Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1597

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
10-09-2021
Zaaknummer
200.283.395/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:3430, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschade hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Discussie over verlenen van medische machtiging door patiënt. Geen zaak ten principale ingesteld en discussie m.b.t. deelbeschikking betreft niet de materiële rechtsverhouding tussen partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0717
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.283.395/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/587469 HA RK 19-1473

arrest van 31 augustus 2021

inzake

Stichting Albert Schweitzer Ziekenhuis,

gevestigd te Dordrecht,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: het Ziekenhuis,

advocaat: mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. T.K.A.B. Eskes te Dordrecht.

Het geding

Bij exploot van 4 september 2020 is het Ziekenhuis in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht (hierna: de rechtbank) tussen partijen gewezen beschikking van 10 april 2020 (hierna: de bestreden beschikking). Bij memorie van grieven, met producties, heeft het Ziekenhuis vier grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord, met één productie, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Vervolgens heeft het Ziekenhuis een mondelinge behandeling gevraagd en de stukken overgelegd. Partijen hebben op 13 juli 2021 de zaak doen bepleiten door hun advocaten, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ten slotte is arrest bepaald.

De beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

De feiten

1. Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende:

1.1

[geïntimeerde] heeft op 20 april 2018 in het Ziekenhuis een kijkoperatie ondergaan die is uitgevoerd door dr. [arts] .

1.2

[geïntimeerde] heeft het Ziekenhuis per brief van 17 december 2018 aansprakelijk gesteld wegens verwijtbaar medisch operatief handelen.

1.3

Het Ziekenhuis heeft per brief van 17 december 2018 aan de advocaat van [geïntimeerde] de ontvangst van de aansprakelijkstelling bevestigd. Daarbij is tevens verzocht de bij de brief gevoegde medische machtiging door [geïntimeerde] in te laten vullen en te laten ondertekenen om de medisch directeur en het medisch en paramedisch personeel van het Ziekenhuis te machtigen de bij hen berustende medische en paramedische gegevens met betrekking tot de aansprakelijkstelling over te leggen aan de medisch adviseur van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van het Ziekenhuis (hierna: MediRisk), en ter zake inlichtingen te verstrekken aan de medisch adviseur van MediRisk. Door ondertekening van de machtiging stemt [geïntimeerde] tevens ermee in dat de medisch adviseur aan de betrokken medewerkers, adviseurs, schaderegelaars en arbeidsdeskundigen die ten behoeve van MediRisk werkzaam zijn, de medische gegevens verstrekt die voor behandeling van de schadekwestie van belang kunnen zijn.

1.4

De advocaat van [geïntimeerde] heeft bij brief van 18 oktober 2019 de aan het Ziekenhuis gemaakte verwijten gespecifieerd en de medische stukken van het Ziekenhuis gedateerd 19 februari 2019 en de medische stukken van de huisarts van [geïntimeerde] gedateerd 13 mei 2019 aan MediRisk toegestuurd, met daarbij de volgende vermelding:

(…) cliënte [geeft] hierbij alleen toestemming om de medische informatie ter beschikking te stellen aan uw medisch adviseur en aan niemand anders.

Indien u de medische informatie wilt laten verwerken door andere personen (schaderegelaars en/of andersoortige artsen/experts), dan verneem ik dat graag als eerste en enige, zodat cliënte al dan niet haar toestemming daarvoor kan geven.”

Het geschil

2.1

Het Ziekenhuis heeft in eerste aanleg bij wijze van deelgeschil verzocht te bepalen, kort gezegd, primair, dat het haar vrijstaat om zonder medische machtiging van [geïntimeerde] de voor beoordeling van haar aansprakelijkstelling benodigde medische gegevens aan MediRisk te verstrekken en, subsidiair, dat [geïntimeerde] er geen gerechtvaardigd belang bij heeft het Ziekenhuis niet toe te staan de voor beoordeling van de aansprakelijkstelling benodigde informatie aan MediRisk te verstrekken en dat van [geïntimeerde] mag worden verwacht dat zij een medische machtiging ondertekent.

2.2

[geïntimeerde] heeft bij wijze van tegenverzoek onder meer verzocht te bepalen dat het Ziekenhuis dan wel MediRisk de zaak (zonder getekende machtiging) in behandeling dient te nemen en een oordeel dient te geven over de door [geïntimeerde] geuite verwijten.

2.3

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder andere de verzoeken van het Ziekenhuis afgewezen, bepaald dat het Ziekenhuis de zaak (zonder getekende machtiging) in behandeling dient te nemen en dat zij zoveel als mogelijk een standpunt inneemt over de door [geïntimeerde] geuite verwijten, en de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv aan de zijde van [geïntimeerde] begroot.

2.4

In hoger beroep vordert het Ziekenhuis, zakelijk weergegeven, vernietiging van de bestreden beschikking en verklaring voor recht, primair, dat het het Ziekenhuis is toegestaan zonder medische machtiging van [geïntimeerde] aan de hand van de relevante medische

gegevens voor beoordeling van de aansprakelijkstelling in samenspraak met uitsluitend de zaaksbehandelaar bij MediRisk (mr. […] en diens medisch adviseur tot een medisch juridische beoordeling van de aansprakelijkstelling te komen en, subsidiair, (a) dat het Ziekenhuis niet is gehouden een standpunt in te nemen over de aansprakelijkheid zolang [geïntimeerde] geen medische machtiging aan het Ziekenhuis heeft verstrekt waarin zij gemachtigd wordt om aan de hand van de relevante medische gegevens voor beoordeling van de aansprakelijkstelling in samenspraak met uitsluitend de zaaksbehandelaar

bij MediRisk (mr. […] en diens medisch adviseur tot een medisch juridische beoordeling van de aansprakelijkstelling te komen; (b) dat de medische gegevens die [geïntimeerde] bij het Ziekenhuis heeft opgevraagd en vervolgens aan de zaaksbehandelaar bij MediRisk (mr. […] heeft toegezonden ter onderbouwing van haar aansprakelijkstelling door het Ziekenhuis met de zaaksbehandelaar bij MediRisk (mr. […] en diens medisch adviseur mogen worden uitgewisseld en besproken teneinde tot een medisch juridische beoordeling van de aansprakelijkstelling te komen; (c) dat het het Ziekenhuis is toegestaan ter beoordeling en afwikkeling van de aansprakelijkstelling de relevante medische gegevens aan de zaaksbehandelaar bij MediRisk (mr. […] en diens medisch adviseur te verstrekken met het verzoek de aansprakelijkstelling namens hen medisch juridisch te beoordelen en af te wikkelen.

2.5

[geïntimeerde] verzoekt, samengevat, afwijzing van de vorderingen van het Ziekenhuis, bekrachtiging van de bestreden beschikking en bepaling dat het Ziekenhuis binnen drie maanden vanaf de dag van de uitspraak schriftelijk reageert op de door [geïntimeerde] geuite verwijten, op straffe van een dwangsom en veroordeling van het Ziekenhuis in de proceskosten van deze procedure (binnen veertien dagen na de uitspraak over te maken op het bankrekeningnummer van het kantoor van mr. Eskes).

De ontvankelijkheid van het principaal hoger beroep

3.1

Het hof moet de ontvankelijkheid van het hoger beroep ambtshalve beoordelen. Bij die beoordeling staat het volgende voorop.

3.1.1

Het exploot van 4 september 2020 is gericht tegen een beschikking gegeven in een deelgeschilprocedure betreffende letsel- en overlijdensschade op de voet van artikel 1019w e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

3.1.2

Artikel 1019bb Rv bepaalt dat tegen een dergelijke beschikking geen voorziening openstaat, onverminderd artikel 1019cc lid 3 Rv. Ingevolge artikel 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv, kan van de beschikking tussentijds hoger beroep worden ingesteld in de procedure ten principale, mits de rechter in eerste aanleg de mogelijkheid daartoe heeft geopend en voor zover zij beslissingen bevat als bepaald in artikel 1019cc lid 1 Rv. Artikel 1019cc lid 1 Rv bepaalt dat, voor zover in de beschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding, de rechter daaraan in de procedure ten principale op dezelfde wijze is gebonden als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in die procedure.

3.1.3

Het Ziekenhuis heeft bij exploot van 9 juli 2020 een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen [geïntimeerde] . In deze procedure heeft het Ziekenhuis zich evenals in de deelgeschilprocedure erop beroepen dat zij gerechtigd is om bij de beoordeling van de aansprakelijkstelling de medische gegevens van [geïntimeerde] te delen met MediRisk zonder dat daarvoor afgifte van een medische machtiging is vereist en dat [geïntimeerde] er geen gerechtvaardigd belang bij heeft afgifte van een dergelijke machtiging te weigeren. Het Ziekenhuis vordert een verklaring voor recht die identiek is aan de gevorderde verklaring voor recht in het onderhavige hoger beroep, aangevuld met een vordering over de proceskosten. De zaak is bij de rechtbank Rotterdam geregistreerd onder zaaknummer C/10/600644 / HA ZA 20-691. Bij beslissing van 26 augustus 2020 heeft die rechtbank, op verzoek van het Ziekenhuis, hoger beroep toegestaan van de bestreden beschikking als bedoeld in artikel 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv en de bij haar aanhangige zaak naar de parkeerrol verwezen.

3.2

Tegen deze achtergrond moet voor de ontvankelijkheid worden beoordeeld of het hoger beroep is ingesteld in “de procedure ten principale” en of in de bestreden beschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun “materiële rechtsverhouding”.

Procedure ten principale

3.2.1

Het hof ziet zich bij die beoordeling ten eerste voor de vraag gesteld of de door het Ziekenhuis aanhangig gemaakte bodemprocedure waarin de mogelijkheid voor het instellen van tussentijds hoger beroep is geopend (zie 3.1.3 hiervoor), kwalificeert als een procedure ten principale zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv.

3.2.2

De wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 19, 22) houdt het volgende in over het karakter van de procedure ten principale:

“Artikel 1019bb

In de deelgeschilprocedure staat tegen de beslissing op het verzoek geen voorziening open. (…) Met de verwijzing naar artikel 1019cc wordt gedoeld op de omstandigheid dat de deelgeschilbeschikking in de bodemprocedure een zekere bindende kracht heeft, in verband waarmee tegen de inhoud daarvan in de bodemprocedure in hoger beroep kan worden opgekomen (…)

Artikel 1019cc

(…) Door de mogelijkheid te openen van hoger beroep in de bodemprocedure

tegen de deelgeschilbeschikking, is het voorts mogelijk om dat hoger beroep ook te doen plaatsvinden vóórdat een eindvonnis is gewezen (onderdeel a).”

3.2.3 Uit deze citaten leidt het hof af dat het (openstellen van) tussentijds beroep tegen een deelgeschilbeschikking in het kader van een bodemprocedure moet plaatsvinden.

3.2.4 Over de verdere aard/eigenschappen van de procedure ten principale vindt het hof aanwijzing in de tekst van artikel 1019w lid 1 Rv, waarin de woorden “zaak ten principale” worden gebruikt. Artikel 1019w lid 1 Rv bepaalt dat, indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel, ieder van hen, afzonderlijk of gezamenlijk, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter kan verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de gehele vordering.

3.2.5 Artikel 1019w lid 1 Rv koppelt de zaak ten principale aan de aansprakelijkstelling wegens geleden schade door dood of letsel. Daaruit volgt dat of van bedoelde aansprakelijkheid sprake is, dan wel daarmee samenhangende vragen zoals het causaal verband, de eigen schuld of de gerechtvaardigdheid van voordeelstoerekening of de schadeomvang, onderwerp zal moeten zijn van de zaak ten principale. Dit houdt logischerwijs in dat slechts van een procedure ten principale als bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv kan worden gesproken als in de bodemprocedure vorderingen zijn ingediend betrekking hebbend op in ieder geval één van de hiervoor bedoelde kwesties.

3.2.6 De in het vorige punt gegeven uitleg aan de procedure ten principale vindt bevestiging in r.o. 4.7.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1689, NJ 2018/208, waarin de Hoge Raad in het kader van de vraag of de procedure die op de voet van art. 1019cc lid 3 Rv wordt ingeleid, wordt beheerst door de regels van de dagvaardingsprocedure dan wel de verzoekschriftprocedure overweegt (onderstreping hof):

De aansprakelijkheidszaak die in de artt. 1019w en 1019cc lid 3 Rv is aangeduid als de procedure ten principale, is immers een dagvaardingsprocedure.”.

Materiële rechtsverhouding

3.2.7 Ten tweede is de vraag of de bestreden beschikking, kort gezegd, bindende eindbeslissingen behelst op geschilpunten die de materiële rechtsverhouding tussen partijen betreffen. Daarbij geldt dat een beschikking in een deelgeschilprocedure ook beslissingen over meer procedurele aspecten kan bevatten en dat het onderscheid tussen beslissingen die ingrijpen in de materiële rechtsverhouding van partijen en beslissingen van andere aard niet altijd duidelijk te maken valt (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 20-21 en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943, r.o. 5.4).

3.2.8 Over het onderscheid tussen geschilpunten die de materiële rechtsverhouding tussen partijen betreffen en beslissingen van andere aard is in de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 19-22) onder andere het volgende te vinden:

“Artikel 1019cc

(…) De rechterlijke oordelen waarop hier wordt gedoeld, betreffen de juridische verhouding waarover partijen in onderhandeling zijn en die in het eerste lid worden aangeduid als hun “materiële rechtsverhouding”. Deze rechtsverhouding wordt bepaald door het feit dat de benadeelde de andere partij aansprakelijk houdt voor door hem geleden letsel- of overlijdensschade. (…)

Behalve vaststellingen over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, kan het verzoek ook gericht zijn op het verkrijgen van een rechterlijk oordeel over de wijze waarop partijen zich bij het regelen van de schade dienen te gedragen. Het gaat dan dus niet om vragen van aansprakelijkheid of schadeomvang, maar om aspecten van het schaderegelingsproces. Deze meer “procedurele” aspecten kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de wijze van informatieverstrekking (zoals de vraag of de benadeelde een patiëntenkaart van zijn huisarts moet overleggen), op de medewerking aan verdere medische of arbeidsdeskundige onderzoeken, de formulering van de vraagstelling aan een deskundige, maar ook op de vraag of de aangesproken partij een vergoeding voor bepaalde kosten al dan niet mag uitstellen (de verschuldigdheid als zodanig betreft uiteraard de materiële rechtsverhouding). Ook kan het gaan om beslissingen ter verdere instructie van de onderhandelingen in verband met het deelgeschil. In de meeste gevallen zullen deze beslissingen in de bodemprocedure niet meer aan de orde komen. In de bodemprocedure zal steeds worden geprocedeerd aan de hand van een in de dagvaarding geformuleerde vordering. Deze vordering zal steeds gericht zijn op het verkrijgen van een rechterlijke beslissing over de materiële rechtsverhouding.

(…) Overigens zijn grensgevallen denkbaar tussen materiële en processuele aspecten. Gedacht kan worden aan de vraag welke inspanningen van de benadeelde gevergd mogen worden op het punt van re-integratie in het arbeidsproces. Een oordeel daarover kan van belang zijn voor de materiële rechtsverhouding, in het kader van de vraag naar de toerekenbaarheid van bepaalde schade, die de benadeelde bij meer eigen inspanningen had kunnen vermijden. Maar het oordeel kan ook van belang zijn voor het schaderegelingsproces, als partijen verdeeld zijn over de vraag of verdere bevoorschotting afhankelijk mag worden gesteld van de medewerking van de benadeelde. Zoals hiervoor aangegeven, zal een dergelijke beslissing in de bodemprocedure veelal nog slechts aan de orde komen voor zover zij van belang is voor de materiële rechtsverhouding. (…)

De in artikel 1019cc, eerste lid, bedoelde juridische beslissingen zullen veelal verklaringen voor recht behelzen over juridische deelvragen die beantwoording behoeven alvorens definitief een beslissing kan worden genomen over de hoofdvordering of een deel daarvan. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een beslissing over de rekenmethode ter vaststelling tot welke leeftijd iemand gewerkt zou hebben, aan een beslissing over de causaliteit, aan een beslissing over de rekenrente dan wel over de ingangsdatum daarvan of aan een beslissing over het eigen schuld percentage.(…)

3.2.9

De Hoge Raad heeft in dit verband verduidelijkt dat, voor het geval in een deelgeschilbeschikking kosten zijn begroot op de voet van 1019aa Rv, daartegen slechts op de voet van artikel 1019cc lid 3 Rv in beroep kan worden gekomen indien de aanspraak op die kosten onderwerp vormt van de procedure ten principale (HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1407, NJ 2020/107, r.o. 3.5).

3.3

Met inachtneming van het voorgaande, beoordeelt het hof de ontvankelijkheid als volgt.

3.3.1

Dat de rechtbank tussentijds hoger beroep heeft toegestaan van de bestreden beschikking als bedoeld in artikel 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv maakt nog niet – anders dan [geïntimeerde] in hoger beroep heeft bepleit – dat het hoger beroep ontvankelijk is. Een dergelijk verlof is, gelet op artikel 1019cc lid 3 Rv, niet meer dan één van de voorwaarden om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen een deelgeschilbeschikking.

3.3.2

Het Ziekenhuis vordert in de bodemprocedure (zie 3.1.3 hiervoor) hetzelfde als in hoger beroep. Het Ziekenhuis wenst, kort gezegd, een uitspraak van de bodemrechter dat het haar is toegestaan om MediRisk met kennisname van de medische gegevens van [geïntimeerde] , zo mogelijk zonder dat daarvoor een medische machtiging is afgegeven, de aansprakelijkstelling van [geïntimeerde] te laten beoordelen. Het Ziekenhuis vraagt daarmee in de bodemprocedure geen rechterlijk oordeel over de aansprakelijkheid van het Ziekenhuis voor het operatief handelen op 20 april 2018 of daarmee inhoudelijk samenhangende kwesties. De bodemprocedure is daarmee geen procedure ten principale als bedoeld in artikel 1019cc lid 3 Rv, zodat het tussentijds hoger beroep reeds om die reden niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

3.3.3

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank zich (enkel) gebogen over de vraag in hoeverre het het Ziekenhuis vrij staat om de medische gegevens van [geïntimeerde] te delen met MediRisk zonder dat [geïntimeerde] daarvoor een medische machtiging heeft afgegeven. Daarover heeft de rechtbank, zakelijk weergeven, geoordeeld dat het Ziekenhuis de medische gegevens van [geïntimeerde] niet mag delen met MediRisk en dat het voor een beoordeling van de aansprakelijkstelling ook niet nodig is dat bedoelde medische gegevens met MediRisk worden gedeeld. De rechtbank heeft het Ziekenhuis bevolen om de aansprakelijkstelling van [geïntimeerde] te beoordelen. Gelet op de in 3.2.8 hiervoor opgenomen citaten uit de wetsgeschiedenis is daarmee niet een beslissing gegeven over enig geschilpunt tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding. De beslissing ziet enkel op de vraag hoe partijen zich bij het regelen van de schade jegens elkaar moeten gedragen. De rechtbank heeft zich in de bestreden beschikking niet uitgelaten over kwesties van aansprakelijkheid of schadeomvang. Het hof ziet ook niet in dat de beslissing van de rechtbank de materiële rechtsverhouding van partijen bepaalt of betreft. Of het Ziekenhuis in het kader van de beoordeling van de aansprakelijkstelling de medische gegevens van [geïntimeerde] al of niet mag delen met MediRisk of dat MediRisk de aansprakelijkstelling al of niet kan beoordelen zonder kennisname van die gegevens bepaalt niet of en zo ja in welke mate het Ziekenhuis aansprakelijk is voor het operatief handelen op 20 april 2018 of de schadeomvang. Van een grensgeval als bedoeld in de wetsgeschiedenis en jurisprudentie is dan ook geen sprake, daargelaten nog of dat dan niet aan ontvankelijkheid van het hoger beroep in de weg zou staan. Ook een geval als bedoeld in 3.2.9 doet zich hier niet voor, nu, los van het in 3.3.2 overwogene, in de bodemprocedure de aanspraak op die kosten geen onderwerp vormt. Dit leidt ertoe dat ook om deze reden geen tussentijds hoger beroep openstond in de bodemprocedure.

3.3.4

Het in 3.3.2 en 3.3.3 overwogene brengt, zowel zelfstandig als in samenhang bezien, mee dat op grond van artikel 1019bb Rv geen voorziening open staat tegen de bestreden beschikking.

3.3.5

Nu ook niet is gesteld dat de rechtbank de deelgeschilprocedure ten onrechte heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak essentiële vormen heeft verzuimd, kan ook niet op een dergelijke grond tot het oordeel worden gekomen dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen de bestreden beschikking.

Slotsom en proceskosten

4.1

De slotsom is dat het hoger beroep van het Ziekenhuis niet-ontvankelijk is. Dit geldt ook voor het tegenverzoek van [geïntimeerde] om te bepalen dat het Ziekenhuis binnen een bepaalde termijn en op straffe van een dwangsom schriftelijk reageert op de door [geïntimeerde] geuite verwijten. Dit verzoek, dat voortbouwt op het door de rechtbank in de bestreden beschikking toegewezen (primaire) tegenverzoek van [geïntimeerde] en kwalificeert als incidenteel hoger beroep, heeft een zuiver procedurele strekking; het hoger beroep in deelgeschilzaken heeft daarop geen betrekking (vgl. 3.3.3 hiervoor).

4.2

Het hof zal de proceskosten begroten op de gebruikelijke wijze in hoger beroep (vgl. HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1689, NJ 2018/208). Dit leidt ertoe dat in het principaal hoger beroep het Ziekenhuis wordt veroordeeld in de proceskosten en in het incidenteel hoger beroep [geïntimeerde] . De aanvullende vordering van [geïntimeerde] dat de proceskosten aan het kantoor van mr. Eskes dienen te worden overgemaakt, is niet toewijsbaar.

De beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het Ziekenhuis niet-ontvankelijk in het principaal hoger beroep;

  • -

    verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in het incidenteel hoger beroep;

  • -

    veroordeelt het Ziekenhuis in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 332,- aan verschotten en € 3.342,- aan salaris advocaat (3,0 punten × € 1.114,- (tarief II));

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van het Ziekenhuis tot op heden begroot op € 1.671,-;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, J.W. Frieling en B.R. ter Haar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 augustus 2021 in aanwezigheid van de griffier.