Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1378

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
21-07-2021
Zaaknummer
200.293.468/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissement. Summierlijk gebleken van vorderingsrecht gegrond op verstekvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.293.468/01

Insolventienummer rechtbank : C/10/21/75

arrest van 25 mei 2021

inzake

de coöperatie

COÖPERATIE MC MAKELAARDIJ & MC MANAGEMENT U.A.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: de coöperatie,

advocaat: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland,

tegen

MASTERMEDIA [naam] SP.J.,

gevestigd te Lublin, Polen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Mastermedia,

advocaat: mr. P.M. Jongeling te Amsterdam.

Het geding

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2021 is de coöperatie in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. J.C.A.T. Frima tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. S.A. Hattink, advocaat te Rotterdam, als curator. Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 28 april 2021, is de coöperatie van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen. Het hof heeft naast het beroepschrift kennisgenomen van de door de curator toegestuurde verslagen, inclusief een verslag over de huidige stand van de boedel en de reactie van de curator op het beroepschrift.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 mei 2021, waarbij zijn verschenen:

- [bestuurder coöperatie], bestuurder van de coöperatie, bijgestaan door mr. Quispel, zijn advocaat;

- mr. Jongeling, advocaat van Mastermedia;

- mr. Hattink, voornoemde curator.

Mr. Jongeling heeft het standpunt van Mastermedia toegelicht aan de hand van een door hem overgelegd verweerschrift (met producties).

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van Mastermedia en van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat de coöperatie in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

2. De coöperatie betwist het vorderingsrecht van Mastermedia alsmede dat zij in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

2.1

De coöperatie heeft aangevoerd dat haar faillissement ten onrechte is uitgesproken nu dit is gegrond op een verstekvonnis (van 9 juni 2020, gewezen door de rechtbank Rotterdam) waartegen de coöperatie voornemens is verzet in te stellen. Zij kan dat vanwege haar faillissement nu niet zelf doen, daarvoor is medewerking van de curator nodig. De termijn van vier weken voor het instellen van verzet is volgens de coöperatie nog niet ingegaan aangezien geen van de in artikel 143 lid 2 Rv genoemde gevallen zich heeft voorgedaan, meer in het bijzonder heeft de coöperatie geen daad van bekendheid met het vonnis verricht.

De coöperatie stelt zich op het standpunt dat Mastermedia geen vordering op haar heeft, maar dat juist de coöperatie een vordering heeft op Mastermedia. De coöperatie meent dat het verstekvonnis geen stand zal houden.

Zij heeft toegelicht dat de vordering verband houdt met de verhuur van de woning aan de [adres]. De coöperatie verhuurde die woning aan Mastermedia, die de huur tot en met december 2018 heeft betaald. De coöperatie heeft eind januari 2019 geconstateerd dat Mastermedia de woning had verlaten en dat zij is vertrokken zonder de huur op te zeggen en zonder bericht aan de coöperatie. De woning is met schade en vuil opgeleverd. De coöperatie heeft vervolgens zelf de huurovereenkomst beëindigd. Zij heeft ter onderbouwing van haar tegenvordering facturen voor de huurperioden oktober 2018 tot en met maart 2019 overgelegd, alsmede een factuur voor reparatiekosten en schoonmaakkosten van de woning. Ter zitting heeft zij verklaard dat de facturen van oktober tot en met december 2018 geen deel uitmaken van haar vordering aangezien de huur tot en met december 2018 is voldaan. De coöperatie stelt zich op het standpunt dat de vordering van Mastermedia ten onrechte is ingesteld en dat de rechtbank ten onrechte op grond van deze vordering haar faillissement heeft uitgesproken, te meer gelet op het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:524).

2.2

Daarnaast betwist de coöperatie de (steun)vordering van Ziggo, omdat die is voldaan. Voor de vordering van de gemeente Rotterdam geldt dat de coöperatie daarover in het verleden is aangeschreven door PB Groep en dat zij daarmee een betalingsregeling had getroffen die werd nagekomen. PB Groep is in augustus 2019 gefailleerd, waarna de betalingsregeling is gestopt en de coöperatie daarna niets meer over de vordering heeft vernomen. De coöperatie is bereid en in staat om voor het restant van de vordering een betalingsregeling te treffen en na te komen. De coöperatie is voorts, al vóór de faillissementsaanvraag, toen na het vertrek van haar boekhouder bleek dat er diverse aanslagen open stonden, in overleg getreden met de Belastingdienst om tot een regeling te komen.

3. Het standpunt van Mastermedia komt er kort gezegd op neer dat de verzettermijn is verstreken en dat het verstekvonnis derhalve kracht van gewijsde heeft gekregen. De coöperatie was bekend met het vonnis onder meer omdat dat vonnis bij de oproepbrief van de rechtbank voor de faillissementszitting was gevoegd en omdat de coöperatie naar aanleiding daarvan (in reactie op een e-mail van de advocaat van Mastermedia van 15 april 2021) een betalingsregeling heeft aangeboden. Die regeling is uiteindelijk niet tot stand gekomen omdat de bestuurder van de coöperatie zich daaraan niet ook in privé wilde verbinden. Uit het voorgaande volgt dat de coöperatie de vordering van Mastermedia heeft erkend. Voorts zijn er ten aanzien van het verstekvonnis executiemaatregelen genomen als gevolg waarvan een bedrag van € 761,07 is geïncasseerd. Van de tegenvordering op Mastermedia is ook verder niet gebleken aangezien de hoogte daarvan door de coöperatie niet duidelijk is gemaakt en er ter onderbouwing daarvan slechts wordt verwezen naar facturen voor de huur van januari 2019 tot en met maart 2019, terwijl de huur voor bepaalde tijd (drie maanden) is aangegaan en van rechtswege eindigde op 31 december 2018. Zelfs als de factuur voor schoonmaakkosten en schadeposten voor verrekening in aanmerking zou komen, dan blijkt uit de door de coöperatie overgelegde factuur van Start Home Rentals, met factuurdatum 12 februari 2019, dat aan Mastermedia nog een bedrag van € 958,22 toekomt. De coöperatie heeft derhalve geen tegenvordering op Mastermedia.

4. De curator blijft bij haar standpunt zoals vermeld in haar schriftelijke reactie. Het verstekvonnis heeft naar het zich laat aanzien kracht van gewijsde gekregen. Verder is gebleken van pluraliteit van schuldeisers terwijl niet is komen vast te staan dat er voldoende financiële middelen zijn om de vorderingen en de faillissementskosten te voldoen. Het bestaan van een tegenvordering van de coöperatie op Mastermedia kan niet worden bevestigd, omdat de administratie niet is overgelegd en de bestuurder niet (goed) meewerkt aan het verstrekken van informatie.

5. Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van Mastermedia en van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat de coöperatie in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.1

De vordering van Mastermedia vloeit voort uit een verstekvonnis van 9 juni 2020 en betreft in hoofdsom de door haar betaalde borg voor de huur ad € 1.980,-. De coöperatie heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 17 mei 2021 verklaard dat zij – in tegenstelling tot haar verklaring aan de rechtbank tijdens de faillissementszitting op 13 april 2021 dat zij dit reeds had gedaan – (nog) geen verzet heeft ingesteld tegen dat verstekvonnis.

Het hof is van oordeel dat de coöperatie haar stelling dat daartegen nog verzet openstaat (en dat derhalve niet zonder meer van de juistheid van dat vonnis mag worden uitgegaan), onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Weliswaar is niet komen vast te staan dat het verstekvonnis in persoon aan de coöperatie is betekend, maar het hof volgt de coöperatie niet in haar stelling dat zij nog geen daad heeft verricht waaruit noodzakelijk voortvloeit dat zij bekend is met het vonnis in de zin van artikel 143 lid 2 Rv. De coöperatie is naar aanleiding van de oproep van de rechtbank (waarbij - naar Mastermedia onbetwist heeft gesteld - het verstekvonnis was gevoegd) op de faillissementszitting, die op 13 april 2021 plaatsvond, verschenen. Op die zitting heeft de coöperatie de vordering van Mastermedia betwist en zich op het standpunt gesteld dat zij een tegenvordering op Mastermedia heeft. Ook heeft zij toen aan de rechtbank medegedeeld dat zij al verzet tegen het verstekvonnis had ingesteld (hetgeen achteraf naar zij zelf heeft verklaard niet juist bleek te zijn).Uit het voorgaande vloeit voort dat de coöperatie (in ieder geval) op 13 april 2021 bekend was met de inhoud van het verstekvonnis. Dit betekent dat de verzettermijn van vier weken op dat moment is gaan lopen. Daarnaast blijkt uit de producties 2 en 4 bij het verweerschrift van Mastermedia en de - niet betwiste - verklaring door Mastermedia daarover ter zitting, dat naar aanleiding van de door Mastermedia ter uitvoering van het verstekvonnis gelegde derdenbeslagen, het verstekvonnis (gedeeltelijk) ten uitvoer is gelegd met een uitbetaling aan de deurwaarder op 13 april 2021. Daarmee is ook op grond van artikel 143 lid 3 jo 144, aanhef en onder b, Rv op die datum de verzettermijn van vier weken ingegaan. Nu vast staat dat de coöperatie binnen die termijn geen verzet heeft ingesteld, heeft het (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) verstekvonnis kracht van gewijsde verkregen. Dat de coöperatie op 20 april 2021 failliet is verklaard, doet aan het voorgaande niet af. Nog daargelaten dat de coöperatie voorafgaand aan de faillietverklaring zelf verzet had kunnen instellen, staat de faillietverklaring er niet aan in de weg dat zij (al dan niet in samenspraak met de curator) tegen het verstekvonnis verzet had kunnen instellen (vgl. artikel 25 lid 2 Fw).

Gelet hierop is het hof van oordeel dat ook in hoger beroep, gegeven het gewezen verstekvonnis van 9 juni 2020, summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van Mastermedia.

5.2

Voorts is summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de coöperatie verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Daartoe wordt overwogen dat uit de lijst van voorlopig erkende crediteuren blijkt dat de coöperatie naast Mastermedia ook andere schuldeisers onbetaald laat, waaronder een bedrag van in totaal € 78.323,28 aan de Belastingdienst (preferente schuldeiser) en een van € 6.553,45 aan (overige) concurrente schuldeisers. Niet gebleken is dat er voldoende middelen zijn om de schuldeisers te voldoen dan wel dat er met alle schuldeisers een betalingsregeling is getroffen en dat zij instemmen met vernietiging van het faillissement.

6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2021.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. de Heer, P. Volker en A.J. Swelheim, en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. C.A. Joustra, rolraadsheer, op 25 mei 2021.