Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1456

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2021
Datum publicatie
17-08-2021
Zaaknummer
BK-21/00064 tot en met BK-21/00066
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:12908, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM; stellen van prejudiciële vragen; strijdigheid van de heffingsmodaliteiten met het Unierecht; hoorplicht; bewijslast; schadevergoeding; proceskostenvergoeding en griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-21/00064 tot en met 21/00066

Uitspraak van 15 juli 2021

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 december 2020, SGR 19/3810 tot en met 19/3812.

Procesverloop

1.1.

Belanghebbende heeft op aangifte voor drie auto’s in totaal € 9.806 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) voldaan.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank. Van belanghebbende is € 345 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het volgende beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 417;

- veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 83;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 aan eiseres te vergoeden;

- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is € 541 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het hoger beroep is ter zitting behandeld op 3 juni 2021. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende met kenmerk BK-21/00057 tot en met BK-21/00063 en BK-21/00067 tot en met BK-21/00069. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft drie aangiftes BPM gedaan, met dagtekening 14 mei 2018 ter zake van een Citroen C4 Cactus (auto I), met dagtekening 25 mei 2018 ter zake van een BMW XI (auto II) en met dagtekening 8 juni 2018 ter zake van een BMW 2-serie Cabrio (auto III). De datum van eerste toelating van auto I is 7 juni 2017, van auto II 19 april 2017 en van auto III 25 oktober 2017. De voor auto I verschuldigde BPM van € 1.315 is op 18 mei 2018 voldaan, de voor auto II verschuldigde BPM van € 3.325 is op 30 mei 2018 voldaan en de voor auto III verschuldigde BPM van € 5.166 is op 12 juni 2018 voldaan. De verschuldigde BPM voor de auto’s is berekend op basis van de koerslijst AutotelexPro.

In de aangiften heeft belanghebbende voor auto I een CO2-uitstoot vermeld van 100, voor auto II een CO2-uitstoot van 124 en voor auto III een CO2-uitstoot van 143.

2.2.

Belanghebbende heeft op 28 juni 2018 tegen de voldoeningen op aangiften bezwaar gemaakt.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Inbreukprocedure

6. De rechtbank overweegt allereerst dat de inbreukprocedure die volgens eiseres

inmiddels door de Europese Commissie is begonnen, haar geen aanleiding geeft om de

zaken aan te houden.

Schending hoorplicht

7. Tot de stukken van het geding behoort een uitnodiging voor een hoorgesprek op

29 maart 2019. Op 28 maart 2019 heeft de gemachtigde een e-mailbericht aan verweerder

gestuurd waarin hij aan de doorgang van het hoorgesprek op 29 maart 2019 de voorwaarde

verbindt dat de kentekengegevens van de desbetreffende auto’s in de dossiers zitten. Als

alternatieve datum voor een hoorgesprek heeft eiseres 5 april 2019 voorgesteld. Verweerder

heeft niet op dit e-mailbericht gereageerd omdat gemachtigde een e-mailverbod had. Op het

hoorgesprek op 29 maart 2019 is namens eiseres niemand verschenen. Uit de stukken van

het geding volgt niet dat verweerder aan eiseres heeft meegedeeld dat het gesprek toch door

zou gaan. Verweerder heeft, wat er overigens zij van het e-mailverbod, wel kennis genomen

van het e-mailbericht van gemachtigde. Uit het niet verschijnen op 29 maart 2019 heeft hij

daarom niet zonder meer kunnen en mogen afleiden dat eiseres heeft afgezien van het horen.

Verweerder had eiseres daarom nogmaals in de gelegenheid moeten stellen om te worden

gehoord dan wel navraag moeten doen of eiseres bedoelde geheel van het hoorrecht af te

zien. Nu hij dat niet heeft gedaan is sprake van schending van de hoorplicht. Aan de

schending van de hoorplicht kan in dit geval echter worden voorbij gegaan omdat eiseres

niet is benadeeld. Partijen verschillen immers niet van mening over de feiten maar over de

vraag of de wijze van heffing van Bpm in overeenstemming is met het Unierecht en over de

bewijslastverdeling3. Gelet hierop en op het standpunt van verweerder gedurende de gehele

procedure, zal het horen van eiseres in bezwaar niet tot een ander besluit leiden. De

rechtbank zal de zaken daarom niet terugwijzen naar verweerder maar zelf in de zaken

voorzien.

3 ECLI:NL:HR:2020:296

Bewijslast

8. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 20174 en 17 januari 20205 volgt dat

op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de door hem op aangifte

voldane Bpm, de plicht rust om feiten te stellen en, zo nodig, aannemelijk te maken die

kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. De enkele stelling dat

de nationale wettelijke bepalingen in strijd zijn met het Unierecht, is daarvoor onvoldoende.

Voor het oordeel dat de bewijslastverdeling in de onderhavige regelgeving tussen enerzijds

de belastingplichtige en anderzijds de belastingheffende instantie dusdanig ongelijk is dat

daarmee sprake is van de door eiseres gestelde schending van het Unierecht, vindt de

rechtbank geen aanleiding.

4 ECLI:NL:HR:2017:847

5 ECLI:NL:HR:2020:296

Ex-rentals

9. In zijn arrest van 19 december 20136 heeft het HvJ EU met betrekking tot de vraag

wanneer voertuigen gelijksoortig zijn het volgende overwogen:

“Wanneer deze producten op de markt voor tweedehands voertuigen van die lidstaat te koop

worden aangeboden, moeten zij worden beschouwd als ‘gelijksoortige producten’, zijnde

producten van dezelfde soort als ingevoerde tweedehands voertuigen, wanneer zij zich door

hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding

bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen

aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties,

verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn

waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig. Dat houdt

in dat rekening wordt gehouden met het model, het type en andere kenmerken, zoals de

aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of

het merk (zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C-101/00,

Jurispr. blz. 1-7487, punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland,

C-74/06, Jurispr. blz. 1-7585, punten 29 en 37).”

6 ECL1:EU:C:2013:857

10. Het zijn van een ex-rental is naar het oordeel van de rechtbank een concreet

aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van een auto. Een niet ex-rental auto bevindt zich

ten opzichte van ex-rental auto’s dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in

het hiervoor aangehaalde arrest van het HvJ. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar

stelling dat ook bij de waardebepaling van een niet ex-rental moet worden uitgegaan van de

waarde van een in Nederland aanwezige ex-rental. Eiseres heeft niet gesteld en ook

anderszins is niet gebleken dat de hier in geding zijnde auto’s ex-rentals zijn. Er is dan ook

geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van referentievoertuigen met een verhuurverleden

(zie ook het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 20207). De verwijzing van eiseres naar

een e-mail van de directeur van XRAY, leidt niet tot een ander oordeel nu de door de

directeur vermelde gemiddelde afwaardering van 7,5% van de XRAY waarde ziet op auto’s

met een aantoonbaar verhuurverleden.

7 ECLI:NL:HR:2020:331

Verschil in heffingsmodaliteiten

11. Zoals onder 8 is overwogen draagt eiseres de bewijslast dat zij te veel Bpm op

aangiften heeft voldaan. Met de enkele stelling dat er een verschil is tussen het moment van

voldoening van de Bpm en de daadwerkelijke registratie van het voertuig, is zij daarin niet

geslaagd. Eiseres heeft niets aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er

een zodanig lange periode is verstreken tussen voldoening en tenaamstelling dat zij te veel

Bpm heeft voldaan. De stelling van eiseres dat verweerder daartoe de kentekengegevens

moet verstrekken, volgt de rechtbank niet. De enkele omstandigheid dat verweerder bij de

controle van eventuele door eiseres gestelde feiten gebruik kan maken van de door hem bij

de RDW opgevraagde kentekengegevens, maakt niet dat eiseres niet langer aan haar

primaire bewijslast behoeft te voldoen. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat verweerder op

grond van paragraaf 2 onder 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht de kwestie inzake het

overleggen van de kentekengegevens aan de zogenoemde kennisgroep van de

Belastingdienst had moeten voorleggen en dat de kennisgroep dan zou hebben bevestigd dat

verweerder de kentekengegevens moest overleggen. Zo uit voornoemd Besluit al zou volgen

dat verweerder deze kwestie had moeten voorleggen aan de kennisgroep, kan aan het

achterwege laten daarvan niet de conclusie worden verbonden dat het standpunt van eiseres

in deze juist is. Eiseres heeft haar enkele stelling dat de kennisgroep haar standpunt zou

volgen niet met enig bewijs gestaafd.

Rentenadeel door verschil in heffingsmodaliteiten

12. Uit artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen volgt dat een beroep

tegen de voldoening op aangifte uitsluitend betrekking kan hebben op de hoogte van de

materiële belastingschuld. De door eiseres gestelde renteschade vindt niet zijn grondslag in

de hoogte van de verschuldigde belasting maar in het moment van de betaling daarvan.

Voor het rentenadeel dat eiseres stelt te ondervinden van de eerdere betaling, dient eiseres

zich dan ook tot de civiele rechter te wenden.

Correctiefactor algehele staat van de auto

13. Eiseres heeft, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet aannemelijk

gemaakt dat in de onderhavige gevallen rekening dient te worden gehouden met een

correctiefactor vanwege de staat van de auto’s. Verweerder heeft in dat kader ter zitting

gesteld dat het aanvinken van de betreffende vakjes in de koerslijst zou betekenen dat de

koerslijst betrekking heeft op auto’s met meer dan gemiddelde schade waardoor de koerslijst

niet langer bruikbaar is voor de waardebepaling van een ingevoerde auto waarvan niet is

gebleken dat sprake is van dergelijke schade. Indien sprake is van een auto met meer dan

gemiddelde schade, moet eiseres dat aannemelijk maken met een taxatierapport. In het arrest

van de Hoge Raad van 15 november 20198 is weliswaar geoordeeld dat alle in een koerslijst

gespecificeerde factoren van invloed kunnen zijn op de prijs die de wederverkoper bereid is

te betalen bij de inkoop van een particulier van een in Nederland geregistreerd, gebruikt

motorvoertuig, maar daaruit volgt niet dat altijd een vermindering in aanmerking kan

worden genomen vanwege de staat van de auto. Een dergelijke vermindering is alleen aan

de orde als ook de ingevoerde auto in een mindere staat verkeert. De rechtbank ziet geen

aanleiding om aan te nemen dat dit hier het geval is. De rechtbank ziet dan ook geen

aanleiding eiseres op dit punt te volgen.

8 ECLI:NL:HR:2019:1783

Co2

14. De rechtbank begrijpt eiseres aldus dat het risico bestaat dat van een te hoge Co2-

uitstootwaarde is uitgegaan, en daarmee de verschuldigde Bpm op een te hoog bedrag is

berekend, omdat niet uitgesloten kan worden dat de uitstoot is berekend op basis van de

sinds 2018 gebruikte WLTP-methode, de opvolger van de NEDC-methode. Zij wijst in dit

verband op niet nader geconcretiseerde rapporten van KPMG en TNO. Om tot een

realistische uitstootwaarde te komen, dient een WLTP waarde met ingang van

1 september 2017 te worden teruggerekend naar een NEDC waarde. Eiseres heeft in de

aangifte de Co2-uitstootwaarde vermeld die op het keuringsformulier van de RDW is

ingevuld. Zij stelt dat uit dat formulier niet blijkt waarop de RDW die uitstoot heeft

gebaseerd en of en in hoeverre de RDW de uitstootwaarde heeft herrekend naar een NEDC

waarde. Volgens eiseres moet verweerder bewijzen dat niet van een te hoge Co2-uitstoot is

uitgegaan. Zoals hiervoor bij 8 is overwogen rust de bewijslast voor belastingverminderende

factoren op eiseres. Met de enkele stelling dat vermoedelijk van een te hoge Co2-uitstoot is

uitgegaan, is zij daarin niet geslaagd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat

verweerder ter zitting heeft verklaard dat de auto door de RDW is gekeurd en dat daarbij

wordt uitgegaan van de Co2-uitstoot zoals die is vermeld op het buitenlandse

kentekenbewijs. Volgens verweerder wordt de Co2-uitstootwaarde zoals vermeld op dat

kentekenbewijs, indien nodig, altijd teruggerekend naar een NEDC waarde, waardoor per

definitie wordt uitgegaan van de laagst mogelijke uitstootwaarde.

Immateriële schade

15. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige zaken

van eiseres op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en gezamenlijk en in samenhang met

elkaar zijn behandeld in bezwaar en beroep. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat bij

de beoordeling van de vraag of recht bestaat op vergoeding van immateriële schade, deze

zaken als samenhangende zaken dienen te worden aangemerkt.

16. De redelijke termijn is overschreden wanneer de behandeling van het bezwaar en

het beroep gezamenlijk langer duurt dan twee jaar. De behandeltermijn vangt aan op het

moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt met de uitspraak van de

rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de

Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij

het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Heeft de procedure tot de

uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de

bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere

behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen

een halfjaar en de beroepsfase binnen anderhalfjaar zou moeten worden afgerond9.

9 ECLI:NL:HR:2016:252

17. Het bezwaarschrift is op 28 juni 2018 door verweerder ontvangen en verweerder

heeft de uitspraken op bezwaar gedaan op 23 mei 2019. De uitspraak van de rechtbank

wordt op 22 december 2020 gedaan, zodat de bezwaar- en beroepsfase twee jaar en

afgerond zes maanden hebben geduurd. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een

vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500. De rechtbank ziet geen

aanleiding om de redelijke termijn in de bezwaarfase te verlengen met de periode gelegen

tussen het door eiseres afgezegde hoorgesprek van 4 december 2018 en het in 7 vermelde

emailbericht van 28 maart 2019. Van de overschrijding van de redelijke termijn dient dan

ook een periode van (afgerond) 5 maanden te worden toegerekend aan de bezwaarfase. Een

overschrijding van (afgerond) 1 maand dient aan de beroepsfase te worden toegerekend.

Verweerder dient daarom van de schadevergoeding van € 500 een bedrag van afgerond

€ 417 (5/6 deel van € 500) te vergoeden en de Minister € 83 (1/6 deel van € 500). Omdat het

bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister, gelet op

zijn beleidsregel van 8 juli 2014'°, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop

schriftelijk of mondeling verweer te voeren.

10 Stcrt. 2014, nr. 20210

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden

verklaard. Wel ziet de rechtbank in de schending van de hoorplicht en overschrijding van de

redelijke termijn aanleiding tot een proceskostenvergoeding en vergoeding van het

griffierecht.

Verzoek prejudiciële vragen

19. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen reden om

prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.

Proceskosten

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit)

voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor

het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde

per punt van € 525), waarbij de rechtbank de zaken aanmerkt als samenhangend als bedoeld

in artikel 3, eerste lid, van het Besluit. Van overige voor vergoeding in aanmerking

komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Voor een integrale proceskostenvergoeding

ziet de rechtbank geen aanleiding. Een hogere dan forfaitaire vergoeding op grond van

artikel 2, derde lid, van het Besluit kan slechts worden toegepast indien er sprake is van een

bijzondere omstandigheid. Uit de gedingstukken en hetgeen eiseres heeft gesteld, valt naar

het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden.

Het enkele feit dat eiseres zich op de zitting door twee personen heeft laten

vertegenwoordigen, kan niet als zodanig worden aangemerkt aangezien eiseres daar

kennelijk zelf voor heeft gekozen.

Hoogte griffierecht

21. Voor deze zaken is in verband met hun samenhang slechts een maal griffierecht

geheven. Nu verweerder zal worden opgedragen het betaald griffierecht aan eiseres te

vergoeden, behoeft de stelling van eiseres dat de hoogte van het griffierecht moet worden

afgestemd op de hoogte van de onderliggende vordering daarom geen behandeling.

Rente over het griffierecht

22. Eiseres heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van het

griffierecht. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat recht bestaat op een

vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiseres wordt uitbetaald

binnen vier weken na de datum van deze uitspraak. Dit heeft ook te gelden voor de overige

op grond van deze uitspraak aan eiseres te betalen vergoedingen.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil schending van de hoorplicht, wie de bewijslast heeft, of de heffingsmodaliteiten voor uit andere lidstaten afkomstige auto’s in strijd zijn met het Unierecht, of de auto als een ex-rental in de heffing moet worden betrokken, of is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot, of rekening moet worden gehouden met de algehele (mindere) staat van de auto, de schadevergoeding en de hoogte van de proceskostenvergoeding. Voorts verzoekt belanghebbende om een passende rentevergoeding.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot teruggaaf van de BPM en tot toekenning van vergoedingen wegens immateriële schade, proceskosten en gederfde rente.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Stellen van prejudiciële vragen

5.1.

Het Hof is, als instantie tegen wiens uitspraken cassatie kan worden ingesteld bij de Hoge Raad, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Schending hoorplicht

5.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht is geschonden omdat zij niet is gehoord. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde desgevraagd verklaard dat hij de voorwaarde, dat de Inspecteur de kentekengegevens van de auto’s in de dossiers moet steken voordat het hoorgesprek op juiste wijze kan worden gevoerd, niet heeft laten varen. Het Hof is van oordeel dat een dergelijke voorwaarde niet kan worden gesteld. De Inspecteur is niet verplicht kentekengegevens te verzamelen en te verstrekken (het Hof merkt ten overvloede op dat belanghebbende de meest gerede partij is om relevante gegevens over de auto te verzamelen en te verstrekken). Gelet op deze patstelling heeft terugwijzing om belanghebbende te horen geen zin. Het Hof voegt hieraan toe dat belanghebbende door deze gang van zaken uiteindelijk niet is benadeeld, omdat algemene standpunten worden aangevoerd, die tussen partijen al uitvoerig zijn besproken. Een zinvolle discussie over deze standpunten is niet langer mogelijk, heeft het Hof zelf mogen vaststellen.

Heffingsmodaliteiten

5.3.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsmodaliteiten die op de invoer van gebruikte auto’s uit andere lidstaten van toepassing zijn, strijdig zijn met het Unierecht. Het Hof verenigt zich met het oordeel van de Rechtbank op dit punt en maakt dit en de overwegingen daartoe tot de zijne.

5.4.

Het Hof stelt voorop dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat er waardeverminderende omstandigheden zijn (HR 17 januari 2020, nr. 18/03802, ECLI:NL:HR:2020:63). Belanghebbende heeft geen enkele concrete onderbouwing geleverd van zijn standpunt dat te veel BPM is geheven. Dat altijd van de voor belanghebbende gunstigste omstandigheid (zoals ex-rental en lagere CO2-uitstoot) mag worden uitgegaan ook als deze omstandigheid zich niet voordoet, is niet juist. Dit standpunt faalt. Dat bij gebruik van de koerslijst AutotelexPro standaard de vakjes voor slechte staat exterieur en slechte staat interieur mogen worden aangevinkt, wat zou moeten leiden tot een extra aftrek van € 250 per aangevinkt vakje, is niet juist. Ook voor deze keuzes geldt dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat deze omstandigheden zich voordoen.

Rentevergoeding

5.5.

Belanghebbende zal, om een passende rentevergoeding te krijgen, een verzoek moeten doen aan de ontvanger. Binnen deze procedure kan het verzoek niet worden behandeld (HR 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341 en 13 april 2018, nr. 17/01548, ECLI:NL:HR:2018:583). Dit geldt ook voor de vergoeding van rente over het wel verschuldigde bedrag aan BPM omdat, naar belanghebbende veronderstelt, de BPM voortijdig - in strijd met het Unierecht - en wel tien dagen te vroeg moet worden betaald. Ten overvloede verwerpt het Hof het standpunt dat de heffingssystematiek van BPM, in het bijzonder de heffing via voldoening op aangifte, in zoverre in strijd is met het Unierecht. Op de voldoening van BPM op nieuwe voertuigen is immers een vergelijkbare heffingssystematiek van toepassing. Ook voor deze voertuigen moet de BPM worden voldaan, voordat een kenteken wordt afgegeven. Voor alle voertuigen geldt dat de verschuldigde belastingen op aangifte moeten worden voldaan voordat de registratie plaatsvindt. De houder van een uit een andere lidstaat afkomstig voertuig wordt dus niet slechter behandeld in dit opzicht. De uitoefening van uit het Unierecht voortvloeiende rechten wordt belanghebbende niet bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt, althans belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De formele Unierechtelijke beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden niet geschonden. Het standpunt van belanghebbende faalt.

Schadevergoeding

5.6.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat uit het Unierecht volgt dat een schadevergoeding door een andere rechter of kamer moet worden vastgesteld dan de rechter of kamer die de hoofdzaak behandelt. Het Hof verwerpt dit standpunt onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad (HR 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623). Het Hof ziet overigens geen aanleiding voor een hogere schadevergoeding dan de Rechtbank heeft toegekend.

Proceskosten beroep

5.7.

Belanghebbende stelt zich onder verwijzing naar een rapport van de minister voor Rechtsbescherming Dekker op het standpunt dat de proceskostenvergoeding op een te laag bedrag is vastgesteld. Het Hof verwerpt dit standpunt. Het rapport waarop belanghebbende doelt, ziet op de indexatie van de bedragen per 1 juli 2021. Het Hof ziet geen reden voor een hogere proceskostenvergoeding dan de Rechtbank reeds heeft toegekend.

Griffierecht

5.8.1.

Belanghebbende klaagt in de kern erover dat zij ten onrechte het griffierecht voor het beroep en het hoger beroep eerst volledig moet betalen om het onderhavige belastinggeschil door de Rechtbank en het Hof te laten beoordelen. Dit Nederlandse systeem van het vooraf heffen van griffierecht, is volgens belanghebbende in strijd met het Unierecht. Bovendien moet op grond van het Unierecht de hoogte van het verschuldigde griffierecht worden beperkt tot maximaal 4% van de verschuldigde belasting, aldus belanghebbende.

5.8.2.

Deze klachten treffen naar het oordeel van het Hof, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, nr. 18/04973, ECLI:NL:HR:2019:1579, geen doel. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“3.1.3 (…) Uit het arrest Kantarev (Hof: Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018, N. Kantarev, C-571/16, ECLI:EU:C:2018:807), kan niet als algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4 procent van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Evenmin volgt uit dat arrest dat altijd een vermindering of ontheffing van griffierecht moet worden verleend wanneer het (financiële) belang van de zaak gering is. Of het griffierecht de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie aan particulieren toegekende rechten praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maakt en daarom in strijd is met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de hoogte van het verschuldigde recht al dan niet een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt en of er ontheffingsmogelijkheden bestaan (vgl. punten 134 en 135 van het arrest Kantarev).

3.1.4.

In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699). Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het in het arrest Kantarev bedoelde Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.

(…)’.

5.8.3.

Niet gezegd kan worden dat de heffing van de onderhavige griffierechten het voor belanghebbende uiterst moeilijk heeft gemaakt om de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep aan te wenden.

5.9.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, H.A.J. Kroon en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda. De beslissing is op 15 juli 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.