Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1388

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
08-10-2021
Zaaknummer
200.266.432/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verwijzing na cassatie (ECLI:NL:HR:2017:3260). Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Zorgvuldigheidsplicht. Heeft advocaat cliënt voldoende geïnformeerd en gewaarschuwd voor risico's?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.266.432/01

Zaaknummer rechtbank : C/13/553635 / HA ZA 13-1711

Zaaknummer hof Amsterdam : 200.167.539/01

Zaaknummer Hoge Raad : 16/04938

arrest van 4 mei 2021

inzake

[appellant] ,

wonende te gevestigd te [woonplaats],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mrs. Th.F. de Jong en N. Hof te Amsterdam

tegen

Dentons Boekel N.V. (voorheen: Boekel de Nerée),

gevestigd te Amsterdam,

hierna: Boekel,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.F. Hendriksen te Amsterdam.

1 Het verloop van geding

1.1

Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3260 (hierna: het arrest van de Hoge Raad) verwijst het hof naar dat arrest. Daarin heeft de Hoge Raad het arrest van het hof te Amsterdam van 21 juni 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:2387) vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

1.2

Bij exploot van 16 september 2019 heeft [appellant] Dentons opgeroepen om te verschijnen voor dit hof om voort te procederen. [appellant] heeft een memorie na cassatie en verwijzing genomen, met producties, en Dentons een antwoordmemorie na cassatie en verwijzing, eveneens met producties.

1.3

Partijen hebben hun zaak vervolgens schriftelijk bepleit waarna arrest is bepaald.

2 De feiten

2.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.2

Rubatex B.V. (hierna: Rubatex) was eigenaar van een perceel grond met opstallen, plaatselijk bekend als [terrein] (hierna: het terrein). Rubatex exploiteerde op het terrein een latexfabriek. Rubatex is in 1994 in liquidatie getreden, waarna haar vermogen is vereffend.

2.3

Bij beschikking van 5 juni 1997 heeft de provincie Noord-Holland (hierna: de Provincie) besloten dat op het terrein sprake was van ernstige bodemverontreiniging en dat de sanering van het terrein als urgent werd beschouwd.

2.4

Op 14 december 1998 verkregen [appellant] en [zakenpartner], voormalig zakenpartner van [appellant] (hierna: [zakenpartner] ), voor een bedrag van NLG 100.000,- het eerste en tweede hypotheekrecht op het terrein.

2.5

In oktober/november 1999 hebben [appellant] en [zakenpartner] zich gewend tot [advocaat 1], destijds werkzaam als advocaat bij Boekel (hierna: [advocaat 1] ), voor advies bij het uitwinnen van hun hypotheekrechten op het terrein.

2.6

In de periode van 21 januari 2000 tot 23 maart 2000 hebben er in opdracht van de Provincie op het terrein en het naastgelegen perceel saneringswerkzaamheden plaatsgevonden. Op 7 december 2000 is er ter zake van deze saneringswerkzaamheden door ingenieursbureau Oranjewoud B.V. (hierna: Oranjewoud) een “Rapport Evaluatie sanering Rubatex-terrein ’s-Gravelandseweg 22 en 23 te Weesp ” opgesteld (hierna: het Oranjewoud-rapport). In het Oranjewoud-rapport staat onder meer vermeld:

Samenvatting :

(…)

Uit de verrichte bodemonderzoeken was gebleken dat op het voormalige Rubatex-terrein, het aangrenzende oostelijke graslandperceel en het slib in de perceelsloot tussen deze terreinen licht tot sterk verontreinigd waren met zware metalen en/of PAK.

(…)

- De strook grond langs de oostelijke perceelsloot op het Rubatex-terrein wordt functioneel gesaneerd door middels van het ontgraven tot een diepte van 1 m -mv doch tot een diepte voor zover zonder toepassing van bouwkundige maatregelen (damwanden e.d) mogelijk is.

(…)

In totaal is tijdens de sanering 4.988 ton verontreinigde grond afgegraven.

(…)

Op het Rubatex-terrein is voor de aanvullingen in totaal 700 m3 (vast) schoon aanvulzand geleverd en verwerkt en vervolgens afgedekt met een laagje teelaarde (25 m3). Op het graslandperceel is voor het aanvullen 2.740 m3 (vast) humeuze grond geleverd en verwerkt.

(…)

Buiten de ontgravingsgrenzen op het Rubatex-terrein moet bij graafwerkzaamheden rekening worden gehouden met sterke verontreinigingen in de bodem en dienen op dat moment de nodige veiligheidsvoorzieningen te worden getroffen.

Eventueel hierbij vrijkomende verontreinigde grond dient op verantwoorde wijze te worden afgevoerd en verwerkt. (…)

2.7

Begin 2000 hebben [appellant] en [zakenpartner] de opdracht aan [advocaat 1] uitgebreid.

[advocaat 1] zou hen – in ieder geval – adviseren op de volgende drie punten: 1) het verkrijgen van de eigendom van het terrein, 2) het ontruimen van krakers en 3) het afkopen van de vordering van de Staat uit ongerechtvaardigde verrijking vanwege de uitgevoerde sanering van de aangetroffen bodemverontreiniging. [appellant] en [zakenpartner] hebben geen advies gevraagd met betrekking tot de eventuele herontwikkeling en vervolgbestemming van het terrein.

2.8

Bij brief van 16 april 2000 heeft [advocaat 1] onder meer aan [appellant] en [zakenpartner] bericht:

“(…)

Het object is een beschermd monument en onderwerp van twee besluiten als bedoeld in art. 55 Wet Bodembescherming, hetgeen kort gezegd betekent dat het perceel ernstig verontreinigd is.

(…)

Bovendien bestaat de mogelijkheid dat de vordering van de Staat nog (veel) groter wordt met het voortduren van de saneringswerkzaamheden die op dit moment kennelijk plaatsvinden. Er dient rekening mee te worden gehouden dat die saneringskosten op grond van ongerechtvaardigde verrijking kunnen worden verhaald op de eigenaar c.q. een eventuele nieuwe eigenaar. (…)

U gaf onlangs aan bereid te zijn het risico van een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking te nemen en te willen bezien of met de heer Wenselaar (de vereffenaar van Rubatex, hof) overeenstemming kan worden bereikt over verwerving van de eigendom van het object door u voor een gering bedrag. (…)

2.9

[advocaat 1] is vervolgens – namens [appellant] en [zakenpartner] – met [advocaat 2], de landsadvocaat van de Staat (hierna: [advocaat 2]), in overleg getreden over rechtstreekse afkoop van de vordering van de Staat uit ongerechtvaardigde verrijking vanwege de uitgevoerde sanering van de aangetroffen bodemverontreiniging.

2.10

Bij brief van 11 juli 2001 heeft [advocaat 1] onder meer aan [appellant] en [zakenpartner] geschreven:

“(…) Als van Rubatex wordt gekocht, zal dat naar ik verwacht wel zonder enige garantie van de zijde van Rubatex zijn. Het perceel en de opstallen zullen derhalve worden gekocht in de staat waarin een en ander zich op dit moment bevindt, dus inclusief alle eventuele restverontreiniging in de grond alsmede eventuele gebreken en verontreiniging in/aan de opstallen. (…)

2.11

Bij e-mail van 7 augustus 2001 heeft [advocaat 1] onder meer aan [appellant] geschreven:

“(…) De afkoop van de saneringsclaim zal betrekking hebben op alle werkzaamheden die van de zijde van de Staat zijn uitgevoerd, maar zonder garantie van de zijde van de Staat over de huidige staat van het perceel. De landsadvocaat liet tijdens onze bespreking immers weten dat hij verwacht dat er nog wel verontreiniging zal zijn, maar dat niet duidelijk is om welke mate van verontreiniging het gaat. (…)

Vervolgens zal door ons notariaat een koopakte worden opgesteld. Koop door en levering aan een nog op te richten monumenten BV/stichting. Fiscale aspecten doe jij, al dan niet samen met V. Wagensveld . (…)”

2.12

Bij brief van 9 augustus 2001 heeft de vereffenaar van Rubatex onder meer aan [appellant] geschreven:

“(…)

- U bent bereid tot aankoop over te gaan van de terreinen van Rubatex BV te Weesp;

- U bent op de hoogte van de thans nog resterende bodemvervuiling ter plaatse; (…)”

2.13

Op 10 augustus 2001 heeft [advocaat 1] een conceptbrief aan [advocaat 2] ter becommentariëring aan [appellant] en [zakenpartner] voorgelegd. In de brief is onder meer opgenomen:

“(…) Cliënten gaan er van uit dat de bodemgesteldheid ter plaatse door de sanering thans zodanig is, dat de komende jaren geen nadere sanering dient te worden uitgevoerd, althans niet op last van de overheid (…).

Voor cliënten is het derhalve van groot belang dat zij er van verzekerd zijn dat zij door deze afspraak ook gevrijwaard zijn voor vorderingen van andere overheden die verband houden met de sanering van het onderhavige perceel. Bovendien willen zij er ook van verzekerd zijn dat na het totstandkomen van de onderhavige overeenkomst niet opnieuw van overheidswege een saneringsverplichting wordt opgelegd. (…). Zoals besproken zijn cliënten bereid om deze vrijwaringsverplichting voor toekomstige saneringskosten in tijd te beperken tot 5 jaren na het sluiten van deze overeenkomst. (…)”

2.14

In reactie op de conceptbrief heeft [zakenpartner] op 13 augustus 2001 het volgende aan [advocaat 1] geschreven:

“Wat ik echter niet snap is de termijn van 5 jaar (…) Dat bevalt mij lekker niets! Of de grond is nu schoon of hij is het niet! Als het niet zo is moeten ze nu aangeven wat er nog moet gebeuren en als ze dat niet doen het boek lekker sluiten! We moeten geen open eind hebben! Immers, doorverkopen van het object is waarschijnlijk en dat lukt een stuk minder makkelijk als er toch (al is het over vijf jaar) een claim vd overheid aan komt!

EC”.

2.15

Bij e-mail van 13 augustus 2001 heeft [advocaat 1] hier als volgt op gereageerd:

“Ik zal de termijn weghalen, maar ik verwacht dat de Staat daar moeilijk over gaat doen. We zullen zien.

De Staat is niet bereid om garanties te geven m.b.t. de gesteldheid van de grond. Daarom liet Braams tijdens het gesprek ook meerdere malen expliciet weten dat er waarschijnlijk nog wel verontreiniging zou bestaan.(…)”

2.16

[zakenpartner] heeft in reactie daarop bij e-mail van 13 augustus 2001 het volgende aan [advocaat 1] geschreven:

“(…) Echter de staat zou exact moeten weten (en weet dat ook – zie enorm dik rapport) wat er nog wel en niet in aanmerking komt voor “schonen”. En ik stel dus voor dat wij een advies toevoegen of zo iets. Ik voel NIETS voor een tijdbom. (…)”

2.17

Bij brief van 22 augustus 2001 heeft [advocaat 1] het uiteindelijke voorstel (conform de conceptbrief van 10 augustus 2001, zonder de termijn van vijf jaren) aan [advocaat 2] verzonden. Bij brief van 25 september 2001 heeft [advocaat 2] hierop als volgt gereageerd:

“(…) Ten aanzien van de gevraagde verzekering dat niet opnieuw van overheidswege een saneringsverplichting (…) wordt opgelegd, wijs ik u er op dat dit een bevoegdheid van de provincie Noord-Holland betreft. Overigens heeft de provincie (…) ingestemd met het resultaat van de sanering en daarbij tevens bepaald dat sanering van de resterende verontreiniging niet urgent is. In een dergelijk geval is (…) verdere sanering in het kader van de Wbb niet aan de orde vóór 2015. (…).

Gelet op het bovenstaande stelt de Staat het volgende voor. Tegen betaling (…) door uw cliënten, ziet de Staat af van zijn huidige en mogelijkerwijs toekomstige vordering(en) op grond van ongerechtvaardigde verrijking jegens hen terzake van de geconstateerde verontreiniging op het onderhavige perceel. Verder verleent de Staat de door uw cliënten gevraagde vrijwaring op grond van ongerechtvaardigde verrijking voor vorderingen van andere overheden die verband houden met de uitgevoerde danwel de mogelijkerwijs nog uit te voeren sanering(en) van het onderhavige perceel. (…)”

2.18

Op 30 november 2001 hebben [zakenpartner] en [appellant] het voorstel van de Staat aanvaard.

2.19

Begin juni 2002 hebben [appellant] en [zakenpartner] Boekel verzocht, ten behoeve van de financiering van de aankoop van het terrein, stukken toe te zenden waaruit de huidige staat van de grond van het terrein blijkt. In reactie op dit verzoek heeft [advocaat 3] , werkzaam bij Boekel (hierna: [advocaat 3] ), bij brief van 18 juni 2002 onder meer aan [appellant] geschreven:

“(…) Hierbij zend ik u, mede namens [advocaat 1] , ten behoeve van de bank, de stukken, waaruit de huidige staat van de grond van het terrein Rubatex blijkt.

(…)

Concluderend bestaat er thans dus nog wel bodemverontreiniging op het perceel Rubatex, doch is er geen risico dat hieromtrent nog enige kosten voor rekening van u en de heer [zakenpartner] zullen komen. (…)”

2.20

Op 10 september 2002 hebben [zakenpartner] en [appellant] een besloten vennootschap, Monumentenvennootschap Veldzicht B.V., opgericht (hierna: Veldzicht)t teneinde het terrein fiscaal gunstig te kunnen verwerven. Op 25 oktober 2002 is het terrein door Rubatex aan Veldzicht geleverd.

2.21

Op of omstreeks 8 februari 2005 heeft [appellant] Boekel gevraagd of de kosten van nadere sanering ten behoeve van de ontwikkeling van het terrein voor woningbouw voor rekening van de Staat kunnen worden gebracht. [advocaat 1] heeft hierop bij brief van 21 maart 2005 als volgt gereageerd:

“(…) Een garantie dat het perceel 100% schoon zou zijn cq. dat de bodemgesteldheid zou voldoen voor alle bestemmingen is door de Staat niet gegeven. (…) Door de Staat is geen garantie gegeven voor het geval nadere sanering noodzakelijk zou zijn in verband met een wijziging van de bestemming cq. een van de toenmalige bestemming afwijkend gebruik.

Nu het thans kennelijk gaat om een sanering in verband met een artikel-19 procedure, verwacht ik gezien het voorgaande dat de daarmee gemoeide kosten naar het oordeel van de rechter niet op de Staat zullen kunnen worden verhaald onder de afspraken van augustus-december 2001.”

2.22

Omstreeks 29 april 2005 heeft Boekel de Provincie verzocht het Oranjewoud-rapport toe te zenden. Boekel heeft dit rapport, na ontvangst, op 9 juni 2005 aan [appellant] doorgestuurd.

2.23

Begin januari 2006 heeft [appellant] een kopie van het Oranjewoud-rapport bij Boekel opgevraagd. Bij e-mail van 11 januari 2006 heeft [advocaat 1] [appellant] bericht dat hij het rapport bij brief van 9 juni 2005 al aan hem had verzonden. In die e-mail geeft [advocaat 1] – desgevraagd – tevens advies ten aanzien van de koopinformatie voor potentiële kopers van het terrein. Dit betreft (onder meer) het volgende:

“(…) Wat de verkoopinformatie betreft; het verdient aanbeveling om in de verkoopinformatie te vermelden dat in 2000 van overheidswege sanering van de bodem heeft plaatsgevonden en daarbij te verwijzen naar het evaluatierapport. (…).”

2.24

Nadien, in 2006/begin 2007, heeft Veldzicht Oranjewoud opdracht gegeven om een rapport op te stellen. Bij e-mail van 25 april 2007 heeft [appellant] vervolgens het volgende aan [advocaat 1] bericht:

“(…) Heb zojuist het rapport besproken dat ik Oranjewoud heb laten maken om inzicht te krijgen in de staat van de grond voor wat betreft de verontreiniging.

Mijn angst was terecht. Op het terrein is nog steeds sprake van zware verontreiniging (…) Ik ben voornemens om met de ontwikkeling van het terrein te beginnen in mei a.s.

Zoals je weet heeft de vennootschap bij het afkopen van de claim die er lag na een ingrijpende sanering een vrijwaring van de overheid gekregen inzake de verplichting om de bestaande verontreiniging te saneren. Ik stel voor dat we nu aktie ondernemen richting overheid. (...)”

2.25

Bij brief van 14 mei 2008 heeft Boekel namens [appellant] de Staat aansprakelijk gesteld voor alle schade in verband met de nadere sanering. Bij brief van 2 juni 2008 heeft [advocaat 2] namens de Staat de aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.26

Bij brief van 17 juni 2009 hebben [appellant] en Veldzicht Boekel aansprakelijk gesteld in verband met in 2001 en 2002 beweerdelijk gemaakte beroepsfouten. Op 25 november 2009 heeft Boekel de aansprakelijkheid afgewezen.

2.27

Op 11 januari 2010 is een derde rapport van Oranjewoud beschikbaar gekomen. In dat rapport is het volgende opgenomen:

“(…) Op het voormalige Rubatex-terrein heeft geen bodemsanering plaatsgevonden behoudens de bovengrond van een smalle grondstrook langs de watergang aan de oostzijde van het terrein. Op het naastgelegen terrein aan de zuidoostzijde van de locatie heeft in 2000 een bodemsanering plaatsgevonden (boomgaard) alsmede een deel van de waterbodem van de watergang tussen de boomgaard en het Rubatex-terrein.

Uit bovenstaande beschrijving blijkt dat tot het recent uitgevoerde onderzoek nagenoeg geen bodemsanering heeft plaatsgevonden op het terrein van Rubatex. (…)”

2.28

Naar aanleiding van dit rapport hebben [appellant] en Veldzicht Boekel op 18 mei 2011 opnieuw aansprakelijk gesteld. Op 1 november 2011 heeft Boekel iedere aansprakelijkheid afgewezen.

3 Procesverloop

3.1

Tegen de achtergrond van de onder 2 vermelde feiten hebben [appellant] en Veldzicht (hierna: [appellant] c.s.) bij dagvaarding van 1 november 2013 Boekel gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en daarbij gevorderd een verklaring voor recht dat Boekel jegens hen toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen uit hoofde van de met hen gesloten overeenkomsten van opdracht, met veroordeling van Boekel tot betaling van de door [appellant] c.s. geleden schade, nader op te maken bij staat, en veroordeling van Boekel in de kosten.

3.2 ’

t Hoen c.s. hebben aan hun vorderingen – kort gezegd en voor zover in hoger beroep nog van belang – ten grondslag gelegd dat Boekel toerekenbaar tekort is geschoten omdat [advocaat 1] hen nooit expliciet heeft gewaarschuwd dat er slechts een beperkte sanering van het terrein heeft plaatsgevonden en dat daarna nog steeds sprake was van substantiële bodemverontreiniging. Volgens [appellant] c.s. hebben zij door de toerekenbare tekortkomingen van Boekel schade geleden, onder meer doordat zij niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden tot aankoop van het terrein zouden zijn overgegaan als Boekel hen adequaat had geadviseerd over de beperkte omvang van de uitgevoerde sanering. Ook zouden zij andere beslissingen ten aanzien van de ontwikkeling en financiering van het terrein en de fiscale structurering van het project hebben genomen als Boekel hen adequaat over de risico’s zou hebben geadviseerd.

3.3

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] c.s. afgewezen. Volgens de rechtbank zag de opdracht aan [advocaat 1] ten tijde van de verwerving van het terrein in 2002 niet op de herontwikkeling dan wel de vervolgbestemming van het terrein en is gesteld noch gebleken dat [advocaat 1] op de hoogte was van de eventuele plannen tot herontwikkeling. [advocaat 1] hoefde dan ook niet op eigen initiatief te waarschuwen over de hoogte van aanvullende saneringskosten bij herontwikkeling. Als de exacte bodemgesteldheid voor

[appellant] van belang was, had het op zijn weg gelegen om daarover nader advies te vragen. Het had voor [appellant] verder duidelijk moeten zijn dat de overeenkomst met de Staat alleen zag op claims uit ongerechtvaardigde verrijking van de Staat, niet op eventuele saneringskosten die [appellant] zelf zou maken indien hij na een bestemmingsplanwijziging zou overgaan tot sanering. Daarnaast heeft de rechtbank het verwijt dat Boekel in haar advisering omtrent de fiscale structurering van de aankoop van het terrein zou zijn tekortgeschoten verworpen.

3.4

Tegen dit vonnis zijn [appellant] c.s. onder aanvoering van dertien grieven in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. Daarbij hebben zij geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de fiscale advisering.

3.5

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 21 juni 2016 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd voor zover het de afwijzing van de vorderingen van Veldzicht betreft en vernietigd voor zover de rechtbank de vorderingen van [appellant] had afgewezen. Het hof heeft voor recht verklaard dat Boekel jegens [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen uit hoofde van de met hem gesloten overeenkomst van opdracht en Boekel veroordeeld tot betaling van de door [appellant] geleden schade, nader op te maken bij staat. Het hof overwoog, samengevat weergegeven, dat van [advocaat 1] ook zonder expliciete opdracht mocht worden verwacht dat hij zich op grond van de beschikbare stukken een beeld zou vormen van de afloop van de sanering die de Provincie had uitgevoerd om de restrisico’s in te kunnen schatten en daarover zonodig nader te adviseren. [advocaat 1] had het Oranjewoud-rapport van 7 december 2000, waarvan hij mocht aannemen dat het bestond, moeten opvragen en ervan kennis moeten nemen. Daaruit had hij kunnen afleiden dat moest worden uitgegaan van ernstige verontreiniging van aanmerkelijke omvang. [appellant] heeft bij herhaling laten weten op dat vlak geen enkel risico te willen lopen. De bagatelliserende mededelingen van [advocaat 1] volstaan niet als voldoende duidelijke waarschuwing. Het beroep op eigen schuld van [appellant] omdat hij, wetende van restverontreiniging, geen onderzoek heeft laten uitvoeren, faalt nu Van Dijk hierover moest adviseren. De brief van [advocaat 3] van 18 juni 2002 staat niet in een voldoende rechtstreeks verband met de eerdere advisering van Van Dijk. Het beroep op verjaring van Boekel faalt evenals het beroep op art. 6:89 BW. De mogelijkheid van schade van [appellant] is aannemelijk, hetgeen volstaat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, aldus het hof Amsterdam.

3.6

Boekel heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof vernietigd en daartoe, samengevat weergeven, het volgende overwogen. Boekel is in haar cassatieberoep, voor zover gericht tegen Veldzicht, niet-ontvankelijk (3.4). Het hof heeft niet vastgesteld dat de stelling van Boekel dat [appellant] in 2000 en 2001 over het Oranjewoud-rapport beschikte onjuist is. Veronderstellenderwijs uitgaand van de juistheid van die stelling, valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat [advocaat 1] nog onderzoek had moeten instellen (3.5.2). Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk dat de mededelingen van Van Dijk in zijn brief van 11 juli 2001 en 7 augustus 2001 bagatelliserend zijn. In het licht van de feiten kan zonder meer niet worden geoordeeld dat [advocaat 1] onvoldoende (indringend) heeft gewezen op het risico van nog aanwezige restverontreiniging (3.6.2). De door [zakenpartner] op 13 augustus 2001 aan [advocaat 1] gestuurde e-mails (waarin deze meedeelde geen ‘open einde’ of ‘tijdbom’ te wensen) hebben klaarblijkelijk uitsluitend betrekking op het risico dat de overheid een verdere sanering van de bodem noodzakelijk zou achten (3.7.1).

4 Omlijning van het geschil na cassatie en verwijzing

4.1

Partijen nemen in hun onderscheiden memories na verwijzing verschillende standpunten in ten aanzien van de omvang van het geschil na cassatie en verwijzing.

4.2

Het hof stelt het hierbij volgende voorop. Ingevolge art. 424 Rv dient de rechter naar wie het geding is verwezen, de behandeling daarvan voort te zetten en te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij is uitgangspunt dat de verwijzingsrechter de zaak moet behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen. De verwijzingsrechter is daarbij gebonden aan de in die uitspraak gegeven beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden. Dit uitgangspunt brengt mee dat in het geding na verwijzing op grond hiervan na cassatie en verwijzing geen plaats is voor het aanvoeren van nieuwe feiten of rechtsmiddelen, het aanbieden van tevoren niet aangeboden bewijs, een verandering van de eis of de gronden daarvan dan wel een vermeerdering van de eis en wijziging van de grondslag van het verweer. Wel mogen partijen zich in het geding na verwijzing mogen beroepen op (wijziging van) feiten en omstandigheden die zich na de vernietigde uitspraak (heeft) hebben voorgedaan, mits partijen daardoor de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden. Deze uitzondering vindt haar rechtvaardiging hierin dat zij voorkomt dat het geschil zou moeten worden beslist aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens (zie HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1216 en de conclusie voor dit arrest ECLI:NL:PHR:2018:580, beide met verdere verwijzingen).

4.3

Het hof leidt uit het arrest van de Hoge Raad het volgende af over de omvang van het geschil na cassatie en verwijzing. De middelen richtten zich alleen op de rov. 3.5 en 3.6 van het arrest van hof Amsterdam van 21 juni 2016. Daarmee staat de verwerping van het beroep van Boekel op verjaring, de klachtplicht en het ontbreken van schade en causaal verband tussen tekortkoming en schade vast.

4.4

Na verwijzing liggen opnieuw de twee door de grieven 1 tot en met 13 voorgelegde vragen voor of [advocaat 1] [appellant] uit eigen beweging indringender had moeten waarschuwen voor de omvang van en de risico’s met betrekking tot de resterende verontreiniging van het terrein en of [advocaat 1] deze risico’s nader had moeten onderzoeken. De beantwoording van deze vragen geschiedt met inachtneming van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen omtrent: de stelling van Boekel dat [appellant] en [zakenpartner] in 2000 of 2001 al over het Oranjewoud-rapport beschikten, het (al dan niet indringende) karakter van de door [advocaat 1] gegeven waarschuwingen en de inhoud van de door [zakenpartner] op 13 augustus 2001 gestuurde e-mails, die volgens het verwijzingsarrest klaarblijkelijk uitsluitend betrekking hebben op het risico dat de overheid een verdere sanering van de bodem noodzakelijk zou achten.

4.5

De door [appellant] voor het eerst bij memorie na cassatie en verwijzing onder 50 en 82 genoemde verwijten zijn te laat aangevoerd en blijven buiten beschouwing. Hetzelfde geldt voor het bij deze memorie gedane bewijsaanbod, voor zover het daarbij gaat om niet vóór cassatie reeds (gespecificeerd) aangeboden bewijs.

5 De beoordeling van het hoger beroep na verwijzing na cassatie

5.1

Het hof stelt bij de beoordeling van de twee in rov. 4.4 geformuleerde vragen voorop dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Deze zorgvuldigheidsplicht brengt mee dat een advocaat zijn cliënt daarbij niet onnodig blootstelt aan voorzienbare en vermijdbare risico’s. Wanneer een advocaat een cliënt adviseert in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, brengt de zorgvuldigheidsplicht van de advocaat mee dat deze de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406).

5.2 ’

t Hoen en [zakenpartner] hebben in 1998 voor NLG 100.000,- een eerste en tweede hypotheekrecht op het terrein verkregen en hebben zich in 1999 tot [advocaat 1] gewend voor advies bij het uitwinnen van hun hypotheekrechten. De opdracht is begin 2000 uitgebreid in verband met hun wens het terrein in eigendom te verwerven. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat [advocaat 1] ten tijde van de aankoop (in 2001) en de levering van het terrein (in 2001 en 2002) van herontwikkelingsplannen van [appellant] op de hoogte was of had moeten zijn, heeft hij dit onvoldoende toegelicht en onderbouwd. De op een aanvraag van 29 maart 2005 op 4 augustus 2005 verleende monumentenvergunning, waarnaar ‘t Hoen in dit verband (onder grief 3) verwijst, ligt ver na de koop en levering van het terrein. [appellant] heeft ook niet (voldoende concreet) gesteld en onderbouwd dat die aanvraag (met medeweten van [advocaat 1]) vóór de verwerving van het terrein werd voorbereid, zodat het hof aan het desbetreffende bewijsaanbod als niet ter zake dienend voorbij gaat. [appellant] heeft zijn stelling dat herontwikkeling dan wel vervolgbestemming in augustus 2001 onderwerp van de advisering is geweest evenmin geconcretiseerd. Voor zover hij hierbij het oog heeft op de e-mails van 13 augustus 2001, bieden deze aan die stelling geen steun. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld hebben deze e-mails klaarblijkelijk uitsluitend betrekking op het risico dat de overheid een verdere sanering van de bodem noodzakelijk zou achten. Dat deze e-mails desondanks ook op (advisering over) herontwikkeling zien, is zonder nadere toelichting niet in te zien. Niet is komen vast te staan dat [advocaat 1] in de periode voor de verwerving van het terrein op de hoogte was (of moest zijn) van concrete plannen van [appellant] en [zakenpartner] voor herontwikkeling van het terrein, dan wel voor een andere vervolgbestemming. Dat [advocaat 1] met het oog op plannen voor herontwikkeling dan wel een andere vervolgbestemming [appellant] indringender had moeten adviseren over de risico’s van restverontreiniging kan dan ook niet worden aanvaard.

5.3

[advocaat 1] heeft in zijn brief van 16 april 2000 bovendien uitdrukkelijk erop gewezen “dat het perceel ernstig verontreinigd is”. In zijn brief van 11 juli 2001 heeft [advocaat 1] meegedeeld dat verkoper Rubatex wel zonder enige garantie zal willen verkopen, zodat het perceel wordt gekocht “inclusief alle eventuele restverontreiniging in de grond”. Vervolgens zijn [appellant] en [zakenpartner] door [advocaat 1] in diens e-mail van 7 augustus 2001 ervan op de hoogte gesteld dat de landsadvocaat hem had laten weten “dat hij verwacht dat er nog wel verontreiniging zal zijn, maar dat niet duidelijk is om welke mate van verontreiniging het gaat.” [advocaat 1] heeft [appellant] voorafgaand aan de koop van het terrein aldus een aantal keer gewaarschuwd dat – ook na de in januari tot en met maart 2000 plaatsgevonden saneringswerkzaamheden – er nog sprake zou zijn van restverontreiniging en dat niet duidelijk was in welke mate dat het geval was. Dat deze waarschuwingen (desondanks) (bagatelliserend, dan wel) geruststellend of relativerend zouden zijn heeft [appellant] onvoldoende feitelijk toegelicht en onderbouwd. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat [advocaat 1] had moeten begrijpen dat die waarschuwingen bij [appellant] de gedachte konden doen postvatten dat het om een feitelijk gering of verwaarloosbaar risico zou gaan. Een (professionele) koper als ‘t Hoen behoorde bij de gegeven waarschuwingen te begrijpen dat een reëel risico op resterende bodemverontreiniging bestond en [advocaat 1] mocht op zijn beurt na de gegeven waarschuwingen ervan uitgaan dat [appellant] en [zakenpartner] het hem zouden laten weten als zij de mate van restverontreiniging in verband met hun aankoopbeslissing belangrijk vonden en van hem verlangden dat hij daarnaar (nader) onderzoek zou laten doen. De e-mails van 13 augustus 2001 hebben klaarblijkelijk uitsluitend betrekking op het risico dat de overheid een verdere sanering van de bodem noodzakelijk zou achten. Ook daaruit behoefde [advocaat 1] niet te begrijpen dat [appellant] en [zakenpartner] ondanks de gegeven waarschuwingen in de veronderstelling verkeerden dat de grond schoon was en/of aanleiding bestond eigener beweging nader onderzoek te verrichten zoals door het opvragen van (eventueel bestaande) stukken waaruit de feitelijke mate van verontreiniging zou kunnen blijken. Dat [advocaat 1] zelf op de hoogte was van de inhoud van het Oranjewoud-rapport en daarmee van de mate van verontreiniging en om die reden indringender had moeten waarschuwen, is evenmin komen vast te staan. Het hof volgt [appellant] dan ook niet in zijn stelling dat [advocaat 1] jegens hem is tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de overeenkomst van opdracht voortvloeiende (zorgvuldigheids)verplichting.

5.4

De e-mail van [advocaat 3] van 18 juni 2002 maakt het voorgaande niet anders. Deze dateert van na het sluiten van de koopovereenkomst en is – ook volgens [appellant] (memorie na verwijzing, onder 60) – niet van belang geweest voor de aankoopbeslissing. Ook kan op grond van die e-mail niet achteraf worden geconcludeerd dat [advocaat 1] voordien in de veronderstelling verkeerde dat de grond in beginsel geheel gesaneerd was, hij om die reden had nagelaten onderzoek te verrichten of indringender te adviseren en/of hij [appellant] en [zakenpartner] destijds dusdoende (verwijtbaar) op het verkeerde been zou hebben gezet over de ernst en omvang van het hier bedoelde risico. De e-mail van [advocaat 3] staat, zoals ook het hof Amsterdam in zijn arrest van 21 juni 2016 (in cassatie niet bestreden) heeft geoordeeld, onvoldoende in verband met de eerdere advisering door [advocaat 1].

5.5

Zoals hiervoor is overwogen heeft [advocaat 1] bij herhaling en voldoende indringend gewezen op het risico dat ook na de saneringswerkzaamheden sprake was van bodemverontreiniging. [advocaat 1] heeft verder, zoals hem was opgedragen, het risico dat [appellant] en [zakenpartner] op grond van ongerechtvaardigde verrijking als gevolg van door de overheid verrichte sanering zouden worden aangesproken afgewend met de onder zijn begeleiding tot stand gekomen overeenkomst met de Staat. Zoals onder 4.5 is overwogen, is het bij memorie na cassatie en verwijzing in dat laatste verband nog geformuleerde verwijt dat [advocaat 1] [appellant] en [zakenpartner] bij de totstandkoming van de overeenkomst met de Staat niet voldoende duidelijk zou hebben gemaakt dat daarin niet ook het risico was afgekocht dat [appellant] en [zakenpartner] zélf (na 2015) door de overheid zouden worden verplicht te saneren, is vóór cassatie als zodanig niet aan de vorderingen ten grondslag gelegd en blijft hier daarom buiten beschouwing. Hetzelfde geldt voor de verwijten dat [advocaat 1] [appellant] had moeten laten vaststellen waarop het aan de Staat betaalde afkoopbedrag precies zag en had moeten adviseren over de strekking van de Wet Bodembescherming en daarin geregelde saneringsvormen.

5.6

Voor het aannemen van een beroepsfout aan de zijde van [advocaat 1] bestaat, ten slotte, eens te minder aanleiding in verband met het volgende. Boekel heeft bij haar betwisting van de beroepsfout (onder meer) aangevoerd dat [appellant] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst zelf al beschikte over het Oranjewoud-rapport. Hiertegenover heeft [appellant] zijn stelling, dat hij in die periode niet van de mate van restverontreiniging op de hoogte was en hij in 2000 – 2001 niet over het rapport beschikte, in de procedure voor cassatie en verwijzing, niet van een daarop betrokken (gespecificeerd) bewijsaanbod voorzien. Het is daarmee in deze procedure niet komen vast te staan dat [appellant] voorafgaand aan de koop van het terrein niet op de hoogte was van de toen nog bestaande (aanzienlijke) mate van restverontreiniging zoals beschreven in het Oranjewoud-rapport. Dat [advocaat 1] is tekortgeschoten in nakoming van de plicht om uit eigen beweging het Oranjewoud-rapport op te vragen en/of indringender te waarschuwen voor het risico van restverontreiniging kan ook om die reden niet worden aanvaard.

5.7

Voor zover [appellant] nog heeft aangevoerd dat [advocaat 1] ook later, in 2005, zou zijn tekortgeschoten in zijn verplichtingen met betrekking tot de advisering over het risico van restverontreiniging, heeft hij dit niet (voldoende) toegelicht. In het bijzonder valt zonder nadere toelichting niet in te zien in welk opzicht [advocaat 1] met zijn (hiervoor onder 2.21 bedoelde) brief van 21 maart 2005 verkeerd of onvoldoende zou hebben geadviseerd. Daarnaast stelt [appellant] dat de eerdere beroepsfout van Van Dijk heeft doorgewerkt in latere, in 2005 door [appellant] genomen beslissingen over de herontwikkeling en financiering waardoor hij schade heeft geleden. Zoals hiervoor is overwogen, kan niet worden geoordeeld dat [advocaat 1] in zijn advisering met betrekking tot de verwerving van het terrein en de overeenkomst met de Staat is tekortgeschoten in een zorgvuldigheidsverplichting en heeft hij toen voldoende indringend gewezen op het risico van restverontreiniging. Dat ‘t Hoen nadien, in de (onjuiste) veronderstelling dat van een geringe mate van restverontreiniging sprake was of de Staat verdergaande garanties had gegeven, beslissingen heeft genomen over de herontwikkeling, kan [advocaat 1] niet worden verweten. Daarbij komt dat [advocaat 1] 2005 aan [appellant] het Oranjewoud-rapport heeft doen toekomen.

5.8

Bewijs van voldoende concrete feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, is niet tijdig en voldoende gespecificeerd aangeboden, zodat het hof aan (verdere) bewijslevering niet toekomt.

5.9

De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij, uitvoerbaar bij voorraad, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, daaronder begrepen de kosten van de procedure na cassatie en verwijzing, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de zevende dag na betekening van het arrest.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 oktober 2014;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Boekel begroot op € 711,- voor verschotten en € 6.564,- voor salaris van de advocaat, te voldoen binnen zeven dagen na betekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Lenselink, C.A. Joustra en R.F. Groos en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers op 4 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.