Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1602

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
200.294.162/01 en 200.294.790/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2021:2698, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hof verkort de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing ondanks het door de gecertificeerde instelling reeds genomen perspectiefbesluit. Gezien de positieve ontwikkelingen die de moeder inmiddels heeft doorgemaakt en het feit dat het goed gaat met de minderjarige en ook de contacten tussen de minderjarige en de moeder goed lopen is het hof van oordeel dat de contacten dienen te worden geïntensiveerd en (weer) moet worden toegewerkt naar thuisplaatsing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 265b
Burgerlijk Wetboek Boek 1 265c
Burgerlijk Wetboek Boek 1 265j
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.294.162/01 en 200.294.790/01

rekestnummer rechtbank : JE RK 20-3082

zaaknummer rechtbank : C/09/605223

beschikking van de meervoudige kamer van 25 augustus 2021

in de zaak met zaaknummer 200.294.162/01:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. T.S.S. Overes te Almere,

tegen

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. N. van Amsterdam te Leiden,

- [belanghebbende 2] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder, en

- [belanghebbende 3] ,

hierna te noemen: de pleegvader,

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming regio Haaglanden,

locatie: Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

in de zaak met zaaknummer 200.294.790/01:

[belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. N. van Amsterdam te Leiden,

tegen

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. T.S.S. Overes te Almere,

- [belanghebbende 2] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder, en

- [belanghebbende 3] ,

hierna te noemen: de pleegvader,

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming regio Haaglanden,

locatie: Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

In beide zaken

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag, mondeling uitgesproken op 24 februari 2021 en schriftelijk vastgesteld op 10 maart 2021 onder voormeld zaaknummer, hierna ook de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.294.162/01:

2.1

De vader is op 3 mei 2021 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De gecertificeerde instelling heeft op 15 juli 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3

Van de zijde van de raad is op 22 juli 2021 per e-mail een brief ingekomen waarin wordt medegedeeld dat de raad niet ter zitting aanwezig zal zijn.

2.4

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

- een e-mailbericht van de zijde van de vader van 28 juli 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

In de zaak met zaaknummer 200.294.790/01:

2.5

De moeder is op 21 mei 2021 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.6

De gecertificeerde instelling heeft op 15 juli 2021 een verweerschrift ingediend.

2.7

Van de zijde van de raad is op 22 juli 2021 per e-mail een brief ingekomen waarin wordt medegedeeld dat de raad niet ter zitting aanwezig zal zijn.

In beide zaken

2.8

De mondelinge behandeling in beide zaken heeft op 29 juli 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door mr. Overes;

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Amsterdam;

- de gecertificeerde instelling vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

De pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

In beide zaken

3.1

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Uit de (inmiddels verbroken) affectieve relatie van de moeder en de vader is uit de moeder geboren:

[naam minderjarige] , op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: de minderjarige.

3.3

De vader en moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige. De vader heeft de minderjarige erkend.

3.4

De minderjarige staat sinds de beschikking van 1 maart 2019 onder toezicht van de gecertificeerde instelling. Zij is sinds 10 mei 2019 uit huis geplaatst in een (crisis)pleeggezin en woont nu in een perspectief biedend pleeggezin.

4 De omvang van het geschil

In beide zaken

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 1 maart 2021 tot 1 maart 2022 met behoud van de gecertificeerde instelling als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Ook is de aan de gecertificeerde instelling verleende machtiging verlengd om de minderjarige met ingang van 1 maart 2021 tot 1 maart 2022 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

4.2

De vader is het niet eens met deze beslissing en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing betreft, en te bepalen dat de uithuisplaatsing van de minderjarige met onmiddellijke ingang wordt beëindigd.

4.3

De moeder is het niet eens met de beslissing en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing betreft en te bepalen dat de uithuisplaatsing van de minderjarige met onmiddellijke ingang wordt beëindigd.

Subsidiair verzoekt de moeder om te bepalen dat de uithuisplaatsing van de minderjarige voor een zo kort mogelijke duur zal zijn.

4.4

De gecertificeerde instelling verzoekt het hof zowel de vader als de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep, dan wel hun beroepen af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

In beide zaken

Standpunten

5.1

De vader voert (in het beroepschrift, zoals aangevuld) ter zitting, - samengevat - primair aan dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige niet aanwezig zijn. Volgens de vader is er veel naar een korte periode in het verleden gekeken en onvoldoende naar de stappen die na de uithuisplaatsing zijn ondernomen. De vader kan zich ook niet vinden in de overweging dat het perspectief bij de pleegouders ligt. De vader stelt dat hij en de moeder beter communiceren sinds het verbreken van hun relatie, en dat de moeder aan alle hulp van de gecertificeerde instelling meewerkt en zelf therapie volgt. Ook bestaat er volgens de vader geen acuut gevaar voor de gezondheid van de minderjarige. Daarnaast zou de ondertoezichtstelling voldoende waarborgen moet bieden. De minderjarige kan bij de moeder wonen, zij heeft een stabiele relatie, een eigen woning en de zorg voor haar andere kinderen, die ook niet uit huis zijn geplaatst, aldus de vader. De vader begrijpt niet dat bovengemiddelde opvoedvaardigheden nodig zijn voor de minderjarige nu zij zich goed ontwikkelt en beide ouders een groot netwerk aan hulpverlening hebben. Het feit dat het nu goed gaat met de minderjarige is geen reden om haar niet terug te plaatsen. Subsidiair voert de vader aan dat hij zelf voor de minderjarige kan zorgen.

Meer subsidiair stelt de vader dat de machtiging dient te worden bekort gezien de jonge leeftijd van de minderjarige en de onthechting die plaatsvindt zodat het perspectiefonderzoek van de vader kan worden afgerond.

5.2

Volgens de moeder heeft de kinderrechter ten onrechte de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd. De minderjarige kan bij de moeder worden geplaatst. De moeder geeft toe dat zij de minderjarige in 2019 niet de veilige en stabiele opvoedomgeving heeft kunnen bieden die zij nodig had, maar na de uithuisplaatsing heeft zij de juiste stappen gezet, is de samenwerking met de gecertificeerde instelling aangegaan en heeft zij aan alle voorwaarden voldaan. De ondertoezichtstelling zal voldoende waarborgen bieden ten aanzien van de ontwikkeling en veiligheid van de minderjarige als zij bij de moeder woont, aldus de moeder. De kinderrechter motiveert niet waaruit de kwetsbare ontwikkeling van de minderjarige blijkt terwijl de raad in het toetsingsbesluit aangeeft geen zorgen te hebben over de ontwikkeling van de minderjarige, evenals over de hechting. Verder acht de moeder onvoldoende door de kinderrechter gemotiveerd dat een wisseling van de minderjarige van verblijfplaats niet in haar belang zou zijn. Volgens de moeder is het in het belang van de minderjarige dat zij opgroeit bij de moeder en een band kan opbouwen met de andere kinderen van de moeder.

De moeder betoogt verder dat de machtiging ten onrechte is verlengd voor een jaar. Hoe langer de uithuisplaatsing duurt hoe kleiner de kans dat de minderjarige terug bij de moeder komt.

5.3

De gecertificeerde instelling voert het volgende aan. Gedegen onderzoek heeft plaatsgevonden door de raad, de gecertificeerde instelling en Horizon pleegzorg, waarbij de ouders kansen zijn aangeboden om te laten zien dat zij over toereikende opvoedvaardigheden beschikken of die kunnen aanleren. De ouders zijn hierin niet geslaagd. Volgens de gecertificeerde instelling is voldoende onderzocht en onderbouwd dat het perspectief van de minderjarige niet bij de ouders ligt. Geconstateerd is dat de vader niet over de bovengemiddelde opvoedvaardigheden lijkt te beschikken. De afgelopen jaren is gebleken dat de moeder niet in staat is om binnen de aanvaardbare termijn van zes maanden de zorg voor de minderjarige zelf te kunnen dragen. Verder heeft de gecertificeerde instelling weinig tot geen contact gehad met de moeder het afgelopen jaar. Daardoor is de gecertificeerde instelling niet op de hoogte van de thuissituatie bij de moeder en of de moeder therapieën volgt of andere begeleiding ontvangt. De moeder communiceert alleen nog via e-mail met de gecertificeerde instelling hetgeen de samenwerkingsrelatie bemoeilijkt. De gecertificeerde instelling betoogt ook dat de hechtingsontwikkeling van de minderjarige erg kwetsbaar is. Het is in haar belang dat zij opgroeit in een stabiele, veilige en voorspelbare plek bij de pleegouders die sensitief en responsief op haar reageren. De minderjarige is gehecht aan de pleegouders en deze hechting dient te worden verstevigd.

Overwegingen hof

5.4

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen. Ingevolge artikel 1: 265j derde lid BW gaat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, indien een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, vergezeld van een advies van de raad voor de kinderbescherming met betrekking tot de verlenging van die ondertoezichtstelling. Het hof stelt vast dat de raad op 8 februari 2021 een advies heeft opgesteld.

5.5

Naar het oordeel van het hof heeft de kinderrechter op goede gronden (de ondertoezichtstelling en) de uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd. Het hof neemt deze gronden, na eigen afweging, over en maakt ze tot de zijne. Echter, het hof ziet inmiddels aanleiding om de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te verkorten. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

5.6

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder sinds de uithuisplaatsing van de minderjarige hard aan zichzelf heeft gewerkt. Zij heeft inmiddels een goede verhouding met de vader, een stabiele relatie met haar nieuwe partner, een eigen woning en de zorg voor haar twee andere kinderen van anderhalf (dochter) en zes maanden oud (zoon) die zij met haar nieuwe partner heeft. Na de geboorte van voornoemde dochter is in het drangkader zes maanden meegekeken in het gezin van de moeder en heeft een onderzoek plaatsgevonden of een ondertoezichtstelling nodig was, hetgeen niet het geval was. De moeder heeft hulp gekregen van het sociaal wijkteam en heeft Stevig Ouderschap gevolgd via het consultatiebureau. Tijdens de zwangerschap van de zoon van de moeder en na zijn geboorte is geen extra toezicht of hulp nodig gebleken en een aangevraagd vto is niet doorgezet.

De moeder gaat nu zelf nog naar een psycholoog en tweemaal per maand komt een sociaal werker op bezoek bij de moeder.

5.7

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat de gecertificeerde instelling van mening is dat het perspectief van de minderjarige bij de pleegouders ligt en dat derhalve niet meer toegewerkt wordt naar thuisplaatsing van de minderjarige bij een van de ouders. Los van de vraag of de huidige wet- en regelgeving voorziet in een adequate rechtspositieregeling voor de betrokkenen bij een zogenaamd perspectiefbesluit, is het hof van oordeel dat het geen recht doet aan de positie van de ouders en niet wenselijk is dat de rechter die langere tijd na het nemen van perspectiefbesluit het verzoek tot gezagsbeëindiging dient te beoordelen, door het enkele verloop van de tijd waarin niet meer wordt toegewerkt naar thuisplaatsing voor een voldongen feit wordt geplaatst. Hoewel in dit geval een onderzoek door de raad naar een gezagsbeëindigende maatregel reeds geruime tijd geleden is aangevraagd door de gecertificeerde instelling, heeft de raad volgens de vader en de moeder hen meegedeeld dat dit onderzoek pas over vier tot zes maanden van start zal gaan.

Naar het oordeel van het hof heeft de gecertificeerde instelling bij de beslissing over het perspectief van de minderjarige niet, althans op dit moment onvoldoende, rekening gehouden met alle beschikbare informatie in dit dossier. Dit betreft met name de hiervoor genoemde in positieve zin gewijzigde omstandigheden van de moeder en haar, inmiddels gebleken, capaciteiten om zelf zorg te dragen voor de verzorging en opvoeding van de kinderen die zij heeft met haar nieuwe partner. Daarnaast lijkt de samenwerking tussen de ouders verbeterd en doen de ouders het goed bij de bezoeken die wekelijks gedurende twee en een half uur plaatsvinden. [de minderjarige] reageert daar goed op en ook verder zijn er op dit moment geen zorgen over haar ontwikkeling. Gelet hierop, en op het doel van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, zijnde toewerken naar terugplaatsing van een kind bij de ouders, ligt het naar het oordeel van het hof in de rede dat de gecertificeerde instelling juist de komende tijd gebruikt om de contacten tussen de moeder, de vader en de minderjarige te intensiveren en, zo mogelijk, toe te werken naar thuisplaatsing bij de moeder. Het hof is van oordeel dat de periode vanaf heden tot aan het eind van dit kalenderjaar daartoe voldoende zou moeten zijn. Tevens kunnen dan de ontwikkelingen van de komende periode meegenomen worden bij de tegen die tijd te verwachten aanvang van het onderzoek door de raad.

5.8

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen voor zover deze de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing betreft en in zoverre opnieuw beschikken in die zin dat de uithuisplaatsing van de minderjarige zal worden verlengd tot 31 december 2021.

6 De beslissing

In de zaken met zaaknummers 200.294.162/01 en 200.294.790/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 februari 2021, schriftelijk vastgesteld op 10 maart 2021, voor zover deze ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing over de periode tot 31 december 2021;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 februari 2021, schriftelijk vastgesteld op 10 maart 2021,voor zover deze ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing over de periode vanaf 31 december 2021 en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend verzoek van de gecertificeerde instelling tot het verlengen van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode vanaf 31 december 2021 alsnog af;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Zonneveld, mr. A.A.F. Donders en M.Th. Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door de griffier, en is op 25 augustus 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.