Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1663

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
200.273.974
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:8771, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Transportverzekering. All risks. Dekking voor verlies of schade tijdens de verzekerde reis. Zijn ter vervoer meegegeven ladingen kaas verloren gegaan tijdens de verzekerde reis? Uitleg. Objectieve factoren. Aan transport eigen risico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.273.974/01

Rolnummer rechtbank : C/10/549172/ HA ZA 18-425

arrest van 29 juni 2021

in de zaak van

Geris B.V.,

gevestigd te Nederweert,

appellante,

hierna te noemen: Geris,

advocaat: mr. J.M. Wolfs te Maastricht,

tegen

Chubb European Group Limited,

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk) en mede kantoorhoudende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Chubb,

advocaat: mr. V.R. Pool te Rotterdam.

Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    de appeldagvaarding van 24 januari 2020 waarbij Geris in hoger beroep is gekomen van het op 6 november 2019 tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2019:8771);

  • -

    de memorie van grieven, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 26 maart 2021 en de bij die gelegenheid door mr. Wolfs en mr. R. de Haan overgelegde pleitnota’s.

1.2

Partijen hebben arrest gevraagd, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

De beoordeling van het hoger beroep

de feiten

2.1

Het hof gaat uit van de volgende, als vaststaand aan te merken feiten.

i. i) Geris is een internationale leverancier van industriële zuivelproducten.

ii) Chubb is de verzekeraar bij wie Geris een transportgoederenverzekering (hierna: de transportverzekering) heeft afgesloten. Op 1 januari 2016 is de polis ingegaan. Het bijbehorend polisblad van 1 januari 2016 is per 1 januari 2017 gewijzigd en heeft als einddatum 1 januari 2018. Volgens het polisblad zijn kaas, boter en zuivel inclusief verpakkingsmaterialen verzekerd tot een maximumbedrag van € 250.000,-- per vervoermiddel tijdens transport.

iii) Op de transportverzekering zijn de algemene voorwaarden van transportverzekering CH 2006 (hierna: de voorwaarden) van toepassing. In art. 2 van de voorwaarden is de volgende omschrijving van de dekking opgenomen:

‘Artikel 2.1 Basis

De maatschappij vergoedt alle verliezen van en materiële schaden aan de verzekerde zaken – met inbegrip van de onkosten bedoeld in artikel 2.2. “Aanvullend” – onverschillig door welke oorzaak ontstaan, echter onverminderd de bepalingen in de artikelen 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3 “Aard en gebrek”, “Schuld van een verzekerde” en “Vrij van oorlogsrisico en stakersrisico”.’

Art. 4 van de voorwaarden bepaalt:

‘Artikel 4 Verzekerde reis

Het risico voor de maatschappij gaat in op het moment waarop de zaken, tot het aanvangen van de verzekerde reis gereedliggende in het pakhuis of de opslagplaats in de plaats van afzending, worden opgenomen of op een daarmee vergelijkbare wijze worden weggevoerd teneinde de verzekerde reis aan te vangen. Het risico blijft gedurende het normale verloop van de reis ononderbroken doorlopen en eindigt op het moment waarop de zaken zijn aangekomen in de plaats van bestemming, op de plaats in het pakhuis of de opslagplaats die de ontvanger daarvoor heeft bestemd, mits de verzekerde de zaken op de normale of op de met de maatschappij overeengekomen wijze doet vervoeren.’

iv) Geris heeft op enig moment per e-mail een bestelling ontvangen voor de levering van een partij kaas. Deze bestelling is vastgelegd in een op 12 juli 2017 gedateerde bon de commande die voorzien is van naam, adresgegevens (in Pau, Frankrijk) en stempel van Univerdis Sas (hierna: Univerdis). Onder de bestelling staat vermeld:

‘Autorisé par: Directeur des achats [directeur inkoop].’

v) Geris heeft op 25 juli, 31 juli en 4 augustus 2017 een lading kaas verstrekt aan een chauffeur na vertoon van een e-mailbericht door de chauffeur. Het door de chauffeurs getoonde e-mailbericht was identiek aan het e-mailbericht dat Geris had ontvangen van degene die de kaasbestelling had geplaatst, en het bevatte verder de kentekengegevens van zowel de oplegger als de trekker van de chauffeurs.

vi) In de door Geris ten behoeve van de transporten opgemaakte CMR-vrachtbrieven is het adres van Univerdis (in Pau, Frankrijk) als eindbestemming van de kazen opgenomen.

vii) Geris heeft de volgende drie facturen voor de kaasladingen verstuurd naar Univerdis:

  • -

    factuur F171898 d.d. 25 juli 2017 ad € 76.245,76 (excl. BTW)

  • -

    factuur F171944 d.d. 31 juli 2017 ad € 74.154,50 (excl. BTW)

  • -

    factuur F172017 d.d. 4 augustus 2017 ad € 75.076,75 (excl. BTW)

Deze facturen, voor een totaalbedrag van € 225.477,01, zijn onbetaald gebleven.

viii) De drie ladingen kaas zijn nooit bij Univerdis aangekomen.

ix) International Security Partners (hierna: ISP) heeft in opdracht van Chubb onderzocht hoe en onder welke condities de ladingen kaas zijn opgehaald en wie daarbij betrokken waren. ISP heeft op 20 september 2017 een rapport uitgebracht (hierna: het rapport) dat een verslag bevat van een interview met Geris-directeur [directeur B]. Dit verslag luidt onder andere als volgt:

‘Op enig moment, na de eerste drie leveringen, moest mijn collega [collega] contact hebben met de opdrachtgever. Hiertoe nam hij telefonisch contact op met Univerdis en vroeg naar [directeur inkoop]. [collega] kreeg toen te horen dat [directeur inkoop] met vakantie was. [collega] besloot het mobiele nummer van [directeur inkoop] te bellen. Hij kreeg toen daadwerkelijk een man aan de lijn, die zich ook uitgaf als [directeur inkoop] . [collega] vroeg toen of [directeur inkoop] met vakantie was. Volgens mij antwoor[d]de [directeur inkoop] toen door te vragen: “Hoezo met vakantie?” [collega] vertrouwde het niet. [collega] belde opnieuw met Univerdis en vroeg om hem door te verbinden. (…) Hij werd toen doorverbonden, maar hoorde aan de klank en de stem dat dat iemand anders was, als waar hij eerder mee gebeld had. De “echte” [directeur inkoop] vertelde [collega] dat zij (Univerdis) al door meerdere partijen waren benaderd omdat deze facturen hadden gestuurd van levering van goederen. Deze goederen zouden nimmer door Univerdis zijn besteld.’

x) Het rapport bevat ook een verslag van een interview met [medewerker], een logistiek medewerker van Geris. Dit verslag houdt onder andere het volgende in:

‘Op 8 augustus 2017 was ik bij ons op de zaak. Ik ontvang onder andere chauffeurs en check waarvoor ze komen. (…) Toen er een chauffeur kwam en ik op de begeleidende email las met welk kenteken hij reed, wist ik dat dit een van die twee chauffeurs was. Om de juiste CMR te kunnen maken, vroeg ik hem: “Waar moet jij die kazen naar toe brengen?” Ik hoorde toen dat hij tegen mij zei: “Ik moet mijn planner bellen, zodra ik geladen ben en dan hoor ik waar ik naar toe moet”.’

in eerste aanleg

3.1

Geris heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank Chubb veroordeelt tot, kort en zakelijk weergegeven, vergoeding van de door Geris geleden schade van € 225.477,01 en tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van Chubb in de proceskosten. Zij heeft zich op het standpunt gesteld – kort weergegeven – dat zij schade heeft gelden doordat de ladingen kaas niet bij Univerdis zijn afgeleverd en dat deze schade onder de dekking van de transportverzekering valt. Chubb heeft dit gemotiveerd weersproken.

3.2

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering van Geris afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij niet de stelling van Geris volgt dat zich tijdens het transport van de kazen een transportrisico heeft verwezenlijkt doordat de chauffeur naar een andere bestemming is gereden dan het adres van Univerdis en dat daardoor de kazen (voor Geris) verloren zijn gegaan. De fake koper – de onbekend gebleven persoon die zich jegens Geris voordeed als [directeur inkoop] (rov. 4.2) – moet worden aangemerkt als de ontvanger in de zin van art. 4 van de voorwaarden die de plaats van bestemming heeft bestemd. Het moet ervoor worden gehouden dat de kazen op die plaats zijn aangekomen. Van een ‘verloren gaan’ van de kazen als bedoeld in art. 2.1 van de voorwaarden is dus geen sprake. Dat de fake koper niet voor de kazen heeft betaald, is een bedrijfsrisico dat buiten de dekking van de transportverzekering valt (rov. 4.6). Dat geldt ook indien Univerdis betrokken zou zijn geweest bij de door de fake koper opgezette bestelling en wijziging van het losadres (rov. 4.7). Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de betekenis van een all risks-clausule als opgenomen in art. 2.1 van de voorwaarden niet kan zijn dat er alsnog dekking ontstaat die met aard en strekking van de betreffende verzekering in strijd is (rov. 4.8).

in hoger beroep

4.1

Onder aanvoering van acht grieven heeft Geris geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot, kort samengevat, alsnog toewijzing van haar vordering, met veroordeling van Chubb in de kosten van beide instanties.

4.2

Chubb heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van Geris in – naar het hof begrijpt: – de kosten van de procedure in hoger beroep en in de nakosten, beide te vermeerderen met de wettelijke rente.

de beoordeling van de grieven

4.3

Evenals in eerste aanleg ligt in dit hoger beroep de vraag voor of de door Geris geleden schade onder de dekking van de transportverzekering valt en daarom door Chubb moet worden vergoed. Dit is een vraag naar de uitleg van de (bepalingen van de) transportverzekering en de daarbij behorende voorwaarden. Partijen gaan terecht ervan uit dat nu zij over de voorwaarden niet hebben onderhandeld, de uitleg daarvan met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepalingen zijn gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel.1 Ook de aard en de strekking van de verzekering kunnen als objectieve factoren bij de uitleg worden betrokken.

4.4

Partijen zijn het erover eens dat de transportverzekering schade dekt als gevolg van verlies (het verloren gaan) van en schade aan de verzekerde zaken tijdens de verzekerde reis (het transport) in de zin van art. 4 van de voorwaarden. Het hoger beroep en de grieven 1 tot en met 7 strekken ten betoge dat de op 25 en 31 juli en 4 augustus 2017 door Geris meegegeven ladingen kaas verloren zijn gegaan tijdens de verzekerde reis. Chubb stelt zich daarentegen op het standpunt dat Geris slachtoffer is geworden van een oplichting die al vóór aanvang van de verzekerde reis heeft plaatsgevonden en was voltooid.

4.5

Naar het oordeel van het hof stuiten grieven 1 tot en met 7 af op het volgende.

4.6

Vaststaat dat Geris per e-mail een bestelling voor de levering van een partij kaas heeft ontvangen. Deze bestelling is vastgelegd in een bon de commande, voorzien van de naam en de adresgegevens van Univerdis in Pau (Frankrijk) en de vermelding dat de bestelling is geautoriseerd door de heer [directeur inkoop], directeur inkoop. Op 25 en 31 juli en 4 augustus 2017 heeft Geris een lading kaas meegegeven aan een chauffeur die haar een e-mailbericht had getoond dat identiek was aan het bericht waarbij de bestelling was geplaatst, en dat de kentekengegevens van de oplegger en de trekker van de chauffeur bevatte. In de door Geris opgestelde vrachtbrieven is het adres van Univerdis in Frankrijk als eindbestemming (losadres) van de kazen opgenomen. De kazen zijn niet op dit losadres afgeleverd.

4.7

Verder staat vast – zoals volgt uit wat de rechtbank in rov. 4.5 in hoger beroep onbestreden heeft overwogen – dat bij de transporten van 25 en 31 juli en 4 augustus 2017 de chauffeur na het inladen van de kazen zijn planner moest bellen en dan te horen kreeg waar hij naartoe moest. Kennelijk heeft de chauffeur toen te horen gekregen de kazen op een ander adres af te leveren dan vermeld in (de bon de commande en) de vrachtbrieven. Partijen zijn het erover eens dat de chauffeur (vervoerder) geen verwijt kan worden gemaakt van het opvolgen van die instructie en het niet afleveren van de kazen bij Univerdis in Frankrijk overeenkomstig de vrachtbrieven.

4.8

Uit deze gang van zaken valt af te leiden dat een onbekend gebleven persoon een plan heeft bedacht en uitgevoerd om Geris ertoe te bewegen een partij kaas mee te geven voor transport en om vervolgens die partij naar een andere bestemming te laten vervoeren dan de bestemming die Geris door middel van de bon de commande werd voorgespiegeld en door Geris als het losadres is opgevat en in de vrachtbrieven is vermeld. Op het moment van het meegeven (en inladen) van de partij kaas stond dus (volgens het plan) al vast dat zij naar een andere bestemming dan Univerdis in Frankrijk zou worden vervoerd. Dit was toen al een onlosmakelijk onderdeel van het vooropgezette en uitgevoerde plan. Daarbij komt dat ten gevolge van het feit dat ex works werd geleverd, de partij kaas op het moment van meegeven ook fysiek in de macht kwam van de onbekend gebleven persoon (via de chauffeur).

4.9

Anders dan Geris heeft betoogd, was het door de onbekend gebleven persoon vooropgezette plan dus niet afhankelijk van nadere handelingen tijdens het transport waarop niet uitsluitend die persoon invloed had. Het stond immers al voorafgaand aan het transport vast dat de kazen niet zouden worden afgeleverd op het in de vrachtbrief door Geris vermelde losadres van Univerdis. Dit volgt ook uit de mededeling van de chauffeur aan de medewerker van Geris dat hij nog nadere instructies zou krijgen waar hij de kazen moest afleveren. Vanwege de levering ex works is Geris kennelijk ermee akkoord gegaan dat die instructiebevoegdheid niet bij haar lag. In zoverre was de chauffeur niet gebonden aan de vermelding door Geris in de vrachtbrief dat Univerdis in Frankrijk het losadres was, maar wel aan de instructies van zijn opdrachtgever (de onbekend gebleven persoon), instructies waarvan al vooraf duidelijk was dat de chauffeur die zou krijgen. Dat tussen de opdrachtgever tot het vervoer en de chauffeur mogelijk nog een andere logistieke dienstverlener/schakel heeft gezeten die via zijn planner instructies gaf aan de chauffeur – zoals Geris nog heeft opgemerkt – maakt het voorgaande niet anders. Als vermeld is Geris het ermee eens dat de chauffeur geen verwijt treft van het opvolgen van de via die schakel ontvangen instructies van de onbekend gebleven persoon met betrekking tot de uiteindelijke bestemming van de lading. Dit een en ander brengt mee dat (de instructie tot) het elders dan bij Univerdis in Frankrijk afleveren van de partij kaas niet kan worden aangemerkt als een verlies (onzeker voorval) tijdens de verzekerde reis als bedoeld in art. 4 van de voorwaarden.

4.10

Uit het voorgaande volgt bovendien dat sprake is geweest van een vorm van oplichting waarvan niet kan worden gezegd dat zij een aan het transport eigen risico inhoudt. De oplichting ging vooraf aan het transport: Geris heeft de zendingen bij haar in gereedheid gebracht om mee te geven aan de (onbekend gebleven) oplichter, die de zendingen daar via de chauffeurs heeft meegenomen. Onder andere hierin verschilt dit geval van gevallen waarin tijdens het transport naar een echte koper, onverwacht een derde (bijvoorbeeld een nep-agent) ten tonele verschijnt die onder valse voorwendselen de chauffeur met zijn lading, zonder geldige instructie van de opdrachtgever tot het vervoer, naar een andere bestemming dan die in de vrachtbrief dirigeert. Aangezien van een transportrisico geen sprake is geweest, brengt ook een uitleg aan de hand van de aard en de strekking van de transportverzekering mee dat de door Geris geleden schade niet is gedekt en niet door Chubb moet worden vergoed. Een transportverzekering, ook een all risks-transportverzekering als de onderhavige, biedt gelet op haar aard en strekking immers slechts dekking tegen risico’s eigen aan transport.2 Partijen zijn het erover eens dat dat tenminste betekent dat de schade moet zijn ontstaan tijdens het transport. De schadelijke gevolgen van (het zich onvoldoende wapenen tegen) oplichting in de aan het transport voorafgaande verkoopfase vallen buiten dat dekkingsbereik. Zo verstaat het hof ook het oordeel van de rechtbank in rov. 4.8 van het bestreden vonnis, waarmee het hof zich verenigt.

4.11

Grief 8 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen beoordeling.

slotsom

4.12

Dit alles leidt tot de conclusie dat het hoger beroep doel mist. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Geris zal als in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten zoals door Chubb gevorderd. Daarbij zullen de advocaatkosten worden begroot op € 12.192,-- (= drie punten x € 4.064,-- (liquidatietarief VI)). Het nasalaris voor de advocaat zal worden begroot op de bedragen zoals door Chubb gevorderd.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2019;

veroordeelt Geris in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Chubb tot op heden begroot op € 5.517,-- aan verschotten en € 12.192,-- aan salaris advocaat en op

€ 131,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met 68,-- (tot € 199,--) indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen;

verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. van Kooten, J.M. van der Klooster en J. van der Kluit, en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 29 juni 2021.

1 HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, NJ 2008/284 (Chubb/Dagenstaed).

2 Vgl. de conclusie, onder 5, bij HR 26 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1160, NJ 1994, 126 (Cox/Nieuw Rotterdam).