Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1816

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
200.279.061/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling eenvoudige gemeenschap. Woning. Peildatum. Bijdrageplicht lasten. Uitsluiting verdeling voor drie jaren. Verrekening met kinderalimentatie. Nieuwe (reconventionele) vorderingen in hoger beroep stuiten af op art. 353 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.279.061/02

Zaaknummer rechtbank : C/10/579167/HA ZA 19-701

arrest van 3 augustus 2021

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante, tevens verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E. Yilmaz te Rotterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.M.L.G. de Jong te Rotterdam.

Het geding

Het hof gaat uit van de volgende in deze zaak ingediende processtukken:

  • -

    het exploot van 26 mei 2020 waarbij de vrouw in hoger beroep is gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 25 maart 2020, hierna ook: het bestreden vonnis;

  • -

    de ter roldatum van 15 september 2020 ingediende memorie van grieven met producties, waaronder het procesdossier in eerste aanleg;

  • -

    de door de man ter rolzitting van 27 oktober 2020 ingediende memorie van antwoord, tevens incidenteel appel, met producties;

  • -

    de door de vrouw ter rolzitting van 5 januari 2021 ingediende memorie van antwoord in incidenteel appel.

Vervolgens heeft de man zijn procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Korte weergave van de zaak

1. De door de rechtbank in het vonnis van 25 maart 2020 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en tot 1 januari 2011 een gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Uit deze relatie is een kind geboren, [naam kind] , dat nu 13 jaar is. Partijen hebben gezamenlijk een woning met bijbehorende parkeerplaats gekocht in 2006 of 2007 (hierna: de woning). De koopsom bedroeg € 276.000,-. Per 20 mei 2011 is de waarde van de woning getaxeerd op € 310.000,-. Per 1 januari 2018 bedroeg de WOZ-waarde van deze woning € 465.000,-. Partijen hebben daarnaast een SpaarZeker Verzekeringpolis afgesloten bij Interpolis met een contante waarde per 1 januari 2011 van € 10.452,81. Voor deze polis wordt (spaar)premie betaald, vanaf 1 januari 2011 uitsluitend door de vrouw. Ook hebben partijen een gemeenschappelijke hypothecaire geldlening afgesloten bij de Rabobank ter grootte van € 306.300,- tegen een rente van 4,5%. Op deze lening wordt niet afgelost, er wordt alleen rente op betaald. Partijen hebben een geschil over de verdeling van de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschap.

Zij zijn het er in eerste aanleg over eens geworden dat de genoemde polis aan de vrouw wordt toegedeeld tegen de waarde per 1 januari 2011, waarbij zij de helft van deze waarde, zijnde € 5.226,40, aan de man vergoedt. Ook zijn partijen het er in eerste aanleg over eens geworden dat de woning moet worden verkocht aan een derde.

De beslissing van de rechtbank, de vorderingen en het geschil in hoger beroep

3. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt en kort weergegeven gelast:

  • -

    Partijen verkopen en leveren de woning aan een derde via een makelaar;

  • -

    Het vonnis treedt in de plaats van alle rechtshandelingen die de vrouw in dit verband moet verrichten;

  • -

    De hypothecaire geldlening wordt afgelost uit de verkoopopbrengst en van de overwaarde (na aftrek van de verkoopkosten) komt aan ieder van partijen de helft toe;

  • -

    De SpaarZeker Verzekeringpolis wordt aan de vrouw toegedeeld onder de verplichting aan de man uit hoofde van overbedeling uiterlijk bij de notariële levering van de woning aan een derde € 5.226,40 te vergoeden en de man wordt gelast om aan de toedeling aan de vrouw mee te werken;

  • -

    Partijen moeten ieder de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van de verdeling, voldoen.

Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Met betrekking tot de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning heeft de rechtbank het volgende overwogen. De vrouw heeft onvoldoende gesteld om te komen tot het oordeel dat voor de verdeling van de verkoopopbrengst moet worden uitgegaan van de waard van de woning per 1 januari 2011. Voor de vrouw stond er kennelijk voldoende tegenover het volledig betalen van de woonlasten van de woning, namelijk woongenot, rust om niet te hoeven verhuizen en de kans om de man alsnog uit te kopen. De man heeft dan weliswaar geen financiële offers gebracht maar had ook niet het woongenot en heeft de vrouw de tijd gegund om te proberen de man alsnog op een later tijdstip uit te kopen.

4. De vrouw vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van de man in eerste aanleg alsnog zal afwijzen. Verder vordert zij, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en hier kort weergegeven:

  1. de man te veroordelen om met ingang van 1 januari 2011 bij te dragen in de hypothecaire lasten en eigenaarslasten van de woning tot dat deze zal zijn verkocht en geleverd aan een derde, met een verklaring voor recht dat de man voor de helft draagplichtig is voor de eigenaarslasten van de woning;

  2. te bepalen dat de vordering tot verdeling van de woning voor een periode van maximaal drie jaren wordt uitgesloten;

  3. als de eenvoudige gemeenschap van partijen moet worden verdeeld, een verklaring voor recht dat de man de niet betaalde kinderalimentatie per 2 september 2016 aan de vrouw zal betalen dan wel zal verrekenen met de aan de man toekomende overwaarde van de woning, dan wel dat het hof een zodanige kinderalimentatie zal bepalen en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht;

  4. de man zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties, waaronder begrepen de nakosten, met bepaling dat de man over de proceskosten en nakosten wettelijke rente zal moeten betalen met ingang van veertien dagen na het in deze te wijzen arrest.

5. De man vindt dat de vorderingen van de vrouw in hoger beroep moeten worden afgewezen. Verder vordert hij in incidenteel appel, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren:

dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen met betrekking tot de verdeling van het opgebouwde spaarsaldo van de spaarrekening (het hof: in de SpaarZekerverzekering) en zal bepalen dat de man recht heeft op de helft van de nominale waarde, te vermeerderen met de door de maatschappij toegekende rente tot aan de feitelijke datum van verdeling. Kosten rechtens.

6. De vrouw vindt dat het hof de vorderingen van de man in incidenteel appel moet afwijzen.

7. Over de volgende geschilpunten moet het hof oordelen:

- of de waarde van de woning per peildatum 1 januari 2011 heeft te gelden voor de verdeling;

- de bijdrageplicht van de man in de eigenaars- en hypothecaire lasten na verbreking van de samenwoning;

- de vordering (het hof leest: het verlangen) van de vrouw om de verdeling van de gezamenlijke woning voor ten hoogste drie jaren uit te sluiten zoals bepaald in artikel 3:178 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW);

- of een verrekening bij de notariële levering van de woning aan een derde van de door de man aan de vrouw te betalen achterstallige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam kind] moet plaatsvinden;

- of de vrouw aan de man ook de rente van 4,5% per jaar tot aan de feitelijke verdeling moet vergoeden op het opgebouwde saldo van de SpaarZeker Verzekeringpolis.

Beoordeling van het geschil

De door de vrouw ingestelde vorderingen

8. Met betrekking tot de vorderingen van de vrouw, zoals weergegeven onder 1) tot en met 3) in punt 4, overweegt het hof als volgt. Het hof zal de vrouw in deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaren en motiveert dit als volgt.

De vrouw was in eerste aanleg gedaagde. Zij heeft in eerste aanleg deze (reconventionele) vorderingen niet ingesteld. De vrouw voert aan dat zij een van deze vorderingen (over de uitsluiting van de verdeling van de woning voor een periode van drie jaren) te laat, te weten niet bij de conclusie van antwoord, heeft ingesteld. Daardoor is deze buiten beschouwing gelaten door de rechtbank, aldus de vrouw. Het hof is van oordeel dat wat de vrouw aanvoert, niet betekent dat deze vordering toch is te beschouwen als een in eerste aanleg ingestelde reconventionele vordering. Dit betekent dat de vrouw alle vorderingen in reconventie voor het eerst in hoger beroep instelt. Dit is op grond van wat is bepaald in artikel 353 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet toegelaten. Het hof zal de vrouw daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze vorderingen. Ten aanzien van het verlangen van de vrouw om de vordering tot verdeling van de woning met drie jaar uit te sluiten overweegt het hof nog het volgende. Op grond van artikel 3:178 lid 3 BW kan de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot voor ten hoogste drie jaren een vordering tot verdeling uitsluiten. De vrouw voert in haar memorie van grieven van 15 september 2020 (onder 5.16.) kort gezegd aan dat het in belang van [naam kind] is als zij voorlopig in de woning kan blijven wonen. Vast staat echter dat de hoofdverblijfplaats van [naam kind] op 13 oktober 2020 is gewijzigd naar de man. Het argument van de vrouw gaat reeds daarom niet (meer) op. Het hof zal het bestreden vonnis, voor zover daarin de verkoop van de woning is gelast, bekrachtigen.

Peildatum waarde woning voor de verdeling

9. In de eerste grief voert de vrouw aan dat voor de verdeling van de waarde van de woning van de peildatum 1 januari 2011 moet worden uitgegaan. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de verkoopopbrengst van de woning, nadat de hypothecaire lening is afgelost uit deze opbrengst en na aftrek van verkoopkosten, tussen partijen bij helfte moet worden gedeeld. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. Het hof overweegt verder dat het standpunt van de vrouw niet eenduidig is. De vrouw stelt zich, gelet op wat zij in punt 5.11 stelt en wat in het petitum is weergegeven, niet op het standpunt dat bij de verdeling van de verkoopopbrengst aan de zijde van de man slechts moet worden uitgegaan van de waarde van de woning per 1 januari 2011. Zij stelt zich daarin namelijk op het standpunt dat de man zijn aandeel in de hypotheeklasten en eigenaarslasten vanaf 1 januari 2011 tot de notariële levering van de woning aan een derde moet voldoen. Wat daar ook van zij, het hof acht het niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid om voor de verdeling van de waarde van de woning uit te gaan van de verkoopopbrengst van de woning. Niet in geschil is dat de woning moet worden verkocht. De vrouw heeft weliswaar jarenlang alle lasten betaald van de woning, maar daar staat tegenover dat de man de vrouw een aantal jaren in de woning heeft laten wonen, zonder de verdeling daarvan te vorderen. De man heeft de vrouw daarmee alle ruimte willen geven om te proberen de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening, hetgeen de vrouw ook daadwerkelijk enkele malen heeft geprobeerd. De vrouw heeft bovendien nooit te kennen gegeven dat de man zou moeten meebetalen aan de lasten van de woning. Kennelijk is tussen partijen stilzwijgend overeengekomen dat de vrouw die lasten zou betalen. Bovendien is de man akkoord gegaan met de verdeling van de Spaar Zekerpolis tegen een waarde per peildatum 1 januari 2011. De man heeft zich alle jaren beperkt gezien in zijn mogelijkheden om zelf een andere woning te kopen. Het hof zal daarom de eerste grief van de vrouw passeren.

10. De man heeft incidenteel appel ingesteld, omdat hij zijn vordering wil vermeerderen. De man vordert dat over het door de vrouw aan hem uit te betalen bedrag ad € 5.226,40 in verband met de toedeling van de SpaarZeker Verzekeringpolis aan de vrouw alsnog de rente ad 4,5% per jaar aan hem zal worden vergoed door de vrouw. Het hof zal deze vordering afwijzen en legt dit als volgt uit.

Partijen zijn in eerste aanleg overeengekomen dat aan de man een bedrag van € 5.226,40 toekomt nu de vrouw deze polis zal behouden en voortzetten. De vrouw heeft vanaf 1 januari 2011 uitsluitend de premies voldaan. Nu de man akkoord is gegaan met de verdeling van de waarde van de polis per 1 januari 2011, is er geen grond om vervolgens nog van de rente die nadien op deze polis is vergoed, de helft aan de man te doen toekomen.

Het hof gaat verder voorbij aan de stellingen van de vrouw: dat de SpaarZeker Verzekeringpolis niet voor verdeling in aanmerking zou komen en dat het bedrag van de waarde per 1 januari 2011 niet zou kloppen. De vrouw heeft op deze punten geen grief aangevoerd en evenmin op dat punt een wijziging van het bestreden vonnis gevorderd.

Bewijsaanbod

11. Het hof zal het bewijsaanbod van de vrouw passeren. Wat daar verder ook van zij, het aanbod betreft niet enig punt waarbij bewijs tot beslissing van de zaak kan leiden. Het zelfde geldt voor het bewijsaanbod van de man; ook dit zal het hof passeren.

Slotsom en proceskosten

12. De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu noch het principaal hoger beroep van de vrouw, noch het incidenteel hoger beroep van de man tot een andere beslissing leidt. De compensatie van proceskosten in eerste aanleg blijft in stand omdat het hof geen grond ziet om daarover anders te beslissen.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vorderingen zoals weergegeven in 1) tot en met 3) in punt 4 van dit arrest;

compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, P.B. Kamminga en S.H.M. van der Heiden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 augustus 2021 in aanwezigheid van de griffier.