Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1547

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
200.270.938/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:9241, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

risicoaansprakelijkheid gevaarlijke stoffen, oorzaak brand door ontvlammen van benzine(damp) voorshands bewezen, automonteur heeft de benzine in een ter reparatie aangeboden auto onder zich in de zin van artikel 6:175 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/425
JA 2021/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.270.938/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/562801/ HA ZA 18-1118

arrest van 17 augustus 2021

inzake

[appellant], handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven,

tegen

Botelco Trading B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Botelco,

advocaat: mr. P.J.P. van Huizen te Deventer.

Waar deze zaak over gaat

1. [appellant] exploiteert een garagebedrijf. Tijdens de vervanging van een onderdeel van de benzinetank van een auto is brand ontstaan. De brand heeft schade veroorzaakt bij Botelco. De vraag is of [appellant], uit hoofde van risicoaansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen, aansprakelijk is voor de door Botelco geleden schade.

Het geding

2. Bij dagvaarding van 4 december 2019 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 20 november 2019. Bij memorie van grieven heeft [appellant] zes grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Botelco de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Feiten

3.1

De door de rechtbank in het vonnis van 20 november 2019 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.2

Botelco houdt zich bezig met de handel in geluids- en beeldelektronica en huishoudelijke apparaten.

3.3

[appellant] exploiteert onder de naam [handelsnaam] een garagebedrijf.

3.4

Op 16 juni 2018 is brand uitgebroken in het garagebedrijf van [appellant] aan de [adres 1] te Rotterdam. Ten gevolge hiervan is schade ontstaan aan het garagebedrijf en aan het naastgelegen bedrijfspand aan de [adres 2], waar Botelco destijds haar bedrijf uitoefende.

3.5

Bij brief van 14 september 2018 heeft de Politie Eenheid Rotterdam met betrekking tot de brand aan de advocaat van Botelco – voor zover hier van belang – de volgende informatie verstrekt met daarbij een verklaring van [appellant] en de conclusie van de verbalisanten:

Ter plaatse een enorme explosie.

Oorzaak van de brand

Betrof een vulslang van een voertuig die bij het aftappen van brandstof brand heeft gevat. De brand wist zich zeer snel uit te breiden. Bij t.p. gekomen zagen wij rook uit 2 locaties uit het pand komen. Binnen no time was de brand zeer groot en werd grip 2

afgegeven. Het pand en naastgelegen pand konden als geheel verloren worden beschouwd.

(...)

Verklaring eigenaar van het bedrijf [handelsnaam] :

Ik was bezig met een benzine tank achter op de vlotter. De tank was zo vol, dus ik dacht, ik haal de benzine eruit met een speciale booster en een pomp. Het gaat altijd goed en ineens pats boem, ik sta in brand, mijn handen in brand. Ik pakte de brandblusser, maar die raakte op en ik roep de buren “hebben jullie een brandblusser.. brandblusser, willen jullie mij helpen?

(...)

Blijkt geen indicatie voor brandstichting te zijn.

Zaak daarmede na onderzoek afgesloten.”

3.6

Ter zake van de door haar geleden schade heeft Botelco van Interpolis, haar schadeverzekeraar, € 261.250 uitgekeerd gekregen.

3.7.

Bij brief van 10 juli 2018 heeft Botelco [appellant] aansprakelijk gesteld voor de door haar ten gevolge van de brand geleden en nog te lijden schade. In antwoord hierop heeft [appellant] op zijn beurt Botelco verwezen naar zijn aansprakelijkheidsverzekeraar, ook Interpolis.

3.8

Interpolis heeft namens [appellant] zijn aansprakelijkheid afgewezen.

Het verloop van de procedure bij de rechtbank

4.1

Botelco heeft – samengevat – bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat [appellant] jegens Botelco aansprakelijk is voor de door Botelco geleden en nog te lijden schade als gevolg van de brand die is ontstaan bij het garagebedrijf van [appellant], met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.2

Aan zijn vordering heeft Botelco het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] is aansprakelijk voor de door Botelco ten gevolge van de brand geleden schade, die Botelco begroot op € 1.707.956 ter zake van voorraad, inventaris en bedrijfsstagnatie. Primair is [appellant] aansprakelijk op grond van artikel 6:175 BW door het ontbranden van de gevaarlijke stof benzine die hij gebruikte in de uitoefening van zijn bedrijf. Benzine is een gevaarlijke stof met als bijzonder gevaar dat het licht ontvlambaar is. Het bijzonder gevaar heeft zich verwezenlijkt nu door het ontvlammen van de benzine brand is ontstaan. Subsidiair is [appellant] aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW wegens het niet in acht nemen van de vereiste voorzorgsmaatregelen.

4.3

De rechtbank heeft de vorderingen van Botelco toegewezen. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat benzine een gevaarlijke stof is in de zin van artikel 6:175 BW, en dat het gevaar van deze stof bekend is. Artikel 6:175 BW is van toepassing omdat [appellant] de auto, en daarmee de benzine, in het kader van de uitoefening van zijn bedrijf feitelijk onder zich had. De rechtbank heeft voorshands bewezen geacht dat het ontvlammen van de benzine(damp) de oorzaak van de brand is geweest. Omdat [appellant] (nadrukkelijk) geen tegenbewijs had aangeboden, heeft de rechtbank vastgesteld dat de brand door het ontvlammen van de benzine(damp) is ontstaan. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant of de oorzaak van de ontbranding van de benzine(damp) aan [appellant] kan worden toegerekend.

Beoordeling in hoger beroep

5.1

[appellant] vordert in hoger beroep dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd, en dat de vorderingen van Botelco alsnog zullen worden afgewezen, met veroordeling van Botelco in de kosten. Botelco heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, en gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, te vermeerderen met nasalaris en wettelijke rente.

5.2

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een gevaarlijke stof gebruikt of onder zich heeft, waarvan bekend is dat die zodanige eigenschappen bezit dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert, ingevolge art. 6:175 lid 1 BW aansprakelijk is wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. In hoger beroep is niet in geschil dat benzine een gevaarlijke stof is, en dat het als bijzonder gevaar heeft dat het licht ontvlambaar is.

5.3

De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5 geoordeeld dat het voorshands bewezen is dat het ontvlammen van de benzine(damp) de oorzaak van de brand is. Met de grieven 1 tot en met 3 komt [appellant] op tegen dit oordeel. Volgens [appellant] zijn er meerdere oorzaken voor de brand mogelijk. Het is, gelet op het destructieve karakter van de brand, niet meer mogelijk om de oorzaak van de brand precies vast te stellen. Dit mag volgens [appellant] niet tot gevolg hebben dat aangenomen wordt dat de brand door de benzine(damp) is veroorzaakt. De rechtbank heeft bovendien bij haar oordeel ten onrechte meegewogen dat de in de benzinetank gehangen slang als eerste in brand is gevlogen, en dat [appellant], toen het interieur van de auto in brand vloog, zelf ook brand heeft gevat.

5.4

Het hof overweegt het volgende. Het ligt, op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv, op de weg van Botelco om te stellen - en zo nodig te bewijzen - dat het bijzonder gevaar van de gevaarlijke stof zich heeft verwezenlijkt, wat in dit geval betekent: dat de brand is ontstaan door het ontvlammen van benzine(damp) in het bedrijf van [appellant]. Botelco voert daartoe het volgende aan. Vast staat dat [appellant] van een klant de opdracht heeft gekregen een reparatie uit te voeren aan de benzinetank van een auto, dat hij daartoe de achterbank van de auto heeft gedemonteerd, daarna de dop van de benzinetank heeft verwijderd, en toen heeft geconstateerd dat de benzinetank geheel was gevuld met benzine. Om de benzinetank van binnenuit te kunnen leegpompen heeft [appellant] een slang in de benzinetank gehangen, en deze aangesloten op een 12 volt pomp en een accu. Op het moment dat [appellant] de pomp inschakelde, constateerde hij dat “pats boem” het interieur van de auto in brand stond. Volgens Botelco heeft, in de tijd die [appellant] nodig had om de pomp aan te sluiten, een gedeelte van de benzine kunnen verdampen. Benzinedamp is zwaarder dan lucht, en is om die reden in de auto blijven hangen, en is op enig moment ontvlamd. Benzine ontvlamt in één keer, en dit verklaart waarom [appellant] ineens in de auto overal vuur zag.

5.5

Het hof overweegt dat het ontvlammen van de benzine of de benzinedamp in deze omstandigheden, die op zichzelf niet (althans onvoldoende gemotiveerd) zijn betwist, de meest aannemelijke verklaring biedt voor het ontstaan van de brand. Vast staat dat de brand is ontstaan toen [appellant] in het kader van de reparatie van de auto de brandstoftank wilde gaan leeg pompen met behulp van een slang die was aangesloten op een 12 volt pomp en een accu. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat een andere oorzaak van de brand niet kan worden uitgesloten, maar hij heeft geen enkele alternatieve verklaring aangedragen hoe de brand kan zijn ontstaan, en al helemaal niet hoe het kan dat, als de benzine(damp) niet de oorzaak van de brand is, het interieur van de auto “pats boem” in brand stond. Het hof tekent hierbij aan dat [appellant] zelf heeft gesteld dat hij op het moment dat hij de pomp inschakelde toen meteen de brand in de auto waarnam (zie memorie van grieven onder 17). Bij deze stand van zaken is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat het voorshands bewezen is dat het ontvlammen van de benzine(damp) de oorzaak van de brand is. Of de slang al dan niet als eerste vlam heeft gevat, en of [appellant] al dan niet tegelijkertijd met het waarnemen van de brand in de auto ook korte tijd in brand heeft gestaan, kan daarbij in het midden blijven. Nu [appellant] tijdens de zitting in eerste aanleg nadrukkelijk heeft verklaard dat verdere bewijslevering zinloos is, en [appellant] in hoger beroep niet op dit standpunt is teruggekomen en evenmin een bewijsaanbod heeft gedaan, begrijpt het hof dat [appellant] niet toegelaten wil worden tot het leveren van tegenbewijs. Het hof zal [appellant] daarom niet in de gelegenheid stellen het voorshandse bewijsoordeel te ontzenuwen.

5.6

Uit het voorgaande vloeit voort dat vast is komen te staan dat het ontvlammen van de benzine(damp) de oorzaak van de brand is geweest, en dat het bijzondere gevaar van benzine zich dus heeft verwezenlijkt. Dit betekent dat de grieven 1 tot en met 3 falen.

5.7

[appellant] heeft abusievelijk twee grieven aangeduid als grief 3. Met zijn tweede grief 3, die het hof hierna zal aanduiden als grief 3b, komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat voor de risicoaansprakelijkheid van art. 6:175 BW niet nodig is dat sprake is van een fout van de gebruiker van een gevaarlijke stof. Volgens [appellant] moet bij de toepassing van art. 6:175 BW een onderscheid worden gemaakt tussen stoffen die door eigen toedoen gevaar opleveren (radioactiviteit, toxiciteit of kankerverwekkend) en stoffen waarvoor een externe oorzaak nodig is om het intrinsieke gevaar van die stof te verwezenlijken. In het laatste geval kan volgens de grief aansprakelijkheid slechts ontstaan als de gebruiker van de gevaarlijke stof van die externe oorzaak een verwijt valt te maken of als die oorzaak redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Benzine is een gevaarlijke stof die in die laatste categorie valt. Benzine(damp) ontvlamt immers in beginsel niet spontaan, hiervoor is een vonk als externe oorzaak nodig. Nu de uitgevoerde reparatie in de branche gebruikelijk is, en [appellant] deze op een zorgvuldige en daarvoor geschikte wijze heeft uitgevoerd, kan hem van het ontvlammen van de benzine(damp) geen verwijt worden gemaakt en is aansprakelijkheid op grond van art. 6:175 BW volgens hem niet aan de orde.

5.8

Het hof overweegt dat het door [appellant] bepleite onderscheid tussen stoffen die door eigen toedoen gevaar opleveren, en stoffen die in combinatie met een externe oorzaak gevaar laten ontstaan, geen steun vindt in de bewoordingen van art. 6:175 BW. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:175 BW volgt dat de wetgever, met dit artikel, een risicoaansprakelijkheid in het leven heeft willen roepen, en dat voor de aansprakelijkheid geen bepaalde gedraging van de aangesprokene, die als een onrechtmatige daad zou kunnen worden beschouwd, vereist is (Kamerstukken II 1990-1991, 21 202, nr. 6, p. 14).

Het is, om de aansprakelijkheid van [appellant] op grond van art. 6:175 BW vast te stellen, dus niet noodzakelijk dat [appellant] ter zake van het ontvlammen van de benzine(damp) enig verwijt valt te maken. Grief 3b faalt om deze reden.

5.9

Met grief 4 vraagt [appellant] aandacht voor de gevolgen van de beslissing van de rechtbank. [appellant] stelt dat deze beslissing voor garagebedrijven tot excessieve aansprakelijkheid leidt. In een auto zitten namelijk veel gevaarlijke stoffen. [appellant] onderkent dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 6:175 BW volgt dat hij als houder van de benzine wordt aangemerkt, maar vraagt het hof, vanwege voornoemde gevolgen, om desalniettemin tot een meer beperkte uitleg van het begrip “houder” te komen. Het hof ziet daarvoor gelet op de duidelijke wetsgeschiedenis echter geen aanleiding. Het ligt bovendien in de rede dat degene die beroepsmatig een gevaarlijke stof gebruikt of onder zich heeft, zich zal verzekeren tegen de risico’s die daarmee gemoeid zijn. Voor zover [appellant] met dit bezwaar bedoelt dat hij de benzine niet onder zich had in de zin van art. 6:175 BW, kan dit bezwaar niet slagen. Uit de omstandigheid dat [appellant] voornemens was om de benzine uit de benzinetank te pompen, en daartoe al concrete voorbereidingshandelingen had getroffen, vloeit voort dat [appellant] de feitelijke macht over de benzine had. Grief 4 faalt dus.

5.10

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen. Grief 5, waarin [appellant] klaagt dat de rechtbank hem ten onrechte in de proceskosten heeft veroordeeld, kan gelet op het voorgaande evenmin slagen. Het hof zal [appellant], als de partij die volledig in het ongelijk is gesteld, veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Die kosten worden begroot op € 741 aan griffierecht, € 1.114 aan salaris advocaat (tarief II x 1 punt), en de door Botelco gevorderde nakosten en wettelijke rente.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2019;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Botelco tot op heden begroot op € 741 aan verschotten en € 1.114 aan salaris advocaat en op € 163 aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85 indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 85, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. Kuipers, J.M.T. van der Hoeven-Oud en P.M. Verbeek, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2021 in aanwezigheid van de griffier.