Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1546

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
200.278.803
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:3710, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toerekenbare tekortkoming aannemingsovereenkomst. Begroting schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.278.803/01

Rolnummer rechtbank : 7643620 / CV EXPL 19-1352

Arrest van 17 augustus 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. P.J. Winkel te Leiden,

tegen

Poortinga Bouw en Ontwikkeling B.V.,

gevestigd te Naarden,

hierna te noemen: Poortinga,

niet verschenen.

1 Het geding

1.1.

Het hof heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

-
het dossier van de procedure bij de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Leiden), waaronder de volgende door de kantonrechter gewezen vonnissen:

- het vonnis in het incident van 17 juli 2019 (hierna: het vonnis in het incident),

- het tussenvonnis van 20 november 2019 (hierna: het tussenvonnis), en

- het eindvonnis van 12 februari 2020 (hierna: het eindvonnis),
- de dagvaarding in hoger beroep van 8 mei 2020,
- de memorie van grieven (met productie 29).

1.2.

Poortinga is in hoger beroep niet verschenen. Tegen Poortinga is verstek verleend.

2
2. Waar de zaak over gaat

Poortinga heeft als aannemer een casco woonhuis gebouwd voor opdrachtgever [appellant] . De kantonrechter heeft vastgesteld dat Poortinga haar verplichtingen jegens [appellant] met betrekking tot onder meer de begane grondvloer toerekenbaar niet goed is nagekomen. In hoger beroep gaat deze zaak in de eerste plaats over de vraag wat de schade is die Poortinga aan [appellant] , de opdrachtgever, op dit punt dient te vergoeden. In de tweede plaats ligt bij het hof de vraag voor of Poortinga aan [appellant] geld verschuldigd is wegens overschrijding van de overeengekomen bouwtijd en voor het gebruik van water en elektriciteit. Ten derde staat de hoogte van de schadevergoeding wegens expertisekosten en buitengerechtelijke incassokosten ter beoordeling.

3 De vaststaande feiten

3.1.

De volgende feiten zijn niet in geschil, zodat het hof van die feiten uit gaat.

3.2.

[appellant] en Poortinga hebben op 24 januari 2017 een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een casco woonhuis (hierna: de aannemingsovereenkomst). Op de aannemingsovereenkomst is het Besluit vaststelling Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (hierna: de UAV 2012) van toepassing.

3.3.

De als bijlage bij de aannemingsovereenkomst gevoegde intentieverklaring (hierna: de intentieverklaring) bepaalt onder meer het volgende:

“(…)

De oplevering van de woning zal plaatvinden binnen 110 werkbare werkdagen na leggen begane-grondvloer. Bij latere oplevering zal er een boete worden vergoed van € 50,00 per werkbare werkdag.

(…)”

3.4.

Op 14 maart 2018 is de woning opgeleverd. Partijen hebben een handgeschreven lijst met 21 nog af te werken punten ondertekend. Deze lijst wordt door partijen het proces-verbaal van oplevering genoemd.

3.5.

Partijen hebben op 14 maart 2018 voorts een “sleutelverklaring” ondertekend. Daarin staat onder meer het volgende:

“(…)

Verklaren:

1. De onderhavige woning met aanbehoren is thans overeenkomstig Technische omschrijving, Tekening, Overeengekomen wijzigingen c.q. aanpassingen volledig naar genoegen van de verkrijger ( [appellant] , toevoeging hof) opgeleverd. En kan door hem na eventueel hierna te noemen voorwaarden voldaan te hebben betrokken worden.

(...)

3. Partijen hebben wederkerig aan alle verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten overeenkomst - behoudens de hierna alsnog te verrichten werkzaamheden en/of betalingen - voldaan.

4. De hierna eventueel te vermelden werkzaamheden en/of betalingen zullen worden verricht op de wijze nader omschreven.

(...)

7. De ondernemer/aannemer (Poortinga, toevoeging hof) is verplicht alsnog de navolgende werkzaamheden te verrichten aan het onderhavige vastgoed zoals omschreven op blad 2 c.q. oplevering rapport opgemaakt door de inspecteur van Vereniging Eigenhuis of ander nr. ---------------------------------------------------------------------------

a. die voortvloeiende uit de aan ondernemer/aannemer verleende onderhoudstermijn tot drie maanden na dagtekening van de sleutelverklaring.

(…)”

3.6.

In de periode van maart tot en met mei 2018 hebben partijen gecorrespondeerd over de voortgang van de nog door Poortinga te verrichten werkzaamheden, het herstel van door [appellant] gestelde gebreken en het betalen van de laatste termijn van de aanneemsom.

3.7.

Bij brief van 28 mei 2018 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] , in aanvulling op de in het proces-verbaal van oplevering genoemde gebreken, de volgende gebreken bij Poortinga gemeld:

  • -

    te lage dorpels van de drie buitendeuren,

  • -

    gaten tussen de muur en de daklijst door gebrekkig metselwerk,

  • -

    gebreken aan sloten en het beslag van de achterdeuren

  • -

    een scheve trap naar de zolderverdieping

  • -

    een te lage isolatiewaarde van de begane grondvloer,

  • -

    te kort draairaam in de slaapkamer, en

  • -

    krakende trappen.

[appellant] heeft Poortinga gesommeerd alle gebreken voor 15 juni 2018 te herstellen, bij gebreke waarvan [appellant] de gebreken door een ander bedrijf zou laten herstellen en van Poortinga vervangende schadevergoeding zou vorderen ter hoogte van de herstelkosten.

3.8.

Bij e-mails van 30 mei 2018 tot en met 7 juni 2018 heeft [appellant] nog enkele gebreken aan Poortinga gemeld.

3.9.

Bij brief van 29 juni 2018 heeft Poortinga, voor zover in hoger beroep nog relevant, onder meer het volgende aan [appellant] medegedeeld:

“(…)

Voorstel: Voordeur gaat ca. 2-3 cm om hoog.

Hierdoor loopt de vloer van links naar recht ca. 8cm naar laagste punt 7cm.

en blijf je binnen te tolerantie.

Om goed uit te komen bij de achtergevel tuindeuren/loopdeur zal de afwerkvloer ca. 1.3 cm aflopen.

Pakket op ruwe vloer: noppen isolatie/ leidingen vloerverwarming/afwerkvloer/tegel, blijft ruim binnen de 7 cm.

(…)”

3.10.

Bij brief van 20 juli 2018 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] aan Poortinga medegedeeld dat er nog gebreken zijn, dat [appellant] nu geen herstel van deze gebreken meer vordert maar vervangende schadevergoeding ter hoogte van de herstelkosten, en dat [appellant] opdracht zal geven aan een expertise bureau om nader onderzoek te verrichten naar de aard, omvang en oorzaak van de nu nog bestaande gebreken, naar de juiste herstelmethode en de herstelkosten. Daarnaast heeft [appellant] aanspraak gemaakt op een bedrag van € 1.950,00 wegens overschrijding van de overeengekomen bouwtijd en een bedrag van € 699,77 ter vergoeding van gemaakte kosten voor gebruik van water en elektriciteit.

3.11.

Op 24 augustus 2018 heeft ZNEB Expertise en Taxatie B.V. (hierna: ZNEB) in de woning van [appellant] , in aanwezigheid van werknemers van Poortinga, onderzoek verricht naar de aard en omvang van de nog bestaande gebreken. ZNEB heeft vervolgens in haar rapport van 8 oktober 2018 (hierna: het ZNEB-rapport) een aantal gebreken (met de nummers 1 t/m 10 en 16) vastgesteld. Het rapport vermeldt, voor zover in hoger beroep nog van belang, onder meer:

“(…)

7a. Hoogte onderdorpels buitendeurkozijnen ten opzichte van vloerafwerking

(…)

Ofwel de ruwe betonvloer is plaatselijk tot circa 40 mm te hoog gelegd ten opzichte van de kozijnen.

(…)

Uitgaande van gelijke optreden zou volgens de maten van deze trap ter plaatse een ruimte van 60 mm overblijven voor isolatie, dekvloer en vloerafwerking.

Kijkende naar de tekening van Dicomedia (bijlage A) zou de bovenzijde van de verdiepingsvloer moeten zijn gelegen op circa 2.920 mm, daar waar wij 2.986 mm ten opzichte van de bovenzijde van de dorpel van het voordeurkozijn maten (een verschil van circa +/+ 66 mm). Wat de reden is van deze verhoging is ons niet bekend, maar kan gerelateerd aan de uitvoering van de dikte van de eerste verdiepingsvloer.

(…)

Herstel

Partij II (Poortinga, toevoeging hof) verklaarde aan ons van mening te zijn dat de oplossing zou zijn gelegen in een uitvoering van de dekvloer middels een noppenmat waarin de vloerverwarming zou dienen te worden gelegd om vervolgens een dekvloer aan te brengen op afschot naar de achtergevelkozijnen. Partij II verwees daarbij naar de NEN2747 waarin een afschot in de dekvloer binnen de normen zou vallen. Het voordeurkozijn zou daarbij 20 a 30 mm omhoog moeten worden geplaatst. Op deze wijze zou men qua vloeropbouw binnen 70 mm blijven (zie ook bijlage E).

Wij dienen te reageren dat een afschot in de vloer inderdaad niet in strijd is met de NEN2747, maar in dat geval zou men een oplossing zoeken in de kwaliteit van een vloerafwerking welke niet binnen de opdracht van partij II behoorde. Een afschot in de dekvloer leidt ook tot een afschot in de vloerafwerking, hetgeen kan tekenen bij de aansluiting van wanden en/of zichtbaar wordt bij plaatsing van kasten tegen de wanden en ter plaatse van bijvoorbeeld de keukenplint aan de rechterzijgevelzijde.

Daarbij kan men het voordeurkozijn omhoog plaatsen om extra ruimte voor de vloeropbouw te verkrijgen, echter zal men gezien de nabijheid van de trap naar de eerste etage en de kelder ook daar aanpassingen dienen te verrichten om hoogte te kunnen winnen.

Alsook zal bij toepassing van een noppenfolie voor de vloerverwarming rekening moeten worden gehouden met het alsnog inbrengen van een isolatielaag met een Rd-waarde van circa 1,0 m2K/W. Een ongeïsoleerde noppenfolie kan niet als vervanging van een isolatielaag tussen ruwe betonvloer en dekvloer worden gezien. Een geïsoleerde noppenplaat met een Rd-waarde welke richting de 1,0 m2K/W zal ook circa 20 mm dik zijn aan de onderzijde. De in bijlage E gestelde dikte van 70 mm voor isolatie noppenplaat, dekvloer en vloerafwerking achten wij derhalve niet haalbaar.

Onzes inziens zal herstel ingrijpend zijn. Een algehele verhoging van de vloeren zoals partij I ( [appellant] , toevoeging hof) dat aan ons heeft kenbaar gemaakt als oplossing zullen wij niet overnemen daar bij het omhoog plaatsen van de trappen de dekvloerdiktes op de verdiepingen zullen toenemen hetgeen zal leiden tot extra permanente belastingen op de vloeren en zal de hoogte tussen de vloer en vensterbanken verminderden waardoor de overklauterbaarheid (artikel 2.20 van het Bouwbesluit) aangaande raamkozijnen in de linkerzijgevel nog verder in geding komen.

Wij gaan uit van een herstel middels het omhoog plaatsen van het voordeurkozijn (in combinatie met punt 4), het vervangen van de keldertrap en de trap naar de eerste etage afgestemd op de te realiseren nieuwe peilmaat, alsook het inkorten kozijnen in de achtergevel inclusief vervangen van de deuren waarbij beglazing en hang- en sluitwerk kan worden hergebruikt.

Tevens zullen de binnendeuren en binnenkozijnen (ten behoeve van meterkast, toiletruimte, woonkamer en kelder) dienen te worden ingekort dan wel omhoog moeten worden gesteld

Voorst zal de vloer geëgaliseerd dienen te worden om de isolatielaag en dekvloer voldoende spanningsvrij te kunnen laten bewegen als gevolg van de thermische uitzetting en krimp.

(…)

CONCLUSIE

(…)

Het werk van partij II voldeed bij de diverse hiervoor genoemde geschilpunten naar onze mening niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Hierbij moet het item aangaande de hoogte van de boenzijde van de ruwe betonvloer van de begane grond (punt 7a) als gebrek worden gezien welke het meest ingrijpende herstel behoeft en waarschijnlijk had kunnen worden voorkomen bij een juiste uitvoering van partij II in combinatie met het op voorhand door partij II laten verzorgen van de benodigde detailleringen.

De kosten voor herstel, zoals hieronder geraamd, dienen dan ook naar onze mening volledig voor rekening van partij II te komen. (…)

SCHADEVASTSTELLING/-RAMING

(…)

De kosten voor het herstel van punt 7a (hoogte vloer) worden door ons, geraamd op basis van de volgende posten:

- Aanpassen buitenkozijnen en -buitendeuren, uitgaande van 2 mandagen (2x8 x € 55,00),

levering nieuwe deuren (€ 1.500,00) en een post klein materiaal (€ 150,00), inclusief 21% btw € 2.530,00

- Vervangen trappen, uitgaande van 3 mandagen (3 x 8 x € 55,00), nieuwe trappen (€ 3.000,00

voor de hardhouten gegronde dichte trap met onderkwart en € 1.250,00 een vurenhouten

gegronde open trap met onderkwart) en een post klein materiaal (€ 150,00), inclusief 21% btw € 5.720,00

- Aanpassen binnenkozijnen en/of -deuren, uitgaande van 1 mandag (1 x 8 x € 55,00)

en een post materiaal (€ 25,00), inclusief 21% btw € 465,00

- Het egaliseren van de vloer tot plaatselijk circa 40 mm (uitgaande van een uitvoering in

meerdere lagen gelet op de te egaliseren hoogte) gebaseerd op een gemiddelde van € 25,00

per m2 en een totaal van circa 60 m2, inclusief 21% btw € 1.500,00

(…)”

3.12.

Bij brief van 5 november 2018 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] het ZNEB-rapport aan Poortinga toegezonden. Ten aanzien van onder meer het in het ZNEB-rapport onder 7a omschreven gebrek heeft hij vervangende schadevergoeding ter hoogte van de door ZNEB begrote herstelkosten gevorderd.

3.13.

Op 12 november 2018 is Poortinga in de woning van [appellant] geweest. Zij heeft geconstateerd dat [appellant] een aantal gebreken in de woning heeft hersteld, dan wel heeft laten herstellen.

3.14.

Bij e-mail van 11 december 2018 heeft Poortinga aan de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] medegedeeld dat zij door [appellant] onvoldoende in de gelegenheid was gesteld om tot herstel van de gegrond gebleken gebreken over te gaan en dat zij [appellant] sommeert om het resterende bedrag van de aanneemsom (verminderd met door haar erkende bedragen) aan haar te betalen.

3.15.

[appellant] is niet tot verdere betaling overgegaan. Van de aanneemsom staat nog een bedrag van € 4.000,00 bij een notaris in depot.

4 De procedure bij de kantonrechter

4.1.

[appellant] heeft in de procedure bij de kantonrechter in conventie gevorderd Poortinga te veroordelen tot betaling aan hem van:

  1. € 13.585,00 inclusief btw voor herstelkosten, omdat Poortinga toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door een gebrekkige woning te leveren,

  2. € 1.950,00 op grond van artikel G3 van de aanneemovereenkomst, de intentieverklaring en artikel 42 UAV 2012, wegens overschrijding van de overeengekomen bouwtijd met 39 dagen,

  3. € 699,77 als vergoeding van gemaakte kosten van gebruik van water en elektriciteit op grond van artikel 17.1 van het bestek,

  4. € 2.187,08 aan expertisekosten, en

  5. € 937,35 buitengerechtelijke kosten,

met veroordeling van Poortinga in de kosten van het geding.

4.2.

Poortinga heeft in conventie gemotiveerd verweer gevoerd. In reconventie heeft Poortinga, samengevat, gevorderd:

- dat [appellant] wordt gesommeerd om het resterende bedrag van de aanneemsom van € 4.000,00 vrij te geven, en

- dat [appellant] wordt veroordeeld tot vergoeding van de door Poortinga gemaakte kosten van juridisch advies van € 2.500,00, kosten van extern bouwkundig advies van € 2.500,00 en onkosten (reis-, verblijf- en reprokosten) van € 800,00.

Poortinga heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd [appellant] verplicht is de aannemingssom volledig te betalen en dat hij onnodig kosten heeft moeten maken, nu Poortinga de aannemingsovereenkomst correct is nagekomen.

4.3.

[appellant] heeft in reconventie gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft zich beroepen op zijn recht op opschorting van vrijgave van het depotbedrag, zolang Poortinga niet heeft voldaan aan de door [appellant] ingestelde vorderingen tot betaling van schadevergoeding.

4.4.

In het incident in eerste aanleg heeft Poortinga gevorderd dat de kantonrechter zich op grond van het arbitragebeding in de UAV 2012 onbevoegd zou verklaren. In het vonnis in het incident heeft de kantonrechter deze vordering afgewezen. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter beslist dat Poortinga ten aanzien van de volgende gebreken verplicht is om aan [appellant] de herstelkosten te vergoeden (waarbij de nummers verwijzen naar het nummer in het ZNEB-rapport):

4. Luifel boven voordeur: € 960,00

5. Raveelbalk keldertrapgat: € 270,00

6. Vervuiling metselwerk: € 245,00

7b. Onderdorpel van het voordeurkozijn niet waterpas, kieren rondom deur: € 60,00

8. Metselwerk voorgevel en achtergevel en aansluiting op de overstekken: € 690,00

9. Cilinders en deurbeslag achterdeuren: € 55,00

10. Trap naar de zolderverdieping: € 60,00

16. Volkernbeplating dakoverstek linkerzijgevel: € 230,00.

Omtrent punt 7a, “de hoogte van de onderdorpels van de buitendeurkozijnen ten opzichte van de vloerafwerking”, heeft de kantonrechter de conclusie en het advies van de deskundige overgenomen en heeft hij ten aanzien van de kosten van herstel nadere informatie gevraagd aan [appellant] , overwegende dat [appellant] de vloer inmiddels had laten herstellen.

In het eindvonnis heeft de kantonrechter - beknopt weergegeven - overwogen dat het gevorderde bedrag aan herstelkosten van de vloer, de gevorderde schadevergoeding wegens overschrijding van de bouwtijd en de gevorderde vergoeding wegens gebruik van water en elektriciteit niet toewijsbaar zijn en dat de expertisekosten voor de helft toewijsbaar zijn. De kantonrechter heeft hierop:

- in conventie Poortinga veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 2.570,00 aan herstelkosten, € 1.093,54 aan expertisekosten en € 491,35 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

- in reconventie Horst gesommeerd tot het vrijgeven van het resterende bedrag van de aanneemsom ad € 4.000,00, en

- in conventie en in reconventie de proceskosten tussen partijen gecompenseerd en het eindvonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 Het geschil in hoger beroep

5.1.

In hoger beroep vordert [appellant] dat het hof het vonnis bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest vernietigt, voor zover, begrijpt het hof uit de memorie van grieven, haar hiervoor in rechtsoverweging 4.2. tot en met 4.5. vermelde vorderingen en haar vordering tot betaling van de kosten van herstel genoemd in het ZNEB-rapport van de te hoge begane grond vloer (van in totaal € 10.215,00) zijn afgewezen en, opnieuw rechtdoende deze vorderingen alsnog geheel toewijst, met veroordeling van Poortinga in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.2.

[appellant] voert daartoe vijf grieven aan. De grieven 1 tot en met 3 richten zich tegen de wijze waarop de kantonrechter in het tussenvonnis en het vonnis de door [appellant] geleden schade ten aanzien van de begane grondvloer en de kozijnen heeft vastgesteld. Grief 4 richt zich tegen de afwijzing van de door [appellant] gevorderde vergoeding wegens overschrijding van de overeengekomen bouwtijd en de gevorderde vergoeding van gemaakte kosten van gebruik van water en elektriciteit. Grief 5 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter over de expertisekosten, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

5.3.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder punt 6 van het petitum beslagkosten gevorderd. Nog daargelaten dat [appellant] deze vordering niet heeft onderbouwd zodat deze niet toewijsbaar zou zijn, laat het hof deze eisvermeerdering buiten beschouwing, omdat niet is gesteld of gebleken dat [appellant] deze eisvermeerdering conform artikel 130 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij exploot aan Poortinga kenbaar heeft gemaakt.

5.4.

Poortinga heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd.

6 De beoordeling

6.1.

De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof bij de beoordeling van de grieven rekening dient te houden met het verhandelde in eerste aanleg, ook al is Poortinga in hoger beroep niet verschenen (HR 13 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2780).

grieven 1 tot en met 3 schadeberekening gebrek aan de begane grondvloer

6.2.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat Poortinga toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, onder meer doordat de ruwe betonvloer van de begane grond plaatselijk 40 mm te hoog is gelegd ten opzichte van de kozijnen (punt 7a in het ZNEB-rapport, “Hoogte onderdorpels buitendeurkozijnen ten opzichte van vloerafwerking”) zodat Poortinga de schade die [appellant] ten gevolge van deze tekortkoming heeft geleden dient te vergoeden. Poortinga heeft niet betwist dat de begane grondvloer te hoog is en dat er in zoverre sprake is van een tekortkoming. Hij heeft wel betwist gehouden te zijn enig bedrag te betalen om de in rechtsoverwegingen 4.4 tot en met 4.7 van het tussenvonnis vermelde redenen. Het hof verwerpt deze verweren op de door de kantonrechter aangegeven gronden, die het hof overneemt. Het hof gaat dus uit van voormeld oordeel van de kantonrechter en moet nog beoordelen welke schade is geleden door de tekortkoming. Poortinga heeft het gevorderde bedrag betwist, stellende dat de tekortkoming hersteld had kunnen worden door slechts het voordeurkozijn te verhogen. De grieven 1 tot en met 3 richten zich tegen de afwijzing van de gevorderde vergoeding van de schade die [appellant] heeft geleden ten gevolge van het in punt 7a van het ZNEB-rapport omschreven gebrek.

6.3.

Volgens [appellant] moet het hof bij de begroting van de schade ten aanzien van punt 7a uitgaan van de door ZNEB begrote kosten. Hij betoogt dat dit volgt uit de overweging in het tussenvonnis dat de kantonrechter de conclusie en het advies tot herstel van de deskundige overneemt. Het hof volgt [appellant] hierin niet. Weliswaar overweegt de kantonrechter in het tussenvonnis dat de door Poortinga aangedragen oplossing door de deskundige is afgewezen en dat hij de conclusie en het advies tot herstel van de deskundige overneemt, maar gelet op de verdere overwegingen in het tussenvonnis en het eindvonnis heeft de kantonrechter ten aanzien van post 7a een concrete schadeberekening voor ogen gehad. Dat stond de kantonrechter vrij en ook het hof is vrij de schade ten aanzien van punt 7a te begroten op de wijze die het hof passend voorkomt. Dat de kantonrechter schade ten aanzien van een aantal andere posten heeft begroot op de door ZNEB geraamde kosten, doet daar niet aan af.

6.4.

[appellant] stelt verder dat het feit dat hij (gedeeltelijk) een andere herstelmethode heeft gekozen die afwijkt van het advies van ZNEB, er niet aan afdoet dat hij als gevolg van de gebrekkige vloer schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt volgens de abstracte schadeberekening op basis van de kostenraming door ZNEB. Ook hierin volgt het hof [appellant] niet, althans niet zonder meer. Hoewel op zichzelf juist is dat een benadeelde ook recht heeft op schadevergoeding als hij ervoor kiest een gebrek niet of niet volledig te herstellen, doet dat er niet aan af dat indien blijkt dat bepaalde werkzaamheden niet nodig zijn voor herstel van het gebrek, de met die werkzaamheden gepaard gaande kosten niet als schade ten gevolge van de tekortkoming kunnen worden aangemerkt. Wel zou er nog reden kunnen zijn voor vergoeding van schade door waardevermindering, waarop [appellant] , aldus begrijpt het hof punt 30 van de memorie van grieven, zich ook heeft beroepen. In het navolgende zal het hof de afzonderlijke door ZNEB genoemde schadeposten bespreken. Het gaat daarbij om de volgende posten:

- aanpassen buitenkozijnen en -buitendeuren € 2.530,00

- vervangen trappen € 5.720,00

- aanpassen binnenkozijnen en/of deuren € 465,00

- het egaliseren van de vloer tot plaatselijk circa 40 mm € 1.500,00

Totaal begrote kosten: € 10.215,00

6.5.

Ten aanzien van de door ZNEB begrote kosten voor het egaliseren van de vloer geldt het volgende. [appellant] en Poortinga zijn overeengekomen dat de door Poortinga te bouwen woning casco opgeleverd zou worden. Dat betekent onder meer dat [appellant] zelf de vloeren moest (laten) afwerken. Kosten voor afwerking die [appellant] ook zonder de tekortkoming van Poortinga had dienen te maken kunnen daarom niet worden gekwalificeerd als herstelkosten. [appellant] heeft zijn standpunt dat hij herstelkosten heeft moeten maken voor de vloeren onderbouwd door overlegging van facturen van de ondernemingen Installatiebedrijf [installatiebedrijf] (hierna: [installatiebedrijf] ) en Indri Vloersystemen B.V. (hierna: Indri Vloersystemen). De facturen van [installatiebedrijf] en Indri Vloersystemen wijzen er op dat de vloeren geschikt waren om geïsoleerd en afgewerkt te worden, zonder dat egalisatie nodig was. Voor dat oordeel is het volgende redengevend:

- [installatiebedrijf] heeft slechts kosten voor isolatie in rekening gebracht, maar geen kosten voor het egaliseren van de vloer of van andere voorbereidende werkzaamheden;

- Indri Vloersystemen heeft slechts kosten voor “voorgieten” en voor het aanbrengen van een gietvloer in rekening gebracht. De kosten voor het aanbrengen van de gietvloer zijn conform de door Poortinga als productie 1 bij zijn antwoordakte van 9 januari 2020 overgelegde offerte. In die offerte staat “Bij deze aanbieding gaan wij er vanuit een gezonde ondergrond waar we rechtstreeks onze dekvloer/isolatie kunnen aanbrengen zonder verder voorbereidende werkzaamheden.” Uit het feit dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd zoals geoffreerd blijkt dat Indri Vloersystemen geen voorbereidende werkzaamheden, zoals het egaliseren van de vloer, heeft verricht. Dat er kosten zijn gemaakt voor “voorgieten” leidt niet tot een andere conclusie. Deze kosten zien blijkens de offerte niet op voorbereidende werkzaamheden zoals egaliseren, maar houden verband met het aanbrengen van vloerverwarming. Het voorgieten moet volgens de offerte immers gebeuren omdat de leidingen nog niet zijn “gebeugeld”.

In deze omstandigheden is de enkele verwijzing naar de schadebegroting in het ZNEB-rapport onvoldoende om te kunnen concluderen dat de vloer moest worden geëgaliseerd teneinde het in punt 7a weergegeven gebrek te herstellen. De door ZNEB begrote kosten voor het egaliseren van de vloer kunnen dus niet worden aangemerkt als kosten voor herstel, en daarmee niet als schade.

6.6.

[appellant] stelt dat hij herstelkosten heeft moeten maken doordat de kozijnen moesten worden verhoogd, de deuren moesten worden vervangen of aangepast en de trappen moesten worden vervangen. Poortinga heeft dat betwist. Die betwisting faalt ten aanzien van het voordeurkozijn. Dat het voordeurkozijn diende te worden hersteld, vindt immers niet alleen bevestiging in het ZNEB-rapport, maar ook in het feit dat Poortinga in zijn brief van 29 juni 2018 (zie 3.9) zelf heeft voorgesteld dat het voordeurkozijn zou worden verhoogd om het probleem met de te hoge dorpels te verhelpen, en in de factuur van [installatiebedrijf] , waaruit blijkt dat het voordeurkozijn daadwerkelijk opnieuw is geplaatst. Het hof concludeert dat de tekortkoming van Poortinga ertoe heeft geleid dat het voordeurkozijn diende te worden verhoogd, zodat de herstelkosten door Poortinga dienen te worden vergoed. Uit de factuur van [installatiebedrijf] kan niet worden opgemaakt wat op dit punt de kosten zijn geweest. Gelet op het totaalbedrag van de factuur van [installatiebedrijf] en op het in het ZNEB-rapport begrote bedrag voor alle buitendeuren en kozijnen, schat het hof deze kosten op € 843,00.

6.7.

De door [appellant] overgelegde facturen ondersteunen het betoog van Poortinga dat [appellant] niet de door ZNEB voorgestelde herstelwerkzaamheden heeft verricht, maar het voorstel tot herstel van Poortinga heeft gevolgd. Blijkens de facturen heeft [appellant] immers het voordeurkozijn laten herstellen en een afdekvloer laten aanbrengen. Uit niets blijkt dat andere kozijnen dan het voordeurkozijn zijn verhoogd, deuren zijn aangepast of vervangen en trappen zijn vervangen. Nu het ZNEB-rapport vermeldt dat de door Poortinga voorgestelde oplossing niet in strijd is met de geldende Nen-norm, is ook niet zonder meer duidelijk dat het weliswaar nodig was om de andere kozijnen te verhogen, deuren aan te passen of te vervangen en trappen te vervangen, maar dat deze werkzaamheden slechts (nog) niet door [appellant] zijn uitgevoerd. Het had daarom op de weg van [appellant] gelegen zijn stelling dat verhoging van de andere kozijnen en vervanging van de trappen nodig was om de tekortkoming te herstellen, nader te onderbouwen. Dat heeft hij echter nagelaten. Het hof verwerpt deze stelling dan ook als onvoldoende gemotiveerd. Dat betekent dat geen plaats is voor bewijslevering en dat de vordering ter zake van het herstel van de trappen en de overige kozijnen afgewezen dient te worden. Het bovenstaande doet er niet aan af dat in het ZNEB-rapport, waarvan ook het hof het advies en de conclusies overneemt, is vermeld dat bij het enkel volgen van het voorstel van Poortinga, dat inhoudt dat het voordeurkozijn wordt verhoogd en de dekvloer wordt aangebracht op afschot naar de achtergevelkozijnen, leidt tot een resultaat dat niet optimaal is, zodat daardoor de kwaliteit van de vloerafwerking (nog steeds) niet overeenkomstig de opdracht is. In het rapport is immers vermeld:

Een afschot in de dekvloer leidt ook tot een afschot in de vloerafwerking, hetgeen kan tekenen bij de aansluiting van wanden en/of zichtbaar wordt bij plaatsing van kasten tegen de wanden en ter plaatse van bijvoorbeeld de keukenplint aan de rechterzijgevelzijde.

Daarbij kan men het voordeurkozijn omhoog plaatsen om extra ruimte voor de vloeropbouw te verkrijgen, echter zal men gezien de nabijheid van de trap naar de eerste etage en de kelder ook daar aanpassingen dienen te verrichten om hoogte te kunnen winnen.

Daarvan uitgaande is het hof van oordeel dat door vergoeding van de kosten van de verhoging van het voordeurkozijn niet alle schade is vergoed en/of sprake is van waardevermindering. Deze resterende schade begroot het hof ex aequo et bono op

€ 4.000,00.

6.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat van post 7a een bedrag van

€ 4.843,00 toewijsbaar is. In zoverre slagen de grieven 1 tot en met 3. Voor toewijzing van het de subsidiair gevorderde bedrag van € 8.107,00 (het totaal van de facturen van [installatiebedrijf] en Indri Vloersystemen), is geen plaats. Uit het in rechtsoverweging 6.5. overwogene volgt dat de kosten die betrekking hebben op isolatie van de vloer en het aanbrengen van een afdekvloer voor rekening van [appellant] komen, omdat partijen hadden afgesproken dat de woning casco zou worden opgeleverd. Het betreft hier dus geen herstelkosten, maar kosten die [appellant] hoe dan ook had moeten maken.

grief 4 - overschrijding bouwtijd en gebruik water en elektriciteit

6.9.

Volgens [appellant] had het werk opgeleverd moeten worden op 13 februari 2018, zodat er uitgaande van de door Poortinga gestelde opleverdatum van 14 maart 2018 sprake is van een overschrijding van de overeengekomen bouwtijd met 39 dagen. Op grond van de aannemingsovereenkomst (zie rechtsoverweging 3.3.) en paragraaf 42 van de UAV 2012, vordert hij daarom een bedrag van 39 x € 50,00 = € 1.950,00.

6.10.

Poortinga betwist niet dat de bouwtijd met 39 dagen is overschreden. Volgens Poortinga kan [appellant] dat echter niet aan haar tegenwerpen, omdat partijen in de sleutelverklaring (zie rechtsoverweging 3.3.) zijn overeengekomen:

Partijen hebben wederkerig aan alle verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten overeenkomst – behoudens de hierna alsnog te verrichten werkzaamheden en/of betalingen – voldaan”.

Nu de sleutelverklaring geen melding maakt van een vordering terzake van overschrijding van de bouwtijd, stelt Poortinga dat zij op dat punt niets meer verschuldigd is aan [appellant] . [appellant] bestrijdt dat hij met de geciteerde passage heeft willen verklaren of heeft verklaard dat hij Poortinga meteen op 14 maart 2018, bij eerste opneming van de woning, finale kwijting verleende voor alle aanspraken op grond van de aannemingsovereenkomst. Naar het oordeel van het hof voert [appellant] daarbij terecht aan dat uit de bewoordingen van de overeenkomst niet blijkt dat partijen hebben bedoeld elkaar finale kwijting te verlenen. Daarnaast voert [appellant] terecht aan dat het niet voor de hand ligt dat partijen hebben bedoeld dat Poortinga alleen nog kon worden aangesproken op de in de sleutelverklaring (of in de daarbij gevoegde handgeschreven opsomming) genoemde kwesties, nu partijen na 14 maart 2018 over méér gebreken hebben gesproken en zonder dat Poortinga zich op finale kwijting beriep. Poortinga heeft hiertegenover geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat [appellant] en Poortinga met de sleutelverklaring toch hebben bedoeld dat [appellant] zich niet meer op de overschrijding van de bouwtijd kon beroepen. Het hof verwerpt het verweer van Poortinga dan ook. Dat betekent dat de vordering ter zake van de overschrijding van de bouwtijd dient te worden toegewezen.

6.11.

De vordering van [appellant] betreffende het gebruik van water en licht is door Poortinga niet betwist. Ook deze vordering dient derhalve te worden toegewezen.

6.12

Het voorgaande betekent dat grief 4 slaagt. Het hof zal de vorderingen van [appellant] van € 1.950,00 en € 699,77 alsnog toewijzen.

grief 5

6.13.

[appellant] vordert vergoeding van het bedrag van € 2.187,08 dat ZNEB haar voor het opstellen van het ZNEB-rapport in rekening heeft gebracht. Nu het opstellen van het ZNEB-rapport nodig was ter vaststelling van de aansprakelijkheid en schade, en het gevorderde bedrag van € 2.187,08 het hof redelijk voorkomt, zal deze vordering eveneens worden toegewezen.

6.14.

Het hof zal de – onbetwiste – vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten eveneens toewijzen, aan de hand van de thans toe te wijzen hoofdsom. Voor toewijzing van het volledige door [appellant] aan buitengerechtelijke kosten gevorderde bedrag bestaat geen grond, nu [appellant] geen onderbouwing heeft gegeven voor de volgens hem gemaakte incassokosten en ook geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen die rechtvaardigen dat van de wettelijke regeling wordt afgeweken. Op basis van de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is bij de thans toegewezen hoofdsom van € 12.249,85 (€ 2.570,00 (ter zake van de posten 4, 5, 6, 7b, 8 ,9, 10 en 16 zie tussenvonnis) + € 4.843,00 + € 1.950,00 + € 699,77 + € 2.187,08) een bedrag van € 897,50 toewijsbaar. Het hof zal dit bedrag toewijzen.

6.15.

Gelet op al het voorgaande zal Poortinga, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

6.16.

Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de toe te wijzen bedragen toewijzen, nu Poortinga daar geen verweer tegen heeft gevoerd.

Slotsom

6.17.

Het hof zal het eindvonnis in conventie gelet op het voorgaande, ten behoeve van de leesbaarheid grotendeels, vernietigen en de vordering van [appellant] toewijzen tot een bedrag van € 12.249,85 in hoofdsom en € 897,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 26 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van Poortinga tot vergoeding van de proceskosten in beide instanties.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt het door de kantonrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen in conventie gewezen vonnis van 12 februari 2020 voor zover Poortinga daarin is veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 2.570,00 aan herstelkosten, € 1.093,54 aan expertisekosten en € 491,35 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, en voor zover de kantonrechter de proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt Poortinga om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van € 12.249,85 in hoofdsom en € 897,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 26 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Poortinga in de kosten van de procedure in conventie in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 486,00 aan griffierechten, € 104,54 aan dagvaardingskosten en € 900,00 aan advocaatkosten;

- bekrachtigt het door de kantonrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 12 februari 2020 voor het overige;

- veroordeelt Poortinga in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 859,99 aan griffierecht en dagvaardingskosten en € 1.114,00 voor advocaatkosten.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I. de Vreese-Rood, A.D. Kiers-Becking en R.F. Groos en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 17 augustus 2021 in aanwezigheid van de griffier.