Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:184

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-02-2021
Datum publicatie
26-02-2021
Zaaknummer
200.266.442/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inzagevordering o.g.v. artikel 843a Rv afgewezen bij gebrek aan belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummers : 200.266.442/01 en 200.266.444/01

arrest van 16 februari 2021 in het incident op grond van de artikelen 21, 22 en 843a Rv

inzake

De Russische Federatie,

zetelend te Moskou,

eiseres in de hoofdzaken en het incident,

hierna: de Russische Federatie,

advocaat: mr. M.E. Koppenol-Laforce te Rotterdam,

tegen

JSC CB Privatbank,

gevestigd te Kiev, Oekraine,

gedaagde in de hoofdzaken, verweerder in het incident,

hierna: PrivatBank,

advocaat: mr. M.A. Leijten te Amsterdam.

1 Procesverloop

1.1

Bij dagvaarding van 2 mei 2019 heeft de Russische Federatie de herroeping gevorderd van arbitrale vonnissen van 24 februari 2017, 27 maart 2017 en 4 februari 2019 (hierna: de Arbitrale Vonnissen), gewezen tussen PrivatBank en de Russische Federatie (zaaknummer 200.266.442/01). Bij dagvaarding van 3 juni 2019 heeft de Russische Federatie de vernietiging gevorderd van de Arbitrale Vonnissen (zaaknummer 200.266.444/01). Beide dagvaardingen bevatten een voorwaardelijke incidentele vordering tot inzage op grond van de artikelen 21, 22 en 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

1.2

PrivatBank heeft bij incidentele conclusie van 8 oktober 2019 het hof verzocht beide procedures gevoegd te behandelen. Daarop heeft de rolraadsheer rolvoeging van beide procedures gelast. Op 17 december 2019 heeft PrivatBank voor antwoord geconcludeerd in beide zaken, zowel in de hoofdzaken als in het incident op grond van de artikelen 21, 22 en 843a Rv.

1.3

Op 27 mei 2020 heeft de Russische Federatie een akte overlegging producties genomen.

1.4

Op 14 september 2020 heeft een pleidooizitting in het incident plaatsgevonden. Op de zitting hebben beide partijen een akte overlegging (aanvullende) producties genomen. Partijen hebben het incident laten bepleiten door hun advocaten, de Russische Federatie door mr. R.R. Verkerk, mr. R.S. Meijer en mr. P.C. Peijer, advocaten te Amsterdam, en PrivatBank door mr. D. Horeman en mr. M.J.M. Smulders, advocaten te Amsterdam. Het hof heeft beide zaken aangehouden tot 20 oktober 2020, zodat eerst de Russische Federatie en vervolgens PrivatBank zich konden uitlaten over het verdere verloop van het incident.

1.5

De Russische Federatie heeft op 20 oktober 2020 een akte genomen, waarbij zij haar eis in het incident heeft verminderd en nog twee aanvullende producties heeft overgelegd. PrivatBank heeft gereageerd bij antwoordakte van 24 november 2020, eveneens met producties.

1.6

Ten slotte heeft het hof een datum voor arrest in het incident bepaald.

2 Feiten

2.1

Op 13 april 2015 heeft PrivatBank (samen met Finance Company Finilon LLC, hierna gezamenlijk: PrivatBank c.s.) een arbitrale procedure (hierna: de Arbitrale Procedure) tegen de Russische Federatie aanhangig gemaakt overeenkomstig het arbitragereglement van de United Nations Commission for International Trade Law (UNCITRAL). De plaats van arbitrage was Den Haag. Aanleiding voor de arbitrale procedure was dat PrivatBank c.s. van mening is dat haar investeringen op de Krim door de Russische Federatie zijn onteigend en zij daarvoor schadevergoeding wenst. PrivatBank c.s. baseerde haar vorderingen op een tussen de Russische Federatie en Oekraïne gesloten bilateraal investeringsverdrag van 27 november 1998 (hierna: het Verdrag).

2.2

Omdat de Russische Federatie naliet zelf een arbiter te benoemen, heeft het Permanente Hof van Arbitrage op verzoek van PrivatBank c.s. een appointing authority aangewezen, die een tweede arbiter heeft benoemd.

2.3

De Russische Federatie heeft het Permanente Hof van Arbitrage bij brief van 16 juni 2015 en begeleidende brief van 1 juli 2015 laten weten dat zij niet instemt met arbitrage en het scheidsgerecht onbevoegd acht om over de door PrivatBank c.s. ingestelde vorderingen te beslissen.

2.4

Vervolgens is op grond van het UNCITRAL-arbitragereglement een derde arbiter als voorzitter benoemd.

2.5

Het scheidsgerecht heeft de arbitrageprocedure gesplitst om eerst bevoegdheids- en ontvankelijkheidskwesties te behandelen. Op 24 februari 2017 heeft het scheidsgerecht een tussenvonnis gewezen, dat op 27 maart 2017 is gecorrigeerd (hierna: het Tussenvonnis). Daarin heeft het scheidsgerecht geoordeeld dat de Russische Federatie op grond van het Verdrag ten aanzien van Oekraïense investeerders en hun investeringen op de Krim vanaf 21 maart 2014 verplichtingen heeft, dat een geschil bestaat tussen partijen in verband met door PrivatBank c.s. gestelde ‘investeringen’ in de zin van het Verdrag, en dat PrivatBank c.s. heeft voldaan aan de vereisten onder het Verdrag voor het aanhangig maken van een geschil.

2.6

Op 4 februari 2019 heeft het scheidsgerecht een gedeeltelijk eindvonnis gewezen (hierna: het Gedeeltelijk Eindvonnis). Daarin heeft het scheidsgerecht overwogen dat de vorderingen van Finilon buiten de bevoegdheid van het scheidsgerecht vallen. Verder heeft het scheidsgerecht geoordeeld dat het bevoegd is om te beslissen over de vorderingen van PrivatBank, dat PrivatBank kan worden ontvangen in haar vorderingen en dat de Russische Federatie haar verplichtingen op grond van artikel 5 van het Verdrag heeft geschonden ten aanzien van investeringen van PrivatBank. De vaststelling van eventuele schadevergoeding voor de onteigening van deze investeringen heeft het scheidsgerecht aangehouden tot de volgende fase van de arbitrage (de Quantum Phase).

2.7

Op 21 mei 2019 heeft de Russische Federatie het scheidsgerecht medegedeeld dat zij bereid is alsnog deel te nemen aan de arbitrale procedure onder voorbehoud van haar standpunt dat het scheidsgerecht niet bevoegd is. Daarbij heeft de Russische Federatie het scheidsgerecht verzocht haar toe te staan zich uit te laten over de bevoegdheid van het scheidsgerecht, de zaak ten gronde en de begroting van de schade. In zijn Procedural Order No. 7 van 12 september 2019 heeft het scheidsgerecht het verzoek van de Russische Federatie afgewezen voor zover het betreft de bevoegdheid van het scheidsgerecht en de schending van artikel 5 van het Verdrag, omdat hierover reeds definitief was beslist in het Tussenvonnis en het Gedeeltelijk Eindvonnis. Het scheidsgerecht heeft de Russische Federatie wel toegestaan om zich in de Quantum Phase over de begroting van de schade uit te laten. In deze Procedural Order heeft het scheidsgerecht, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

(…) the Tribunal notes that, in support of its argument that “PrivatBank does …not qualify as an investor within the meaning of Article 1(1) of the [Treaty] who has made investments within the meaning of Article 1(2) of the [Treaty], because PrivatBank obtained its investments through corruption, fraud and violence, among other things” (the “Illegality Objection”), the Respondent has put forward in its Set Aside and Revocation Writs a set of arguments and factual evidence that was neither put before the Tribunal by the Claimant, nor addressed by the Tribunal in its Awards. Although the Respondent could have raised this issue at an earlier stage of these proceedings, the Tribunal considers that, in view of the substantial new evidence now adduced by the Respondent, as well as the serious nature of its allegations, it would be appropriate to allow the Respondent to make submissions on its Illegality Objection, should it wish to do so. In order to minimize any delay resulting from such submissions and given that the Respondent’s arguments and evidence in respect of the Illegality Objection will likely also be relevant to the damages issues in these proceedings, the Tribunal considers that any such submissions should be made in the Respondent’s submissions on compensation (…)”.

2.8

In de Quantum Phase is nog geen eindbeslissing genomen. De mondelinge behandeling in de Quantum Phase zal naar verwachting in januari 2022 plaatsvinden.

3 Vorderingen

3.1

In de hoofdzaken vordert de Russische Federatie herroeping dan wel vernietiging van de Arbitrale Vonnissen. In het incident vordert de Russische Federatie een veroordeling van PrivatBank om op straffe van verbeurte van een dwangsom afschriften te verstrekken van de hierna te noemen stukken. De incidentele vorderingen zijn voorwaardelijk, voor het geval PrivatBank de stellingen van de Russische Federatie ten aanzien van de aanwezigheid van herroepings- en vernietigingsgronden betwist en niet vrijwillig inzage in de desbetreffende stukken verstrekt. Deze voorwaarde is vervuld - PrivatBank betwist de stellingen van de Russische Federatie en heeft niet vrijwillig in (alle) stukken inzage verstrekt - zodat op de incidentele vorderingen moet worden beslist.

3.2

De stukken waarvan de Russische Federatie - na vermindering van eis - afschriften vordert zijn de volgende:

( i) Het Kroll rapport, met inbegrip van de nadere nuanceringen, zoals ‘onderdelen’, ‘concepten’, ‘kopieën’ en ‘(gedeeltelijke) afschriften’ ervan.

( ii) De namen van de leningnemers behorende bij de 100 grootste zakelijke leningen indien PrivatBank weigert te bevestigen dat de onderzoeksresultaten van de Russische Federatie kloppen.

( iii) Pagina’s 14, 18, 33, 36-38, 47, 58, 59, 86, 88, 90, 91-98, 99 en 100-121 van het door EY opgestelde due diligence rapport voor PrivatBank.

( iv) De processtukken die door PrivatBank zijn opgesteld en ingediend in de procedure die zij in Cyprus aanhangig heeft gemaakt tegen PwC.

( v) Alle bijlagen bij de verklaring van [naam] zoals overgelegd als productie RF-140 (P), waaronder onder andere wordt verstaan de schedules, appendices en exhibits.

( vi) De correspondentie, onderzoeksbevindingen, processtukken en besluiten van de autoriteiten in Portugal, Italië en Letland die zien op de maatregelen als beschreven in (onder meer) de herroepingsdagvaarding, randnummer 28 en de vernietigingsdagvaarding, randnummer 45, en de correspondentie en stukken die zijn gewisseld tussen de autoriteiten op Cyprus en PrivatBank van 15 februari, 18 februari, 23 februari, 21 maart, 20 september en 4 oktober 2016.

( vii) Alle e-mails, correspondentie en stukken die zijn opgesteld en/of uitgewisseld met Perspectiva-1 en die zien op de verkrijging van het Tavria-resort.

( viii) Alle stukken die zien op de strafprocedure met nummer 70059114 inzake de illegale privatisering van het Tavria-resort alsook alle stukken die PrivatBank heeft verstrekt aan het openbaar ministerie naar aanleiding van strafonderzoeken die zien op het Tavria-resort.

3.3

Aan haar vorderingen tot inzage legt de Russische Federatie, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Zij heeft belang bij inzage in deze stukken met het oog op haar herroepingsvordering, omdat de stukken als aanvullend bewijs kunnen dienen voor haar stelling dat PrivatBank onjuiste, misleidende en onvolledige informatie in de arbitrale procedure heeft verstrekt. Als deze stukken in de arbitrale procedure waren verstrekt, had het scheidsgerecht tot een ander oordeel moeten of kunnen komen. Afgifte van de gevorderde stukken zou de Russische Federatie bovendien in staat stellen om de herroepingsgrond van artikel 1068, eerste lid sub c Rv nog verder uit te werken. Daarnaast heeft de Russische Federatie belang bij inzage in deze stukken ter onderbouwing van haar vernietigingsvordering. De stukken kunnen als aanvullend bewijs dienen van haar stelling dat PrivatBank crimineel althans onrechtmatig heeft gehandeld bij de verkrijging van de investeringen waarvan zij in de arbitrale procedure vergoeding vordert. Ook aan de overige voorwaarden voor toewijzing van de incidentele vorderingen is voldaan: de vorderingen zien op concrete en nauwkeurig omschreven stukken en op een rechtsbetrekking waarbij de Russische Federatie partij is, te weten de vorderingen die PrivatBank tegen haar heeft ingesteld.

3.4

PrivatBank voert verweer dat voor zover nodig hierna zal worden besproken.

4 Beoordeling

4.1

De Russische Federatie baseert haar vorderingen tot inzage op de artikelen 21, 22 en 843a Rv. Aangezien alleen artikel 843a Rv een wettelijke grondslag vormt voor een dergelijke vordering, zal het hof de vorderingen van de Russische Federatie aan de hand van de in dat artikel gestelde eisen beoordelen.

4.2

Artikel 843a Rv stelt een aantal eisen aan het inzagerecht:

( i) De Russische Federatie moet partij zijn bij de rechtsbetrekking die in geschil is.

( ii) De Russische Federatie moet een rechtmatig belang hebben bij inzage in de desbetreffende stukken, dat wil zeggen dat de stukken relevant moeten zijn voor haar rechtspositie, in die zin dat zij daarmee haar vordering (nader) kan onderbouwen.

( iii) Het moet gaan om “bepaalde bescheiden”, dat wil zeggen dat de stukken zo concreet moeten zijn aangeduid dat duidelijk is waarop aanspraak wordt gemaakt.

( iv) PrivatBank moet over de stukken (kunnen) beschikken. Als zij niet zelf over de stukken beschikt, mag van PrivatBank worden verwacht dat zij zich inspant om de stukken beschikbaar te krijgen, bijvoorbeeld door deze bij een derde op te vragen.

4.3

Het hof zal eerst nagaan of de Russische Federatie een rechtmatig belang heeft bij inzage. In dat verband is in de eerste plaats van belang dat de rechtmatigheid van de investeringen waarvoor PrivatBank in de arbitrale procedure schadevergoeding vordert, ook in die arbitrale procedure ter discussie staat, en dat in verband daarmee ook in de arbitrale procedure inzage is gevorderd in (grotendeels) dezelfde stukken als die waarvan de Russische Federatie in de onderhavige procedure afschriften vordert.

4.4

In het Tussenvonnis heeft het scheidsgerecht zich niet uitgelaten over de rechtmatigheid van de investeringen van PrivatBank in de Krim (vgl. punt 208 van het Tussenvonnis). In het Gedeeltelijk Eindvonnis heeft het scheidsgerecht onderzocht of de investeringen van PrivatBank in overeenstemming waren met de wetgeving van de Russische Federatie op 21 maart 2014, en in dat opzicht voldeden aan de definitie van investeringen in artikel 1, eerste lid van het Verdrag (“any kind of tangible and intangible assets invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party in accordance with its legislation”, onderstreping van het hof). Het scheidsgerecht heeft dat onderzocht aan de hand van een analyse van de wetgeving van de Russische Federatie waarbij de Russische Federatie de Krim heeft geïncorporeerd. Op grond daarvan heeft het scheidsgerecht geconcludeerd dat de investeringen van PrivatBank in de Krim in overeenstemming waren met de wetgeving van de Russische Federatie op 21 maart 2014 (punten 196 tot en met 214 van het Gedeeltelijk Eindvonnis).

4.5

De Russische Federatie heeft in deze fase van de arbitrale procedure geen (materieel) verweer gevoerd tegen de vorderingen van PrivatBank, zodat het scheidsgerecht bij dit oordeel de stellingen van de Russische Federatie met betrekking tot corruptie, fraude en geweld gepleegd bij de verkrijging van deze investeringen niet in aanmerking heeft kunnen nemen. In Procedural Order No. 7 van 12 september 2019 (hiervoor geciteerd in 2.7) heeft het scheidsgerecht bepaald dat de Russische Federatie deze stellingen in de Quantum Phase van de arbitrale procedure alsnog naar voren kan brengen. Vervolgens heeft de Russische Federatie in de arbitrale procedure een inzageverzoek gedaan dat grotendeels overeenkomt met de inzagevorderingen in de onderhavige procedure. Het scheidsgerecht heeft PrivatBank daarop bevolen de stukken genoemd in de inzagevordering van de Russische Federatie onder (ii) tot en met (vi) over te leggen. (Deze inzagevordering is hiervoor in 3.2 weergegeven.) PrivatBank heeft in reactie daarop een aantal stukken overgelegd. Volgens de Russische Federatie heeft PrivatBank niet volledig aan het bevel van het scheidsgerecht voldaan.

4.6

De Russische Federatie heeft in de arbitrale procedure ook inzage gevorderd in het Kroll rapport genoemd in 3.2 onder (i). PrivatBank heeft aangevoerd dat zij het Kroll rapport niet heeft en ook geen recht heeft op een exemplaar van dit rapport. Het scheidsgerecht heeft ten aanzien van het Kroll rapport in Procedural Order No. 11 van 7 september 2020 bepaald dat PrivatBankshall remain under a continuing obligation to produce the document promptly, if at any point in the future it comes into the Claimant’s possession, custody or control”. Naar aanleiding van een hernieuwd verzoek om inzage in dit rapport heeft het scheidsgerecht PrivatBank bij brief van 23 oktober 2020 verzocht “(…) by Monday, 2 November 2020, to provide a description of the searches it has undertaken for the document in question, as well as copies of any document requests it has addressed to the entities likely to be in possession, custody or control of this document, and any responses thereto.” Nadat PrivatBank een beschrijving van haar onderzoekingen had verstrekt en de Russische Federatie in reactie daarop had vastgehouden aan het inzageverzoek ten aanzien van het Kroll rapport, heeft het scheidsgerecht bij brief van 17 november 2020 onder meer het volgende aan partijen medegedeeld: “(…) The Tribunal recalls that the Claimant is under a continuing obligation to produce the Kroll report promptly, if at any point in the future it comes into the Claimant’s possession, custody or control (…). As noted previously, insofar as any documents ordered to be produced are not produced or not fully produced, the Tribunal will draw the inferences it deems appropiate, taking into consideration all relevant circumstances (…). The Tribunal notes that it may in this connection request the Claimant to provide further particulars and evidence of the searches undertaken internally or externally (…).

4.7

De Russische Federatie zal zich op 23 maart 2021 in de arbitrale procedure kunnen uitlaten over de stellingen van PrivatBank ten aanzien van de specifieke investeringen waarvoor zij schadevergoeding vordert. Daarbij zal de Russische Federatie haar ‘Illegality Objection’ nader kunnen onderbouwen. Vervolgens volgt er nog een disclosure phase waarin partijen stukken van de andere partij kunnen opvragen, een tweede schriftelijke ronde en een mondelinge behandeling.

4.8

Uit het voorgaande volgt dat de inzagevorderingen van de Russische Federatie in de onderhavige procedure overlappen met de inzagevordering van de Russische Federatie in de arbitrale procedure. De Russische Federatie heeft haar inzagevorderingen in de onderhavige procedure aangepast zodat deze vordering (volgens de Russische Federatie) ziet op stukken die in de arbitrale procedure niet of niet volledig zijn overgelegd. Dat neemt echter niet weg dat de Russische Federatie in de arbitrale procedure staande houdt dat PrivatBank niet volledig aan het bevel tot inzage van het scheidsgerecht heeft voldaan, en ook in die procedure aanspraak blijft maken op inzage in deze stukken. Bovendien zal de Russische Federatie in de disclosure phase van de arbitrale procedure opnieuw stukken bij PrivatBank kunnen opvragen. Vanwege deze overlap en het feit dat in de Quantum Phase van de arbitrale procedure ook de rechtmatigheid van de investeringen ter discussie staat, heeft de Russische Federatie in dit stadium niet voldoende belang bij haar inzagevordering in deze procedure. Aan dat oordeel ligt mede het volgende ten grondslag.

4.9

Met de opgevraagde stukken wil de Russische Federatie in de herroepingszaak haar standpunt onderbouwen dat PrivatBank stukken heeft achtergehouden die wijzen op corruptie, fraude en geweld bij de verkrijging van de investeringen, en die van invloed zouden zijn geweest op de beslissing van het scheidsgerecht als het deze stukken zou hebben gekend. In de vernietigingszaak wil de Russische Federatie met de opgevraagde stukken haar standpunt onderbouwen dat het scheidsgerecht niet bevoegd is, omdat de investeringen van PrivatBank als gevolg van het feit dat zij door corruptie, fraude en geweld zijn verkregen, niet kunnen worden gekwalificeerd als ‘investeringen’ in de zin van het Verdrag. In beide zaken steunen de vorderingen van de Russische Federatie dus op gestelde corruptie, fraude en geweld bij de verkrijging van de investeringen van PrivatBank in de Krim. PrivatBank heeft gesteld dat zelfs als de verwijten van corruptie, fraude en geweld van de Russische Federatie ten aanzien van bepaalde investeringen gegrond zouden zijn, de onteigening door de Russische Federatie in ieder geval ook rechtmatige investeringen van PrivatBank in de Krim heeft getroffen. Als voorbeelden heeft zij genoemd haar belangen in onroerend goed (met name bankfilialen), pin- en betaalautomaten en autoleningen en hypotheken verstrekt aan particuliere klanten in de Krim. De Russische Federatie heeft deze stelling niet of althans niet voldoende gemotiveerd betwist. De Russische Federatie heeft weliswaar gesteld dat eenvoudig kan worden aangetoond dat ook de thans in arbitrage voorliggende vordering ziet op illegale investeringen, maar heeft niet beargumenteerd waarom zaken als bankfilialen, geldautomaten en leningen aan particulieren onder illegale investeringen zouden kunnen vallen. Evenmin valt in te zien dat de stukken waarvan de Russische Federatie in dit incident inzage vordert daar enige indicatie voor zouden kunnen bevatten. De Russische Federatie heeft dus onvoldoende duidelijk gemaakt dat zij met de stukken waarvan zij in dit incident afschriften vordert, ten aanzien van alle investeringen van PrivatBank in de Krim zou kunnen aantonen dat zij door corruptie, fraude of geweld zijn verkregen.

4.10

In deze omstandigheden heeft de Russische Federatie in dit stadium onvoldoende belang bij haar inzagevorderingen. Een vaststelling dat een deel van de investeringen van PrivatBank in de Krim door corruptie, fraude of geweld is verkregen en/of dat PrivatBank informatie dienaangaande in de arbitrale procedure heeft achtergehouden, kan immers niet leiden tot herroeping of vernietiging van het Tussenvonnis of het Gedeeltelijk Eindvonnis. Zoals hiervoor overwogen (in 4.4), steunt het Tussenvonnis niet op een oordeel ten aanzien van de rechtmatigheid van de investeringen, zodat het Tussenvonnis niet zou kunnen worden aangetast als zou worden vastgesteld dat een deel van die investeringen onrechtmatig is, en/of PrivatBank in de arbitrale procedure informatie heeft achtergehouden waaruit de onrechtmatigheid van een deel van die investeringen blijkt. In het Gedeeltelijk Eindvonnis heeft het scheidsgerecht wel een algemeen oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de investeringen, maar dat oordeel berust op een analyse van de wetgeving van de Russische Federatie waarbij de Russische Federatie de Krim heeft geïncorporeerd. Het Gedeeltelijk Eindvonnis gaat niet in op (de rechtmatigheid van) specifieke investeringen, kennelijk omdat de Russische Federatie die rechtmatigheid in dat stadium van de arbitrale procedure niet heeft aangevochten. Een vaststelling dat specifieke investeringen van PrivatBank in de Krim niet gekwalificeerd kunnen worden als ‘investeringen’ in de zin van het Verdrag omdat zij onrechtmatig zijn verkregen, zou dus evenmin kunnen leiden tot vernietiging van het Gedeeltelijk Eindvonnis wegens algehele onbevoegdheid van het scheidsgerecht. Er kan immers van uit gegaan worden dat er ook investeringen van PrivatBank in de Krim zijn die wel rechtmatig zijn verkregen, en ten aanzien van die investeringen kan niet worden gezegd dat het scheidsgerecht onbevoegd is omdat het geen ‘investeringen’ zijn in de zin van het Verdrag. Evenmin kan worden gezegd dat ten aanzien van deze rechtmatige investeringen een grond voor herroeping bestaat. Dat betekent dat het Gedeeltelijk Eindvonnis niet vanwege de – mogelijke – onrechtmatigheid van bepaalde investeringen vernietigd of herroepen kan worden. De vraag of het scheidsgerecht ten aanzien van specifieke investeringen van PrivatBank in de Krim onbevoegd is omdat deze investeringen onrechtmatig zijn verkregen, kan pas worden beantwoord nadat ook de Quantum Phase is afgerond, waarin het scheidsgerecht zal oordelen over de (on)rechtmatigheid van specifieke investeringen naar aanleiding van de stellingen van de Russische Federatie. Pas met het oog op een vordering tot herroeping of vernietiging van dat eindoordeel van het scheidsgerecht zou de Russische Federatie een belang kunnen hebben bij inzage in stukken waarmee zij de onrechtmatigheid van specifieke investeringen zou kunnen aantonen.

4.11

Omdat het vereiste belang bij de inzagevorderingen ontbreekt, is het niet nodig om in te gaan op de overige eisen die artikel 843a Rv aan het inzagerecht stelt. De inzagevorderingen van de Russische Federatie zullen worden afgewezen. De beslissing omtrent de kosten zal worden aangehouden tot aan de beslissing in de hoofdzaken. De hoofdzaken zullen naar de rol worden verwezen voor uitlating partijen, zodat partijen zich kunnen uitlaten over het gewenste vervolg van de procedure.

5 Beslissing

Het hof:

in het incident:

- wijst de vorderingen van de Russische Federatie af;

- houdt de beslissing omtrent de kosten aan tot de beslissing in de hoofdzaken;

in de hoofdzaken:

- verwijst de zaken naar de rol van 16 maart 2021 voor uitlating partijen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, J.J. van der Helm en D.A. Schreuder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2021 in aanwezigheid van de griffier.