Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1707

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
2200264220
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek in de zin van artikel 8 lid 5 WVW? Het hof oordeelt, dat de waarborg, neergelegd in artikel 13 lid 1 sub d van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (de eis van een ‘zo spoedig mogelijke bezorging’ aan betekenis heeft ingeboet gelet op de sedert 2019 geoptimaliseerde bewaarcondities van bloed op politiebureaus en tijdens transport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002642-20

Parketnummer: 96-189040-19

Datum uitspraak: 9 september 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 28 september 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [adres] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 23 februari 2019 te Zoetermeer een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 9.2 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van de tenlastelegging

Juridisch kader artikel 13 Besluit

Om tot een bewezenverklaring te komen van een feit waarin de tenlastelegging is toegesneden op artikel 8 lid 5 Wegenverkeerswet moet onder meer kunnen worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een ‘onderzoek’ als bedoeld in dat artikel. Van een dergelijk onderzoek is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (vgl HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AD6952) Tot die waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit), dat ertoe strekt dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14 lid 2 Besluit wordt of worden gezonden, en de voorschriften die betrekking hebben op het bewaren en het vervoeren van het afgenomen bloedmonster in verband met het uitvoeren van het bloedonderzoek (zie HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684).

De achterliggende strekking van het vereiste dat het bloedmonster door de opsporingsambtenaar “zo spoedig mogelijk” (artikel 13 lid 1 en onder aanhef Besluit) moet worden bezorgd bij het onderzoekslaboratorium als bedoeld in art. 14, tweede lid, Besluit, is gelegen in het voorkomen van bederf en/of verwisseling van de bloedmonsters (zie ook de Conclusie van de Advocaat-generaal Harteveld over de wetsgeschiedenis van art. 13 van het Besluit, ECLI:NLPHR:2020:745, Parket bij de Hoge Raad 19/044315).

De wetgever heeft toentertijd volstaan met het vereiste zo spoedig mogelijk en in de bedoelde bepaling is wat betreft deze fase van het bloedonderzoek geen harde termijn gesteld. De beoordeling of aan het voorschrift van de zo spoedig mogelijke bezorging is voldaan, is aan de feitenrechter, die daarbij acht kan slaan op de omstandigheden van het geval.

De advocaat-generaal heeft in de onderhavige zaken naar voren gebracht, dat de bewaar- en vervoercondities van bloedmonsters zijn gewijzigd sedert het door de Hoge Raad gewezen arrest, hierboven aangehaald. Dat is onderbouwd met een schrijven d.d. 26 maart 2021 van Dr. C.M. Boone, forensisch onderzoeker toxicologie werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut. Daarin staat onder meer het volgende: “Rijgevaarlijke stoffen hebben een beperkte stabiliteit in het bloed. Dit betekent dat rijgevaarlijke stoffen in de bloedbuis (gedeeltelijk) afgebroken kunnen worden. De ene stof breekt sneller af dan de andere, en sommige stoffen breken niet of nauwelijks af. Afbraak van stoffen vindt bij hogere temperaturen sneller plaats dan bij lagere temperaturen. In de vriezer (circa -20°C) zijn de stoffen het meest stabiel: eventueel aanwezige alcohol, drugs en medicijnen in bloed blijven minimaal 6 maanden stabiel bij opslag in de vriezer. Onder die condities hebben een eventueel vertraagde aflevering bij het laboratorium of een vertraagde start van het onderzoek na aflevering geen invloed op de resultaten van het onderzoek” (…) “Om afbraak van stoffen te voorkomen, wordt het bloed in de vriezer opgeslagen conform de bijlage bij de Regeling alcohol, druks en geneesmiddelen in het verkeer (…) Sinds 1 januari 2019 wordt het bloed door de politie in vriezers opgeslagen tot het moment van transport naar de laboratoria. Tevens wordt het bloed sinds 1 maart 2019 in de vriezer getransporteerd van de politie naar de laboratoria. Indien een vervolgtransport nodig is naar een tweede laboratorium vindt het transport eveneens plaats in de vriezer. (…) De term ‘zo spoedig mogelijk’ (hof: als neergelegd in het in het Besluit artikel 13 lid 1) is opgenomen omdat opslag bij de politie vóór 1 januari 2019 plaatsvond bij kamertemperatuur en het transport vóór 1 maart 2019 eveneens plaatsvond bij kamertemperatuur, en men de kans op afbraak van rijgevaarlijke stoffen in het bloed onder deze condities (…) wilde voorkomen. (…) Tegenwoordig vinden deze opslag en transport (zoals eerder beschreven) plaats in de vriezer en zijn er geen gevolgen voor het bloed indien het langer duurt voordat het bezorgd wordt bij het laboratorium, tot 6 maanden. Indien de bezorging langer duurt dan 6 maanden, is het niet uit te sluiten dat afbraak plaats heeft gevonden van rijgevaarlijke stoffen in het bloed, hetgeen altijd in het voordeel van de verdachte is. Een toename van stoffen in het bloed is niet mogelijk”.

Het hof ziet in deze nieuwe ontwikkeling, waarbij de bewaarcondities van ‘bloedblokken’ op de politiebureaus per 1 januari 2019 en voor wat betreft het transport van ’bloedblokken’ naar het laboratorium (waar onderzoek wordt gedaan) zijn veranderd, reden om in zaken waarin bloedblokken niet zo spoedig mogelijk zijn bezorgd anders te benaderen dan voorheen (toen het bloed bij kamertemperatuur werd bewaard en vervoerd) het geval was.

De betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek is door deze nieuwe ontwikkelingen in de bewaar- en vervoercondities sterk toegenomen; als het bloed dus niet ‘zo spoedig mogelijk’ bij het onderzoekslaboratorium is bezorgd, raakt dat op zichzelf dan ook niet aan de betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek aan die monsters verricht, zolang die nieuwe werkwijze wordt gehanteerd.

Voor zover de betrouwbaarheid van de resultaten van het bloedonderzoek niet meer in het geding is, heeft artikel 13 van het Besluit ten aanzien van dat aspect zijn strikte waarborgkarakter grotendeels verloren. Mogelijk zijn er nog situaties waarin dit speelt (bijvoorbeeld als het uitoefenen van het recht op contra-expertise in het gedrang zou komen, dat raakt immers aan de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten). In de onderhavige zaak is dat niet aan de orde.

Wel blijft staan dat de achterliggende strekking van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, van het Besluit óók is om door middel van enige voortvarendheid in de procedure te voorkomen dat er monsters worden verwisseld. In de onderhavige zaak is van enig vermoeden van verwisseling geen sprake.

Gelet op de bewoordingen van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, van het Besluit, dient nog steeds voortvarendheid te worden betracht, gelet op de verwachtingen van justitiabelen opgewekt door die bewoordingen, zal het hof de waarborg van artikel 13 lid 1 van het besluit in die zin opvatten als een vormvoorschrift. Als verzuim van dat vormvoorschrift plaatsvindt, dan zal de toets plaatsvinden op de wijze voorzien in artikel 359a Wetboek van Strafvordering.

Beoordeling artikel 13 Besluit

Het hof gaat ervan uit dat de nieuwe werkwijze van de politie voor het bewaren en vervoeren van de bloedblokken in dit geval is gehanteerd. Er zijn overigens geen aanwijzingen die op het tegendeel wijzen. Het hof gaat er dan ook vanuit dat het bloedblok van de verdachte na de afname op zaterdag 23 februari 2019 door de politie in de vriezer bij een temperatuur van –20°C is bewaard en dat dit daarna door de koerier is opgehaald en is vervoerd naar Labor Mönchengladbach, alwaar het op maandag 4 maart 2019 is bezorgd. Dit brengt met zich mee dat tussen de datum van de bloedafname en de datum waarop de bloedmonsters bij het Labor Mönchengladbach zijn bezorgd 9 dagen zijn gelegen. Naar het oordeel van het hof valt dit binnen het bereik van het vereiste van een ‘zo spoedig mogelijke’ bezorging, mede gelet op het feit dat er slechts vijf werkdagen tussen afname en bezorging hebben gelegen.

Juridisch kader artikel 16 Besluit

Voorts is in artikel 16, eerste lid van het Besluit opgenomen – voor zover hier van belang – dat de onderzoeker, als bedoeld in artikel 14, eerste lid van het Besluit, het bloedonderzoek verricht binnen twee weken na ontvangst van de buisjes of het buisje met bloed. Uit artikel 18 van het Besluit volgt dat indien er sprake is van aanvullend onderzoek het onderzoek binnen vier weken wordt verricht.

Aan de orde is de vraag of het voorschrift van artikel 8, vijfde lid, WVW 1994 in verbinding met artikel 16 van het Besluit behoort tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek zoals bedoeld in artikel 8 WVW 1994 is omringd. Die vraag moet naar het oordeel van het hof ontkennend worden beantwoord. De voorgeschreven termijn voor het verrichten van het bloedonderzoek binnen twee weken strekt er niet toe de juistheid van het bloedonderzoek te waarborgen. Als dit voorschrift wordt geschonden dan zal het hof de maatstaf van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering hanteren.

Verder is in artikel 16, vijfde lid van het Besluit opgenomen dat de onderzoeker het verslag zo spoedig mogelijk na het verrichten van het bloedonderzoek naar de opdrachtgever van het bloedonderzoek stuurt. Het hof is van oordeel dat ook dit voorschrift niet valt onder het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek is omringd, omdat het niet strekt de juistheid van het bloedonderzoek te waarborgen. Als dit voorschrift wordt geschonden dan zal het hof ook de maatstaf van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering hanteren.

Beoordeling artikel 16 Besluit

Artikel 16, eerste lid Besluit

Het rapport van het bloedonderzoek is gedateerd op 27 maart 2019 en is op diezelfde datum ondertekend door de apotheker-toxicoloog. Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat het rapport 23 dagen na ontvangst van de buisjes bloed is ondertekend. Of het bloedonderzoek binnen twee weken na ontvangst van de buisjes bloed is verricht of dat dit is gebeurd op dezelfde dag als de ondertekening van het rapport, valt op grond van het dossier niet vast te stellen. Gelet hierop gaat het hof er vanuit dat het onderzoek op 27 maart 2019 is verricht. Dit levert naar het oordeel van het hof een vormverzuim op, omdat de termijn met 9 dagen is overschreden.

Artikel 16, vijfde lid Besluit

Gelet op de gedagtekende stempel op het rapport drugs in het verkeer heeft de politie het rapport van het bloedonderzoek van het laboratorium pas op 29 mei 2019 ontvangen. Het hof stelt op basis hiervan vast dat het op 27 maart 2019 ondertekende rapport pas na twee maanden door de opdrachtgever van het bloedonderzoek is ontvangen en dat aldus geen sprake is van het zo spoedig mogelijk opsturen van het rapport naar de opdrachtgever, zodat sprake is van een vormverzuim.

Het hof is van oordeel dat de termijnen genoemd in artikel 16 leden 1 en 5 van het Besluit zijn overschreden. Het hof laat het bij de constatering van dit vormverzuim.

Conclusie

Alles afwegende is het hof van oordeel dat sprake is van een onderzoek in de zin van artikel 8 lid 5 WVW 1994.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op of omstreeks 23 februari 2019 te Zoetermeer een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 9.2 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan rijden onder invloed van cannabis. Hiermee heeft de verdachte blijk gegeven van een miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 juli 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden onder invloed. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit te plegen.

Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf acht geslagen op de straffen die het hof in het kader van een eerdere themazitting heeft geformuleerd. Het hof ziet mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken, redenen om een geheel voorwaardelijke rijontzegging op te leggen in plaats van een (deels) onvoorwaardelijke rijontzegging.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur, in combinatie met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 24 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga, mr. N. Schaar en mr. W.S. Korteling, in bijzijn van de griffier mr. N. Bruins - van Burgsteden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 september 2021.

mr. N. Schaar is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.