Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1616

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
02-09-2021
Zaaknummer
2200567519
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte voor doodslag op zijn ex-schoonvader tot een gevangenisstraf van 10 jaren, met aftrek van voorarrest. Op basis van deskundigenverklaringen komt het hof tot de conclusie dat het slachtoffer is overleden aan geweldsinwerking op de hals, al dan niet in combinatie met aanwezige hartaandoeningen. Het hof acht bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft gewurgd en dat geen sprake was van een ongeval, zoals is aangevoerd. Voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Verwerping beroep op putatief noodweer. Vorderingen benadeelde partijen (kosten lijkbezorging, derving levensonderhoud en shockschade) deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-005675-19

Parketnummer: 09-827133-18

Datum uitspraak: 2 september 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 december 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

thans gedetineerd in de PI Heerhugowaard, locatie Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het hem tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 13 maart 2018 te Rijswijk, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] te wurgen, althans de keel van die [slachtoffer] (met een voorwerp) dicht te knijpen en/of dicht te houden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het hem tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen, nu het hof weliswaar tot dezelfde bewezenverklaring komt als de rechtbank, maar de bewijsvoering naar het oordeel van het hof aanpassing(en) behoeft en deels andere beslissingen zullen worden genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen, zodat het (partieel) bevestigen van het vonnis een te weinig overzichtelijk samenstel aan beslissingen en motiveringen zou opleveren.

Verzoek tot nader onderzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht nader onderzoek te laten doen naar de toedracht van het letsel, namelijk – naar het hof begrijpt – door het benoemen van een nadere deskundige op het gebied van natuurkunde/fysica, dan wel door het gelasten van een praktijkonderzoek.

Het hof acht een dergelijk onderzoek, gelet op wat daartoe ter onderbouwing is aangevoerd en ook overigens, niet noodzakelijk.

Het verzoek wordt afgewezen.

Bewijsoverwegingen 1

1. Inleiding

Grotendeels in overeenstemming met de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof het volgende.

Op basis van het onderzoek ter terechtzitting kunnen de volgende feiten op basis van de gebruikte bewijsmiddelen (waarvan de vindplaatsen in de voetnoten staan vermeld) als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

In de ochtend van 13 maart 2018 vertrok [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) naar de woning van de verdachte, zijn ex-schoonzoon, in Rijswijk om volgens afspraak een televisie op te halen. Later die dag had [slachtoffer] een biljartwedstrijd, maar daar kwam hij niet opdagen. Hierop hebben zijn vrouw en zijn dochter meermalen geprobeerd hem te bellen. [slachtoffer] reageerde echter niet op de oproepen, waarna de politie werd gealarmeerd.2 Toen politieagenten uiteindelijk aan het begin van de avond de woning van de verdachte betraden, troffen zij de verdachte aan in zijn bed, onder invloed van slaapmedicatie. Naast het bed, op de vloer van de slaapkamer van de verdachte, werd het levenloze lichaam van [slachtoffer] aangetroffen. De verdachte is hierop aangehouden.3

Op het lichaam van [slachtoffer] is sectie verricht. Bij de sectie werd onder meer vastgesteld dat [slachtoffer] inwendig in de hals verschillende bloeduitstortingen had: in de rechterspeekselklier, rondom de linkerhoorn van het tongbeen en aan beide zijden aan de onderrand van het tongbeen. Ook werden er twee bloeduitstortingen geconstateerd in de spieren laag in de hals, op de overgang naar de borstkas. Bij nader onderzoek van de hals werd een breuk in de linker grote hoorn van het tongbeen met omgevende bloeduitstorting vastgesteld.4 De letsels in de hals zijn bij leven ontstaan.5 Naast deze letsels is bij de sectie ook vastgesteld dat het hart van [slachtoffer] te zwaar was en dat hij leed aan een hartspierontsteking (lymfocytaire myocarditis).6

De vraag die het hof moet beantwoorden is of kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk om het leven heeft gebracht. Bij de beantwoording van die vraag zullen in het navolgende allereerst de bevindingen van de deskundigen omtrent de oorzaak van overlijden in ogenschouw worden genomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – een en ander zoals verwoord in zijn pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer] opzettelijk om het leven heeft gebracht.

2. De oorzaak van het overlijden

Zoals hiervoor is vermeld, is bij het slachtoffer niet alleen letsel in de hals aangetroffen, maar is ook vastgesteld dat [slachtoffer] aan twee hartaandoeningen leed, te weten een hartspierontsteking (myocarditis) en een vergroot hart. Allereerst dient het hof vast te stellen waaraan het slachtoffer is overleden.

Verklaringen van de deskundigen

Over de doodsoorzaak hebben drie deskundigen zich uitgelaten. Het in de inleiding besproken sectierapport is op 14 augustus 2018 opgesteld door dr. [deskundige 1], arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Dr. [deskundige 1] heeft, toen zij aanvullende vragen van de officier van justitie kreeg toegestuurd over onder meer de hartspierontsteking van het slachtoffer, cardiopatholoog prof. dr. [deskundige 2] geconsulteerd. Prof. dr. [deskundige 2] heeft op 31 januari 2019 zijn bevindingen vastgelegd in een verslag, waarna dr. [deskundige 1] op 12 februari 2019, mede aan de hand van dit verslag, de aanvullende vragen van de officier van justitie heeft beantwoord. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 april 2019 is dr. [deskundige 1] als deskundige gehoord. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 mei 2019 heeft de rechtbank, na een daartoe strekkend verzoek van de raadsman, dr. [deskundige 3], forensisch patholoog, als deskundige benoemd teneinde hem te laten rapporteren over de door dr. [deskundige 1] gedane pathologische bevindingen en haar interpretatie daarvan. Dr.[deskundige 3] heeft hier op 19 juli 2019 rapport over uitgebracht. In eerste aanleg zijn op de terechtzitting van 19 november 2019 alle drie de deskundigen (nogmaals) gehoord over

hun bevindingen omtrent de doodsoorzaak.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman de deskundigheid van dr. [deskundige 1] ter discussie gesteld. Zij zou – zo begrijpt het hof – volgens de raadsman minder deskundig zijn dan dr.[deskundige 3]. Het hof wijst op de ter zitting in eerste aanleg vastgestelde deskundigheid van dr. [deskundige 1]. Het hof ziet geen aanleiding van dat oordeel af te wijken.

De bevindingen van de deskundigen houden het volgende in.

Dr. [deskundige 3] heeft ter terechtzitting van 19 november 2019 overeenkomstig zijn rapport van 19 juli 2019 verklaard dat de pathologische bevindingen in deze zaak naar zijn mening meerdere mogelijke doodsoorzaken opleveren.

Dr.[deskundige 3] heeft het vergrote hart (in het Engels) significant genoemd, wat volgens hem ‘meer dan het minimum’ betekent.7en 8 Het hoeft dus niet de enige of de belangrijkste factor te zijn, zolang het maar een factor is, aldus dr.[deskundige 3].9 Een dermate vergroot hart kan, evenals de myocarditis, op zichzelf leiden tot een plotselinge dood, eventueel getriggerd door fysieke of emotionele stress. Deze aandoeningen hoeven echter niet altijd tot fataal hartfalen te leiden. Personen kunnen immers ook met een bepaalde ziekte overlijden en niet als gevolg van die ziekte.10 Over het letsel in de hals heeft dr.[deskundige 3] verklaard dat, indien hij een jong persoon had onderzocht waarbij slechts sprake was van een gebroken tongbeen en bloedingen in de nekweefsels, hij samenpersing van de hals als doodsoorzaak had opgegeven.11 Met andere woorden: zowel het vergrote hart als de myocarditis en het letsel aan de hals zouden dus alle drie op zichzelf het intreden van de dood kunnen verklaren.

Dr.[deskundige 3] merkt nog op dat, indien sprake is geweest van samenpersing van de hals, men de vraag zou kunnen stellen welk effect de aanwezige hartziekte heeft gehad op de duur van die samenpersing.12 Dr.[deskundige 3] heeft verklaard dat er geen manier is, waarop kan worden vastgesteld hoe lang het duurt om iemand te doden door samenpersing van de hals. De kracht die nodig is om een tongbeen te breken kan relatief van voorbijgaande aard zijn, hoewel waarschijnlijk een minuut of twee aan continue druk nodig is in het geval van een gezond persoon, met een ondergrens van 30 seconden. Dan nog kan men volgens dr.[deskundige 3] discussiëren over de vraag hoe lang die druk moet worden uitgeoefend. Als bij een persoon sprake is van een hartziekte, is hier mogelijk minder tijd voor nodig.13 Uiteindelijk is bij ieder overlijden sprake van een hart dat overgaat op een abnormaal ritme. Het is daarom mogelijk dat het hart een factor is geweest waardoor de hals minder lang samen hoeft te zijn geperst.14

Prof. dr. [deskundige 2] heeft ter zitting in eerste aanleg van 19 november 2019 in aanvulling op zijn verslag van 31 januari 2019 verklaard dat bij het slachtoffer sprake was van een geringe acute myocarditis. Deze mate van myocarditis valt in de categorie van de relatief geringe hartafwijkingen, ook wel minor abnormalities genoemd.15

Met betrekking tot de zwaarte van het hart heeft prof. dr. [deskundige 2] verklaard het eens te zijn met de stelling van dr. [deskundige 1] dat bij het slachtoffer sprake was van een geringe vergroting van het hart. Het hartgewicht van het slachtoffer lag ongeveer 70 gram boven de bovengrens van het normaalgewicht van het hart van een persoon met dat lichaamsgewicht en die lichaamslengte. Hiermee valt de geringe vergroting van het hart ook in de categorie minor abnormalities.16 Aldus was sprake van een hart waarin minor abnormalities aanwezig waren. De aanwezigheid van de combinatie van beide aandoeningen betekent echter niet dat er dan op wiskundige wijze sprake is van een twee keer zo grote kans op hartdood. Er zijn ook geen argumenten om aan te nemen dat de combinatie van beide aandoeningen een verhoogd risico op overlijden geeft, aldus prof. dr. [deskundige 2].17

Wanneer sprake is van een hartafwijking die valt in de categorie minor abnormalities, is het overlijden van een persoon niet zonder meer te verklaren door die hartafwijking. Pas als het overlijden niet aan een andere oorzaak kan worden toegeschreven, kan een dergelijke relatief geringe hartafwijking als doodsoorzaak worden aangewezen, aldus prof. dr. [deskundige 2].18

Dr. [deskundige 1] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 november 2019 aangegeven te persisteren bij haar conclusies zoals weergegeven in de beantwoording van de aanvullende vragen van 12 februari 2019 en de door haar afgelegde verklaring op de terechtzitting in eerste aanleg van 16 april 2019.

Zij heeft nogmaals benadrukt dat bij het slachtoffer een discrete myocarditis en een iets te zwaar hart zijn geconstateerd. Beide afwijkingen aan het hart beschouwt zij als minor abnormalities. Naast deze minor abnormalities van het hart is bij de sectie een forensisch-pathologisch substraat vastgesteld dat wijst op een andere mogelijke doodsoorzaak, namelijk geweld op de hals. Gelet op hetgeen door prof. dr. [deskundige 2] is uiteengezet, maakt de aanwezigheid van letsel aan de hals, waaronder het gebroken tongbeen, het overlijden aan minor abnormalities van het hart niet aannemelijk. Het geweld op de hals beschouwt dr. [deskundige 1] dus als belangrijkste factor voor de doodsoorzaak. De

hartaandoeningen weegt zij in mindere mate mee.19

Oordeel van het hof

Dr.[deskundige 3] heeft aangegeven dat er wat hem betreft in beginsel drie mogelijke doodsoorzaken in deze zaak zijn aan te wijzen. Beide hartaandoeningen zijn dermate ernstig dat een verder gezond persoon hier plotseling aan zou kunnen overlijden. Ook het geweld op de hals zou op

zichzelf het intreden van de dood kunnen verklaren. Geconfronteerd met het feit dat in deze zaak sprake is een combinatie van deze drie factoren, heeft dr.[deskundige 3] verklaard dat hij als doodsoorzaak compressie van de hals zou opgeven, samen met de hartziekten. Prof. dr. [deskundige 2] en dr. [deskundige 1] hebben de hartaandoeningen van het slachtoffer geduid als geringe afwijkingen: minor abnormalities. Prof. dr. [deskundige 2] heeft aangegeven dat, indien sprake is van een hartafwijking die in de categorie minor abnormalities valt, het overlijden van een persoon pas kan worden toegeschreven aan een dergelijke hartafwijking als alle andere doodsoorzaken zijn uitgesloten. Dr. [deskundige 1] heeft aangegeven dat in deze zaak naast de hartaandoeningen inderdaad sprake was van een andere mogelijke doodsoorzaak, namelijk geweld op de hals. Gelet hierop acht dr. [deskundige 1] het niet aannemelijk dat het slachtoffer is overleden aan (één van) de hartaandoeningen.

Op grond van deze deskundigenverklaringen komt het hof evenals de rechtbank tot de conclusie dat de dood van het slachtoffer is veroorzaakt door geweldsinwerking op de hals, al dan niet in combinatie met de aanwezige hartaandoeningen. De oorzaak van het overlijden kan zijn gelegen in louter geweldsinwerking op de hals, maar het is ook mogelijk dat die geweldsinwerking heeft geleid tot fatale ritmestoornissen van het - door de hartaandoeningen verzwakte - hart en dat het slachtoffer uiteindelijk daaraan is overleden. In het laatste geval is de geweldsinwerking dus een noodzakelijke factor geweest voor het ingetreden gevolg. Dat louter de hartaandoeningen tot de dood van het slachtoffer hebben geleid, is niet aannemelijk geworden, gelet op de bevindingen van prof. dr. [deskundige 2] en dr. [deskundige 1] dat het geringe afwijkingen betreffen en deze als eventuele doodsoorzaak kunnen worden aanvaard als andere doodsoorzaken moeten worden uitgesloten.

3. De toedracht van het letsel aan de hals

Nu is vastgesteld dat het slachtoffer is overleden door geweldsinwerking op de hals, dient het hof de vraag te beantwoorden hoe het letsel aan de hals van het slachtoffer is ontstaan.

In de inleiding is reeds beschreven dat het letsel in de hals van het slachtoffer bestond uit een breuk in de linker grote hoorn van het tongbeen met een omgevende bloeduitstorting, bloeduitstortingen in de rechterspeekselklier, rondom de linkerhoorn van het tongbeen en aan beide zijden aan de onderrand van het tongbeen en twee bloeduitstortingen in de spieren laag

in de hals, op de overgang naar de borstkas. Ter terechtzitting van 19 november 2019 hebben deskundigen dr. [deskundige 3] en dr. [deskundige 1] zich over het ontstaan van dit letsel uitgelaten.

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ontkend [slachtoffer] te hebben gewurgd, zoals hem wordt verweten. Hij stelt dat sprake is geweest van een ongeluk, dat tot de dood van het slachtoffer heeft geleid.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 13 maart 2018 in de slaapkamer van zijn woning in Rijswijk een discussie met [slachtoffer] kreeg.20 De verdachte stelt dat hij op een gegeven moment van [slachtoffer] twee klappen kreeg, waarna hij [slachtoffer] in een schrikbeweging van zich af heeft geduw[nabestaande 2] is daardoor over het bed gevallen en op de grond terecht gekomen. Hij was knock-out, aldus de verdachte.

Ter zitting in eerste aanleg van 10 januari 2019 heeft de verdachte verklaard dat hij, nadat hij [slachtoffer] van zich af had geduwd, zijn evenwicht verloor en op hem viel. De verdachte kwam daarbij op de borstkas van het slachtoffer terecht. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij niet in contact is gekomen met de hals van [slachtoffer].

Ter zitting in hoger beroep van 19 augustus 2021 heeft de verdachte verklaard dat hij door zijn val deels op de borst en deels op het hoofd, tussen borst en hoofd met zijn rechterelleboog op [slachtoffer] terecht is gekomen.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld – kort en zakelijk weergegeven - dat het letsel van [slachtoffer] op een andere manier kan zijn ontstaan. De verdachte is tijdens zijn val mogelijk met zijn gebogen arm dan wel elleboog op het strottenhoofd/de hals van het slachtoffer terecht gekomen (en heeft zich daarna nog afgezet om overeind te komen) waardoor het tongbeen is gebroken en bloedingen zijn ontstaan. De bloedingen in de hals kunnen mede zijn ontstaan door overstrekking van de nek tijdens de val van [slachtoffer] over/van het bed, aldus de raadsman.

Ter ondersteuning van zijn pleidooi heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep een PowerPointpresentatie getoond waarbij een persoon die de verdachte zou moeten voorstellen met een gebogen arm op de hals van een persoon die [slachtoffer] zou moeten voorstellen terecht komt.

Het hof overweegt met betrekking tot de getoonde PowerPointpresentatie reeds het volgende.

Nog daargelaten dat het scenario, waarbij de verdachte tijdens zijn val met zijn gebogen arm/elleboog op het strottenhoofd/de hals van [slachtoffer] is terechtgekomen, aanvankelijk niet door de verdachte zelf, maar door zijn raadsman is aangevoerd, strookt de door de raadsman getoonde animatie niet met de verklaring die de verdachte in eerste aanleg heeft afgelegd.

Ter zitting in eerste aanleg heeft de verdachte over de val van [slachtoffer] namelijk verklaard dat [slachtoffer] met zijn borst op het bed is gevallen. Hoewel [slachtoffer] met zijn borst naar de televisie had gestaan is hij door de duw van de verdachte gedraaid, waarna hij van het bed is gekanteld. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] over het bed viel, schuin met zijn borst op het bed, daarna kantelde hij en viel hij op de grond, waarna de verdachte met zijn lichaam bovenop hem viel, aldus de verdachte ter zitting in eerste aanleg.21 Op de getoonde PowerPointpresentatie valt de persoon die het slachtoffer moet voorstellen met zijn rug naar achteren, en dus niet op de manier zoals door de verdachte is beschreven.

Verklaringen van de deskundigen

Dr. [deskundige 3] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 november 2019 verklaard dat breuken van het

tongbeen zeer zeldzaam zijn. Als hij wordt geconfronteerd met breuken in de nek, denkt dr.[deskundige 3] aan samendrukking van de hals als doodsoorzaak.22 Onder samendrukking van de hals kunnen manuele verwurging, verwurging met behulp van een voorwerp en het aanleggen van een armklem worden verstaan. Van deze vormen van samendrukkend geweld acht dr.[deskundige 3] het gebruik van een armklem in deze zaak het meest waarschijnlijk. Door het gebruik van een armklem worden verschillende gedeelten van de hals onder druk gezet, wat past bij het geconstateerde letsel in deze zaak. Daarnaast zijn in deze zaak ook geen uitwendige

verwondingen in de hals van het slachtoffer aangetroffen. Dit wordt vaker waargenomen bij compressie waarbij gebruik is gemaakt van een armklem.23

Uit de literatuur is gebleken dat stomp botsend geweld ook een mogelijke, maar zeer zeldzame oorzaak is van een breuk in het tongbeen. Zo is er bijvoorbeeld een casus bekend van een negentienjarige man die tijdens zijn slaap viel en daarbij zijn tongbeen brak. Hoe het

slachtoffer in die casus precies is gevallen, is echter niet bekend.24 Een val van de verdachte op de hals van het slachtoffer in deze zaak kan dan ook niet helemaal worden uitgesloten, maar het is volgens dr.[deskundige 3] wel de vraag of het plausibel is dat het tongbeen van het slachtoffer op deze manier is gebroken.25

Over de bloeduitstortingen laag in de hals, op de overgang naar de borstkas, heeft dr.[deskundige 3] verklaard dat deze kunnen worden verklaard door plotse overstrekking van de hals ten opzichte van het hoofd, die kan optreden bij het gebruik van een armklem.26

Dr. [deskundige 1] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 november 2019 erop gewezen dat in deze zaak niet alleen sprake is van een lokaal trauma in de hals met slechts een breuk in de linker grote hoorn van het tongbeen, maar dat er ook nog bloeduitstortingen aan beide zijden van de hals zijn geconstateerd. Dergelijk letsel, dus letsel over een groter deel van de hals, kan worden verklaard door samendrukkend geweld op de hals. Verwurging valt onder samendrukkend geweld op de hals.27

Uit de literatuur is gebleken dat een breuk van het tongbeen in zeer zeldzame gevallen ook veroorzaakt kan zijn door stomp botsend geweld. Daarbij moet worden opgemerkt dat het stomp botsend geweld in 25 van de 27 in de literatuur beschreven gevallen hoog energetisch

trauma betrof, zoals trauma als gevolg van een val van hoogte of een aanrijding. In slechts twee van die 27 gevallen ging het om een zogenaamd huis-, tuin- en keukenongeval, zoals een val van lage hoogte, waaronder de door de verdachte beschreven val kan worden geschaard. In één van deze twee gevallen betrof het slachtoffer een rolstoelafhankelijk persoon die zich op geen enkele wijze kon verweren tegen een val, hetgeen geen normale situatie betreft.28 De energetische overdracht van krachten bij een val zoals door de verdachte beschreven is simpelweg niet voldoende om een tongbeen te kunnen breken.29

Met betrekking tot de bloeduitstortingen laag in de hals heeft dr. [deskundige 1] uitgelegd dat deze het gevolg zijn van overstrekking. Overstrekking is een mechanisme dat optreedt wanneer het hoofd van een persoon plotseling naar achteren wordt bewogen, waardoor de spieren onder druk komen te staan en de bloedvaten in de laatste delen van de spieren scheuren. Overstrekkingsbloedingen kunnen voorkomen bij verwurgingszaken.30

Oordeel van het hof

Uit de door dr.[deskundige 3] en dr. [deskundige 1] afgelegde deskundigenverklaringen maakt het hof op dat een breuk in het tongbeen een zeldzame vorm van letsel betreft. Beide deskundigen denken bij het aantreffen van dergelijk letsel direct aan samendrukkend geweld op de hals, omdat uit de medisch-wetenschappelijke literatuur blijkt dat het zeer zeldzaam is dat een gebroken tongbeen wordt veroorzaakt door stomp botsend geweld. Indien al sprake is van een breuk in het tongbeen door stomp botsend geweld, werd dit in het overgrote deel van

de in de literatuur beschreven gevallen veroorzaakt door een hoog energetisch trauma, zoals trauma als gevolg van een val van grote hoogte of een verkeersongeval.

In de onderhavige zaak was bovendien naast de breuk in het tongbeen ook nog sprake van inwendige bloeduitstortingen rond het tongbeen, in de rechterspeekselklier en aan beide zijden van de hals. Deze bloeduitstortingen passen volgens dr.[deskundige 3] bij een armklem, omdat door het gebruik van een armklem druk wordt gezet op verschillende plekken in de hals. Ook dr. [deskundige 1] vindt deze bloeduitstortingen typerend voor het gebruik van samendrukkend geweld. Tot slot zijn ook bloeduitstortingen in de lage hals aangetroffen, die

volgens beide deskundigen bij samendrukkend geweld kunnen passen.

Al het voorgaande in samenhang bezien, komt het hof evenals de rechtbank tot de conclusie dat het door de

raadsman geschetste scenario van een val van de verdachte met zijn arm op het lichaam van het slachtoffer niet verenigbaar is met het bij het slachtoffer aangetroffen letsel en de bevindingen van de deskundigen. In de eerste plaats omdat de energetische overdracht van krachten bij een val vanaf het bed op het op de grond liggende slachtoffer onvoldoende is om het tongbeen te kunnen breken. Het betoog van de raadsman dat dit wel degelijk mogelijk moet zijn, wordt - gelet op de deskundigenverklaringen – dan ook verworpen.

Daarbij komt dat de bloeduitstortingen niet goed kunnen worden verklaard door de door de verdachte beschreven verschillende manieren van vallen. De bloeduitstortingen in de weke delen bevonden zich immers aan beide zijden van de hals, terwijl de bloeduitstortingen in de lage hals duiden op overstrekking, dat wil zeggen het plots naar achteren bewegen van het hoofd. Dat past niet bij een val met een gebogen rechterarm op de borst/het hoofd van het op de grond liggende slachtoffer. Het hof schuift het door de verdachte naar voren gebrachte scenario dan ook terzijde. De door de verdediging bij pleidooi overgelegde artikelen doen naar het oordeel van het hof in het geheel niet af aan de op deze zaak toegespitste deskundigenverklaringen, zoals weergegeven. Het hof gaat daaraan voorbij.

Gelet op de bevindingen van de deskundigen is het hof van oordeel dat het aangetroffen letsel is veroorzaakt door samendrukkend geweld op de hals, oftewel: door wurgen.

Het hof komt dan ook tot de conclusie dat het slachtoffer is gewurgd. Aangezien niet is gebleken dat iemand anders dan de verdachte betrokken is geweest bij de dood van het slachtoffer, concludeert het hof dat de verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gewurgd.

Ten overvloede overweegt het hof nog dat het gegeven dat de gehoorde deskundigen bepaalde scenario’s niet definitief hebben kunnen uitsluiten, niet betekent dat daarom niet kan worden vastgesteld dat het slachtoffer is gewurgd. Het is aan het hof om op basis van het onderzoek ter terechtzitting – waarvan de deskundigenverklaringen deel uitmaken – dergelijke conclusies te trekken.

4. Opzet

Het hof acht bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft gewurgd, als gevolg waarvan hij is overleden. Uit dat enkele feit kan nog niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte ook opzet had op de dood van het slachtoffer. Verwurging is weliswaar geschikt om dodelijk letsel te veroorzaken, maar dat de verdachte het slachtoffer met dat doel heeft gewurgd, kan op basis van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet worden vastgesteld. Om die vaststelling te doen is meer informatie nodig over de precieze toedracht, zoals de duur en de kracht waarmee is gewurgd.

Het voorgaande laat echter onverlet dat sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet op de dood.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van het slachtoffer – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Zoals gezegd is komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer heeft gewurgd. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans op dodelijk letsel bij wurging aanmerkelijk is, omdat de luchtpijp en/of de halsslagaders worden dichtgeknepen, waardoor het slachtoffer kan sterven aan de gevolgen van zuurstofgebrek. Dit moet ook de verdachte hebben geweten. Desalniettemin heeft hij het slachtoffer gewurgd.

Het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedraging – minst genomen - willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Het tenlastegelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 13 maart 2018 te Rijswijk, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] te wurgen, althans de keel van die [slachtoffer] (met een voorwerp) dicht te knijpen en/of dicht te houden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen opgenomen in de voetnoten onder de bewijsoverwegingen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Voor zover geschriften zijn gebruikt, zijn deze slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen, die op hetzelfde feit betrekking hebben.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep (subsidiair) aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is geweest van putatief noodweer.

Het hof overweegt het volgende.

Op basis van het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Feiten en omstandigheden, waaruit kan worden geconcludeerd dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat dit wel het geval was zijn evenmin gebleken. Nu deze stelling verder ook niet is onderbouwd, betekent dit dat het beroep op putatief noodweer faalt.

Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van zijn ex-schoonvader door het slachtoffer te wurgen. De verdachte heeft aan het slachtoffer het kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Daarnaast is aan de nabestaanden een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan, hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep tot uiting is gebracht in de door de vrouw en de dochter van het slachtoffer afgelegde slachtofferverklaringen. Ook in de kring van overige familie en vrienden laat de dood van het slachtoffer vanzelfsprekend een grote leegte achter. Daarnaast brengen feiten als het onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

2 augustus 2021.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het Pro Justitia-rapport d.d. 14 december 2018.

Het hof is - alles afwegende en ondanks het verzoek van de raadsman om een lagere straf op te leggen - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding van [nabestaande 1]

In het onderhavige strafproces heeft [nabestaande 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een totaalbedrag van € 191.881,04.

In hoger beroep is deze vordering aanvankelijk verlaagd naar een totaalbedrag van € 60.828,28, bestaande uit kosten lijkbezorging (€ 17.430,03), derving levensonderhoud (€ 1.005,- + € 42.000,-) en notariskosten (€ 393,25). Ter zitting in hoger beroep is de post derving levensonderhoud verder verlaagd naar een bedrag van € 1.005,- + € 35.100,-. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 43.828,28, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Kosten van lijkbezorging

De kosten van lijkbezorging komen op grond van artikel 6:108 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor vergoeding in aanmerking. Het moet daarbij gaan om in redelijkheid gemaakte kosten gelet op de omstandigheden waarin de overledene leefde. De volgende kosten komen het hof redelijk voor en zijn voldoende onderbouwd.

Uitvaartverzorging € 9.095,92

Graf € 2.656,25

Bloemen € 165,-

Grafsteen € 4.457,68

Fotolijstje € 5,50

Reiskosten € 14,72

Condoleance avond ([naam café]) € 640,-

Condoleance avond ([naam winkel]) € 19,96

Het gedeelte van de vordering dat ziet op het eten voor 30 personen (condoleanceavond) is niet onderbouwd. Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor dit gedeelte van de gevorderde kosten niet-ontvankelijk is. Deze vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Derving levensonderhoud

De kosten van € 1.005,- voor de sluiting van het café voor de duur van twee weken kan naar het oordeel van het hof worden toegewezen.

Met betrekking tot de materiële schadepost die ziet op de personeelskosten van € 35.100,-, geldt dat deze post wordt betwist. Dit deel van de vordering is thans onvoldoende onderbouwd. Het bieden van een extra gelegenheid aan de benadeelde partij om deze onderbouwing te geven, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de gestelde schade. Dit deel van de vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op deze beslissing wordt het door de raadsman gedane verzoek tot het benoemen van een deskundige/accountant afgewezen.

Notariskosten

De gevorderde notariskosten komen gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:829) niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten strekken ter afwikkeling van de nalatenschap en zijn geen kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108 BW die in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene.

Conclusie

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aldus aangetoond dat tot een bedrag van € 18.060,03 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Aangezien de wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment waarop de schade in de loop der tijd is ingetreden kan deze niet ineens per overlijdensdatum 13 maart 2018 worden toegewezen over de hierboven vermelde bedragen. Het hof zal om pragmatische redenen als ingangsdatum de datum van het indienen van de vordering aanhouden, te weten 3 januari 2019.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag van € 18.060,03 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[nabestaande 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 18.060,03 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [nabestaande 1].

Vordering tot schadevergoeding van [nabestaande 2]

In het onderhavige strafproces heeft [nabestaande 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een totaalbedrag van € 22.237,16, bestaande uit € 12.237,16 materiële schade (kosten lijkbezorging € 250,- en derving levensonderhoud € 11.987,16) en € 10.000,- immateriële schade (shockschade). Tevens is de wettelijke rente gevorderd.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.250,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Kosten lijkbezorging

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 250,- materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Derving levensonderhoud

De door de benadeelde partij gevorderde kosten voor derving levensonderhoud hebben betrekking op de bijdrage die de verdachte zou leveren aan de kosten voor de opvoeding van hun gezamenlijke dochter. Het hof is van oordeel dat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan van het tenlastegelegde.

Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de gestelde schade. Dit deel van de vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Shockschade

De advocaat van de benadeelde partij, mr. Hamers, heeft in de toelichting op de vordering gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven - bij de benadeelde partij het tenlastegelegde een shock heeft veroorzaakt als gevolg waarvan geestelijk letsel is ontstaan.

De benadeelde partij heeft haar vader in het rouwcentrum gezien. Zij heeft vele verwondingen gezien, namelijk bij zijn voorhoofd, achterhoofd, borst, mond en zij. De benadeelde partij is hiervoor in behandeling bij een psycholoog en er is bij haar een stoornis vastgesteld, zo volgt uit de toelichting van mr. Hamers.

De vraag die het hof moet beantwoorden is of is voldaan aan de in het recht en de jurisprudentie gestelde eisen om voor vergoeding van shockschade in aanmerking te komen.

Het hof stelt daarbij het volgende voorop. De civiele kamer van de Hoge Raad heeft bij arrest van

9 oktober 2009 (het zogeheten Vilt-arrest, ECLI:NL:HR:BI8583 (aansluitend op eerdere rechtspraak, vgl. HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, het zogeheten Taxibus-arrest), het volgende overwogen:

Artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een beperkt aantal gerechtigden bij overlijden van een naaste of dierbare – ongeacht of degene die jegens de overledene aansprakelijk is voor de gebeurtenis die tot diens dood heeft geleid zich tevens onrechtmatig heeft gedragen jegens deze gerechtigden en ongeacht of die persoon tegenover de overledene een opzetdelict heeft begaan – slechts aanspraak op de in art. 6:108 BW genoemde vermogensschade; het stelsel van de wet staat aan toekenning van een vergoeding voor ook andere materiële en immateriële schade in de weg. Dit is slechts anders indien de dader het oogmerk had aan een derde immateriële schade toe te brengen als bedoeld in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, BW of als die derde in zijn persoon is aangetast in de zin van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW. Ook degene die opzettelijk een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, met de dood of ernstige verwonding van een (of meer) ander(en) tot gevolg, handelt niet alleen onrechtmatig jegens degene(n) die daardoor is (zijn) gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of gewond. Dit geestelijk letsel dient, om uit hoofde van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking te kunnen komen, in rechte te kunnen worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Met art. 6:106 BW is beoogd vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte mate mogelijk te maken, in verband waarmee voor vergoeding van shockschade alleen onder strikte voorwaarden plaats is. Hiermee strookt niet het vereiste van waarneming van het ongeval of directe confrontatie met zijn ernstige gevolgen vanwege de aard of ernst van de normschending, zoals vanwege het opzettelijk begaan daarvan, terzijde te stellen of af te zwakken.

Voor een zeer beperkte kring van personen bestaat aldus onder zeer bijzondere omstandigheden de mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergoeding van geleden immateriële shockschade. De grondslag daarvoor is gelegen in artikel 6:106, eerste lid sub b, BW dat ziet op “aantasting in de persoon”.

Bij de toepassing van voormelde bepaling van het Burgerlijk Wetboek – ook in zaken als de onderhavige, waarbij het slachtoffer door een geweldsmisdrijf om het leven is gekomen – heeft de Hoge Raad steeds vastgehouden aan een zeer strikte uitleg van de geldende criteria.

Die criteria komen er in een zaak als deze op neer dat bij de benadeelde partij door de hevige emotionele schok door waarneming van de doodslag op het slachtoffer of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen hiervan, geestelijk letsel is ontstaan. Bij die waarneming/confrontatie gaat het blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad om de (onverhoedse) waarneming van het misdrijf zelf en/of de waarneming van het lichaam en de verwondingen van het slachtoffer meteen na het misdrijf (het confrontatievereiste). Bij het geestelijk letsel moet in het algemeen sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

In deze zaak is de benadeelde partij geen getuige geweest van het misdrijf zelf. Wel heeft zij haar vader na zijn dood in het rouwcentrum gezien, waar zij verwondingen heeft gezien aan zijn lichaam. Het slachtoffer in deze zaak is overleden door verwurging. Na zijn dood is op zijn lichaam sectie verricht. Het is algemeen bekend dat bij een sectie het lichaam op verschillende plaatsen moet worden opengemaakt, om het te onderzoeken. Het hof acht het dan ook zeer wel mogelijk dat de verwondingen die de benadeelde partij bij haar vader heeft gezien niet de verwondingen waren die door de doodslag zijn ontstaan, maar overblijfselen van de op zijn lichaam verrichte sectie. Dit zou betekenen dat de gestelde shock niet zozeer direct is te wijten aan het handelen van de verdachte.

Gelet op het voorgaande levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof overweegt tot slot met betrekking tot de geleden immateriële schade dat zonder meer wordt aangenomen dat de nabestaanden door de gewelddadige dood van hun dierbare diep getroffen zijn, dat zij nog dagelijks de (ernstige) psychische gevolgen daarvan ondervinden en die nog tot in lengte van jaren zullen ondervinden. Dit gegeven laat echter onverlet dat het hof gebonden is aan de strikte criteria die aan het toewijzen van immateriële schade op basis van shockschade worden gesteld.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[nabestaande 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [nabestaande 2].

Vordering tot schadevergoeding van [nabestaande 3]

In het onderhavige strafproces heeft [nabestaande 3] zich, vertegenwoordigd door [nabestaande 2] als wettelijk vertegenwoordiger, als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.399,12. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Net als bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] hebben de gevorderde kosten voor derving levensonderhoud betrekking op de bijdrage die de verdachte zou leveren aan de kosten voor de opvoeding van de benadeelde partij. Het hof is van oordeel dat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan van het tenlastegelegde.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade.

Deze kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen de vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande 1] ter zake van het tot het bedrag van € 18.060,03 (achttienduizend zestig euro en drie cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande 1], ter zake van het een bedrag te betalen van € 18.060,03 (achttienduizend zestig euro en drie eurocent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 januari 2019.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande 2] ter zake van het tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande 2], ter zake van het een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 maart 2018.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande 3]

Verklaart de benadeelde partij [nabestaande 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. C.H.M. Royakkers,

mr. R.F. de Knoop en mr. E.J. van As, in bijzijn van de griffier mr. S. Johannes.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 september 2021.

1 Wanneer Hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met nummer PL1500-2018066660 (onderzoek NIJL), van de politie eenheid Den Haag, bestaande uit een zaaksdossier (blz. 2 t/m 300) en een forensisch dossier (blz. 1 t/m 327) en een ongenummerd proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2018, zaaksdossier blz. 37-38, proces-verbaal bevindingen Call Log telefoon SO met bijlage Call Logs, zaaksdossier, blz 149-153.

3 Proces-verbaal aanhouding d.d. 14 maart 2018, zaaksdossier blz. 21-23.

4 Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut: Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood d.d. 14 augustus 2018, opgemaakt en ondertekend door dr. [deskundige 1], arts/patholoog, blz. 4.

5 Ibid, blz. 5.

6 Ibid, blz. 4.

7 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 19 november 2019, blz. 10

8 Hierbij overweegt het hof dat het deze term, anders dan de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesteld, niet begrijpt als ‘aanzienlijk’, omdat het hier niet gaat om de betekenis van het Nederlandse woord significant, maar om een door dr.[deskundige 3] gebruikte term die volgens hem als juridisch begrip in common law wordt gebruikt en waar hij een nadere uitleg aan heeft gegeven.

9 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 19 november 2019, blz 10.

10 Ibid, blz. 7.

11 Ibid, blz. 8.

12 Ibid, blz. 8.

13 Ibid, blz. 8-9

14 Ibid, blz. 9.

15 Ibid, blz. 6.

16 Ibid, blz. 17.

17 Ibid.

18 Ibid, blz. 18.

19 Ibid, blz. 4, 5 en 15.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 maart 2021, zaaksdossier blz. 104 e.v.

21 Proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg van 10 januari 2019, blz. 8.

22 Ibid, blz. 8 en 22.

23 Ibid, blz. 9-11.

24 Ibid, blz. 22.

25 Ibid, blz. 11 en 22.

26 Ibid, blz. 10.

27 Ibid, blz. 3-4.

28 Ibid, blz. 3-4

29 Ibid, blz. 22

30 Ibiz, blz. 5