelde partij 184] (184), [benadeelde partij 185] (185),

[benadeelde partij 186] (186), [benadeelde partij 187] (187), [benadeelde partij 190] (190),
[benadeelde partij 191] (191), [benadeelde partij 192] (192), [benadeelde partij 193] (193),
[benadeelde partij 195] (195), [benadeelde partij 196] (196), [benadeelde partij 197] (197), [benadeelde partij 198] (198), [benadeelde partij 199] (199), [benadeelde partij 200] (200),

[benadeelde partij 201] (201), [benadeelde partij 202] (202), [benadeelde partij 203] (203), [benadeelde partij 204] (204), [benadeelde partij 205] (205), [benadeelde partij 206] (206), [benadeelde partij 207] (207), [benadeelde partij 208] (208), [benadeelde partij 209] (209),
[benadeelde partij 210] (210), [benadeelde partij 211] (211), [benadeelde partij 212] (212), [benadeelde partij 213] (213), [benadeelde partij 215] (215), [benadeelde partij 217] (217),

[benadeelde partij 218] (218), [benadeelde partij 219] (219), [benadeelde partij 220] (220), [benadeelde partij 221] (221), [benadeelde partij 222] (222), [benadeelde partij 224] (224),

[benadeelde partij 225] (225), [benadeelde partij 226] (226), [benadeelde partij 229] (229), [benadeelde partij 231] (231), [benadeelde partij 233] (233), [benadeelde partij 235] (235),

[benadeelde partij 236] (236), [benadeelde partij 237] (237), [benadeelde partij 238] (238), [benadeelde partij 239] (239), [benadeelde partij 240] (240), [benadeelde partij 242] (242),

[benadeelde partij 243] (243), [benadeelde partij 244] (244), [benadeelde partij 246] (246), [benadeelde partij 247] (247), [benadeelde partij 248] (248), [benadeelde partij 249] (249),
[benadeelde partij 250] (250), [benadeelde partij 251] (251), [benadeelde partij 252] (252), [benadeelde partij 254] (254), [benadeelde partij 255] (255), [benadeelde partij 256] (256), [benadeelde partij 258] (258);

GSM-wijzer

[benadeelde partij 322] (322), [benadeelde partij 323] (323), [benadeelde partij 324] (324), [benadeelde partij 325] (325), [benadeelde partij 326] (326), [benadeelde partij 327] (327),

[benadeelde partij 328] (328), [benadeelde partij 329] (329), [benadeelde partij 330] (330), [benadeelde partij 333] (333), [benadeelde partij 334] (334), [benadeelde partij 335] (335),

[benadeelde partij 337] (337), [benadeelde partij 338] (338), [benadeelde partij 340] (340), [benadeelde partij 341] (341), [benadeelde partij 342] (342), [benadeelde partij 343] (343),

[benadeelde partij 345] (345), [benadeelde partij 348] (348), [benadeelde partij 349] (349), [benadeelde partij 350] (350), [benadeelde partij 351] (351), [benadeelde partij 352] (352), [benadeelde partij 354] (354), [benadeelde partij 356] (356), [benadeelde partij 357] (357), [benadeelde partij 359] (359), [benadeelde partij 360] (360), [benadeelde partij 361] (361),

[benadeelde partij 362] (362), [benadeelde partij 363] (363), [benadeelde partij 365] (365), [benadeelde partij 366] (366), [benadeelde partij 367] (367).

In bijlage III bij dit arrest is vermeld tot welk bedrag – vermeerderd met de wettelijke rente - zij een vordering hebben ingediend.

In eerste aanleg zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De volgende benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gesteld voor het bedrag van hun oorspronkelijke vordering - tenzij in bijlage III expliciet vermeld wordt dat zij zich voor een ander bedrag hebben gesteld -, zoals reeds eerder vermeld worden de benadeelde partijen voor de leesbaarheid van dit arrest in het vervolg aangeduid met het hiervoor achter hun naam vermelde nummer:

BCC

2, 3, 4, 7, 8, 11, 12, 13, 14, 19, 21, 25 t/m 27, 29, 30, 31, 32, 35, 38, 39, 40, 41, 43, 48, 49, 52, 55 en 57;

Dixons

130 t/m 133, 135, 136, 138, 143, 144, 148, 149, 152, 153, 155, 158, 162, 163, 169, 171 t/m 174, 177, 179, 180, 184 t/m 187, 190, 192, 193, 195 t/m 204, 207, 209 t/m 211, 213, 215, 217 t/m 219, 221, 222, 225, 226, 229, 231, 233, 236 t/m 239, 242, 243, 246, 247, 249 t/m 252, 254 t/m 256 en 258;

GSM-wijzer

323 t/m 328, 330, 333, 338, 340, 341, 343, 345, 348, 350 t/m 352, 354, 356, 357, 360 t/m 363, 365 t/m 367.

In hoger beroep is hun vordering derhalve aan de orde tot het bedrag van hun oorspronkelijke vordering - tenzij in bijlage III expliciet vermeld wordt dat zij zich voor een ander bedrag hebben gesteld.

De volgende benadeelde partijen hebben zich opnieuw gevoegd in hoger beroep, maar hebben op het geretourneerde wensenformulier niet het parketnummer van onderhavige strafzaak vermeld:

BCC

16 en 20;

Dixons

29, 150, 183, 205 en 248.

Deze benadeelde partijen hebben zich derhalve enkel gevoegd in het hoger beroep in de strafzaken van de medeverdachten, waardoor deze vorderingen thans in onderhavige strafzaak niet meer aan de orde zijn.

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het geheel niet opnieuw gevoegd in hoger beroep, waardoor ook die vorderingen thans niet meer aan de orde zijn:

BCC

10, 15, 17, 22, 23, 28, 33 en 45;

Dixons

128, 134, 139, 145, 147, 160, 164, 178, 181, 191, 206, 208, 212, 220, 224, 235, 240 en 244;

GSM-wijzer

322, 329, 334, 335, 337, 342, 349 en 359.

De advocaten-generaal hebben ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen een standpunt ingenomen, overeenkomstig het door hun als bijlage bij de overgelegde en in het procesdossier gevoegde vorderingen gehechte Excel-bestand. Zij hebben in het geval van toewijzing geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen een standpunt ingenomen, overeenkomstig de door de verdediging overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Primair heeft de verdediging verzocht om de benadeelde partijen die zich in eerste aanleg niet hebben gevoegd als benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Voorts heeft de verdediging verzocht om slechts de vorderingen toe te wijzen voor zover bewezen wordt verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting met die specifieke malafide webwinkels (bcc-winkel.com, outletbcc.com en gsmwzijder-outlet.com).

Namens de verdachte is verzocht om de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade af te wijzen.

Het hof overweegt ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt.

Geheel of gedeeltelijk toewijzen

Nu uit het procesdossier blijkt dat in sommige gevallen niet uitsluitend de verdachte, maar ook de medeverdachten en andere personen, oplichtingen hebben gepleegd via dezelfde malafide webwinkels, dient het hof voor alle vorderingen van de benadeelde partijen vast te stellen of er een causaal verband bestaat tussen de door die benadeelde partij geleden schade en de door de verdachte gepleegde oplichtingen. Enkel het feit dat een benadeelde partij schade heeft geleden ten gevolge van een oplichting gepleegd via een malafide webwinkel die is opgenomen in de bewezenverklaring van de verdachte, acht het hof hiervoor onvoldoende. Het hof heeft daarom de volgende criteria gebezigd om tot toewijzing van een vordering te komen.

Ten eerste heeft het hof in zijn oordeel betrokken of een vordering verband houdt met een malafide webwinkel in relatie waartoe het hof tot een bewezenverklaring is gekomen. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord, komt de vordering reeds om die reden niet voor toewijzing in aanmerking.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen die in de tenlastelegging als opgelichte personen zijn opgenomen en waarvan het hof tot een bewezenverklaring komt, kan er naar het oordeel van het hof van worden uitgegaan dat de verdachte aan de oplichting van de betreffende benadeelde partijen kan worden gekoppeld.

Voorts komen naar het oordeel van het hof voor toewijzing in aanmerking de vorderingen van de benadeelde partijen die weliswaar niet in de tenlastelegging zijn opgenomen, maar waarvan uit de bewijsoverweging blijkt dat zij door de verdachte zijn opgelicht.

Voor toewijsbaarheid van de overige vorderingen gelden naar het oordeel van het hof de navolgende twee cumulatieve eisen:

- het bankrekeningnummer waarnaar een benadeelde partij geld heeft overgemaakt komt overeen met een bankrekeningnummer waarvan het hof heeft vastgesteld dat dit aan de verdachte is te koppelen, en

- de aanwezigheid van een ander aanknopingspunt dat de verdachte bij de betreffende oplichting betrokken is.

Uitgaande van voormelde criteria en rekening houdend met de inhoud van de aangifte is het hof van oordeel dat de vorderingen van de hierna genoemde benadeelde partijen geheel of gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komen:

BCC

outlet-bcc.com

2, tot een bedrag van € 299,00

3, tot een bedrag van € 450,00

bcc-winkel.com

38, tot een bedrag van € 700,00

39, tot een bedrag van € 680,99

40, tot een bedrag van € 300,99

41, tot een bedrag van € 287,00

48, tot een bedrag van € 490,00

49, tot een bedrag van € 289,99

55, tot een bedrag van € 289,99

57, tot een bedrag van € 289,99

Dixons

dixxons.com

213, tot een bedrag van € 550,00

GSM-wijzer

gsmwijzer-outlet.com

323, tot een bedrag van € 450,00

326, tot een bedrag van € 299,00

328, tot een bedrag van € 250,00

330, tot een bedrag van € 589,00

333, tot een bedrag van € 250,00

338, tot een bedrag van € 1.400,00

340, tot een bedrag van € 299,00

341, tot een bedrag van € 310,00

343, tot een bedrag van € 200,00

345, tot een bedrag van € 310,00

348, tot een bedrag van € 250,00

351, tot een bedrag van € 322,00

352, tot een bedrag van € 1.000,00

354, tot een bedrag van € 250,00

356, tot een bedrag van € 450,00

360, tot een bedrag van € 299,00

361, tot een bedrag van € 310,00

362, tot een bedrag van € 500,00

363, tot een bedrag van € 250,00

365, tot een bedrag van € 299,00

367, tot een bedrag van € 270,00.

Ten aanzien van de benadeelde partijen die hiervoor zijn vermeld onder het kopje bcc-winkel.com is het hof van oordeel dat de vorderingen van de benadeelde partijen hoofdelijk dienen te worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof hebben voormelde benadeelde partijen aangetoond dat tot de vermelde toewijsbare bedragen materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Deze vorderingen van de benadeelde partijen zullen derhalve tot die bedragen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf na te melden dag tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de in enkele gevallen gevorderde vergoeding van geleden immateriële schade, overweegt het hof als volgt.

In het licht van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379) over de vordering van de benadeelde partij, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019 (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 (EBI-arrest)), komt het hof tot het volgende oordeel.

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten - voor zover in onderhavige zaak relevant - in geval van:

  1. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;

  2. aantasting in de persoon:

1) door het oplopen van lichamelijk letsel,

2) door schade in zijn eer of goede naam, of

3) op andere wijze.

Het hof is van oordeel dat geen sprake is een situatie als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, BW, noch van lichamelijk letsel en evenmin van aantasting in eer of goede naam. Het hof dient derhalve te onderzoeken/vast te stellen of de benadeelde partijen op andere wijze in hun persoon zijn aangetast in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW.

Van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356). Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partijen die een beroep hebben gedaan op vergoeding van immateriële schade in onderhavige zaak geen concrete informatie hebben verstrekt waaruit het bestaan van enig geestelijk letsel als een in de psychiatrie erkend ziektebeeld naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, althans waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan.

Echter, uit eerder aangehaalde rechtspraak blijkt dat ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, het niet is uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan, voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Gezien het civiele arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2004 (HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721 (Oosterparkrellen), NJ 2005/391) komt het hof tot het oordeel dat de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zo moet worden uitgelegd dat het zal moeten gaan om een normschending die op min of meer rechtstreekse wijze een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van die persoon maakt. Dat het moet gaan om een misdrijf tegen een persoon impliceert dat de aantasting nauw verband moet houden met de persoonlijke rechten van de benadeelde. Het moet gaan om een normschending die naar zijn aard een fundamenteel persoonsbelang raakt: schending van de persoonlijke levenssfeer, schending van het recht op bewegingsvrijheid, enzovoorts.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat in onderhavige gevallen - hoewel het hof onderkent dat de oplichtingen bij de benadeelde partijen woede, frustratie en verdriet teweeg hebben gebracht - geen grond bestaat voor toewijzing van immateriële schade. Het hof zal de vorderingen van de benadeelde partijen die een vordering hebben ingediend ter vergoeding van immateriële schade derhalve afwijzen voor zover hun vordering betrekking heeft op gevorderde immateriële schade.

Voor het overige levert behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor het overige - in die gevallen waarin het hof heeft besloten tot een gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen - niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade. Deze kunnen in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Niet-ontvankelijk in verband met vrijspraken


Nu de verdachte ter zake van oplichting met betrekking tot onderstaande malafide webwinkels zal worden vrijgesproken, is het hof van oordeel dat de volgende benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard:

BCC

bcc-store.com

11, 12, 13, 14, 19, 21, 25, 26, 27, 29, 30 en 32;

bcc-wk.com

35;

Dixons

dixons-aanbiedingen.com

130, 131, 132, 135, 136 en 138;

dixons-dagdeals.com

143, 144, 148, 149, 152, 153, 155, 158, 162, 163, 169, 171, 172, 174 en 250;

dixons-discounter.com

177, 179, 180, 183, 184 en 251;

dixons-nederland.com

186, 187 en 190;

dixonssale.com

192 en 193;

dixons-sale.com

195;

dixons-shop.com

196, 197, 198 en 199;

dixons-store.com

200 en 201;

dixonswebshop.com

203;

dixons-winkel.com

204;

dixxons.nl

246 en 247;

dixonsdeals.be

258.

Gelet op het voorgaande dienen de benadeelde partijen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte in verband met de verdediging tegen de vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof evenwel begroot op nihil.

Niet-ontvankelijk in verband met ontbreken causaliteit

Uit de aangiften van onderstaande benadeelde partijen blijkt niet, althans onvoldoende, op welke malafide webwinkel de met deze aangiften samenhangende oplichtingen betrekking heeft. Het hof zal deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering:

BCC

7 en 31;

Dixons

133, 185, 202, 249, 252, 254, 255 en 256;

GSM-wijzer

350.

Gelet op het voorgaande dienen de benadeelde partijen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte in verband met de verdediging tegen de vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof evenwel begroot op nihil.

Niet-ontvankelijk in verband met ontbreken koppeling verdachte

Het hof komt met betrekking tot onderstaande malafide webwinkel tot een bewezenverklaring ter zake van oplichting. Gelet op de inhoud van de aangifte en de onder het kopje “Geheel of gedeeltelijk toewijzen’ geformuleerde criteria is het hof echter van oordeel dat de navolgende benadeelde partijen niet aan de verdachte kunnen worden gekoppeld. Deze benadeelde partijen zal het hof derhalve niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering:

BCC

outlet-bcc.com

4 en 8;

bcc-winkel.com

43 en 52;

Dixons

dixxons.com

207, 209, 210, 211, 215, 217, 218, 219, 221, 222, 225, 226, 229, 231, 233, 236, 237, 238, 239, 242 en 243;

GSM-wijzer

gsmwijzer-outlet.com

324, 325, 327, 357 en 366.

Gelet op het voorgaande dienen de benadeelde partijen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte in verband met de verdediging tegen de vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof evenwel begroot op nihil.

Maatregel tot schadevergoeding

Nu vaststaat dat de verdachte ten aanzien van de volgende benadeelde partijen en voor de volgende bedragen aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde feiten is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente:

BCC

outlet-bcc.com

2, tot een bedrag van € 299,00

3, tot een bedrag van € 450,00

bcc-winkel.com

38, tot een bedrag van € 700,00

39, tot een bedrag van € 680,99

40, tot een bedrag van € 300,99

41, tot een bedrag van € 287,00

48, tot een bedrag van € 490,00

49, tot een bedrag van € 289,99

55, tot een bedrag van € 289,99

57, tot een bedrag van € 289,99

Dixons

dixxons.com

213, tot een bedrag van € 550,00

GSM-wijzer

gsmwijzer-outlet.com

323, tot een bedrag van € 450,00

326, tot een bedrag van € 299,00

328, tot een bedrag van € 250,00

330, tot een bedrag van € 589,00

333, tot een bedrag van € 250,00

338, tot een bedrag van € 1.400,00

340, tot een bedrag van € 299,00

341, tot een bedrag van € 310,00

343, tot een bedrag van € 200,00

345, tot een bedrag van € 310,00

348, tot een bedrag van € 250,00

351, tot een bedrag van € 322,00

352, tot een bedrag van € 1.000,00

354, tot een bedrag van € 250,00

356, tot een bedrag van € 450,00

360, tot een bedrag van € 299,00

361, tot een bedrag van € 310,00

362, tot een bedrag van € 500,00

363, tot een bedrag van € 250,00

365, tot een bedrag van € 299,00

367, tot een bedrag van € 270,00.

Beslag

Ten aanzien van de te nemen beslissing omtrent de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen hebben de advocaten-generaal zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie de in de beslaglijst ingenomen standpunten handhaaft. Specifiek ten aanzien van de onder de verdachte inbeslaggenomen BTC 0,549 hebben de advocaten-generaal aangevoerd dat - nu het openbaar ministerie zich neerlegt bij de vrijspraak van het aan de verdachte tenlastegelegde witwassen - de door de rechtbank bevolen teruggave van BTC 0,549 kan worden gehandhaafd, met dien verstande dat – conform heersende jurisprudentie - feitelijk aan de verdachte de waarde in euro’s waartegen de inbeslaggenomen bitcoins destijds zijn omgezet aan de verdachte dient te worden uitgekeerd. Bij repliek hebben de advocaten-generaal daartoe aangevoerd dat bitcoins worden omgewisseld in euro’s wanneer deze door de overheid in beslag worden genomen en dat de grondslag hiervoor doelmatig beslagbeheer is, waarbij een machtiging ex artikel 117 Sv strikt genomen niet noodzakelijk is.

Namens de verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat alle inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen aan de verdachte dienen te worden teruggegeven, primair nu de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem wordt tenlastegelegd. Subsidiair is verzocht om teruggave aan de verdachte van BTC 0,549 in het bestand ‘incomings.wallet’ op de Asus laptop. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat niet de bitcoins zelf, maar het wallet-bestand, althans de harde schijf, door de opsporingsambtenaar in beslag is genomen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat in beslag genomen voorwerpen niet worden vervreemd of vernietigd, tenzij na een verkregen machtiging. Deze machtiging kan volgens de verdediging door het openbaar ministerie worden verleend ten aanzien van voorwerpen die niet geschikt zijn voor opslag; waarvan de kosten van bewaring niet in redelijke verhouding staan tot hun waarde; die vervangbaar zijn en waarvan de tegenwaarde op eenvoudige wijze kan worden bepaald. De verdediging is van mening dat er voor het wallet-bestand, dan wel de Asus laptop waar de wallet met BTC 0,549 op staat, geen machtiging is verleend om te worden vervreemd of te worden vernietigd. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het bestand ‘incoming.wallet’, dan wel de Asus laptop nog bestaat en verzoekt het hof te gelasten dat deze aan de verdachte wordt teruggegeven.

Zoals reeds uiteengezet is het hof met de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde witwassen. Dientengevolge zal het hof de teruggave van de onder de verdachte inbeslaggenomen BTC 0,549 gelasten. Het hof stelt vast dat dit geldbedrag is aangetroffen in een ‘wallet’ op de Asus laptop.

De vraag die de verdediging aan het hof voorlegt is welke waarderingsgrondslag dient te worden gehanteerd om de tegenwaarde van de bitcoins in euro’s te berekenen.

Op grond van artikel 309, lid 1, Sv – welke bepaling op grond van artikel 415, lid 1, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is – is de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie verplicht mededeling te doen van de opbrengst van de voorwerpen ten aanzien waarvan een machtiging op grond van artikel 117, lid 2, is verleend. Aldus is geschied.

Artikel 353, lid 1, Sv bepaalt dat de rechter die toekomt aan een beslissing op een materiële vraag als bedoeld in artikel 350 Sv, tevens een beslissing over het inbeslaggenomen voorwerp geeft. Die beslissing kan onder meer inhouden dat wordt gelast dat het voorwerp wordt teruggegeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (artikel 353, lid 2 en onder b, Sv). Bij arrest van heden in de zaak tegen de medeverdachte [verdachte 1] heeft het hof de teruggave van de Asus laptop aan de verdachte gelast.

Wanneer de last tot teruggave betrekking heeft op een voorwerp dat reeds is vervreemd in de hiervoor bedoelde zin – en aldus teruggave daarvan feitelijk niet meer mogelijk is –, dan is artikel 119, lid 2, Sv ingevolge artikel 353, lid 3, Sv van overeenkomstige toepassing.

De omstandigheid dat artikel 119, leden 1 en 2, Sv van overeenkomstige toepassing is, brengt mee dat de last tot teruggave is gericht tot de bewaarder van het voorwerp. In geval het voorwerp tegen baat is vervreemd, zal de bewaarder vervolgens overgaan tot uitbetaling van de verkregen opbrengst. Tot een dergelijke waardebepaling is de rechter niet bevoegd.

Het hof zal ten aanzien van de onder 1 en 8 genummerde voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (bijlage IV), de halve bitcoin en de Blackberry telefoon, de teruggave aan de verdachten gelasten. Uit het dossier wordt niet duidelijk dat er een verband is tussen deze voorwerpen en enig strafbaar feit.

Het hof zal de op de beslaglijst onder 9, 10 en 11 genummerde voorwerpen (ruim 250 pillen, die MDMA bevatten) onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien deze aan verdachte toebehorende voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen, terwijl ze kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van strafbare feiten en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 47, 57, 63, 138ab, 326, 350a, 350b en 350d van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het openbaar ministerie en de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 9 en 10 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:


Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 7, 8, 11, 12, 14 en 15 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 13 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 13 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst de vorderingen van de navolgende benadeelde
partijen toe, vermeerderd met de wettelijke rente (hierna: ‘wr’) vanaf de genoemde aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening op de volgende wijze:

BCC
outlet-bcc.com

Naam bedrag wr duur gijzeling
[benadeelde partij 2] (2) € 299,00 19-01-2015 05 dagen
[benadeelde partij 3] (3) € 450,00 20-01-2015 09 dagen

bcc-winkel.com
Naam bedrag wr duur gijzeling
[bebadeelde partij 38] (38) € 700,00 29-03-2014 14 dagen
[benadeelde partij 39] (39) € 680,99 27-03-2014 14 dagen
[benadeelde partij 40] (40) € 300,99 28-03-2014 06 dagen
[benadeelde partij 41] (41) € 287,00 18-03-2014 05 dagen
[benadeelde partij 49] (49) € 289,99 13-03-2014 05 dagen
[benadeelde partij 55] (55) € 289,99 19-03-2014 05 dagen

Dixons
dixxons.com
Naam bedrag wr duur gijzeling
[benadeelde partij 213] (213) € 550,00 14-06-2014 11 dagen

GSM-wijzer
gsmwijzer-outlet.com
Naam bedrag wr duur gijzeling
[benadeelde partij 323] (323) € 450,00 25-12-2014 09 dagen
[benadeelde partij 326] (326) € 299,00 22-12-2014 05 dagen
[benadeelde partij 328] (328) € 250,00 23-12-2014 05 dagen
[benadeelde partij 330] (330) € 589,00 05-01-2015 11 dagen
[benadeelde partij 333] (333) € 250,00 29-12-2014 05 dagen
[benadeelde partij 338] (338) € 1.400,00 18-12-2014 28 dagen
[benadeelde partij 340] (340) € 299,00 01-01-2015 05 dagen
[benadeelde partij 341] (341) € 310,00 23-12-2014 06 dagen
[benadeelde partij 345] (345) € 310,00 23-12-2015 06 dagen
[benadeelde partij 348] (348) € 250,00 17-12-2014 05 dagen
[benadeelde partij 351] (351) € 322,00 24-12-2014 06 dagen
[benadeelde partij 352] (352) € 1.000,00 02-01-2015 20 dagen
[benadeelde partij 354] (354) € 250,00 01-01-2015 05 dagen
[benadeelde partij 356] (356) € 450,00 24-12-2014 09 dagen
[benadeelde partij 360] (360) € 299,00 21-12-2014 05 dagen
[benadeelde partij 361] (361) € 310,00 28-12-2014 06 dagen
[benadeelde partij 362] (362) € 500,00 29-12-2014 10 dagen
[benadeelde partij 363] (363) € 250,00 23-12-2014 05 dagen
[benadeelde partij 365] (365) € 299,00 05-01-2015 05 dagen
[benadeelde partij 367] (367) € 270,00 27-12-2014 05 dagen

Bepaalt ten aanzien van de benadeelde partijen die hiervoor zijn vermeld onder het kopje ‘bcc-winkel.com’ dat deze vorderingen hoofdelijk worden toegewezen.

Wijst af de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 38] (38), [benadeelde partij 343] (343) en [benadeelde partij 351] (351) terzake van immateriële schade.

Bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige - in die gevallen waarin het hof heeft besloten tot een gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen - niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade.

Veroordeelt de verdachte in de door de respectieve benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak steeds begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de respectieve benadeelde partijen de bovengenoemde bedragen te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt ten aanzien van de benadeelde partijen die hiervoor zijn vermeld onder het kopje bcc-winkel.com dat voornoemde verplichting tot betaling aan de Staat, hoofdelijk wordt opgelegd.
Bepaalt de duur van de gijzeling steeds op ten hoogste het aantal dagen zoals hiervoor genoemd onder ‘duur gijzeling’. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de respectieve benadeelde partijen niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte - of ten aanzien van de benadeelde partijen die hiervoor zijn vermeld onder het kopje ‘bcc-winkel.com’ zijn mededader(s) - steeds aan een van die beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de betalingsverplichting voor dat betaalde deel vervalt.

Verklaart de volgende benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding:

BCC

[benadeelde partij 4] (4)

[benadeelde partij 7] (7)
[benadeelde partij 8] (8)

[benadeelde partij 11] (11)

[benadeelde partij 12] (12)

[benadeelde partij 13] (13)
[benadeelde partij 14] (14)

[benadeelde partij 19] (19)

[benadeelde partij 21] (21)
[benadeelde partij 25] (25)

[benadeelde partij 26] (26)

[benadeelde partij 27] (27)

[benadeelde partij 29] (29)

[benadeelde partij 30] (30)

[benadeelde partij 31] (31)

[benadeelde partij 32] (32)

[benadeelde partij 35] (35)
[benadeelde partij 43] (43)

[benadeelde partij 52] (52)

Dixons

[benadeelde partij 130] (130)

[benadeelde partij 131] (131)

[benadeelde partij 132] (132)

[benadeelde partij 133] (133)

[benadeelde partij 135] (135)

[benadeelde partij 136] (136)

[benadeelde partij 138] (138)

[benadeelde partij 143] (143)

[benadeelde partij 144] (144)
[benadeelde partij 148] (148)
[benadeelde partij 149] (149)

[benadeelde partij 152] (152)
[benadeelde partij 153] (153)

[benadeelde partij 155] (155)

[benadeelde partij 158] (158)
[benadeelde partij 162] (162)

[benadeelde partij 163] (163)

[benadeelde partij 169] (169)

[benadeelde partij 171] (171)

[benadeelde partij 172] (172)

[benadeelde partij 174] (174)

[benadeelde partij 177] (177)

[benadeelde partij 179] (179)

[benadeelde partij 180] (180)

[benadeelde partij 183] (183)

[benadeelde partij 184] (184)

[benadeelde partij 185] (185)

[benadeelde partij 186] (186)

[benadeelde partij 187] (187)

[benadeelde partij 190] (190)
[benadeelde partij 192] (192)

[benadeelde partij 193] (193)
[benadeelde partij 195] (195)

[benadeelde partij 196] (196)
[benadeelde partij 197] (197)

[benadeelde partij 198] (198)
[benadeelde partij 199] (199)

[benadeelde partij 200] (200)

[benadeelde partij 201] (201)

[benadeelde partij 202] (202)
[benadeelde partij 203] (203)

[benadeelde partij 204] (204)

[benadeelde partij 207] (207)

[benadeelde partij 209] (209)
[benadeelde partij 210] (210)

[benadeelde partij 211] (211)

[benadeelde partij 215] (215)

[benadeelde partij 217] (217)

[benadeelde partij 218] (218)

[benadeelde partij 219] (219)

[benadeelde partij 221] (221)

[benadeelde partij 222] (222)

[benadeelde partij 225] (225)

[benadeelde partij 226] (226)

[benadeelde partij 229] (229)

[benadeelde partij 231] (231)

[benadeelde partij 233] (233)

[benadeelde partij 236] (236)

[benadeelde partij 237] (237)

[benadeelde partij 238] (238)

[benadeelde partij 239] (239)

[benadeelde partij 242] (242)

[benadeelde partij 243] (243)
[benadeelde partij 246] (246)

[benadeelde partij 247] (247)

[benadeelde partij 249] (249)
[benadeelde partij 250] (250)

[benadeelde partij 251] (251)

[benadeelde partij 252] (252)

[benadeelde partij 254] (254)

[benadeelde partij 255] (255)

[benadeelde partij 256] (256)

[benadeelde partij 258] (258)

GSM-wijzer

[benadeelde partij 324] (324)

[benadeelde partij 325] (325)

[benadeelde partij 327] (327)

[benadeelde partij 350] (350)

[benadeelde partij 357] (357)

[benadeelde partij 366] (366).

Veroordeelt deze benadeelde partijen in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak steeds begroot op nihil.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. BTC 0,549, BIT.002.001;

8. mobiele telefoon, Blackberry Bolt, NE1 34.01.04.007.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
9. 225 roze pillen, NE1 34.01.03.001;
10. 28 roze pillen, NE1 34.01.03.001;
11. 9 roze pillen, NE1 34.01.03.001.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman,

mr. J.W. van den Hurk en mr. F.W. van Lottum,

in het bijzijn van de griffiers mr. C.M. Jellema en

mr. J.J. Mossink.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 augustus 2021.