Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1696

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
200.287.517/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hof zal het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen, anders dan de rechtbank, toewijzen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat er zorgen zijn over de persoonlijke situatie van de vader of zijn opvoedvaardigheden. De vader heeft tot nu toe de kans om voor de minderjarige te zorgen door verschillende omstandigheden, die veelal niet aan hem te wijten waren, nog niet gehad. Het hof is van oordeel dat de vader deze kans wel dient te krijgen, een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kan hier aan bijdragen. Het hof voegt hier nog aan toe te vrezen dat de vader uit beeld raakt en (daardoor) wellicht zelfs zijn gezag kwijtraakt als de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder blijft. Een terugplaatsing bij de moeder is op dit moment nog niet aan de orde. Zij heeft hiertoe nog geen mogelijkheden laten zien. De vader erkent de belangrijke rol en positie van de moeder. Het hof heeft er dan ook vertrouwen in dat de vader de samenwerking met de moeder (en de pleegouders) zal blijven opzoeken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2021/155 met annotatie van Zon, M.A.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.287.517/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 18-4228

zaaknummer rechtbank : C/10/551616

beschikking van de meervoudige kamer van 25 augustus 2021

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [naam gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Ahmadi te Rotterdam

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.H.P. Feiner te Rotterdam.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling;

- [naam pleegmoeder] en [naam pleegvader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de pleegouders,

advocaat: mr. M.P.G. Rietbergen te Rotterdam.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

locatie: Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikkingen van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2018 en 2 juli 2019 en de eindbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2020 (hierna ook: de bestreden beschikking), allen uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 15 december 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De raad is op 18 december ook in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.287.840/01. Bij (afzonderlijke) beschikking van 25 augustus 2021 heeft het hof beslist op dit hoger beroep.

2.3

De moeder heeft op 8 februari 2021 een verweerschrift ingediend. Met dit verweerschrift voert zij verweer in beide zaken.

2.4

De gecertificeerde instelling heeft op 22 februari 2021 een schriftelijke reactie ingediend waarin zij het hof op de hoogte stelt van het verloop van de hulpverlening en de actuele ontwikkelingen van [minderjarige] . Deze schriftelijke reactie ziet op beide zaken.

2.5

De pleegouders hebben op 24 februari 2021 een verweerschrift ingediend.

2.6

Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

  • -

    een journaalbericht met bijlagen van 28 januari 2021, ingekomen op diezelfde datum;

  • -

    een journaalbericht van 8 maart 2021 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

  • -

    een journaalbericht van 5 mei 2021 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

van de zijde van de moeder:

- een journaalbericht van 25 februari 2021 met bijlage, ingekomen op 26 februari 2021;

van de zijde van de pleegouders:

- een journaalbericht van 23 juni 2021 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.

2.7

De zaak is, tezamen met de zaak met zaaknummer 200.287.840/01, op 6 juli 2021 mondeling behandeld. Verschenen zijn:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. S. Ben Ahmed, waarnemend voor mr. M. Ahmadi;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] , [vertegenwoordiger van de raad 2] en [vertegenwoordiger van de raad 3] ;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • -

    de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat.

2.8

Na de mondelinge behandeling is op 28 juli 2021 van de zijde van de raad een brief met bijlagen van 26 juli 2021 ingekomen. Nu de mondelinge behandeling is gesloten en het hof partijen geen toestemming heeft gegeven stukken na te zenden, slaat het hof geen acht op genoemde brief.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is geboren: [naam minderjarige] , op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

3.3

De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders oefenen samen het gezag uit over [minderjarige] .

3.4

Op 4 december 2017 hebben de ouders een ouderschapsplan ondertekend. In dit ouderschapsplan zijn zij een zorgregeling overeengekomen. Deze zorgregeling houdt in dat [minderjarige] van donderdag 17.30 uur tot zondag 17.15 uur bij de vader is, waarbij de vader [minderjarige] op donderdag bij de moeder ophaalt en de moeder [minderjarige] op zondag bij de vader ophaalt. Daarnaast is [minderjarige] , in de weken dat hij niet in het weekend bij de vader is, bij de vader op woensdag van 14.00 uur tot 17.30 uur en op donderdag van 10.00 uur tot 17.30 uur.

3.5

[minderjarige] verblijft sinds maart 2018, op vrijwillige basis, bij de grootouders moederszijde in [naam provincie] .

3.6

Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2018 is de raad verzocht om onderzoek te doen naar de zorgregeling en dit rapport in te brengen in de bodemprocedure. De vordering van de vader tot nakoming van de zorgregeling is afgewezen en er is geen voorlopige zorgregeling vastgesteld omdat omgang tussen de vader en [minderjarige] niet in het belang van [minderjarige] zou zijn.

3.7

Op 8 oktober 2018 heeft de raad een eerste rapport uitgebracht. Naar aanleiding van dit rapport heeft de raad op 9 oktober 2018 een verzoek tot ondertoezichtstelling en een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] ingediend bij de rechtbank.

3.8

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling van 26 november 2018 tot 26 november 2019 en is machtiging uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] van 26 november 2018 tot 26 juli 2019 in een netwerkpleeggezin (grootouders moederszijde) te plaatsen.

3.9

Bij afzonderlijke beschikking van 5 december 2018 van de rechtbank Rotterdam is de behandeling van de zaak ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling.

3.10

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2019 is de machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 26 november 2019 en is de raad verzocht onderzoek te doen naar de mogelijkheden tot plaatsing van [minderjarige] bij de vader en welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is.

3.11

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2019 is de zaak die ziet op de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] nogmaals aangehouden in afwachting van een nader rapport van de raad. Sinds deze beschikking is de procedure uitgebreid met de vraag bij wie [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats moet hebben. De vader heeft in zijn verweerschrift op het verzoek van de gecertificeerde instelling bij wijze van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen.

3.12

Op 5 november 2019 heeft de raad een tweede rapport uitgebracht en de rechtbank geadviseerd om de behandeling van de zaak ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de hoofdverblijfplaats aan te houden voor de duur van zes maanden. De raad acht diagnostiek en begeleiding van de hechtingsrelatie tussen de vader en [minderjarige] noodzakelijk om zicht te krijgen op de relatie tussen de vader en [minderjarige] en de mogelijkheden van de vader om [minderjarige] een stabiele en veilige hechtingsrelatie te bieden.

3.13

Bij beschikking van 20 november 2019 zijn zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging uithuisplaatsing, in afwachting van de uitkomsten van het verdere onderzoek door de raad, verlengd tot 26 november 2020.

3.14

Op 30 maart 2020 heeft de raad een derde rapport uitgebracht en de rechtbank geadviseerd het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen, toe te wijzen.

3.15

Bij afzonderlijke beschikking van 21 september 2020 van de rechtbank Rotterdam is het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag afgewezen en is het verzoek van de pleegouders tot beëindiging van het gezag van de ouders en het treffen van een zorg- of omgangsregeling, in afwachting van een nader onderzoek door de raad met betrekking tot dit verzoek, aangehouden tot 1 april 2021.

3.16

Bij een derde afzonderlijke beschikking van 21 september 2020 van de rechtbank Rotterdam is het verzoek van de gecertificeerde instelling, gebaseerd is op artikel 1:265i lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), om het verblijf van [minderjarige] te wijzigen naar de vader, afgewezen.

3.17

Bij beschikking van 23 oktober 2020 zijn zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging uithuisplaatsing nogmaals voor de duur van een jaar verlengd tot 26 november 2021.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen, afgewezen.

4.2

Zowel de vader als de raad zijn het niet eens met deze beslissing. Zij verzoeken het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen alsnog wordt toegewezen, kosten rechtens.

4.3

Ook de gecertificeerde instelling is, blijkens haar schriftelijke reactie, van mening dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] moet worden gewijzigd naar de vader.

4.4

De moeder en de pleegouders zijn het wel eens met deze beslissing en voeren verweer. Zij verzoeken het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel het hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over de hoofdverblijfplaats te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Inleiding

5.1

Het gaat in hoger beroep om de vraag bij wie [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats moet hebben; bij de vader of bij de moeder. [minderjarige] woont momenteel, middels een machtiging uithuisplaatsing, bij de pleegouders (grootouders moederszijde). Hij heeft daar echter niet zijn hoofdverblijfplaats. De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is nog steeds bij de moeder. De vader is het daar niet mee eens en wil dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. De raad en de gecertificeerde instelling delen dit standpunt van de vader. De moeder en de pleegouders hebben een andere visie. Zij vinden het in het belang van [minderjarige] dat zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft.

5.2

Het hof zal hieronder eerst het juridisch kader schetsen. Vervolgens zal het hof de standpunten van de vader, de raad en de gecertificeerde instelling aan de ene kant en die van de moeder en de pleegouders aan de andere kant uiteenzetten. Hierna zal het hof zijn oordeel over de zaak geven en een beslissing nemen over de vraag bij wie [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats moet hebben.

Juridisch kader

5.3

In artikel 1:253a lid 1 BW is bepaald dat geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of op verzoek van een van hen, aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Het staat vast dat de ouders samen het gezag hebben over [minderjarige] en dat zij verschillen van mening over de vraag bij wie [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats moet hebben. Dit geschil valt onder het bereik van artikel 1:253a BW.

5.4

Op grond van lid 2 van hetzelfde artikel kan de rechter de hoofdverblijfplaats van het kind (gewijzigd) vaststellen. Bij deze beslissing dient de rechter een belangenafweging te maken en die beslissing te nemen die hij in het belang van het kind het meest wenselijk acht.

Standpunten

Het standpunt van de vader, de raad en de gecertificeerde instelling

5.5

De vader is in staat en bereid om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te nemen. Hij heeft hiertoe ook mogelijkheden laten zien maar tot op heden geen eerlijke kans gekregen. Dit terwijl het wettelijk uitgangspunt is dat kinderen opgroeien bij hun ouders. Daarnaast verwachten de raad en de gecertificeerde instelling bij [minderjarige] geen ontwikkelingsbedreiging als zijn hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald. [minderjarige] zal op de langere termijn mogelijk wel in zijn ontwikkeling worden bedreigd als hij bij de pleegouders blijft wonen, omdat [minderjarige] dan in de strijd van de ouders blijft zitten. Daarnaast is het opmerkelijk dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] nog steeds bij de moeder is, terwijl zij (tot voorkort) steeds aangaf niet voor [minderjarige] te kunnen zorgen. De vader heeft er alles aan gedaan om de communicatie met de moeder te verbeteren. Inmiddels is de communicatie en samenwerking iets verbeterd en zowel de raad als de gecertificeerde instelling hebben vertrouwen in een verdere verbetering op korte termijn. Zij verwachten dat het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] naar de vader juist kan bijdragen aan het verbeteren van de communicatie en samenwerking. Gelet op het voorgaande is het in het belang van [minderjarige] dat zijn hoofdverblijfplaats wordt gewijzigd naar de vader.

Het standpunt van de moeder en de pleegouders

5.6

De moeder en de pleegouders hebben de belangen van [minderjarige] altijd voorop gesteld. Volgens hen mogen de rust, stabiliteit en duidelijkheid die [minderjarige] nu bij de pleegouders krijgt niet verstoord worden door een wijziging van zijn hoofdverblijfplaats naar de vader. [minderjarige] ontwikkelt zich goed en zal bij een wijziging van zijn hoofdverblijfplaats (uiteindelijk) alles achter zich moeten laten; zijn school, vriendjes, vertrouwde omgeving en opvoeders. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Er is nog veel onduidelijkheid over de persoonlijke situatie van de vader en over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij vader. De moeder en de pleegouders maken zich hier zorgen over. De communicatie en samenwerking met de vader laten (nog steeds) te wensen over. Als het perspectief van [minderjarige] niet bij de pleegouders is, moet eerst onderzocht worden welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van [minderjarige] is. Ook de moeder moet in dat onderzoek betrokken worden. Dit kan worden meegenomen in het onderzoek van de raad naar aanleiding van het verzoek om gezagsbeëindiging van de grootouders. Dit onderzoek is tot op heden echter nog niet gestart.

Oordeel van het hof

5.7

Het hof zal het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen, anders dan de rechtbank, toewijzen. Het hof zal hierna uitleggen hoe en waarom het hof tot dit oordeel is gekomen.

5.8

Het hof stelt voorop dat wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] naar de vader op dit moment (nog) niets verandert aan de feitelijke situatie. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , die loopt tot 26 november 2021, komt hiermee namelijk niet automatisch te vervallen. [minderjarige] zal voorlopig dus nog bij de pleegouders blijven wonen.

5.9

Het hof heeft naar de situatie van de beide ouders gekeken. Naar het oordeel van het hof is, anders dan de moeder en de pleegouders menen, niet gebleken dat er zorgen zijn over de persoonlijke situatie van de vader of zijn opvoedvaardigheden. De raad, de gecertificeerde instelling en Enver hebben (in hun onderzoeken) juist geconcludeerd dat de vader de mogelijkheden bezit om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te nemen. Daarnaast heeft de raad in zijn laatste rapport geconcludeerd dat het contact tussen de vader en [minderjarige] goed en positief is. Vanuit de gecertificeerde instelling zijn er ook geen zorgen over het contact tussen de vader en [minderjarige] . De moeder en de pleegouders bevestigen dit laatste. Naar het oordeel van het hof is hiermee voldoende gebleken dat de vader in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. De vader heeft tot nu toe de kans om voor [minderjarige] te zorgen door verschillende omstandigheden, die veelal niet aan hem te wijten waren, nog niet gehad. Het hof is van oordeel dat de vader deze kans wel dient te krijgen. Daarmee wordt ook voldaan aan het wettelijk uitgangspunt dat kinderen het recht hebben om bij (een van) hun ouders op te groeien. Het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] naar de vader is een eerste stap in het (mogelijk) realiseren hiervan. Deze wijziging zorgt er echter, zoals hiervoor al is benoemd, niet voor dat [minderjarige] direct bij de vader zal gaan wonen.

5.10

Van de moeder kan (nog) niet gezegd worden dat zij over voldoende opvoedvaardigheden beschikt om voor [minderjarige] te zorgen. De moeder heeft de afgelopen jaren steeds aangegeven dat zij niet voor [minderjarige] kan zorgen. Inmiddels is ze verhuisd naar [plaats] om dicht(er) bij [minderjarige] te zijn en ze heeft hard aan zichzelf gewerkt. Het hof complimenteert de moeder met de ontwikkeling die zij doormaakt. Het hof vindt deze ontwikkeling echter nog te pril om daar consequenties ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] aan te verbinden. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij inmiddels in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. Er zijn geen aanwijzingen, stukken of onderzoeken die deze stelling van de moeder bevestigen. Het beeld dat het hof heeft van de huidige situatie van de moeder is hierdoor erg beperkt. Ook de pleegouders hebben ter zitting verklaard dat deze ontwikkeling nog pril is. Een terugplaatsing bij de moeder is op dit moment nog niet aan de orde. Zij heeft hiertoe nog geen mogelijkheden laten zien. Omdat de vader die mogelijkheden wel laat zien is het hof van oordeel dat het wenselijk en logisch is om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen. Zeker nu de feitelijke verblijfplaats van [minderjarige] al jaren niet meer bij de moeder is maar bij de pleegouders. Het hof voegt hier nog aan toe te vrezen dat de vader uit beeld raakt en (daardoor) wellicht zelfs zijn gezag kwijtraakt als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder blijft.

5.11

Dit gevaar wordt naar het oordeel van het hof in de situatie dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader wordt bepaald juist weggenomen. Ter zitting heeft de vader (nogmaals) verklaard dat hij, als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald, de zorg voor [minderjarige] graag met de moeder wil delen. De vader is welwillend en bereid om te kijken naar andere constructies als blijkt dat de moeder te zijner tijd inderdaad in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. Deze intentie van de vader, waarvan uit de stukken blijkt dat hij die altijd gehad heeft, bevestigt naar het oordeel van het hof dat er alle reden is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen. De vader erkent de belangrijke rol en positie van de moeder. Het hof heeft er dan ook vertrouwen in dat de vader de samenwerking met de moeder (en de pleegouders) zal blijven opzoeken. Het hof is zich ervan bewust dat de communicatie en samenwerking tussen de vader, de moeder en de pleegouders in het verleden te wensen overliet. Alle betrokkenen hebben hier hun aandeel in gehad. Inmiddels is de situatie enigszins verbeterd. De ouders hebben via WhatsApp weer rechtstreeks contact met elkaar over [minderjarige] . De uitvoering van de zorgregeling verloopt over het algemeen goed. Gelet hierop heeft het hof er vertrouwen in dat een (verdere) verbetering van de communicatie en samenwerking tussen hen op korte termijn mogelijk is. Daarbij is het naar het oordeel van het hof belangrijk dat de verhoudingen anders komen te liggen. De afgelopen jaren heeft de noodzaak en het initiatief tot samenwerking grotendeels bij de vader gelegen. [minderjarige] woont immers bij de grootouders moederszijde. Voor het contact met [minderjarige] was de vader afhankelijk van de moeder en de pleegouders. Het hof heeft de indruk dat de moeder en pleegouders minder dan de vader de noodzaak voelden om de communicatie en samenwerking met hem te verbeteren. Door de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen, krijgt de vader een andere rol en worden de moeder en de pleegouders gestimuleerd meer met de vader samen te werken. Het hof gaat er van uit dat de vader zich vanzelfsprekend zal blijven inzetten voor een verdere verbetering van de samenwerking en communicatie. Tot slot verwacht het hof dat er op deze manier voor de ouders (weer) meer ruimte ontstaat om gezamenlijk invulling te geven aan hun ouderlijke verantwoordelijkheid. Het hof heeft de indruk dat zij hier, wellicht onbewust, bij de pleegouders nu (te) weinig ruimte voor krijgen.

5.12

Het hof komt hiermee, anders dan de rechtbank, tot de conclusie dat wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] van de moeder naar de vader in zijn belang het meest wenselijk is. Dit leidt tot de volgende beslissing.

Proceskosten

5.13

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:

bepaalt dat [naam minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.A.F. Donders, K.M. Braun en A.R.J. Mulder, bijgestaan door mr. N. van Duijvenbode als griffier, en is op 25 augustus 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.