Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1337

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
15-07-2021
Zaaknummer
200.293.786/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding omgangsregeling. Incident tot schorsing en hoofdzaak. Hof bekrachtigt vonnis. Dwangsomveroordeling blijft in stand. Het raakt de vrouw niet in haar portemonnee als ze zich aan de rechterlijke uitspraken zou houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.293.786/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/614144 / KG ZA 21-154

arrest van 22 juni 2021

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.L. van 't Veer te 's-Gravenzande,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. C.C. van Veenendaal te 's-Hertogenbosch.

Het geding

Het hof heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    de appeldagvaarding van 23 april 2021 waarbij de vrouw in hoger beroep is gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 2 april 2021 (hierna: het bestreden vonnis), met producties;

  • -

    de door de vrouw ingediende processtukken van de eerste aanleg;

  • -

    de ter rolzitting van 25 mei 2021 ingediende memorie van antwoord, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel.

Vervolgens hebben partijen op 9 juni 2021 de zaak doen bepleiten, de vrouw door mr J.S. Bijsterbosch, advocaat te ’s-Gravenzande en tevens kantoorgenote van de advocaat van de vrouw en de man door mr. C.C. van Veenendaal, advocaat te ’s-Hertogenbosch. De vrouw heeft pleitnotities overgelegd. Partijen hebben arrest gevraagd.

Korte weergave van de zaak

1. De door de rechtbank in het vonnis van 2 april 2021 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen zijn de ouders van: [volgt naam] , geboren op [in] 2012 te [plaatsnaam] , hierna: [de minderjarige] . Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over haar uit. Op 17 januari 2019 is hun op 29 januari 2013 gesloten geregistreerd partnerschap ontbonden. In het ouderschapsplan van 23 november 2018 zijn partijen, onder meer en voor zover in deze zaak van belang, overeengekomen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft en dat zij eenmaal per veertien dagen (in de even weekenden) van zaterdag 11.30 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man verblijft. Partijen hebben deze zorgregeling naderhand uitgebreid in die zin dat [de minderjarige] een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag 14.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man verblijft. De man haalt en brengt [de minderjarige] . De vrouw heeft deze zorgregeling per 20 mei 2020 gestaakt. Via een melding van de politie is Veilig Thuis bij partijen betrokken en heeft onderzoek gedaan. De man heeft [de minderjarige] sinds mei 2020 enkele malen kort gezien en zij hebben frequent videobelcontact. Partijen hebben zich gewend tot Enver om met elkaar een ‘Ouderschap na Scheiding’ (ONS)-traject te gaan volgen. De man heeft de vrouw op 3 maart 2021 in kort geding gedagvaard om nakoming van de zorgregeling af te dwingen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de veiligheid van [de minderjarige] bij de man niet is verzekerd. De man betwist dit.

Het bestreden vonnis

3. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vrouw veroordeeld tot volledige en feitelijke medewerking aan de volgende zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] , met een opbouw als volgt:

  • -

    [de minderjarige] verblijft een zaterdag of zondag per week bij de man gedurende drie maanden, in bijzijn van zijn partner, waarbij de man [de minderjarige] om 11.30 uur haalt en haar tussen 19.00 uur en 20.00 uur naar de vrouw terugbrengt;

  • -

    de volgende drie maanden verblijft [de minderjarige] eenmaal per twee weken van zaterdag 11.30 uur tot en met zondag (in de even weekenden) bij de man, in aanwezigheid van zijn partner, waarbij de man [de minderjarige] op zaterdag om 11.30 uur ophaalt en haar op zondagavond tussen 19.00 uur en 20.00 uur naar de vrouw terugbrengt;

  • -

    daarna verblijft [de minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot zondagavond (in de even weekenden) bij de man, waarbij de man [de minderjarige] op vrijdagmiddag om 14.00 uur uit school haalt en haar op zondagavond tussen 19.00 uur en 20.00 uur naar de vrouw terugbrengt. Indien de man niet bereid is om [de minderjarige] op vrijdagavond naar haar sportactiviteit te brengen, zal de omgang vanaf zaterdag 11.30 uur starten;

  • -

    indien de vrouw niet voldoet aan de veroordeling om deze zorgregeling na te komen, is zij een dwangsom verschuldigd van € 100,- per dag of dagdeel dat zij niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt.

Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

De vorderingen van partijen

4. De vrouw vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    In het incident: schorsing van de werking van het bestreden vonnis voor de duur van de procedure in hoger beroep, met veroordeling van de man in de kosten van het incident;

  • -

    In de hoofdzaak: dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en zal bepalen dat de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] wordt opgeschort en zal worden opgebouwd/hervat in samenspraak met en onder begeleiding van de medewerkers van het traject ‘Ouderschap na Scheiding’ dan wel dat de omgang tussen de man en [de minderjarige] door een andere professionele partij zal worden begeleid; met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

5. De man verzoekt de vorderingen van de vrouw, zowel in het incident als in het hoger beroep, af te wijzen. De man vordert in incidenteel appel om de vrouw te veroordelen tot nakoming van de tussen partijen overeengekomen zorgregeling, te weten: een keer per veertien dagen (in de even weekenden) van vrijdagmiddag tot zondagavond, subsidiair een keer per veertien dagen van zaterdag 11.30 uur tot zondagavond 19.00 uur, meer subsidiair een zodanige (opbouw)regeling te bepalen als het hof juist acht; met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.

Beoordeling

6. De volgende geschilpunten houden partijen verdeeld:

  • -

    de incidentele vordering van de vrouw;

  • -

    zijn er gewijzigde omstandigheden die maken dat de zorgregeling moet worden opgeschort? Zo nee, hoe en met welke eventuele opbouw moet de zorgregeling worden hervat?

  • -

    de aan de veroordeling tot nakoming aan de vrouw opgelegde dwangsommen;

  • -

    moet aan een veroordeling tot nakoming het dwangmiddel van gijzeling worden verbonden?

  • -

    de proceskosten.

Incidentele vordering

7. Het hof zal heden beslissen in de hoofdzaak. Dit betekent dat de vrouw geen belang heeft bij haar incidentele vordering, zodat deze zal worden afgewezen.

Zorgregeling opschorten of hervatten en zo ja, hoe?

8. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] moet worden opgeschort omdat [de minderjarige] bij de man sinds mei 2020 niet meer veilig is. Zij voert aan dat de man psychische problematiek heeft waarvoor hij niet is behandeld. Ook heeft de man seksuele gevoelens voor minderjarige meisjes, aldus de vrouw. De man is niet stabiel en leidt geen stabiel leven. De vrouw is er niet van overtuigd dat de man geen behandeling meer nodig heeft voor zijn psychische aandoeningen.

9. De man heeft alle aantijgingen betwist. Hij stelt wel een moeilijke jeugd te hebben gehad die hij heeft moeten verwerken. Hij heeft langdurig behandeling ondergaan waardoor hij al enige tijd stabiel is en een stabiel leven heeft.

10. Het hof is van oordeel dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd en legt dit als volgt uit.

De vrouw heeft, ook in de appeldagvaarding, vele punten aangevoerd waarom [de minderjarige] tijdens verblijf bij de man niet meer veilig bij hem zou zijn. De man heeft deze punten volledig betwist.

De man heeft een stabiele relatie; het is aan hem om die relatie in te richten zoals hij wenst en dit dan te doen in de vorm van een LAT-relatie. De man heeft al langere tijd een baan bij dezelfde werkgever. Dat de man vele jaren geleden een seksueel contact met een minderjarige heeft gehad, terwijl hij zelf in de eerste helft van de twintiger jaren was, wat daar ook van zij, betekent niet dat de man seksuele gevoelens heeft voor minderjarigen. De vrouw legt een verklaring over van ene [naam derde] , waarin deze melding maakt van ongewenste toenadering door de man. Die verklaring wordt door de man volledig betwist. De appberichten die de stellingen hierover van de vrouw mogelijk zouden kunnen ondersteunen, zijn niet overgelegd. Veilig Thuis heeft onderzoek gedaan naar de thuissituatie bij de vrouw en bij de man. Daaruit is naar voren gekomen dat er geen aanwijzingen zijn voor onveiligheid van [de minderjarige] in de situatie bij de man. De vrouw heeft haar overige stellingen niet onderbouwd. De vrouw stelt dat de man nog voor psychische aandoeningen moet worden behandeld, maar uit niets blijkt dat die visie wordt gedeeld door deskundigen. Veilig Thuis heeft contact gehad met de behandelaar van de man over zijn (afgeronde) behandeling. Het is niet aan de vrouw in het kader van de omgang met [de minderjarige] eenzijdig voorwaarden aan de man op te leggen in verband met behandeling voor problemen die er in haar visie zijn, maar waarvoor in de stukken geen bevestiging wordt gevonden.

[de minderjarige] heeft, zo volgt ook uit het verslag van Veilig Thuis, de uitdrukkelijke wens om persoonlijk contact te hebben met de man. Door dit contact te blijven blokkeren, handelt de vrouw in strijd met de belangen van [de minderjarige] .

Nu er geen aanwijzingen zijn dat [de minderjarige] tijdens verblijf bij de man thuis niet veilig zou zijn, is het hof van oordeel dat de voorzieningenrechter de vrouw terecht heeft veroordeeld om aan een zorgregeling mee te werken. Het eerst hervatten van een zorgregeling naast dan wel onder de paraplu van het ONS-traject bij Enver, zoals de vrouw bepleit, is dan ook niet de aangewezen weg, nu er geen contra-indicaties zijn gebleken voor hervatting van de zorgregeling.

11. Het hof acht de door de voorzieningenrechter bepaalde zorgregeling juist. Voorzien is in een opbouwregeling, waarbij gedurende een aantal maanden de partner van de man daarbij aanwezig zal zijn. Niet is betwist dat de partner van de man een goed contact heeft met [de minderjarige] . Begeleiding door een ander dan deze partner is dan ook naar het oordeel van het hof niet nodig en niet in [de minderjarige] ’s belang. Ook het hof is van oordeel dat de omgang uiteindelijk, zoals in het bestreden vonnis is voorzien, weer moet uitkomen op de oorspronkelijke regeling van een weekend per twee weken van vrijdagmiddag tot zondagavond. Dat dit slechts een tijdelijke regeling zou zijn, wordt door de man betwist. De man heeft ter zitting aangegeven dat het voor hem geen punt is bij de uitvoering van deze regeling rekening te houden met de turnlessen van [de minderjarige] op vrijdagmiddag/-avond. De vrouw licht niet toe waarom dit slechts een tijdelijke regeling zou zijn. Ook in het ouderschapsplan is overeengekomen dat de weekendregeling op de vrijdag start. De regeling is bovendien in het belang van [de minderjarige] . Twee nachten in veertien dagen is, ook gelet op haar leeftijd, zeker niet te lang.

Dwangmiddelen

12. Het hof is verder van oordeel dat de voorzieningenrechter terecht een dwangsom aan de nakoming door de vrouw van de bepaalde zorgregeling heeft verbonden. Dat de vrouw onnodig hard in haar portemonnee wordt geraakt zoals zij stelt, is niet nodig wanneer de vrouw zich aan die rechterlijke uitspraak zou hebben gehouden. Gebleken is dat dit helaas niet is gebeurd en dat een prikkel tot nakoming dus terecht nodig werd geacht door de voorzieningenrechter. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden bekrachtigd.

13. Vervolgens moet worden beoordeeld of nu het dwangmiddel lijfsdwang moet worden ingezet zoals de man vordert. Alhoewel de vrouw te kennen heeft gegeven ook een beslissing van het hof die haar niet zint, niet te zullen uitvoeren, acht het hof het opleggen van dit dwangmiddel op dit moment nog niet aangewezen. De vrouw heeft ter zitting gezegd dat zij de bodemprocedure over de zorgregeling, die zij zegt aanhangig te hebben gemaakt, wil stilleggen indien dit betekent dat het ONS-traject bij Enver daardoor kan starten. Het hof acht het van groot belang dat dit traject zo spoedig mogelijk wordt gestart om zo de communicatie tussen partijen te verbeteren, wat in het belang is van [de minderjarige] . Daarbij past niet nu dit verstrekkende dwangmiddel op te leggen. Het hof tekent daarbij aan dat het, zoals voor zich spreekt en zou moeten spreken, ervan uitgaat dat de vrouw de in het bestreden vonnis bepaalde zorgregeling nu wel onverkort en volledig zal nakomen.

Slotsom en proceskosten

14. De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Het hof zal de vordering van de man, de vrouw in de proceskosten te veroordelen, toewijzen. De vrouw heeft haar stellingen in hoger beroep niet deugdelijk onderbouwd. De vrouw is bovendien in het geheel niet nagekomen wat in het bestreden vonnis is bepaald omdat zij een andere visie heeft op wat zou moeten gebeuren. Gelet op deze (proces)houding van de vrouw zal het hof de vrouw in de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de vrouw in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van de man begroot op € 2.566,-, te weten € 338,- aan griffierecht en € 2.228,- aan salaris advocaat;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, A.A.F. Donders en J. Calkoen-Nauta en is ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2021 door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.