Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:141

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2021
Datum publicatie
16-02-2021
Zaaknummer
200.260.697/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2020:1922
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:2839, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldvordering verjaard. Tal van cessies. Miskenning devolutieve werking en gezag van gewijsde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.260.697/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/542854 / HA ZA 18-46

arrest van 9 februari 2021

inzake

[appellant] , handelend als lasthebber van de vennootschap Fine Star Trading Ltd.,

wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam,

tegen

KPN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: KPN (vrouwelijk enkelvoud),

advocaat: mr. K. Teuben te Den Haag.


Het verloop van het proces

1. Het verloop van het proces blijkt uit:
- het tussenarrest van 31 maart 2020 in het incident van artikel 223 Rv en de
daarin genoemde stukken, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van
de rechtbank Rotterdam van 10 april 20191 (hierna het vonnis of het
bestreden vonnis);
- de memorie van grieven, tevens voorwaardelijke vermeerdering van
grondslag (met producties);
- de memorie van antwoord;
- de akte van [appellant] van 11 augustus 2020;
- de antwoordakte van KPN van 15 september 2020.

Waar de zaak over gaat

2. Deze zaak gaat over een vordering op KPN wegens wanprestatie. [appellant] vordert
€ 1,1 miljard met rente. Volgens KPN is de vordering verjaard. De rechtbank heeft KPN in het bestreden vonnis gelijk gegeven. [appellant] is het hier niet mee eens.

Uitleg van de namen in dit dossier

3. Het hof zal eerst de namen toelichten van de (rechts)personen die op een of andere manier bij dit dossier betrokken zijn.
a) KPN: de rechtsopvolger van PTT Telecom BV (hierna: steeds KPN).
b) De heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]).
c) De heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]).
d) De heer [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]).
e) De heer [appellant] (hierna zoals gezegd: ).
f) Fine Star Trading Ltd.(hierna: Fine Star): een vennootschap naar het recht
van Hong Kong;
g) [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]): een voormalige eenmanszaak
van [betrokkene 2] .
h) [naam VOF] (hierna: ): een voormalige
vennootschap onder firma (VOF) met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als vennoten.
i) [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]): [appellant] handelde vroeger onder deze naam.
j) De contractanten: [appellant] (met [bedrijf 2]), [betrokkene 2] (met [bedrijf 1]) en
[naam VOF] .
k) Mevrouw [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]).

De vaststaande feiten

4. De feiten in het vonnis2 zijn niet betwist. Daarom gaat ook het hof hiervan uit. Samengevat staat het volgende tussen partijen vast.
(3.1) De contractanten hadden in de jaren tachtig van de vorige eeuw overeenkomsten gesloten met KPN voor het gebruik van 06-koopnummers waarmee sekslijnen werden geëxploiteerd. De contractanten hadden [betrokkene 1] ingeschakeld voor de exploitatie van de sekslijnen.
(3.2) KPN heeft op een gegeven moment de betreffende overeenkomsten opgezegd wegens vermoeden van fraude.
(3.3) [betrokkene 1] heeft hierna op 1 juli 1996 een procedure tegen KPN aanhangig gemaakt ter verkrijging van schadevergoeding, kort gezegd op grond van onrechtmatig handelen van KPN. Deze vordering is gedeeltelijk toegewezen bij eindarrest van het hof van 28 juni 2007. KPN is daarbij veroordeeld om aan [betrokkene 1] schadevergoeding te betalen (op te maken bij staat). Deze beslissing is onherroepelijk na de uitspraak van de HR van 2 oktober 2009 waarbij het cassatieberoep van KPN is verworpen. De contractanten waren in deze procedure geen partij. Het hof zal hierna spreken over: ‘procedure [betrokkene 1] ’.
(3.4) De contractanten hebben bij inleidende dagvaarding van 28 november 2008 een procedure aanhangig gemaakt tegen onder meer KPN. Zij hebben daarin een schadevergoeding van € 1,1 miljard gevorderd wegens wanprestatie (eenzijdige beëindiging van de overeenkomsten voor het gebruik van 06-koopnummers). Dit heeft geleid tot een eindvonnis van 20 juli 2011, waarin de rechtbank tot de slotsom is gekomen dat de contractanten de gestelde vordering tegen KPN in die procedure niet konden effectueren. Fine Star, die zich in die procedure had gevoegd, en [appellant] zijn hiervan in hoger beroep gegaan, zonder succes zoals blijkt uit het arrest van het hof van 29 oktober 2013. Het cassatieberoep van [appellant] is verworpen bij arrest van de HR van 10 juli 2015. Het arrest van het hof is dus onherroepelijk. Het hof zal hierna spreken over ‘de 1ste procedure’.3
(3.5) Op 22 april 2016 is [appellant] , deze keer als lasthebber van Fine Star, weer een procedure tegen KPN begonnen. Volgens [appellant] was Fine Star door cessie van 26 juni 2012 rechthebbende geworden van de vorderingen op KPN. De vorderingen van [appellant] zijn door de rechtbank Den Haag bij vonnis van 12 april 2017 afgewezen4. Dit vonnis is eveneens onherroepelijk. Het hof zal hierna spreken over ‘de 2e procedure’.

De procedure bij de rechtbank

5. [appellant] vordert thans in de derde procedure (hierna: ‘de 3e procedure’), wederom als lasthebber van Fine Star, veroordeling van KPN tot betaling van schadevergoeding van € 1,1 miljard wegens genoemde wanprestatie van KPN. Hij stelt in dit verband het volgende: [betrokkene 4] heeft de vorderingsrechten van contractanten op 25 juli 1994 verworven. Op 14 november 2017 heeft [betrokkene 4] deze geleverd aan Fine Star.

6. De rechtbank heeft de vordering afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, samengevat, overwogen dat, als Fine Star al een vordering gehad zou hebben op KPN, deze is verjaard.

Beoordeling van het hoger beroep

Opmerkingen vooraf

7. [appellant] beroept zich vele malen op het gezag van gewijsde van diverse rechterlijke beslissingen in voormelde procedures. Daarbij miskent hij niet alleen veelal de ‘devolutieve werking’, maar ook de essentie van het begrip ‘gezag van gewijsde’.
Daarnaast leest [appellant] bij herhaling rechterlijke uitspraken niet juist5. Wanneer de rechter slechts een standpunt van een partij weergeeft, betekent dit niet dat dit het standpunt van de rechter zelf is laat staan dat dit door de rechter als vaststaand is aangemerkt.
De devolutieve werking en het gezag van gewijsde

8. De partij die in eerste aanleg gelijk heeft gekregen (zoals in dit geval KPN in ‘de 1ste procedure’, ‘de 2e procedure’ en de ‘3e procedure’) hoeft niet incidenteel in hoger beroep te gaan tegen in eerste aanleg niet-besproken of verworpen stellingen (de devolutieve werking). Achtergrond hiervan is, kort gezegd, dat die partij (in dit geval KPN) toch al gelijk heeft gekregen, zodat deze partij in zoverre geen belang heeft bij hoger beroep. In verband met de afwenteling van het geschil op de hogere rechter, moet de hogere rechter bovendien bij het slagen van een of meer grieven toch de weren van de wederpartij bespreken. Het andersluidende betoog van [appellant]6 is niet juist.

9. Op grond van artikel 236 Rv (over het gezag van gewijsde) komt bindende kracht toe aan onherroepelijke beslissingen die tussen dezelfde partijen in een ander geding zijn genomen. In essentie strekt het leerstuk van gezag van gewijsde ertoe een einde te maken aan geschillen die in wezen dezelfde rechtsbetrekking betreffen. Bij pluraliteit van partijen moet uit de eerdere rechterlijke uitspraak blijken jegens welke partij de beslissing is genomen. Negatieve beslissingen (zoals een niet-ontvankelijkheid) kunnen niet in een andere procedure met een a-contrario-redenering worden omgezet in een positieve beslissing over de ontvankelijkheid van een andere partij. [appellant] miskent telkens voormelde uitgangspunten wanneer hij zich beroept op de bindende kracht van beslissingen in andere procedures.7
Betekenis voor deze procedure

10. Toegespitst op deze zaak betekent dit alles het volgende.
a) In de ‘Procedure [betrokkene 1] ’ waren de contractanten (onder wie [appellant] ) en Fine Star geen partij. Reeds hierom kan artikel 236 Rv terzake niet worden ingeroepen door [appellant] en/of Fine Star.
b) Aan beslissingen in kort geding komt geen gezag van gewijsde toe. In kort geding wordt immers slechts een voorziening getroffen op basis van voorshands aangenomen feiten. Voor zover [appellant] terzake het gezag van gewijsde heeft ingeroepen, gaat het hof hieraan voorbij.
c) KPN heeft in de andere procedures waarbij [appellant] en/of Fine Star betrokken waren/was, uiteindelijk steeds gelijk gekregen. Dit betekent dat over de weren van KPN die in die procedures niet besproken of verworpen zijn, geen beslissingen zijn genomen die in de zin van artikel 236 Rv tussen partijen gelden. De rechter (in eerste aanleg en/of in hoger beroep) heeft deze immers niet (verder) hoeven te bespreken, zodat hierover niet is beslist in voormelde zin.
d) De door [appellant] gestelde aansprakelijkheid, schadehoogte en de geldigheid van cessies zijn in eerdere procedures tussen partijen niet met gezag van gewijsde vastgesteld. Onder meer de stellingen in 52 , 54, 55 en 56 memorie van grieven worden verworpen.

Beoordeling van de grieven

De grieven 1 en 2

11. Met inachtneming van het voorgaande overweegt het hof verder als volgt. Zoals reeds is overwogen, is in deze ‘3e procedure’ tegen KPN weer de rechtsvordering tot betaling van de door contractanten geleden schade aan de orde. Volgens [appellant] heeft Fine Star deze vordering op 14 november 2017 van [betrokkene 4] verkregen. De rechtbank heeft het meest verstrekkende verweer van KPN, namelijk dat de rechtsvordering is verjaard, geaccepteerd. Volgens de rechtbank (in overweging 4.8) is gesteld noch gebleken dat de vordering van [betrokkene 4] op KPN in de periode 25 juli 1994 tot aan de beweerdelijke cessie aan Fine Star op 14 november 2017 is gestuit. De rechtbank is daarom niet aan de andere weren van KPN toegekomen.

11. Het hof zal evenals de rechtbank (voor de discussie; dus niet als vaststaand) veronderstellenderwijs aannemen (i) dat [betrokkene 4] de vorderingen op 25 juli 1994 heeft verworven en (ii) dat [betrokkene 4] de vorderingen vervolgens op 17 november 2017 aan Fine Star heeft geleverd. De grieven 1 en 2 (over de verwerving door [betrokkene 4] in 1994 en de voorwaardelijke uitbreiding van grondslag) hoeven daarom niet besproken te worden.
De grieven 3, 4 en 5

11. Deze grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen zijn verjaard. Op grond van artikel 6:145 BW kan KPN (als aangesproken schuldenaar) zich ook jegens Fine Star (als verkrijger van de vordering) op verjaring beroepen.

11. Het hof stelt voorop dat KPN in eerste aanleg (en ook in hoger beroep) wel degelijk het verweer heeft gevoerd dat de vordering is verjaard8. Dit betekent dat [appellant] dient aan te tonen dat de vordering steeds tijdig door [betrokkene 4] (als schuldeiseres) is gestuit gedurende de ruim 23 jaren dat [betrokkene 4] in de visie van [appellant] rechthebbende is geweest op de vordering. Niet in geschil is immers dat de verjaringstermijn 5 jaar bedraagt.

15. Stuiting in de zin van artikel 3:317 BW is niet aan de orde. Niet is immers gesteld of gebleken dat [betrokkene 4] als schuldeiseres in die periode door een schriftelijke aanmaning of mededeling (in de zin van artikel 3:317 BW) de verjaring heeft gestuit.

15. [appellant] doet een beroep op stuiting in de zin van artikel 3:316 BW.

15. Naar het hof begrijpt beroept [appellant] zich in 70 tot en met 75 memorie van grieven (overigens niet met de vereiste nauwkeurigheid) op de bindende kracht (het gezag van gewijsde) van beslissingen in eerdergenoemde uitspraken. Dit beroep gaat niet op. Het hof verwijst daartoe naar zijn overwegingen 7 tot en met 10.

15. Daarnaast beroept [appellant] zich (in 79 memorie van grieven) op stuitingshandelingen van Fine Star als koper in 2004 en 2008. Deze stelling verdraagt zich niet met het door [appellant] verkondigde standpunt, tevens uitgangspunt in deze procedure, dat Fine Star in 2017 koper van de vordering is geweest. Het hof gaat reeds hierom aan deze stelling voorbij. Het hof gaat eveneens voorbij aan de stelling van [appellant] (in 80 en 81 memorie van grieven) dat [betrokkene 4] zich al in 2004 had verbonden om de vorderingsrechten aan Fine Star te leveren, zodat toen al een rechtsverhouding tussen [betrokkene 4] en Fine Star tot stand is gekomen die mede de bevoegdheid tot stuiting inhield. Welke rechtsverhouding [appellant] hier op het oog heeft is onduidelijk gebleven, waardoor enerzijds KPN zich daartegen niet verder kan verweren dan zij heeft gedaan en het hof niet kan nagaan of die rechtsverhouding, wat die overigens zou inhouden, de bevoegdheid tot stuiting inhield.

15. [appellant] heeft (in 81 memorie van grieven) ook nog gesteld dat het beoordelen van stuitingshandelingen van vóor 10 juli 2015 (het arrest van de HR in ‘de 1ste procedure’) in strijd is met het gezag van gewijsde. Deze stelling is reeds besproken (in overwegingen 7 tot en met 10 en overweging 17) en wordt verworpen. Wat [appellant] bedoelt met zijn stelling dat het beoordelen van stuitingshandelingen van vóór 10 juli 2015 in strijd is met het Unierecht, ontgaat het hof.
|

15. Tot slot heeft [appellant] nog een beroep gedaan op het tweede lid van artikel 3:316 BW (memorie van grieven 82 tot en met 86 en samenvatting op blz 31). Het hof begrijpt dit beroep als volgt. Na ‘de 1ste procedure’ (geëindigd met het arrest van de HR van 10 juli 2015) heeft [appellant] opnieuw de afgewezen eis in rechte herhaald, hetgeen een rechtsgeldige stuiting oplevert.
Ook deze stelling faalt. Los van het feit dat de grondslag van de procedures verschillend is, miskent [appellant] hiermee dat ‘de 2e procedure’ pas bij dagvaarding van 22 april 2016 aanhangig is gemaakt. Dit is later dan de vereiste zes maanden. Bovendien is de eis in deze ‘de 2e procedure’ afgewezen bij vonnis van 12 april 2017. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld. Aan de tweede cumulatieve eis van art 3:316 lid 2 BW is evenmin voldaan.

15. Het beroep van [appellant] (memorie van grieven 87) op de redelijkheid en billijkheid, dan wel op strijd met een goede procesorde, wordt als ongegrond gepasseerd, evenals het beroep op het EVRM.

15. De grieven 3, 4 en 5 worden eveneens verworpen.
Overige stellingen

15. Bij akte van 11 augustus 2020 heeft [appellant] als nieuwe stelling naar voren gebracht dat vanwege betalingen van Fine Star aan [betrokkene 4] op grond van de akte uit 2012 een debiteur-crediteur relatie is ontstaan tussen [betrokkene 4] en Fine Star, die meebrengt dat stuitingshandelingen van Fine Star aan [betrokkene 4] kunnen worden toegerekend. Het hof gaat hieraan voorbij, reeds omdat deze stelling in strijd is met de ‘twee-conclusie-regel’. Daarbij komt dat de vordering al vóór 2012 was verjaard.

Slotsom

24. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. In dit verband benadrukt het hof dat de overige weren van KPN niet besproken hoeven te worden en dat hierop dus niet is beslist. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Er zijn geen concrete feiten te bewijzen aangeboden. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in de hoofdzaak. Over de kosten van het incident is al beslist.

Beslissing


Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van 10 april 2019;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van KPN tot op heden begroot op € 5.382 aan griffierecht en € 8.265 aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, P. Glazener en R.F. Groos en is getekend en uitgesproken door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers ter openbare terechtzitting van 9 februari 2021 in aanwezigheid van de griffier.

1 ECLI:NL:RBROT:2019:2839

2 Overwegingen 2.1 tot en met 2.26.

3 Zie voor uitgebreide beschrijving van ‘de 1ste procedure’: overwegingen 2.7 tot en met 2.25 vonnis

4 Zie overweging 2.26 van het bestreden vonnis.

5 Zie bijvoorbeeld het beroep op overweging 4.3 van het bestreden vonnis.

6 Zie onder meer nummer 2 bij akte van 11 augustus 2020

7 Zie onder meer nummers 2 en 3 bij akte van 11 augustus 2020.

8 §5 conclusie van antwoord.