Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:178

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2021
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
BK-20/00324
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:2832, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 8, lid 1, Wet Vpb 1969 jo. artikel 3.25 Wet IB 2001. Afwaardering vorderingen BV op dga. Was de inkomens- en vermogenspositie van de dga zodanig dat goed koopmansgebruik belanghebbende toestaat in 2014 ter zake van de vorderingen een verlies in aanmerking te nemen wegens oninbaarheid daarvan? Mogelijkheid van dividenduitkeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-02-2021
V-N Vandaag 2021/495
FutD 2021-0692
NTFR 2021/921 met annotatie van mr.drs. A.J. van den Bos
NTFR 2021/986 met annotatie van mr.drs. A.J. van den Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00324

Uitspraak van 26 januari 2021

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 januari 2020, nummer SGR 19/4006.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 30 juni 2018 over het boekjaar 2014 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 32.438 negatief. Gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking het verlies van dat jaar vastgesteld op € 32.438 (de verliesvaststellingsbeschikking).

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 mei 2019 het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 345.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een zitting achterwege te laten. Daarop heeft het Hof het onderzoek gesloten.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is opgericht op 31 maart 1994. De enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende is heer [A] (de dga).

2.2.

Belanghebbende heeft in 2000 en 2001 gelden verstrekt aan de dga ter financiering van de bouw van een woning, gelegen aan [adres] te [woonplaats] (de woning). Bij verklaring van 31 december 2001 hebben zij hun afspraken over deze lening (lening I) schriftelijk vastgelegd. Deze afspraken houden onder meer het volgende in:

In aanmerking nemende:

 dat schuldeiser aan schuldenaar in 2000 en 2001, middels diverse betalingen, een lening heeft verstrekt ad. f. 3.209.016,00 (zegge: driemiljoen tweehonderdennegen duizendenzestien gulden) [€ 1.456.187,97; Hof],

 dat het bedrag door schuldeiser aan schuldenaar ter beschikking is gesteld voor de financiering van de aanschaf van de grond en de bouw van de woning [adres] te [postcode] [woonplaats] en

 dat schuldeiser en schuldenaar de bepalingen met betrekking tot deze geldlening schriftelijk wensen vast te leggen;

Verklaren als volgt te zijn overeengekomen:

1. Over de hoofdsom of het eventuele restant daarvan is de schuldenaar een interestvergoeding verschuldigd op basis van een rentepercentage dat partijen jaarlijks overeenkomen een maand voor de vervaldag, verschijnende in jaarlijkse termijnen op 31 december van ieder jaar (de vervaldag), over het alsdan verstreken tijdvak. Over 2000 en 2001 bedraagt het rentepercentage 4,735%, en is de rente over 2000 en 2001 verschuldigd per 31 december 2001.”

2.3.

Op 20 december 2013 is de woning verkocht voor een bedrag van € 900.000. De dga heeft op dat moment gedeeltelijk zijn schuld aan ING Bank N.V. (ING) en Westland Utrecht Bank N.V. afgelost, maar niet zijn schulden aan belanghebbende.

2.4.

Bij verklaring van 25 april 2014 hebben belanghebbende en de dga de bepalingen met betrekking tot lening I, die tot en met 31 december 2012 was opgelopen tot € 2.125.802,67, opnieuw schriftelijk vastgelegd. Zij hebben daarbij het rentepercentage verlaagd tot 4,035%.

2.5.

Tussen belanghebbende en de dga bestaat voorts een rekening-courantverhouding. Bij verklaring van 8 oktober 2016 hebben zij de bepalingen met betrekking tot deze geldverstrekking (lening II) schriftelijk vastgelegd. Die vastlegging houdt onder meer het volgende in:

In aanmerking nemende:

 dat schuldeiser aan schuldenaar tot en met 31 december 2013, middels diverse betalingen, een lening heeft verstrekt ad. € 2.036.937,42 (zegge: tweemiljoen-zesendertigduizend-ennegenhonderd-en-zeven-en-dertig-euro-en-twee-en-veertïg-eurocents),

 dat schuldeiser en schuldenaar de bepalingen met betrekking tot deze geldlening schriftelijk wensen vast te leggen;

Verklaren als volgt te zijn overeengekomen:

1. Over de hoofdsom of het eventuele restant daarvan is de schuldenaar een interestvergoeding verschuldigd op basis van een rentepercentage dat partijen jaarlijks overeenkomen een maand voor de vervaldag, verschijnende in jaarlijkse termijnen op 31 december van ieder jaar (de vervaldag), over het alsdan verstreken tijdvak. Het rentepercentage bedraagt 4,035%, en over het jaar 2013 is een bedrag ad € 87.677,00 verschuldigd per 31 december 2013.”

2.6.

De fiscale boekwaarde van de vordering uit hoofde van lening I bedroeg per ultimo 2013 € 1.829.626 en die ter zake van lening II € 2.036.937.

2.7.

In de loop van 2014 heeft belanghebbende een aanvullend bedrag van € 355.566,20 verstrekt aan de dga (lening III). Hierover hebben zij op 8 juni 2016 een verklaring ondertekend. Daarin valt onder meer het volgende te lezen:

In aanmerking nemende:

 dat schuldeiser aan schuldenaar tot en met 31 december 2014, middels diverse betalingen, een lening heeft verstrekt ad. € 355.566,20 (zegge: driehonderd-en-vijf-en-vijftig-duizend-envijfhonderd-en-zes-en-zestig-euro-en-twintig-eurocents),

 dat schuldeiser en schuldenaar de bepalingen met betrekking tot deze geldlening schriftelijk wensen vast te leggen;

Verklaren als volgt te zijn overeengekomen:

1. Over de hoofdsom of het eventuele restant daarvan is de schuldenaar een interestvergoeding verschuldigd op basis van een rentepercentage dat partijen jaarlijks overeenkomen een maand voor de vervaldag, verschijnende in jaarlijkse termijnen op 31 december van ieder jaar (de vervaldag), over het alsdan verstreken tijdvak. Het rentepercentage bedraagt 4,035%.”

2.8.

Op 3 december 2014 heeft de civiele kamer van het gerechtshof Den Haag een beschikking gegeven in een geschil tussen de dga en diens ex-echtgenote over de hoogte van de door de dga verschuldigde partneralimentatie (de alimentatiebeschikking). Daarin is de alimentatie met ingang van 1 september 2011 verminderd tot nihil, waartoe onder meer het volgende is overwogen:

“Uit de aangifte Inkomstenbelasting 2012 van de man blijkt een totale schuld van € 4.817.683. Deze schuld betrof de schuld vóór verkoop van de voormalige echtelijke woning. Nu de verkoopopbrengst van de woning € 900.000 betrof resteert nog immer een zeer grote schuld. De man is directeur grootaandeelhouder van [belanghebbende] B.V.. Uit de aangifte Inkomstenbelasting 2012 blijkt de man onder een meer een schuld heeft aan de vennootschap uit hoofde van de hypothecaire geldlening ten bedrage van € 1.829.626,-. Tevens is er een rekening-courantschuld van € 1.944.363,-. [belanghebbende] B.V. is technisch failliet. Ter zitting is door het hof aan partijen voorgehouden dat de man materieel eveneens failliet is, hetgeen door zowel de man als de vrouw is erkend. Gelet op de financiële situatie van de man -het exploitatieresultaat van de B.V. van de man en het maximaal door de man daaruit te genereren inkomen in combinatie met de hoge kosten van de voormalige echtelijke woning die man voor zijn rekening neemt- stelt het hof vast dat de man met ingang van de door hem verzochte ingangsdatum 1 september 2011 geen draagkracht heeft om enig bedrag aan partneralimentatie te voldoen.”

2.9.

In mei 2015 heeft belanghebbende een vaststellingsovereenkomst gesloten met de dga, ING en belanghebbendes 100%-deelneming [B] B.V. (de vaststellingsovereenkomst). Op grond van deze overeenkomst ontvangt de dga onder opschortende voorwaarde van betaling van een bedrag ter hoogte van € 125.000 ineens finale kwijting ter zake van twee schulden van ING. In de vaststellingsovereenkomst is hierover het volgende opgenomen:

“CONSIDERANS:

A. [De dga] heeft een restschuld aan ING uit hoofde van een hypothecaire geldlening […], welke per datum ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst bedraagt EUR 217.599,56, alsmede een schuld uit hoofde van een overbruggingskrediet […], welke per datum ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst bedraagt EUR 244.022,45, derhalve in totaal EUR 461.622,01, hierna ook te noemen: de “Schuld”).

B. De voormalige echtgenote van [de dga] - mevrouw [naam] - is hoofdelijk verbonden ter zake de restschuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening […].

C. Door omstandigheden verkeert [de dga] in zeer penibele financiële omstandigheden als gevolg waarvan hij niet in staat is de Schuld te voldoen. [De dga] en ING zijn in overleg met elkaar getreden om tot een oplossing te komen voor deze situatie.

D. [De dga] heeft een externe partij benaderd en deze heeft zich bereid verklaard [de dga] onder voorwaarden een bedrag ter beschikking te stellen om de Schuld voor een bedrag ineens af te kopen tegen algehele finale kwijting.

E. [De dga] en ING zijn vervolgens tot overeenstemming gekomen over de afkoop en de condities waaronder deze plaats zal vinden.

F. [De dga] is (in)direct aandeelhouder van [B] en [belanghebbende]. [B] en [belanghebbende] onderhouden een kredietrelatie met ING.

G. ING heeft ter zake deze kredietverlening zekerheidsrechten bedongen en gevestigd

op onder meer vorderingsrechten, voorraden en inventaris. Bij brief van 19 januari

2015 heeft ING de kredietlimiet per onmiddellijk op nihil gesteld en ter zake de

zekerheden instandhouding bedongen alsmede mededeling gedaan van haar

pandrecht op de rekening-courantvordering op [de dga].

H. ING wenst in het kader van de afkoop van de Schuld om haar moverende redenen de kredietfaciliteiten van [B] en [belanghebbende] af te bouwen tot nihil.

I. Partijen zijn hiertoe met elkaar in overleg getreden en hebben overeenstemming bereikt over een conveniërende afbouwregeling.

J. Partijen hebben de gemaakte afspraken en condities opgenomen in deze

vaststellingsovereenkomst.

KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

1. Afkoop van de Schuld

1.1 [

De dga] ontvangt onder opschortende voorwaarde van betaling van een

bedrag ter hoogte van EUR 125.000 (zegge: éénhonderdvijfentwintig duizend euro)

(hierna ook te noemen: de “Afkoopsom”) ineens hierbij finale kwijting ter zake de

Schuld van ING.

1.2

De Afkoopsom dient uiterlijk 30 juni 2015 bijgeschreven te zijn op een door ING

aangegeven rekening.

1.3

ING doet nadrukkelijk geen afstand van haar eventuele aanspraken op mevrouw

[naam] ter zake de Schuld op basis van hoofdelijke aansprakelijkheid.

(...)”

2.10.

Belanghebbende heeft op 14 juni 2016 haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 ingediend naar een belastbaar bedrag van € 3.889.001 negatief. In die aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 3.866.563 als buitengewone last opgenomen ter zake van een afwaardering naar de stand per ultimo 2013 van de vorderingen op de dga uit hoofde van lening I en lening II.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

“10. Goed koopmansgebruik brengt mee dat vorderingen op de fiscale balans worden opgenomen tegen de waarde die zij op de balansdatum voor de vennootschap hebben. Opeisbare vorderingen op solvabele debiteuren dienen te worden gewaardeerd op hun nominale waarde. Voor vorderingen op niet solvabele debiteuren dient een schatting plaats te vinden. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat [belanghebbende], zoals zij stelt, aannemelijk maakt dat er redenen waren om de vordering op de dga (deels) af te waarderen en een afwaarderingsverlies ten laste van het resultaat te brengen.

11. Of een geldvordering een lagere waarde in het economische verkeer heeft dan de nominale waarde wordt in het bijzonder bepaald door de vermogenspositie van de schuldenaar. [Belanghebbende] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vermogenspositie van de dga zodanig is dat ultimo 2014 een afwaardering van (een gedeelte van) de vordering dient plaats te vinden. Evenmin heeft [belanghebbende] andere feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt, waaruit volgt dat de waarde in het economische verkeer van de vordering op de dga lager zou zijn dan de nominale waarde. Niet aannemelijk is dat de inkomens- en vermogenspositie van de dga ultimo 2014 zodanig was dat er onvoldoende mogelijkheden bestonden om tot het (geleidelijk) aflossen dan wel incasseren van de vordering over te gaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het inkomen van de dga in de jaren 2014 tot en met 2017, blijkens zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over die jaren, aanzienlijk is gestegen. Bovendien kon en kan de dga zich, gelet op de vermogenspositie en omvangrijke winstreserve van € 5.110.765 van [belanghebbende] per ultimo 2013, dividenden laten uitkeren om tot aflossing van de vordering over te gaan. Aldus is de vordering van [belanghebbende] volwaardig en is voor afwaardering geen plaats (vgl. Hof Den Haag 10 maart 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BI1922). De rechtbank merkt hierbij op dat [belanghebbende] zelf heeft gesteld dat zij in ieder geval een netto-dividend van € 1.170.000 zou kunnen uitkeren. Ook met de verwijzing naar hetgeen ING met de dga heeft afgesproken over de eigenwoningschuld en hetgeen het Hof in 2014 in een zaak over alimentatie heeft geoordeeld, maakt [belanghebbende] niet aannemelijk dat de vordering op de dga geheel dan wel gedeeltelijk oninbaar was.

12. Gelet op het voorgaande is er voor het onderhavige jaar geen aanleiding de vordering af te waarderen, zoals is gedaan in de aangifte vennootschapsbelasting 2014, en ook niet voor het vormen van een voorziening zoals [belanghebbende] voorstaat. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of belanghebbende primair een bedrag van € 3.866.563 dan wel subsidiair een bedrag van € 2.696.563 in het belastingjaar 2014 ten laste van haar belastbare winst kan brengen wegens oninbaarheid van (een gedeelte van) haar vorderingen uit hoofde van lening I en lening II, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vaststelling van het verliesvaststellingsbeschikking op een bedrag van € 3.899.001 dan wel, naar het Hof begrijpt, € 2.729.001.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

De waardering van een vordering dient te geschieden met inachtneming van alle omstandigheden waardoor de grootte of de waarde van de vordering op de balansdatum kan worden beïnvloed, zoals die omstandigheden de belastingplichtige ten tijde van het opmaken van de balans bekend zijn of na onderzoek bekend kunnen zijn (zie bijv. HR 22 september 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9458, BNB 1982/286). Voorts moet rekening worden gehouden met feiten en omstandigheden die een licht werpen op de toestand op de balansdatum, indien deze bekend worden na het opmaken van de fiscale balans over het onderhavige jaar maar vóór het definitief vaststaan van de aanslag vennootschapsbelasting over dat jaar (vgl. HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9189, BNB 2008/168).

5.2.

De bewijslast voor de afwaardering ten laste van de fiscale winst van de vorderingen op de dga rust op belanghebbende. Het is dus aan haar om feiten en omstandigheden te stellen en, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk te maken waaruit volgt dat de vorderingen onvolwaardig waren. Evenals de Rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inkomens- en vermogenspositie van de dga ultimo 2014 zodanig was dat er onvoldoende mogelijkheden bestonden om tot het (geleidelijk) aflossen dan wel incasseren van de vorderingen over te gaan. Het Hof overweegt daartoe het volgende.

5.3.

Het Hof neemt in de eerste plaats in aanmerking dat de dga zich, gelet op de winstreserve van belanghebbende van € 5.110.765 per ultimo 2013, dividenden kon laten uitkeren die toereikend zouden zijn om tot (geleidelijke) aflossing van de leningen over te gaan, zo nodig door verrekening met de dividendvorderingen. Belanghebbende heeft gesteld dat het haar aan liquide middelen ontbrak om de ter zake van dergelijke dividenden verschuldigde belasting te kunnen voldoen. De Inspecteur heeft erop gewezen dat belanghebbende in het recente verleden de volgende belangen in deelnemingen heeft verworven of uitgebreid: i) op 7 september 2017 een participatie van 7% in [C] B.V. met een nominale waarde van € 67.990; ii) op 20 november 2019 een uitbreiding van het belang in [D] B.V. van 60% naar 100% voor een bedrag van € 495.000, waarvan € 450.000 in contanten is betaald; en iii) op 24 december 2019 een participatie van 25% in [E] B.V. tegen betaling van € 12.500. Verder is het banksaldo van belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2019 gestegen van € 522 tot € 206.693. Gelet hierop acht het Hof niet aannemelijk dat de toestand op balansdatum zodanig was dat het oordeel gerechtvaardigd was dat belanghebbende over onvoldoende liquiditeiten zou beschikken om de ter aflossing benodigde dividenduitkeringen (geleidelijk) aan de dga te kunnen doen. Overigens was, uitgaande van de subsidiaire stelling van belanghebbende dat zij verwacht in de periode van 2016 tot en met 2022 een bedrag van € 390.000 aan liquide middelen beschikbaar te hebben, een dividend van € 2.600.000 in elk geval mogelijk geweest. Bij dit laatste wijst het Hof erop dat de mogelijkheid van verrekening van de vorderingen met dividenduitkeringen vanuit de vennootschap moet worden bezien, zodat de door de dga daarover verschuldigde inkomstenbelasting, anders dan belanghebbende kennelijk veronderstelt, geen rol speelt.

5.4.1.

Zelfs als het belanghebbende aan voldoende middelen zou ontbreken om dusdanige bedragen aan dividend aan de dga uit te keren dat volledige aflossing van de vorderingen mogelijk zou zijn, geldt dat het inkomen van de dga niet zo gering was dat dit zonder meer het oordeel rechtvaardigt dat de vorderingen van belanghebbende op de dga op de balansdatum gedeeltelijk onvolwaardig waren. Blijkens de door de Inspecteur overgelegde aangiften inkomstenbelasting van de dga heeft deze in de jaren 2014 tot en met 2017 looninkomsten van belanghebbende ontvangen ten bedrage van respectievelijk € 71.152, € 63.369, € 130.951 en € 135.642. Blijkens door de Inspecteur in hoger beroep overgelegde loongegevens bedroeg het inkomen van de dga in 2019 € 80.586. Gelet hierop is de enkele stelling van belanghebbende dat de door de dga te genieten managementvergoedingen gezien zijn leeftijd en gezondheidstoestand eerder zullen afnemen dan toenemen, onvoldoende om tot een andere conclusie te kunnen leiden.

5.4.2.

Belanghebbende heeft ter adstructie van de slechte financiële situatie van de dga verder gewezen op de vaststellingsovereenkomst, waarbij diens restschuld in mei 2015 door ING is kwijtgescholden op voorwaarde van betaling van € 125.000. Naar het oordeel van het Hof brengt de vaststellingsovereenkomst evenmin mee dat dat de vorderingen van belanghebbende op de dga onvolwaardig waren. Partijen overwegen in de vaststellingsovereenkomst niet alleen dat de dga “door omstandigheden” in zeer penibele financiële omstandigheden verkeerde als gevolg waarvan hij niet in staat was de schuld te voldoen, maar ook dat ING “om haar moverende redenen” de kredietfaciliteiten voor belanghebbende en haar deelneming [B] B.V. wenste af te bouwen tot nihil. Daar komt bij, zoals de Inspecteur heeft benadrukt, dat ING weliswaar finale kwijting heeft verleend aan de dga, maar nadrukkelijk geen afstand heeft gedaan van haar eventuele aanspraken op de voormalige echtgenote van de dga uit hoofde van dier hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld. Het Hof beschouwt de vaststellingsovereenkomst daarom als een “conveniërende afbouwregeling” (zoals partijen het zelf noemen), waarbij elk van beide partijen haar eigen belangen had en waarbij ING niet noodzakelijkerwijs is ingeschoten. Zij zegt daarom onvoldoende over de op balansdatum voorzienbare solvabiliteit van de dga om de door belanghebbende voorgestane conclusie te kunnen trekken.

5.4.3.

Evenmin kent het Hof met betrekking tot dit geschil betekenis toe aan de alimentatiebeschikking, waarbij de door de dga verschuldigde partneralimentatie met ingang van 1 september 2011 op nihil is gesteld. De alimentatiebeschikking heeft immers betrekking op een geschil tussen andere partijen en belanghebbende heeft nagelaten inzicht te verschaffen in de grieven, verweren en bewijsmiddelen die in dat geding zijn aangevoerd.

5.5.

Het Hof komt tot de slotsom dat goed koopmansgebruik belanghebbende niet toestaat om in 2014 ter zake van haar vorderingen op de dga een verlies in aanmerking te nemen wegens oninbaarheid daarvan. Gelet hierop komt het Hof niet toe aan beantwoording van de vraag of de door belanghebbende verstrekte leningen al dan niet als onzakelijke leningen moeten worden aangemerkt. Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door F.G.F. Peters, Chr.Th.P.M. Zandhuis en R.A. Bosman, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda. De beslissing is op 26 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl .

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.