Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1355

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
16-07-2021
Zaaknummer
200.264.389/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding 2011. Gemeenschap van goederen. Vordering van de man tot verdeling bij helfte bij rechtbank afgewezen. Gedurende van het hoger beroep gesloten convenant waarin omvang te verdelen huwelijksgoederengemeenschap is aangegeven en is verdeeld. Contractuele verdeling. Geen taak meer voor de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.264.389/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/550913 / HA ZA 18-382

arrest d.d. 15 juni 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A. Alam-Khan te Delft,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , Verenigde Staten van Amerika (USA),

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

verstek verleend.

Het geding

De man is bij exploot van 8 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2019, gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde tegen wie verstek is verleend, hierna: het bestreden vonnis.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

De man heeft bij memorie van grieven een grief geformuleerd.

Een gepland pleidooi op 1 april 2020 heeft geen doorgang gevonden vanwege de geldende maatregelen in verband met het Covid19-virus.

Appellant heeft vervolgens bij e-mailbericht van 30 juni 2020 het hof verzocht om het verdelingsconvenant in de door het hof te geven beschikking (het hof begrijpt: arrest) op te nemen.

Het hof heeft hieruit begrepen dat de man verder heeft afgezien van een pleidooi.

Beoordeling van het hoger beroep

Enige relevante feiten

1. Partijen zijn met elkaar in de algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Het huwelijk is [in] 2011 door de rechtbank [plaatsnaam] , USA, ontbonden.

2. De echtscheidingsbeschikking is op 13 juni 2016 door de man ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

3. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft, zo begrijpt het hof uit de overgelegde stukken, de Duitse nationaliteit. Het eerste huwelijksdomicilie van partijen was in Nederland.

4. De vrouw heeft een naamswijziging ondergaan in de USA. In voornoemde beschikking van [datum] 2011 is bepaald dat haar naam, die voorheen [volgt naam] luidde, is gewijzigd in [volgt naam] .

Eerste aanleg

5. De man heeft in eerste aanleg gevorderd:

- te beslissen dat de vrouw gehouden is met hem over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, in die zin dat de voormalige echtelijke woning – [adres] – aan de man wordt toegescheiden zonder nadere verrekening met de vrouw;

- te bepalen dat de vrouw binnen 14 dagen na afgifte van het vonnis dient over te gaan tot medewerking aan de overdracht van de echtelijke woning aan hem door middel van (mede)ondertekening van de te passeren leveringsakte;

- dat indien de vrouw hiermede in gebreke blijft, het in deze te wijzen vonnis ex artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de verklaring van de vrouw in de notariële akte dan wel enige akte die noodzakelijk zal zijn om de woning op naam van de man te zetten;

- met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.

6. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van de man afgewezen en de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Vordering man in hoger beroep

7. In hoger beroep vordert de man dat het dit hof moge behagen het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bij helfte te realiseren, waarbij de echtelijke woning wordt toegewezen aan de man onder de verplichting de daarop rustende hypothecaire schulden voor zijn rekening te nemen en geïntimeerde de helft van de overwaarde toekomt na verrekening van de kosten die door de man zijn voldaan in de periode 20 juni 2009 tot aan de overdracht van de echtelijke woning;

II. de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bij helfte te realiseren, waarbij de auto van partijen wordt toebedeeld aan de vrouw, onder de verplichting dat de helft van de waarde aan de man toekomt;

III. de vrouw te veroordelen de door de man voldane kosten ten behoeve van de echtelijke woning vanaf 20 juni 2009 tot aan de overdracht van de echtelijke woning aan de man te vergoeden ter hoogte ad €50.000,=;

IV. de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de executie van het arrest van uw Hof en bij geen medewerking uw arrest in de plaats zal treden van de medewerking van de vrouw;

V. dan wel de vrouw te veroordelen een bedrag te voldoen aan de man ter hoogte ad €50.000,=,

welk bedrag zal worden verrekend bij de overdracht van de woning aan de man;

VI. dan wel een onzijdig persoon te benoemen, die namens de vrouw alle noodzakelijke handelingen kan verrichten teneinde de verdeling te realiseren;

VII. de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

8. De man voert ter onderbouwing van zijn vordering het volgende aan. De vrouw heeft in juni 2009 de voormalige echtelijke woning verlaten en is vertrokken naar de USA. De man heeft altijd alle lasten van de woning voldaan, de vrouw heeft na haar vertrek uit Nederland nimmer meer naar de woning omgekeken. De huwelijksgoederengemeenschap is nooit verdeeld tussen partijen. De man wenst dan ook dat de woning aan hem wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening.

Oordeel hof

9. De man heeft in eerste aanleg onder I gevorderd dat de vrouw met hem overgaat tot verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap. In dat kader wenste hij dat de voormalige echtelijke woning aan hem wordt toegedeeld. De man heeft in eerste aanleg niet verzocht dat de rechter op basis van artikel 3:185 BW de verdeling zou vaststellen dan wel de wijze van verdeling zou gelasten. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank in het bestreden vonnis van 8 mei 2019 op goede gronden de vordering van de man afgewezen. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld niet tot verdeling over te kunnen gaan omdat het voor de rechtbank onduidelijk is welke activa en passiva precies tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren.

10. In hoger beroep vordert de man onder I de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bij helfte te realiseren, waarbij de echtelijke woning wordt toegewezen aan de man onder de verplichting de daarop rustende hypothecaire schulden voor zijn rekening te nemen en de vrouw de helft van de overwaarde toekomt na verrekening van de kosten die door de man zijn voldaan in de periode 20 juni 2009 tot aan de overdracht van de woning. Het hof verwijst voorts naar rechtsoverweging 7 met betrekking tot hetgeen de man verder heeft gevorderd. Naar het oordeel van het hof geeft de man in zijn petitum niet weer dat het hof de verdeling conform artikel 3:185 BW dient vast te stellen dan wel de wijze van verdeling dient te gelasten. De hoofdregel is dat niemand in een onverdeelde boedel behoeft te verblijven en voorts dat een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap in beginsel in zijn geheel dient te worden verdeeld. Als de rechter conform artikel 3:185 BW de verdeling dient vast te stellen, dan dient de rechter over een deugdelijke boedelbeschrijving te beschikken. In deze boedelbeschrijving dienen te zijn opgenomen de activa en passiva. Met betrekking tot de activa dient de rechter ook inzicht te hebben in de waarde van de goederen op het tijdstip van de verdeling. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de rechter niet mag overgaan tot een zogenaamde ‘blinde verdeling’.

11. De man heeft bij H-formulier van 29 juni 2020 een door beide partijen getekend verdelingsconvenant in het geding gebracht alsmede de bijbehorende e-mailcorrespondentie tussen de vrouw en de advocaat van de man. Partijen hebben in dit convenant de omvang van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap aangegeven en zijn tot verdeling van deze huwelijksgoederengemeenschap overgegaan. Er is dus sprake van een contractuele verdeling; dit houdt dus in dat er verdeeld is. Als er sprake is van een contractuele verdeling, dan is er geen taak meer weggelegd voor de rechter. De rechter kan niet meer verdelen omdat partijen dit zelf hebben gedaan. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen, heeft de man dus geen belang meer bij de bespreking van zijn grieven. De man zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep. Wel wijst het hof beide partijen erop dat zij gebonden zijn aan de contractuele verdeling zoals opgenomen in het verdelingsconvenant zoals ondertekend door de man op 24 juni 2020 en door de vrouw op 3 september 2020, waarbij het hof er van uitgaat dat de vrouw akkoord is gegaan met de voorwaarden zoals vermeld in het convenant. Het hof kan echter niet vaststellen of het convenant ook daadwerkelijk door de vrouw is getekend, aangezien haar handtekening niet is gelegaliseerd.

12. Het hof merkt nog op dat appellant middels zijn verzoek tot opname van de onderling getroffen regeling heeft getracht te bewerkstelligen dat op de voet van artikel 819 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de afspraken over de verdeling in het arrest zouden worden opgenomen. Nog daargelaten of dit artikel van toepassing is in de dagvaardingsprocedure, zou dit alleen mogelijk zijn in het kader van een echtscheidingsprocedure.

Proceskosten

13. Zoals in zaken van familierechtelijke aard te doen gebruikelijk zal het hof de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten van dit hoger beroep zal dragen.

14. Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk is zijn appel.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. van A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en F. Ibili en is ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2021 door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.