Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1813

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
200.285.625/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kan in kort geding om de vervangende toestemming voor de verhuizing van een minderjarige worden gevraagd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel

zaaknummer : 200.285.625/02

zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/605319 / KG ZA 20-903

arrest van 17 augustus 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats]
appellant,
hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze

tegen

[de vrouw] ,

wonende op een geheim adres,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E. Yilmaz te Rotterdam

Het geding

Bij exploot van 2 november 2020 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 22 oktober 2020 van de voorzieningenrechter in rechtbank Rotterdam, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie/eiser in reconventie.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar blz. 1 van het genoemde vonnis.

In de appeldagvaarding heeft de man zeven grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven van de man weersproken.

Vervolgens hebben partijen, ieder tweemaal, een akte genomen.

De man heeft zijn procesdossier gefourneerd, waarna arrest is bepaald op heden.

Beoordeling van het hoger beroep

Feiten

1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. Partijen zijn [in] 2015 met elkaar gehuwd. Zij hebben tot 27 april 2020 samengewoond in de echtelijke woning te [plaatsnaam een] .

2. Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende kinderen geboren:

  • -

    [minderjarige een] , geboren te [plaatsnaam] [in] 2017;

  • -

    [minderjarige twee] , geboren te [plaatsnaam] [in] 2019

(hierna gezamenlijk: de minderjarigen).

3. Partijen dragen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

4. Op 27 april 2020 heeft de politie de vrouw en de minderjarigen vanuit de echtelijke woning overgebracht naar een crisisopvang in [plaatsnaam] , omdat de man de vrouw in het bijzijn van de minderjarigen zou hebben mishandeld en bedreigd. Op 6 mei 2020 is de vrouw met de minderjarigen overgebracht naar een vrouwenopvang buiten de regio, omdat het onveilig voor haar was om in [plaatsnaam] te blijven. De vrouw en de minderjarigen zijn daar gebleven tot de laatste week van oktober 2020.

5. In het kader van de door de vrouw op 8 juni 2020 aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure zijn bij beschikking van 24 juni 2020 van de rechtbank Rotterdam voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij onder andere is bepaald dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd en dat de minderjarigen bij de man zullen verblijven minimaal één dag per week en indien dit mogelijk is met het werkschema van de man twee dagen per week.

6. Bij vonnis in kort geding van 21 september 2020 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam is beslist, voor zover van belang, dat de raad voor de kinderbescherming onderzoek zal doen met betrekking tot de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen en de voorgenomen verhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar de regio Rotterdam en hierover te rapporteren in een door de vrouw binnen twee weken na 16 september 2020 aanhangig te maken bodemprocedure met betrekking tot vervangende toestemming voor de verhuizing.

7. Vervolgens heeft de vrouw de rechtbank Rotterdam verzocht om vervangende toestemming voor de verhuizing van de minderjarigen naar de regio Rotterdam en voor de inschrijving van de minderjarigen op een peuterspeelzaal in de woongemeente van de vrouw.

8. De vrouw heeft van de gemeente Rotterdam urgentie gekregen voor een huurwoning in de regio Rotterdam. Met ingang van 22 oktober 2020 heeft de vrouw een zelfstandige woning in [plaatsnaam twee] waar zij met de minderjarigen woont.

9. De raad heeft in zijn rapport van 18 maart 2021 advies uitgebracht over de verhuizing van de minderjarigen naar de regio Rotterdam en de zorgregeling met de man. Met betrekking tot de verhuizing van de minderjarigen vermeldt het rapport van de raad het volgende (blz. 28):

‘ [minderjarige twee] en [minderjarige een] wonen sinds eind oktober 2020 samen met moeder in regio Rotterdam ( [plaatsnaam twee] ). De RvdK is van mening dat stabiliteit en continuïteit van woon-/opvoedomgeving voor [minderjarige twee] en [minderjarige een] op dit moment van groot belang voor hen is. Zij hebben het afgelopen jaar verschillende woonplekken gekend door eerst met ouders samen, vervolgens met moeder in een crisisopvang en nu met moeder in appartement in [plaatsnaam twee] te wonen. Zij gaan vanaf 4 maart 2021 vier dagen per week naar een PSZ in deze omgeving. De RvdK vindt het in het belang van [minderjarige twee] en [minderjarige een] dat dit gecontinueerd wordt. (…)

De RvdK is van mening dat er uit onderhavig onderzoek geen zwaarwegende redenen naar voren komen die maken dat het in het belang van [minderjarige twee] en [minderjarige een] zou zijn om weer in [plaatsnaam een] te gaan wonen met moeder. Zij hebben maar korte tijd in [plaatsnaam een] gewoond en gingen aldaar niet naar een PSZ/KDV. (…)

De RvdK is dan ook van mening dat het in het belang van [minderjarige twee] en [minderjarige een] is dat zij samen met moeder in regio Rotterdam ( [plaatsnaam twee] ) blijven wonen.’

10. Bij beschikking van 28 april 2021 heeft de rechtbank Rotterdam de minderjarigen voor een periode van twaalf maanden onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond.

Eerste aanleg

11. In eerste aanleg heeft de vrouw – in conventie – gevorderd haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van de minderjarigen naar de regio Rotterdam en de inschrijving van de minderjarigen op een peuterspeelzaal in haar woongemeente.

12. De man heeft in eerste aanleg – in reconventie – gevorderd:

  • -

    de voorlopige toevertrouwing van de minderjarigen aan de man, met wijziging van de hiervoor genoemde beschikking van 24 juni 2020;

  • -

    de vrouw te verbieden zich met de minderjarigen buiten de regio [plaatsnaam een] te vestigen totdat in de echtscheidingsprocedure of een andere bodemprocedure onherroepelijk is komen vast te staan dat zij hiertoe gerechtigd is, zulks op straffe van een dwangsom;

  • -

    te bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de inschrijving in de BRP van de minderjarigen op het adres [volgt naam] te [plaatsnaam een] , en haar te verbieden hierin een verandering aan te brengen voordat daarover in een echtscheidingsprocedure is beslist, zulks op straffe van een dwangsom;

  • -

    de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

13. Bij vonnis in kort geding van 22 oktober 2020 (verder: het bestreden vonnis) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam als volgt beslist:

in conventie

6.1.

verleent de vrouw vervangende toestemming voor de verhuizing van de minderjarigen naar de regio Rotterdam en de inschrijving van de minderjarigen op een peuterspeelzaal in haar woongemeente;

6.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in reconventie

6.4.

wijst de vorderingen af;

6.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Vorderingen in hoger beroep

14. De man is tijdig in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Hij vordert in hoger beroep het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de rechtsgronden, primair alsnog te bepalen dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar vordering dan wel subsidiair dat de vordering alsnog dient te worden afgewezen als ongegrond en onbewezen alsmede dat de vorderingen in reconventie van de man alsnog worden toegewezen.

15. De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn appel niet-ontvankelijk verklaart althans het hoger beroep ongegrond verklaart dan wel afwijst.

Kern van het geschil

16. De kern van het geschil in hoger beroep betreft de vraag of de vrouw in het kader van het onderhavige kort geding vervangende toestemming kan worden verleend om met de minderjarigen te verhuizen naar de regio Rotterdam.

Bespreking van de grieven

Leent de vordering van de vrouw zich voor behandeling in kort geding?

17. Om te beginnen voert de man aan dat de vordering van de vrouw om vervangende toestemming voor de verhuizing van de minderjarigen zich niet leent voor behandeling in kort geding (grief I). Kort gezegd, houdt het betoog van de man in dat het bestreden vonnis leidt tot onomkeerbare gevolgen terwijl in kort geding slechts een voorlopige voorziening kan worden gevraagd (grief IV).

18. Het hof neemt tot uitgangspunt dat een procedure in kort geding is bedoeld voor spoedeisende gevallen waarin de belangen van de betrokkene(n) vragen om een onmiddellijke voorziening die voorlopig van kracht is totdat de rechter in een bodemzaak een definitieve beslissing heeft gegeven. De kort geding rechter dient ervoor te waken dat hij met zijn voorlopige voorziening niet vooruitloopt op de definitieve beslissing die in de bodemzaak zal volgen. In gevallen zoals de onderhavige zal de kort geding rechter terughoudend moeten zijn met het geven van vervangende toestemming voor de verhuizing van minderjarigen, omdat een verhuizing een ingrijpende gebeurtenis is voor minderjarigen en tot worteling in de nieuwe woonomgeving kan leiden. Dit uitgangspunt neemt echter niet weg dat in uitzonderlijke gevallen het belang van minderjarigen en/of van de verzorgende ouder kan rechtvaardigen dat in kort geding vervangende toestemming wordt verleend voor een verhuizing.

19. Naar het oordeel van het hof is in dit geval sprake van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld. Het hof legt dat als volgt uit. Vast staat dat de vrouw met de minderjarigen ruim zes maanden in de crisis- en vrouwenopvang heeft moeten verblijven totdat zij op basis van een urgentieverklaring in oktober 2020 een huurwoning in [plaatsnaam twee] heeft kunnen betrekken. Het spreekt voor zich dat een langdurig verblijf in een crisis- en vrouwenopvang niet in het belang is van de minderjarigen en de vrouw. Nu de vrouw de mogelijkheid heeft gekregen om op basis van urgentie een huurwoning in de regio Rotterdam te betrekken, rechtvaardigt het belang van de minderjarigen en van de vrouw dat de kort geding rechter oordeelt over de gevorderde vervangende toestemming tot verhuizing. Naar het oordeel van het hof kan de vrouw dan ook worden ontvangen in haar vordering in kort geding. De grieven I en IV falen derhalve.

20. Het hof acht het van belang om te benadrukken dat de beslissing die in de onderhavige zaak zal worden gegeven een voorlopig karakter heeft en dat de definitieve beslissing over het al dan niet verlenen van vervangende toestemming aan de vrouw voor de verhuizing met de minderjarigen is voorbehouden aan de rechter in de bodemzaak. Partijen – en in het bijzonder de vrouw – dienen er dus rekening mee te houden dat de beslissing in de bodemzaak anders zal kunnen uitvallen dan de beslissing in het onderhavige kort geding.

Spoedeisend belang

21. In grief II betoogt de man dat het de vrouw ontbreekt aan een spoedeisend belang bij haar vordering in kort geding. De rechtbank heeft een spoedeisend belang aangenomen, omdat de vrouw haar urgentie kwijtraakt als zij de aangewezen woning niet accepteert en zij de minderjarigen bij zich wil houden. Volgens de man is niet vast komen te staan dat de vrouw haar urgentie zou kwijtraken als zij de aangewezen woning niet zou accepteren; de vrouw heeft daarvan geen bewijsstukken ingebracht. Indien mocht blijken dat de vrouw de vrouwenopvang zou moeten verlaten, had de vrouw volgens de man zijn aanbod kunnen aanvaarden om terug te keren naar de voormalige echtelijke woning van partijen in [plaatsnaam een] , die hij in dat geval zou verlaten.

22. Het hof overweegt als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat een urgentieverklaring voor een huurwoning niet onbeperkt geldig is en binnen een bepaalde periode verzilverd dient te worden door de woningzoekende. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw reeds op grond van deze omstandigheid een spoedeisend belang bij haar vordering in kort geding. Daarbij komt dat aan het verblijf van de vrouw in de vrouwenopvang op enig moment een einde zou komen en zij derhalve op zoek diende te gaan naar andere woonruimte. In dat verband kan van de vrouw niet worden verwacht dat zij met de minderjarigen zou terugkeren naar de voormalige echtelijke woning van partijen, zoals de man heeft aangevoerd, aangezien zij deze woning was ontvlucht vanwege relatieproblemen met de man. Dat de man heeft aangeboden de woning in geval van terugkeer van de vrouw met de minderjarigen te zullen verlaten, maakt dit niet anders. Ook grief II faalt derhalve.

Moet de vrouw vervangende toestemming voor verhuizing worden verleend?

23. In de grieven III, V, VI en VII keert de man zich met verschillende argumenten tegen de verleende toestemming tot verhuizing van de minderjarigen naar de regio Rotterdam. Kort gezegd voert de man het volgende aan:

  • -

    ten onrechte stelt de rechtbank dat de vordering van de vrouw in het belang van de minderjarigen moet worden toegewezen omdat zij de minderjarigen verzorgt en niet buitenshuis werkt;

  • -

    ten onrechte stelt de rechtbank dat de vrouw toestemming moet krijgen om zich met de minderjarigen in de regio Rotterdam te vestigen, omdat de vrouw niet gedwongen kan worden in [plaatsnaam een] te gaan wonen;

  • -

    de rechtbank heeft een onomkeerbare beslissing genomen, aangezien de minderjarigen zullen gaan wortelen in hun nieuwe woonomgeving;

  • -

    er dient eerst objectief onderzoek te worden verricht door de raad voordat een beslissing wordt genomen over een verhuizing van de minderjarigen; als de vrouw toestemming wordt verleend om met de minderjarigen naar de regio Rotterdam te verhuizen, zal een eerlijk en objectief raadsonderzoek niet meer mogelijk zijn;

  • -

    de minderjarigen raken vervreemd van de man, omdat de vrouw geen medewerking wenst te verlenen aan de nakoming van de contactregeling;

  • -

    de vrouw heeft aangifte gedaan jegens de man, maar de officier van justitie heeft de zaak geseponeerd;

  • -

    er zijn geen beletselen voor de vrouw om met de minderjarigen te gaan wonen in [plaatsnaam een] , te meer nu de man aanbiedt dat zij kan terugkeren naar de voormalige echtelijke woning.

24. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft er onder andere op gewezen dat zij op een geheim adres woont, maar dat de man desondanks voor haar deur en voor de peuterspeelzaal van de minderjarigen heeft gestaan; de vrouw is bang voor de man. De urgentieverklaring die de vrouw heeft gekregen voor een huurwoning in de regio Rotterdam was beperkt geldig. Bovendien diende zij iedere woning te accepteren die passend is, zodat zij geen andere keuze had dan de huidige woning in [plaatsnaam twee] te accepteren. De minderjarigen hebben met de vrouw sinds april 2020 in de crisis- en vrouwenopvang verbleven en dit kon niet langer voortduren. De vrouw en de minderjarigen hebben nu rust en stabiliteit nodig.

25. Het hof overweegt als volgt. Bij de beoordeling van een vordering om vervangende toestemming voor de verhuizing van minderjarigen geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen, waarbij het belang van het kind een overweging van de eerste orde is maar in voorkomend geval andere belangen zwaarder kunnen wegen dan het belang van het kind (zie onder andere HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:487). De belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, is het hof van oordeel dat het belang van de minderjarigen en van de vrouw om te verhuizen naar de regio Rotterdam zwaarder weegt dan de belangen van de man bij een terugverhuizing van de minderjarigen naar (de omgeving van) [plaatsnaam een] . Het hof acht hierbij relevant dat de vrouw en de minderjarigen langdurig hebben verbleven in de crisis- en vrouwenopvang, welk verblijf niet in het belang is van de minderjarigen en de vrouw. Bovendien was het verblijf in de crisis- en vrouwenopvang van tijdelijke duur, zodat de vrouw op zoek diende te gaan naar andere woonruimte. Die woning heeft zij op grond van een urgentieverklaring uiteindelijk gevonden in de regio Rotterdam, waar zij inmiddels met de minderjarigen verblijft. De stelling van de man dat de vrouw en de minderjarigen kunnen terugkeren naar de voormalige echtelijke woning in [plaatsnaam een] heeft het hof hiervoor al verworpen.

Conclusie

26. Op grond van het bovenstaande komt het hof, net als de rechtbank, tot de conclusie dat de vrouw toestemming moet worden verleend om met de minderjarigen te verhuizen naar de regio Rotterdam. Het hof heeft hiervoor al aangegeven dat deze beslissing in kort geding geldt totdat de rechter in de bodemzaak heeft beslist over de vervangende toestemming voor de verhuizing van de minderjarigen. Het hof gaat ervan uit dat de behandeling van de bodemzaak op korte termijn zal kunnen plaatsvinden, aangezien het raadsrapport inmiddels beschikbaar is.

27. Gelet op de aard van de zaak ziet het hof aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 22 oktober 2020;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. F. Ibili, J.A. van Kempen en A.C. Olland, en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 17 augustus 2021 in aanwezigheid van de griffier.