Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1192

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
08-07-2021
Zaaknummer
BK-20/00723 BK-21/00106 BK-21/00108
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Rijnvarende. Na verwijzing HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1672. Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding beslistermijn in bezwaar. De instemming met verlenging voor afdoening bezwaar die is verzocht o.g.v. art. 7:15 AWB is geen bijzondere omstandigheid. Uit het dossier blijkt niet dat de Inspecteur de beslistermijn heeft verlengd in verband met het stellen van préjudiciële vragen of dat uitspraken van andere rechterlijke colleges zijn afgewacht. De zaak is niet zodanig complex of omvangrijk dat daardoor de beslistermijn moet worden verlengd. De redelijke termijn in hoger beroep, cassatie en na verwijzing is niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 8-7-2021
V-N Vandaag 2021/1678
FutD 2021-2204
NLF 2021/1425
NTFR 2021/2578 met annotatie van dhr. N. Kolste
V-N 2021/34.22.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-20/00723, BK-21/00106 en BK-21/00108

Uitspraak van 9 juni 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: M.J. van Dam)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van de Inspecteur en op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank) van 14 september 2018, nummers HAA 17/1496, HAA 17/1497 en HAA 18/214.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft met dagtekening 8 januari 2014 aan belanghebbende voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.290, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.004 en een maximum premie-inkomen van € 33.436 (de aanslag IB/PVV 2011). Verder is aan belanghebbende bij beschikking € 391 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft met dagtekening 19 december 2014 aan belanghebbende voor het jaar 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.420, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 558 en een maximum premie-inkomen van € 33.863 (de aanslag IB/PVV 2012). Verder is aan belanghebbende bij beschikking € 398 belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

De Inspecteur heeft met dagtekening 26 november 2015 aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.862, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 808 en een premie-inkomen van € 33.363 (de aanslag IB/PVV 2013). Verder is aan belanghebbende bij beschikking € 463 belastingrente in rekening gebracht.

1.4.

Bij uitspraken op bezwaar, gedagtekend 3 februari 2017, heeft de Inspecteur de aanslagen en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.5.

Op 17 februari 2017 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2013 (ambtshalve) verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.068 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 808 en een premie-inkomen van € 14.364. Verder is aan belanghebbende bij beschikking € 15 belastingrente teruggegeven.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 14 september 2018 de beroepen ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.500 en de vergoeding van de proceskosten van € 625,50 alsmede de vergoeding van het betaalde griffierecht van € 46 gelast.

1.7.

De Inspecteur en belanghebbende hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam.

1.8.

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 12 november 2019, nummers 18/00561 t/m 18/00563 en 18/00584 t/m 18/00586, ECLI:NL:GHAMS:2019:4619, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd met uitzondering van de beslissingen omtrent de griffierechten, het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2013 gegrond verklaard, de aanslag IB/PVV 2013 verminderd naar een zoals deze is vastgesteld bij de ambtshalve vermindering van 17 februari 2017, de beroepen voor het overige ongegrond verklaard en de Inspecteur gelast de griffierechten inzake het hoger beroep van € 126 te vergoeden.

1.9.

Belanghebbende heeft vervolgens beroep in cassatie ingediend tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam.

1.10.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1672, BNB 2020/49 (het verwijzingsarrest), het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam vernietigd, behalve ten aanzien van de beslissingen inzake het griffierecht en voorzover de beroepen tegen de aanslagen voor de jaren 2011 en 2012 ongegrond zijn verklaard, en het geding naar dit Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van zijn arrest.

1.11.

Beide partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid een reactie naar aanleiding van het verwijzingsarrest in te dienen. Belanghebbende heeft een nadere reactie ingediend. De Inspecteur heeft daarvan afgezien.

1.12.

Een onderzoek ter zitting van de zaken heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten.

1.13.

In beroep, hoger beroep, cassatie en in de procedure na verwijzing zijn de zaken van belanghebbende gezamenlijk behandeld. Hetgeen aangevoerd wordt in een van de zaken wordt geacht te zijn aangevoerd in alle zaken tenzij het specifiek op de betreffende zaak betrekking heeft.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1956 en heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2011, 2012 en 2013 woonde belanghebbende in [woonplaats] .

2.2.

Belanghebbende was in de onderhavige periode werkzaam op een binnenschip binnen de Europese Unie, voornamelijk in het stroomgebied van de Rijn. Belanghebbende werkte tot 30 april 2013 op het schip [naam schip 1] en met ingang van 1 mei 2013 op het schip [naam schip 2] .

2.3.

De [naam schip 1] werd voor rekening en risico van [A B.V.] geëxploiteerd. De [naam schip 2] werd met ingang van 8 mei 2013 voor rekening en risico van [B S.A.] geëxploiteerd.

2.4.

Belanghebbende was van 1 januari 2011 tot en met 30 april 2013 in dienstbetrekking werkzaam bij [C S.A.R.L.] , gevestigd te Luxemburg. Van 1 mei 2013 tot en met 31 december 2013 was hij in dienstbetrekking werkzaam bij [B S.A.] , gevestigd te Luxemburg.

2.5.

In 2007 is voor het schip [naam schip 1] ten behoeve van [C S.A.R.L.] een Rijnvaartverklaring afgegeven. De verklaring is op 24 juli 2009 ongeldig verklaard en ingetrokken. Pas in 2013 is een nieuwe Rijnvaartverklaring afgegeven. In 2013 is tevens een Rijnvaartverklaring ten behoeve van [B S.A.] afgegeven voor het schip [naam schip 2] .

2.6.

De Luxemburgse autoriteiten hebben een E106-verklaring aan belanghebbende afgegeven.

2.7.

Belanghebbende heeft aangiften IB/PVV ingediend voor de jaren 2011, 2012 en 2013. Belanghebbende heeft voor al deze jaren, telkens voor het gehele jaar, een vrijstelling voor de premie volksverzekeringen verzocht. De Inspecteur heeft bij de onderhavige aanslagen geen vrijstelling voor de premieheffing volksverzekeringen verleend.

2.8.

De definitieve aanslag IB/PVV 2011 is vastgesteld met dagtekening 8 januari 2014.

Op 17 februari 2014 heeft belanghebbende hiertegen pro forma bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift is op 13 mei 2014 nader gemotiveerd. Tijdens de bezwaarfase heeft de inspecteur belanghebbende bij brief van 28 april 2014 verzocht om in te stemmen met een verlenging van de beslistermijn met de periode welke ligt tussen de beslisdatum van artikel 7:10, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de datum waarop uitspraak op belanghebbendes bezwaar zou worden gedaan. Op 2 mei 2014 heeft belanghebbende met dit voorstel ingestemd. Op 7 november 2016 is aan belanghebbende een vooraankondiging op de uitspraak op bezwaar verzonden. Belanghebbende heeft enkele malen verzocht om uitstel om hierop te reageren (laatstelijk bij brief van 12 januari 2017). Bij brief van 24 januari 2017 heeft belanghebbende op de vooraankondiging gereageerd. Op 3 februari 2017 is uitspraak op bezwaar gedaan.

2.9.

De definitieve aanslag IB/PVV 2012 is vastgesteld met dagtekening 19 december 2014. Op 27 januari 2015 heeft belanghebbende hiertegen pro forma bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift is op 17 april 2015 nader gemotiveerd. Tijdens de bezwaarfase heeft de inspecteur belanghebbende bij brief van 16 februari 2015 verzocht om in te stemmen met een verlenging van de beslistermijn met de periode welke ligt tussen de beslisdatum van artikel 7:10, lid 3, Awb en de datum waarop uitspraak op belanghebbendes bezwaar zou worden gedaan. Op 13 maart 2015 heeft belanghebbende met dit voorstel ingestemd. Op 7 november 2016 is aan belanghebbende een vooraankondiging op de uitspraak op bezwaar verzonden. Belanghebbende heeft enkele malen verzocht om uitstel om hierop te reageren (laatstelijk bij brief van 12 januari 2017). Bij brief van 24 januari 2017 heeft belanghebbende op de vooraankondiging gereageerd. Op 3 februari 2017 is uitspraak op bezwaar gedaan.

2.10.

De definitieve aanslag IB/PVV 2013 is vastgesteld met dagtekening 26 november 2015. Op 14 januari 2016 heeft belanghebbende hiertegen pro forma bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift is op 22 februari 2016 nader gemotiveerd. Op 7 november 2016 is aan belanghebbende een vooraankondiging op de uitspraak op bezwaar verzonden. Belanghebbende heeft enkele malen verzocht om uitstel om hierop te reageren (laatstelijk bij brief van 12 januari 2017). Bij brief van 24 januari 2017 heeft belanghebbende op de vooraankondiging gereageerd. Op 17 februari 2017 is uitspraak op bezwaar gedaan.

Arrest Hoge Raad

3. De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest het volgende overwogen:

“2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

De Inspecteur heeft met dagtekening 26 november 2015 aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd en op 17 februari 2017 heeft de Inspecteur die aanslag ambtshalve verminderd.

2.2.1

Voor het Hof was in geschil of belanghebbende voor de jaren 2011, 2012 en een gedeelte van het jaar 2013 in aanmerking komt voor vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen.

2.2.2

Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de Rechtbank de aanslag IB/PVV 2013 had dienen vast te stellen conform de in 2.1.1 genoemde ambtshalve vermindering. Het heeft daarbij in aanmerking genomen dat de Inspecteur, ter zitting van het Hof, de vraag of er nog verschil van inzicht bestaat tussen partijen over de in aanmerking te nemen periode voor de verzekerings- en premieplicht in 2013 ontkennend heeft beantwoord en dat belanghebbende dit vervolgens niet heeft betwist.

2.2.3

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de instemming van belanghebbende met overschrijding van de wettelijke beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10, lid 3, van de Awb een bijzondere omstandigheid vormt waardoor de redelijke termijn voor behandeling van de zaak in bezwaar en beroep wordt verlengd.

2.3

Voor zover het zevende middel zich richt tegen het in 2.2.3 genoemde oordeel van het Hof slaagt het. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in het arrest van 9 oktober 2020 berust dat oordeel op een onjuiste rechtsopvatting.[1]

2.4

Het achtste middel klaagt onder andere over het in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof en betoogt dat de aanslag IB/PVV 2013 verder dient te worden verminderd overeenkomstig een door de Inspecteur op de zitting van de Rechtbank overgelegde berekening.

2.4.1

In het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank is vermeld dat de Inspecteur een “nieuwe berekening” heeft overgelegd. Deze berekening gaat uit van een kortere periode voor de verzekerings- en premieplicht van belanghebbende in 2013 dan de periode waarvan de Inspecteur is uitgegaan bij de in 2.1.1 vermelde ambtshalve vermindering. Het hogerberoepschrift van belanghebbende houdt in dat de Rechtbank aan die ter zitting van de Rechtbank overgelegde nieuwe berekening van de Inspecteur ten onrechte is voorbij gegaan. Deze berekening is kennelijk bedoeld om de cijfermatige gevolgen inzichtelijk te maken van een door belanghebbende ingenomen standpunt dat door de Inspecteur werd bestreden.

2.4.2

In verband met de mogelijkheid van misverstand of onberadenheid, en in verband met de regel dat een ingetrokken standpunt in beginsel niet wederom in hogere instantie mag worden opgevoerd, kan een standpunt slechts dan als ter zitting ingetrokken worden aangemerkt indien de belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaart dit standpunt in te trekken.[2]

2.4.3

Uit de gedingstukken kan niet worden afgeleid dat belanghebbende zijn standpunt dat de premieplicht in 2013 moet worden beperkt tot het aantal dagen waarop de in 2.4.1 genoemde berekening is gebaseerd uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Het in 2.2.2 weergegeven oordeel is daarom onvoldoende gemotiveerd. Het middel slaagt in zoverre.

2.5

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

2.6

De slotsom is dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

[1] ECLI:NL:HR:2020:1574.

[2] HR 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1110, r.o. 2.4.”

Omschrijving geschil na verwijzing en conclusies van partijen

4.1.

Na verwijzing is in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure alsmede of belanghebbende recht heeft op volledige vergoeding van proceskosten voor de beroepsfase samen met een proceskostenvergoeding voor de procedure bij het Gerechtshof Amsterdam en de procedure na verwijzing. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4.2.

Partijen zijn het erover eens dat het herleid premie-inkomen voor het jaar 2013 moet worden vastgesteld op € 11.769 en dat de aanslag IB/PVV 2013 aldus moet worden verminderd, alsmede dat de beschikking belastingrente dienovereenkomstig moet worden verminderd. Het hoger beroep van belanghebbende is in zoverre in ieder geval gegrond.

4.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar IB/PVV 2013 en de vergoeding van proceskosten, tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2013 tot een berekend naar een premie-inkomen van € 11.769, alsmede tot het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade tot een bedrag van € 2.500 en tot vergoeding van de volledige proceskosten in beroep en tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep en de proceskosten na cassatie volgens het forfaitaire bedrag.

4.4.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV 2013, tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2013 tot een berekend naar een premie-inkomen van € 11.769 en tot vergoeding van de proceskosten in beroep, hoger beroep en na cassatie volgens het forfaitaire bedrag.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Na cassatie dient te worden beoordeeld of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure in bezwaar en beroep. De Rechtbank heeft hierover geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“Immateriële schadevergoeding

32. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het (gemotiveerde) bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

33. De zaken zijn gezamenlijk door verweerder behandeld. Gelet hierop zal de rechtbank voor de bepaling van de redelijke termijn uitgaan van de ontvangst van het eerste gemotiveerde bezwaarschrift. De bezwaarfase heeft een aanvang genomen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 17 februari 2014 in de zaak met het kenmerk HAA 17/1496 (aanslag ib/pvv 2011). Op 13 mei 2014 is dit bezwaarschrift door eiser gemotiveerd. De bezwaarfase is geëindigd op 3 februari 2017 met de uitspraak op bezwaar in alle onderhavige zaken.

34. Het beroepschrift in de onderhavige zaken is op 15 maart 2017 ingediend. De beroepen zijn gemotiveerd op 25 april 2017. De verweerschriften zijn ingediend op 6 juni 2017. De zitting bij de rechtbank vond plaats op 4 mei 2018 en door de rechtbank is in alle zaken uitspraak gedaan op 14 september 2018.

35. Sinds de ontvangst door verweerder van de motivering van het eerste bezwaarschrift en de uitspraak van de rechtbank is vier jaar en (naar boven afgerond) vijf maanden verlopen. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van omstandigheden die verlenging van de duur van de berechting in de bezwaarfase en in eerste aanleg rechtvaardigen. Nu de bezwaar- en de beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade die door dat tijdsverloop is ontstaan te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. In de bezwaarfase heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. In het onderhavige geval heeft de beroepsfase niet meer dan meer dan anderhalf jaar geduurd zodat aan de fase voor de rechtbank geen overschrijding kan worden toegerekend.

36. Geconcludeerd moet worden dat de redelijke termijn van berechting in de eerste fase (bezwaar en rechtbank) is overschreden met in totaal twee jaar en vijf maanden. Aangezien de rechtbank in alle zaken binnen anderhalf jaar uitspraak heeft gedaan zal de rechtbank verweerder op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) veroordelen tot betaling aan belanghebbende van een immateriële schadevergoeding van 5 x € 500 = € 2.500.”

5.2.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op de hiervoor vermelde gronden een juiste beslissing heeft gegeven, neemt deze over en voegt daaraan het volgende toe.

5.3.

Als uitgangspunt na verwijzing geldt dat het feit dat de gemachtigde van belanghebbende heeft ingestemd met het voorstel van de Inspecteur om de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10 Awb te verlengen niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die aanleiding kan geven voor het verlengen van de redelijke termijn als bedoeld in r.o. 4.5 van het arrest HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337 en r.o. 3.5.1 en 3.5.2 van het arrest HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140. Vgl. het verwijzingsarrest, r.o. 2.2.3 en r.o. 2.3, en HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1574, BNB 2020/163.

5.4.

De Inspecteur stelt zich in zijn reactie naar aanleiding van het verwijzingsarrest, onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding voor het doen van uitspraak op het bezwaarschrift rechtvaardigen. Deze omstandigheden bestaan er volgens de Inspecteur – naar het Hof begrijpt als argument met betrekking tot de complexiteit van de zaak – uit dat sprake is van zowel ingewikkelde, Europeesrechtelijke materie, alsmede een omvangrijk dossier met de nodige correspondentie en documentatie, waarbij sprake is van een verknochtheid met andere zaken betreffende dezelfde premieplichtige. Het Hof neemt aan dat dit standpunt geldt voor alle jaren.

5.5.1.

Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst de Inspecteur op een aantal door andere belastingplichtigen gevoerde procedures op het gebied van de Rijnvarendenproblematiek vanaf 2005. Nog daargelaten dat uit het bezwaardossier niet blijkt dat de Inspecteur om deze reden om instemming met de verlenging van de beslistermijn heeft verzocht, is een dergelijke verwijzing in algemene zin ontoereikend om te kunnen vaststellen dat in dit specifieke geval sprake is van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft voor verlenging van de redelijke termijn. Ook overigens is niet gebleken dat de onderhavige zaak zodanig complex of omvangrijk is dat dit overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigt.

5.5.2.

Voor zover de Inspecteur heeft willen stellen dat de verlenging van de beslistermijn mede verband hield met richtinggevende beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Hoge Raad die van belang zouden kunnen zijn in onderhavige zaak, geldt het volgende. Hiervoor is van belang dat uit het bezwaardossier kan worden opgemaakt dat de bezwaarbehandelaar de uitspraak op bezwaar heeft aangehouden in afwachting daarvan. Zulks kan evenwel niet uit het dossier worden afgeleid. Het Hof ziet daarom geen aanleiding het afwachten van vermelde beslissingen in dit geval als bijzondere omstandigheid die de redelijke termijn verlengt in aanmerking te nemen.

5.5.3.

Voor zover de Inspecteur heeft willen stellen dat als bijzondere omstandigheid in aanmerking moet worden genomen dat na het arrest van het HvJ van 9 september 2015 verder is geprocedeerd tot aan de Hoge Raad over de vraag of de E101- en E106-verklaringen dienen te worden gerespecteerd op grond van een aantal besluiten van de Administratieve Commissie voor de Rijnvaart, welke vraag door de Hoge Raad in zijn arrest van 1 juni 2018 in negatieve zin is beslist (ECLI:NL:HR 2018:803), geldt het volgende. De Inspecteur kon er, gelet op het feit dat de hiervoor in 5.3 genoemde instemming met uitstel op zich niet als een bijzondere omstandigheid kan gelden en deze instemming is gegeven met het oog op de motivering van het bezwaarschrift, niet zonder meer van uitgaan dat belanghebbende instemde met nader uitstel in afwachting van de uitkomst van deze procedure.

5.6.

Verknochtheid ziet op gevallen waarin de Inspecteur en de rechter voor de beslissing van de zaak kennis moeten nemen van gedingstukken van een of meer andere zaken en zich daarbij een oordeel moet vormen over hetgeen in die andere zaak of die andere zaken aan de orde is. De enkele omstandigheid dat een gemachtigde in (zeer) vele zaken standaard, al dan niet in dezelfde volgorde, dezelfde stellingen aanvoert, is onvoldoende om een dergelijke verknochtheid aan te nemen (vgl. HR 19 april 2019, r.o. 2.3, ECLI:NL:HR:2019:623, BNB 2019/171 en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140). In het onderhavige geval is geen sprake van een verknochtheid met andere zaken betreffende dezelfde premieplichtige die een overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigt. Ten aanzien van belanghebbende waren in de procedure voor de Rechtbank voor alle drie de jaren immers vergelijkbare feiten en dezelfde rechtsvragen aan de orde. De Inspecteur heeft er ook nog op gewezen dat in de loop van de jaren minstens 500 procedures van Rijnvarenden, door onder andere de gemachtigde van belanghebbende, zijn gevoerd en dat de onderhavige zaak verknocht is aan andere zaken van Rijnvarenden. Van verknochtheid van zaken die een langere termijn van berechting rechtvaardigen is echter geen sprake in een geval als dit waarin er vele andere zaken zijn waarin dezelfde geschilpunten in wisselende samenstelling aan de orde worden gesteld.

5.7.

De redelijke termijn in hoger beroep en na cassatie is niet overschreden omdat sinds het instellen van het hoger beroep tot de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam nog geen twee jaar is verstreken en na het verwijzingsarrest van de Hoge Raad tot aan de uitspraak van het Hof nog geen jaar is verstreken.

5.8.

Uit het vorenstaande volgt dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure van € 2.500.

Proceskostenvergoeding

5.9.

Er is aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten in beroep, hoger beroep en na cassatie. Het Hof kent deze vergoeding voor alle procesfasen toe naar het forfaitaire bedrag, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) en de daarbij behorende bijlage, aangezien er geen reden is om, zoals belanghebbende voor het beroep heeft verzocht, een integrale vergoeding van de proceskosten toe te kennen. Er is namelijk geen sprake van de situatie dat de Inspecteur tegen beter weten in de aanslagen heeft opgelegd en in rechte heeft gehandhaafd.

5.10.

Gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers zijn de zaken BK-20/00723, BK-21/00106 en BK-21/00108 samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit. Belanghebbende heeft voor wat betreft de aanslag IB/PVV 2013 gelijkgekregen alsmede voor wat betreft de schadevergoeding. Het Hof zal daarom de hoogte van de proceskosten opnieuw vaststellen. Het Hof stelt de kosten voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 3.204 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (1 punt beroepschrift, 1 punt zitting), voor het Gerechtshof Amsterdam (1 punt verweerschrift, 1 punt zitting, 1 punt beroepschrift) en voor dit Hof (0,5 punt reactie na cassatie en 0,5 punt tweede reactie na cassatie), 6 punten à € 534 x 1 (gewicht van de zaak) en op € 265 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (1 punt bezwaarschrift) à € 265 x 1 (gewicht van de zaak), in totaal derhalve op € 3.469.

Griffierechten en aanslagen IB/PVV 2011 en IB/PVV 2012

5.11.

De Hoge Raad heeft in zijn verwijzingsarrest de beslissingen van het Gerechtshof Amsterdam over de vergoeding van de griffierechten die belanghebbende bij de Rechtbank en het Gerechtshof Amsterdam heeft betaald in stand gelaten. Hierover hoeft het Hof dus niet opnieuw uitspraak te doen. Datzelfde geldt voorzover de beroepen tegen de aanslagen voor de jaren 2011 en 2012 door het Gerechtshof Amsterdam ongegrond zijn verklaard.

Slotsom

5.12.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2013 en de vergoeding van proceskosten,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2013;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.068, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 808 en een premie-inkomen van € 11.769 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.469;

- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden schade, vastgesteld op € 2.500.

Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, P.J.J. Vonk en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 9 juni 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.