Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1136

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
25-06-2021
Zaaknummer
2200572919
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor moord, op 18 december 2018 in een school te Rotterdam, en wapenbezit; 20 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging

‘Voorwaardelijke’ voorbedachte raad: uitvoering is gegeven aan een eerder genomen besluit waarbij de verdachte het heeft laten aankomen op een confrontatie, maar zeker was niet dat die op die dag en plaats zou plaatsvinden.

Geen oplegging maatregel art. 38z Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005729-19

Parketnummers: 10-810487-18 en 09-827323-17 (tul)

Datum uitspraak: 25 juni 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2019 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum van de Penitentiaire Inrichting Vught te Vught.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

14 jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd, waarbij is bepaald dat de totale duur een periode van vier jaar te boven kan gaan.

Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 april 2018 onder parketnummer 09-827323-17 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Tot slot is een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6], zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 18 december 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen meerdere, althans een kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van [het slachtoffer], tengevolge waarvan [het slachtoffer] is overleden;

subsidiair, indien en voor zover het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 18 december 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk met een vuurwapen meerdere, althans een kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van [het slachtoffer], tengevolge waarvan [het slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (in vereniging), althans een poging, althans strafbare voorbereidingshandelingen daartoe, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit en/of die feiten voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

meer subsidiair, indien en voor zover het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 18 december 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk met een vuurwapen meerdere, althans een kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van [het slachtoffer], tengevolge waarvan [het slachtoffer] is overleden;

2.
hij op of omstreeks 18 december 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen voorgenomen misdrijf om opzettelijk [het slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,

- [ het slachtoffer] bij haar school heeft opgewacht en/of

- bij het zien van [het slachtoffer] uit de auto is uitgestapt en/of

- achter [het slachtoffer] is aangerend en/of

- een vuurwapen heeft gericht op [het slachtoffer] en/of

- met dat vuurwapen meermalen op [het slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien en voor zover het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 18 december 2018 te Rotterdam ter voorbereiding van het met een ander of anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving in vereniging van [het slachtoffer] (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht oplevert), althans een met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

- een (personen)auto en/of

- een vuurwapen en/of

- een telefoon met daarop een of meer foto's van [het slachtoffer] en/of

- een woning, althans de sleutel van een woning, naar en/of in welke woning [het slachtoffer] gebracht en/of vastgehouden zou moeten worden en/of

- een plattegrond van de school van [het slachtoffer], bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

3.
hij op of omstreeks 18 december 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, van het merk Zoraki, type M906, kaliber 7,65mm Browning met bijbehorende munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal worden opgelegd. Daarnaast dient aan de verdachte een maatregel strekkende tot gedrags-beïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) te worden opgelegd. Voorts is gevorderd dat het hof zal gelasten dat de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 april 2018 onder parketnummer 09-827323-17 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier weken, alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van feit 2

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof, met het openbaar ministerie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder

2 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

1. Inleiding

De 16-jarige [slachtoffer] (hierna ook: [het slachtoffer]) is op dinsdag 18 december 2018 om het leven gekomen. Zij is die dag iets na 13:00 uur door de verdachte doodgeschoten in de fietsenstalling van haar school, [de school] te Rotterdam. De verdachte heeft bekend [het slachtoffer] te hebben doodgeschoten.

In de hierna volgende bewijsoverwegingen draait het vooral om de vraag of dit moord of doodslag is, dus of er bij de verdachte sprake is geweest van voorbedachte raad.

Het hof zal hierna eerst (kort) uiteenzetten wat door partijen is aangevoerd en daarna de relevante feiten en omstandigheden vaststellen, waarbij onderscheid wordt gemaakt in verschillende perioden in de tijd. Daarna volgt het juridisch kader en het oordeel van het hof, waar nodig onder bespreking van hetgeen partijen hebben aangevoerd.

2. Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven - de verdachte op 18 december 2018 uitvoering heeft gegeven aan hetgeen hij eerder had bedacht en vele malen had aangekondigd in de maanden voordat hij overging tot het doden van [het slachtoffer]. Hij heeft hierbij planmatig en doelgericht gehandeld. Het openbaar ministerie leidt dit af uit de voorgeschiedenis, de gebeurtenissen op 18 december 2018, de verklaringen van de verdachte zoals afgelegd op en vlak na 18 december 2018 en de camerabeelden. Er was derhalve sprake van voorbedachte raad en de verdachte dient te worden veroordeeld ter zake van moord.

3. Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven - de verdachte niet heeft gehandeld volgens een plan of een idee om [het slachtoffer] wat aan te doen. Er is tijdens zijn handelen geen sprake geweest van een moment van bezinning of van kalm beraad en rustig overleg. De verdachte heeft op 18 december 2018 niet aangestuurd op een confrontatie met [het slachtoffer] en de fatale afloop daarvan. Hij heeft dus niet gehandeld met voorbedachte raad en dient te worden vrijgesproken van moord.

4. Vaststelling feiten

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten vast.

4.1.

Algemeen

[de school] is gevestigd in Rotterdam aan de [straat A]; daar is ook de hoofdingang. De achterzijde en -uitgang zijn gelegen aan de [straat B] (hierna ook: de school).

De auto van de verdachte betrof een zwarte Opel Signum, model stationcar, [kenteken], met geblindeerde ramen, zwarte velgen en brede, buiten de carrosserie uitstekende, banden. De verdachte reed op 18 december 2018 in deze auto.

4.2.

Periode vanaf juli 2017 tot kort voor 18 december 2018

De verdachte en [het slachtoffer] hebben elkaar in juli 2017 via Facebook leren kennen, waarna zij een kortstondige relatie hebben gehad. De verdachte was toen 30 jaar en [het slachtoffer] nog 15 jaar. Beiden waren naar elkaar niet eerlijk over hun leeftijd; de verdachte deed of hij jonger was, terwijl [het slachtoffer] had gezegd dat ze ouder was.

Op 7 september 2017 werden de verdachte en [het slachtoffer] door de politie op de achterbank van de auto van de verdachte aangetroffen in de Coolhaven te Rotterdam. [het slachtoffer] kon zich niet op de bij de wet voorgeschreven wijze identificeren en werd door de politie meegenomen naar het politiebureau. De zus van [het slachtoffer] heeft toen haar identiteitsbewijs naar het politiebureau gebracht. Vanaf dat moment wist de verdachte dat [het slachtoffer] minderjarig was en ook [het slachtoffer] is toen achter de werkelijke leeftijd van de verdachte gekomen. [het slachtoffer] heeft toen direct afstand willen nemen van de verdachte, maar hij accepteerde dit niet.

Op 8 mei 2018 heeft [het slachtoffer] voor het eerst tegen de verdachte aangifte gedaan, te weten van mishandeling en bedreiging gepleegd in de periode van 6 tot en met 8 mei 2018.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg erkend dat hij [het slachtoffer] in de periode mei tot en met augustus (het hof begrijpt: 2018) onder meer met de dood heeft bedreigd.

Op 30 mei 2018 en 1 juni 2018 heeft [het slachtoffer] wederom aangifte tegen de verdachte gedaan, ditmaal van – onder meer - stalking in de periode van 27 tot en met 30 mei 2018. Uit de eerstgenoemde aangifte volgt dat de verdachte aanhoudend contact probeert te krijgen met [het slachtoffer], al dan niet via andere personen.

Uit de in de telefoon van [het slachtoffer] aangetroffen screenshots volgt dat zij door de verdachte meermalen is bedreigd met de dood: ‘K ga je doodsteken’, ‘ik maak je dood’ en ‘wallaha als k jouw vindt op mij moeder… jij bent dood’. [het slachtoffer] heeft deze screenshots bij haar aangifte van 8 mei 2018 en nader verhoor van 10 mei 2018 gevoegd.

Op 16 augustus 2018 is de verdachte ter zake van mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met (dadelijk uitvoerbare) bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod met [het slachtoffer].

De verdachte nam, niettegenstaande het contactverbod, vanaf november 2018, via haar nichtje, weer contact op met [het slachtoffer].

Een vriend van de verdachte, [getuige 1], heeft de verdachte aangesproken en heeft gezegd dat hij niet meer met hem wilde omgaan als hij met het meisje (het hof begrijpt: [het slachtoffer]) zou omgaan. [getuige 1] wilde dat niet omdat hij anders gezien zou worden als een pedo. Op 26 november 2018 heeft de verdachte een bericht naar [getuige 1] gestuurd, met als inhoud: ‘[het slachtoffer] heeft weer aangifte gedaan k wordt weer gezocht’.

Op 11 december 2018 heeft [het slachtoffer] voor de vierde keer tegen de verdachte aangifte gedaan, ditmaal van stalking, gepleegd tussen 4 november en 11 december 2018. Uit deze aangifte volgt dat de verdachte, ondanks het contactverbod, contact met [het slachtoffer] is blijven zoeken. Zo valt af te leiden uit een tweetal telefoontjes naar het werk van [het slachtoffer] op 4 november 2018, dat de verdachte in de directe omgeving van haar werk zou zijn.

Uit deze aangifte volgt nog dat de verdachte [het slachtoffer] in de periode na de rechtszaak (het hof begrijpt: de veroordeling van 16 augustus 2018) een foto heeft gestuurd. Op deze foto (gemaakt op 17 oktober 2018) is te zien dat de verdachte twee vuurwapens in zijn handen houdt, waaronder het vuurwapen waarmee de verdachte [het slachtoffer] heeft doodgeschoten. [het slachtoffer] is erg bang voor de verdachte en is bang dat hij de vuurwapens een keer zal gebruiken.

De verdachte heeft het wapen, een Zoraki (type M906), in of rond de maand september 2018 aangeschaft. Rond diezelfde tijd heeft de verdachte bijbehorende munitie verkregen.

De verdachte heeft vervolgens op 25 oktober 2018 bij een schietvereniging geoefend met het gericht schieten met een vuurwapen, te weten 50 patronen met een Glock pistool.

4.3.

Periode kort voor 18 december 2018

De verdachte – die in een andere wijk in Rotterdam woonde dan waar de school is gevestigd - heeft zich in de dagen voor 18 december 2018 meermaals in de directe omgeving van de school begeven.

Een vriendin van [het slachtoffer], [getuige 2], heeft de verdachte op de maandag voor het incident (het hof begrijpt: 17 december 2018), langs de school zien rijden. Zij herkende hem en de auto waarin hij reed. Dit was omstreeks 16:00 uur, de tijd dat de school normaal gesproken ‘uit’ gaat. Die dag waren zij vrij van school.

[getuige 3], die op 18 december 2018 ook in de auto van de verdachte zat, woonde schuin tegenover [de school] aan de [straat A]. Vóór 18 december 2018 heeft hij de verdachte zelf niet gezien, maar wel diens auto, een soort stationwagen. De auto viel hem op doordat deze apart was uitgebouwd, mooie velgen en een apart geluid had. Sinds hij uit detentie was heeft hij de auto een paar keer en op verschillende dagen voorbij zien rijden, soms in de ochtend en soms in de middag. Ook op de dagen voordat het is gebeurd (het hof begrijpt: op 18 december 2018) heeft [getuige 3] de auto in zijn wijk heen en weer zien rijden.

4.4.

De dag van 18 december 2018

De verdachte is op de ochtend van 18 december 2018 met het, de dag ervoor, doorgeladen vuurwapen van huis gegaan.

Rond 11.00 uur is de verdachte met de auto, met daarin als tweede passagier [getuige 4], bij de school en is er kort contact met twee scholieren. [getuige 5] stond in de kleine pauze om 11.00 uur samen met een vriend om de hoek bij school. Er kwamen twee mannen in een zwarte auto aanrijden. De vriend van [getuige 5] vroeg aan de mannen in de auto om een sigaret. Er werd aan de jongens gevraagd of zij pauze hadden, waarop [getuige 5] antwoordde dat ze in de kleine pauze eigenlijk de school niet uit mochten. Daarop werd aan hem gevraagd wanneer iedereen naar buiten zou komen, waarop [getuige 5] antwoordde dat dat tijdens de grote pauze zou zijn, om 13.00 uur.

Zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde van de school als ook ín de school, hangen camera’s en daarvan zijn de beelden veiliggesteld en door de politie bekeken en beschreven. Ook is een compilatie van de beelden ter terechtzitting in hoger beroep getoond. Op camerabeelden van de voorzijde van de school is de auto van de verdachte om 11.04 uur te zien op de hoek van de [straat C] met de [straat A]. De verdachte heeft tijdens het tonen van de beelden ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij daar heeft gereden en dat het inderdaad zijn auto was die daar op voormelde hoek van de school te zien was, waarbij hij zelf wees op de jongens naast zijn auto die een sigaret vroegen. De verdachte heeft wel het tijdstip van 11.00 uur betwist, alsook dat gevraagd zou zijn wanneer iedereen naar buiten zou komen. De verklaring van [getuige 5] omtrent het tijdstip wordt echter bevestigd door het tijdstip op de beelden, terwijl de verklaring van [getuige 5] ook steun vindt in hetgeen de verdachte heeft verklaard. Dat de verdachte op 18 december 2018 ook rond 11.00 in de onmiddellijke nabijheid van de school is geweest staat daarmee vast. Het hof ziet in hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd geen reden om aan de juistheid van de verklaring van [getuige 5] en de tijdsweergave bij de beelden te twijfelen; ook niet voor wat betreft diens verklaring over het tijdstip van het naar buiten komen van alle leerlingen.

Vervolgens is de auto van de verdachte rond 13.00 uur twee keer in de directe omgeving van de school te zien.

Om 12.59 uur komt de auto van de verdachte net voor de kruising van de [straat C] met de [straat B] aanrijden en slaat vervolgens linksaf de [straat C] in, tegen de rijrichting en in de richting van de [straat D]. De auto komt na 1 minuut en 34 seconden weer via de [straat B] in de richting van de kruising met de [straat C] aanrijden, waarna de auto tegen de rijrichting verder de [straat B] oprijdt en tot stilstand komt bij [de school].

4.5.

De confrontatie met [het slachtoffer]

[getuige 3], die door de verdachte en [getuige 2] eerder die dag is opgehaald en rond 13.00 uur ook in de auto zit, vroeg aan de verdachte of hij hem thuis af kon zetten. De verdachte reed over de rotonde bij het [plein A] en [getuige 3] dacht dat de verdachte voor zijn, [getuige 3], huis zou stoppen. Echter, de verdachte stopte niet bij [getuige 3] huis, maar scheurde een zijstraat in. Het leek of hij iemand aan het zoeken was. De verdachte reed de straat van de school in tot het moment dat de verdachte opeens aan zijn handrem trok. Hij schreeuwde ‘zij moet ik hebben’.

Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte net voor de kruising van de [straat C] (het hof begrijpt: met de [straat B]) aan komt rijden, terwijl [het slachtoffer] over de stoep in de richting van de [straat C] loopt. [het slachtoffer] kijkt in de richting van de auto. Op dat moment begint [het slachtoffer] te rennen terug in de richting van het schoolplein. De verdachte stapt uit zijn auto en grijpt daarbij direct naar zijn broeksband, de plek waar hij het wapen bij zich draagt, en rent achter [het slachtoffer] aan. [het slachtoffer] rent naar binnen, de verdachte rent achter haar aan. De verdachte probeert iets uit de voorzijde van zijn broek te halen. Tijdens de achtervolging heeft de verdachte steeds één van zijn handen dan wel beide handen bij zijn broeksband. [het slachtoffer] en de verdachte rennen de tunnel in de school door, richting de schuifdeur van het halletje dat toegang biedt tot de fietsenstalling en de leslokalen. Te zien is dat [het slachtoffer] het halletje inrent, de trap af richting de fietsenstalling. Net voor de verdachte dat halletje inrent heeft hij het vuurwapen vast en spant hij de ‘haan’. Als de verdachte het halletje inkomt is hij vlak achter [het slachtoffer]. Hij strekt zijn rechterarm uit en richt het vuurwapen op [het slachtoffer].

[het slachtoffer] komt in de fietsenstalling ten val, waarna de verdachte met een gestrekte arm in de richting van [het slachtoffer] ook de fietsenstalling binnen gaat. [het slachtoffer] ligt languit op de grond met haar benen gekruist. Uit die roerloze lichaamshouding leidt het hof af dat zij is neergeschoten. De verdachte staat boven [het slachtoffer] en zij draait met haar gezicht in de richting van de verdachte. Op dat moment schiet de verdachte van zeer korte afstand op haar hoofd. Het hoofd van [het slachtoffer] valt op de grond en zij beweegt niet meer. De verdachte staat nog steeds op korte afstand van [het slachtoffer] en schiet nog twee keer richting haar hoofd en één keer richting haar rug. Tijdens het schieten verandert hij van positie en stapt hij een paar keer naar voren. Dan loopt de verdachte terug het halletje in, draait zich daar om, loopt de trap weer af de fietsenstalling in, stapt over [het slachtoffer] heen en loopt weg in de richting van de andere uitgang van de fietsenstalling. De verdachte rent de school uit via het schoolplein, stapt in zijn auto en rijdt weg.

[het slachtoffer] heeft – onder meer - één inschot en twee doorschoten in haar hoofd, en één inschot en twee doorschoten in haar rug. Zij is als gevolg van in totaal twee in- en doorschoten van het hoofd/de hals en de romp ter plaatse overleden.

De verdachte heeft om 13.09 uur 112 gebeld met de mededeling dat hij zijn vriendin heeft geschoten.

Om 13:21:03 uur heeft de verdachte een chatgesprek naar een contact onder de naam ‘[getuige 6]’ gestuurd, inhoudende: “K heb [het slachtoffer] doodgeschoten”.

Om 13:21:25 uur heeft de verdachte een spraakbericht naar een contact onder de naam ‘[getuige 7]’ gestuurd, inhoudende: “[getuige 7] (fon.) ik heb [het slachtoffer] doodgeschoten man. Wollah ik maak geen grapje. Ik ga lange tijd vastzitten man”.

De verdachte is staande gehouden en tijdens het boeien heeft de verdachte uit eigen beweging het volgende gezegd: “Ik heb met rechts geschoten, zij moest niet fucken met mij. Ze heeft gelogen over haar leeftijd. Het vuurwapen ligt in de auto”.

Nadat de verdachte was aangehouden en in de politiebus werd geplaatst verklaarde de verdachte ongevraagd het volgende: “Weet u waarom ik het gedaan heb. Zij heeft mij ernstig in verlegenheid gebracht meneer. Ze had gezegd dat ze ouder dan 18 was, maar later bleek ze 16. Dat kan echt niet. Is ze dood?”.

De verdachte heeft tijdens zijn eerste verhoor op de vraag waarom hij heeft geschoten geantwoord: “Ik moest haar niet tegenkomen, ik kwam er achter dat ze jonger was dan dat ik was. De reclassering dacht dat ik een pedofiel was. Ze zeiden tegen mij dat ik niet bij een speeltuin mocht werken, die vrouw van de reclassering maakte grappen met mij. Ik werd hier boos om. Ik heb normaal geen vuurwapen bij me.” Op de vraag waarom hij boos was geworden op [het slachtoffer] antwoordde hij onder meer: “Het begon te knagen dat ze mij vast begon te zetten. Ze heeft aangifte gedaan voor ontvoering mishandeling, stalking etc... Daarom moest ik drie weken de gevangenis in.”.

Op 31 januari 2019 kreeg de verdachte in het huis van bewaring bezoek van zijn broer. Op last van de officier van justitie werd vertrouwelijke communicatie aldaar opgenomen, en kon op 31 januari 2019 het volgende gesprek tussen de verdachte en zijn broer worden beluisterd:

[verdachte]: (onv) verdorie. Ik ben echt de sigaar man.

[broer]: meen je dat?

[verdachte]: zij is gecrepeerd verdorie.

[verdachte]: als ik 1 keer had geschoten, dan was er niets aan de hand. 2 of 3 keer, dan was er niets aan de hand. Het waren 6 kogels. Snap je. En de laatste is de vieste. De laatste was .. zij lag op de grond weet je. Ik heb in haar hoofd geschoten, van dichtbij.

(…)

[verdachte]: wat klote van deze zaak is, is dat het op camera staat. Als je dus naar de camera kijkt, je weet toch. Het is gewoon een executie.

(…)

Er was eigenlijk geen reden voor mij om het meisje te vermoorden. Echt waar, ik lieg niet tegen je. (…) Puur omdat het gewoon, je weet toch door al dat irritante gedoe, door wat ze hebben gedaan.. die woede wat ze bij mij opgewekt, is dit gebeurd. Anders had ik het niet gedaan

5. Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

6. Beoordeling

Het hof komt op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de verdachte [het slachtoffer] met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd.

Het hof overweegt als volgt.

Er is, bezien tot de datum 18 december 2018, sprake van een voorgeschiedenis. Uit de aangiften van [het slachtoffer] en de verklaringen van de verdachte zelf kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat de verdachte ernstig gekrenkt was. Deze krenking is ontstaan door het verbreken van de relatie en heeft zich in de aanloop naar 18 december 2018 verder ontwikkeld en verdiept. De verdachte zocht ondanks een verbod daartoe aanhoudend contact met [het slachtoffer], terwijl hij niet de gewenste reactie van haar kreeg. Door het nogmaals doen van aangifte tegen hem is de krenking verder gevoed en kreeg die een nieuwe dimensie. [het slachtoffer] was bezig om hem ‘vast te zetten’ en dit begon aan hem te knagen. Ook was de verdachte er boos om dat hij - vanwege de relatie met de veel jongere [het slachtoffer], die had gelogen over haar leeftijd - werd aangeduid als pedofiel.

De opeenvolging van deze voorgeschiedenis met de doodsbedreigingen richting [het slachtoffer],

- het zich voorzien van een vuurwapen en bijbehorende munitie, duidend op een voornemen met het vuurwapen daadwerkelijk te schieten,

- het (steeds) bewust (op)zoeken van [het slachtoffer] in de buurt van haar school, in ieder geval het ertoe leiden dat hij haar tegen zou komen,

- het op 18 december 2018 meenemen van een doorgeladen vuurwapen,

- en zijn handelen vanaf het moment waarop hij [het slachtoffer] zag lopen kort nadat zij haar school had verlaten,

kan het hof niet anders duiden dan als het aan laten komen op een confrontatie met [het slachtoffer] om haar te doden.

De verdachte heeft aldus uitvoering gegeven aan een eerder door hem genomen besluit om [het slachtoffer] van het leven te beroven. Ter uitvoering van dat besluit heeft de verdachte op 18 december 2018 ’s ochtends bij het verlaten van zijn huis het doorgeladen vuurwapen in zijn broeksband gedaan en meegenomen. Op die wijze was hij voorbereid om te doden op het moment dat hij [het slachtoffer] tegen zou komen.

Bij dit oordeel heeft het hof acht geslagen op de uiterlijke verschijningsvorm en de doelgerichtheid van het handelen van de verdachte, mede in het licht van de door de verdachte zelf kort na het feit afgelegde verklaringen over zijn motief. Toen de verdachte [het slachtoffer] die dag zag lopen, heeft hij vervolgens zijn besluit haar te doden zonder aarzelen doorgezet en ten uitvoer gebracht. Het hof merkt verder op dat de wijze waarop de verdachte [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo onmiskenbaar gericht geweest op het om het leven willen brengen van [het slachtoffer], zo onmiskenbaar voorkomt als een ‘executie’ in de woorden van de verdachte zelf, dat dit heeft bijgedragen aan het oordeel dat hij haar met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht.

Tot slot overweegt het hof als volgt.

De gedragingen van de verdachte op 18 december 2018 – waarover hij als bestuurder van de auto de macht had, en daarmee de regie over het cruciale belang op bepaalde tijdstippen bij de school te zijn – dragen bij aan het bewijs dat hij zijn voorgenomen besluit zoals hiervoor uiteengezet aan het uitvoeren was. Dit is anders dan de raadsman heeft gesteld.

Dat de verdachte de uitvoering van zijn besluit afhankelijk heeft gesteld van een daadwerkelijke confrontatie met [het slachtoffer] doet daaraan – hoewel het verschijnen van [het slachtoffer] omstreeks 13:00 uur rondom de school, gegeven de omstandigheden, voor hem niet onverwacht was of kon zijn – niet af. Immers, voor een bewezenverklaring van de voorbedachte raad is niet vereist dat vast komt te staan dat de verdachte vooraf heeft besloten om het slachtoffer op een precies moment en exacte plaats om het leven te brengen.

Wat er ook zij van enig door de verdachte gesteld doel waarvoor hij het vuurwapen heeft aangeschaft, vaststaat dat hij het ter uitvoering van zijn voorgenomen besluit om [het slachtoffer] te doden heeft gebruikt.

7. Bespreking opgeworpen contra-indicaties

Voorts stelt het hof vast dat – anders dan door de verdachte en de raadsman is gesteld - er in deze geen contra-indicaties zijn voor het aannemen van de voorbedachte raad, dan wel geen indicaties van een gewicht die zouden moeten leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Het hof overweegt daarover als volgt.

De verdachte heeft over zijn aanwezigheid ter plaatse rond 13:00 uur verklaard dat hij de twee inzittenden van zijn auto thuis moest afzetten. Wat daar ook van zij, vaststaat dat beiden op het moment dat de verdachte de auto verlaat daar nog in zitten, terwijl de verdachte de adressen waar [getuige 4] verbleef al had aangedaan, en op de route de woning van [getuige 3] nog niet was gepasseerd. Eerder draagt het bij aan het oordeel van het hof dat de verdachte persé rond 13.00 uur dicht bij de school wilde zijn.

De verdachte heeft voorts verklaard over een aantal ‘triggers’ vanaf het moment dat hij [het slachtoffer] zag lopen, waardoor het misging en hij steeds bozer werd, namelijk dat hij oogcontact met [het slachtoffer] kreeg, zij van hem wegrende en dat hij haar wilde stoppen, maar dat ze te snel voor hem was. De verdachte heeft hier desgevraagd geen geloofwaardige nadere invulling aan kunnen geven. Niet blijkt dat de verdachte tijdens de achtervolging van [het slachtoffer] iets heeft gezegd of heeft geroepen om haar tot stoppen te manen, integendeel; de verdachte zelf en een aantal getuigen hebben verklaard dat er niets gezegd is. En overigens is, zoals hiervoor is vastgesteld, de verdachte vanaf het uitstappen enkel bezig geweest met het pakken van zijn vuurwapen, hetgeen eindigt in het doodschieten van [het slachtoffer]. Van enige andere intentie is niet gebleken.

De raadsman heeft bij pleidooi verder nog een aantal contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad naar voren gebracht. Dit zijn, voor zover het aangevoerde ook als zodanig is te classificeren en in het voorgaande nog niet is besproken:

  1. Het was een dag als alle andere en verschillende activiteiten van de verdachte duiden daarop (punt 16, 17 en 18 pleitnota).

  2. Het ‘gehannes’ met het vuurwapen duidt op afwezigheid van een plan. Als de verdachte daadwerkelijk het voornemen had om het slachtoffer om het leven te brengen, dan ligt het voor de hand dat het wapen gebruiksklaar was (punt 26 e.v. pleitnota).

  3. De verdachte heeft het vuurwapen dat hij voorhanden had in de vier à vijf maanden voor 18 december 2018 niet gebruikt (punt 36 pleitnota). Het niet eerder gebruiken van het vuurwapen dat de verdachte al een tijd in zijn bezit had, staat in de weg aan het ‘generieke opzet’, (het hof begrijpt: de voorbedachte raad) (punt 36 pleitnota).

  4. De verdachte heeft gelet op de korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering, namelijk pas vanaf het moment dat hij het wapen in handen had, danwel dat hij de achtervolging had ingezet, geen gelegenheid gehad om na te denken (pagina 16 en 17 pleitnota).

  5. De verdachte was ten tijde van het voorval onder invloed van cannabis en cocaïne (punt 34 pleitnota). Zo is ook door de verdachte verklaard dat hij is gaan schieten omdat hij onder invloed van drugs was.

Het hof zal gelet op het juridisch kader hieronder aangeven welk gewicht aan de gestelde contra-indicaties moet worden toegekend.

Ad a

Aan het gegeven dat de verdachte voorafgaand aan zijn handelen met anderen in de auto heeft rondgereden en ogenschijnlijk ‘normale’ activiteiten heeft ondernomen, zoals het langs een sportwinkel rijden zodat zijn vriend een trainingspak kon kopen, het brengen van zijn auto naar de carwash en het eten van een broodje in een theehuis, gaat het hof voorbij. Immers, de verdachte was reeds voor 18 december 2018 voorbereid op een door hem nagestreefde ‘confrontatie’ met [het slachtoffer], maar hij kon niet zeker weten dat die die dag zou plaatsvinden.

Als de verdachte als te doen gebruikelijk de hond wilde gaan uitlaten en dat ruim een half uur voor het gebeuren telefonisch aan zijn vader had laten weten, terwijl die niets bijzonders aan zijn zoon merkte, dan past dat ook in die lijn. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van [getuige 4] en diens vriend [getuige 3] in zijn auto.

Verder heeft de verdachte, niettegenstaande de afgehandelde ‘normale’ zaken, de tijd dat hij dicht in de buurt van de school wilde zijn – te weten 11:00 uur (kleine pauze) en 13:00 uur (grote pauze) – scherp in de gaten gehouden, zo blijkt uit de gebeurtenissen op die dag. Hij bracht zichzelf zo – zo is de overtuiging van het hof – in de positie dat een ontmoeting met [het slachtoffer] tot de mogelijkheden zou behoren, maar wist tot het laatste moment niet zeker of dat ook zou gebeuren.

Daarbij merkt het hof op dat de combinatie van reguliere bezigheden voorafgaand aan de gewelddadige uitbarsting omstreeks 13:00 uur die dag past bij de, in de door de hierna genoemde psychiater en psycholoog opgemaakte onderzoeksrapporten, gediagnostiseerde ernstige persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken alsmede psychopathie bij de verdachte1. Verder wordt daarin beschreven dat de verdachte – onder meer - een prikkelzoekende en risicovolle levensstijl heeft terwijl bij hem spanning of angst nauwelijks wordt waargenomen2.

Al met al wegen deze als contra-indicaties aangevoerde omstandigheden niet zwaar, nu deze de lijn, dat hij niet zeker kon weten dat hij [het slachtoffer] die dag zou tegenkomen, miskennen.

Ad b

Datgene wat de raadsman benoemt als ‘gehannes’ met het vuurwapen is niet te beschouwen als een contra-indicatie. Immers, de verdachte had zijn vuurwapen gebruiksklaar reeds in zijn broeksband zitten. Dat het wapen door het rennen van zijn plaats raakte, waardoor hij moeite had zijn grip erop vast te houden, doet daaraan niet af.

Ad c

Als het hof de verklaring van de verdachte volgt, beschikte hij sinds (ongeveer) september 2018 over het bewuste vuurwapen. De verdachte heeft weliswaar gesteld dat hij [het slachtoffer] meermalen is tegengekomen in de periode voor 18 december 2018, maar het hof stelt vast dat zich hiervoor in het dossier geen concreet aanknopingspunt bevindt anders dan dat hij een keer hoogst waarschijnlijk in de buurt was van de plek waar [het slachtoffer] werkte.

Over de vraag of hij op de momenten dat hij haar naar eigen zeggen tegenkwam bewapend was, heeft de verdachte wisselend verklaard. In zijn eerste verhoor bij de politie heeft hij verklaard dat hij normaal geen vuurwapen bij zich heeft, dat hij haar gewoon niet moest tegenkomen en dat het goed gaat als hij haar tegenkomt zonder pistool. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij [het slachtoffer] in de periode voor 18 december 2018 zo’n zes keer was tegengekomen. Hij heeft tevens verklaard dat hij (in het algemeen, zo begrijpt het hof) het vuurwapen misschien twee keer buitenshuis bij zich heeft gehad, terwijl hij later ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij “24/7” een vuurwapen droeg. Het blijft dus volstrekt onduidelijk of de verdachte [het slachtoffer] wel eerder is tegengekomen, en zo ja, of hij op dat moment (telkens) een vuurwapen op zak had. Voor zover de raadsman aldus heeft willen aanvoeren dat de verdachte indien hij van plan was geweest [het slachtoffer] van het leven te willen beroven hij dit wel eerder had gedaan, overweegt het hof dat – wat daar ook van zij - de daaraan ten grondslag gelegde stellingen niet aannemelijk zijn geworden.

Ad d

De raadsman heeft hierbij gewezen op de uiterlijke verschijningsvorm. Op het beeldmateriaal is te zien dat de auto van de verdachte net voor de confrontatie met [het slachtoffer], (linksaf) tegen het verkeer in de [straat C] inrijdt en niet rechtdoor en zich daarmee van de achteruitgang van de school verwijdert, aldus de raadsman.

Het hof is echter, zoals hiervoor reeds uiteengezet, van oordeel dat deze beelden juist steun geven aan het door de verdachte “zoekend rondrijden”. Het linksaf slaan, tegen het verkeer in, was het begin van het tweede rondje dat de verdachte in de buurt van de school reed en hem in staat stelde om [het slachtoffer] tegen te komen, hetgeen ook gebeurd is. Dat dat aan de achterzijde van de school gebeurde is een bijkomstigheid die het hof niet beschouwt als een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad, zoals hiervoor uiteen gezet.

Het hof heeft hiervoor overwogen dat de verdachte het besluit [het slachtoffer] van het leven te beroven al vóórdat hij op 18 december 2018 zijn woning verliet genomen had. Hetgeen de raadsman heeft gesteld over de uiterlijke verschijningsvorm van de uitvoering legt geen gewicht in de schaal ter zake de voorbedachte raad.

Ad e

Het hof gaat hieraan voorbij reeds omdat uit de rapporten van de psychiater en psycholoog in deze zaak volgt dat van cannabisgebruik geen drempelverlagend effect beschreven is ten aanzien van agressie en in die zin geen bekend effect daarvan is, zodat de verdachte door cannabisgebruik, niet verhoogd agressief zal zijn geweest. Van het gebruik van cocaïne kan worden verondersteld dat het de in aanleg al gestoorde agressieregulatie bij de verdachte verder heeft doen afnemen. De lichte stoornis in cocaïnegebruik heeft naar de mening van onderzoekers echter niet doorgewerkt in de ten laste gelegde feiten3. Ook hierin ziet het hof geen indicatie van enig gewicht die in die weg staat aan het aannemen van voorbedachte raad.

8. Conclusie

Op grond van al het vorenstaande is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om [het slachtoffer] van het leven te beroven en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof is dan ook – anders dan de rechtbank - van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op of omstreeks 18 december 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen meerdere, althans een kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van [het slachtoffer], ten gevolge waarvan [het slachtoffer] is overleden;

3.
hij op of omstreeks 18 december 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, van het merk Zoraki, type M906, kaliber 7,65mm Browning met bijbehorende munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Getuigenverzoek

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om zijn [wijkagent] van het [politiebureau] als getuige te horen, nu hij kan verklaren over de dreigingen in verdachtes richting van kwaadwillende lieden, hetgeen voor de verdachte reden vormde om een vuurwapen aan te schaffen.

Het hof wijst dat verzoek af, nu het hof, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, de noodzaak tot het horen van deze getuige niet is gebleken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

moord.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Straf en maatregel

Artikel 289 Sr bepaalt dat hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, als schuldig aan moord wordt gestraft met - voor zover hier van belang - levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

De feiten

De verdachte heeft op 18 december 2018, iets na 13:00 uur, in de fietsenkelder van [de school] te Rotterdam, de 16-jarige [het slachtoffer] vermoord. Moord is het zwaarste misdrijf tegen het leven gericht in het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft het slachtoffer, met een doorgeladen wapen (in zijn broeksband), bewust in de buurt van de school (op)gezocht, in ieder geval het ertoe geleid dat hij haar tegen zou komen op enig moment op of omstreeks die dag en hij was voorbereid om het vuurwapen tegen haar te gebruiken zodra dat moment gekomen zou zijn.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft het hof verder in het bijzonder rekening gehouden met de gruwelijke en lafhartige wijze waarop de verdachte [het slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Zij was kennelijk zo bang voor de verdachte dat zij – toen ze hem zag - direct op de vlucht sloeg. Zij heeft daarna moeten ervaren dat ze door de verdachte werd achterna gezeten en dat hij van achteren op haar heeft geschoten. Toen zij bewegingsloos op de grond lag, maar nog wel haar hoofd kon optillen en haar gezicht naar de verdachte toewendde, moet zij in de laatste seconden van haar leven in doodsangst hebben verkeerd. En juist op dat moment maakte verdachte af waarvoor hij gekomen was en heeft hij het weerloze slachtoffer gericht en van zeer dichtbij (meermalen) door/in haar hoofd en rug geschoten, waardoor zij terstond is overleden.

De verdachte heeft het meest fundamentele recht – het recht op leven - aan het jonge slachtoffer ontnomen; een leven dat nog vrijwel geheel voor haar lag. Hierdoor is aan de ouders, zussen en broer van [het slachtoffer] een niet in woorden te vatten en onherstelbaar leed toegebracht. Leed dat zonder twijfel hun verdere bestaan zal blijven overschaduwen. Dit feit, waardoor zij hun weerloze dochter en zusje hebben verloren, heeft daarnaast ernstig ingegrepen in het leven van de verdere familie- en vriendenkring van [het slachtoffer].

Voorts heeft dit misdrijf – dat op klaarlichte dag in een middelbare school, in een dicht bevolkte wijk van Rotterdam plaatsvond – naar zijn aard, de rechtsorde én de samenleving in wijdere kring ernstig geschokt. Vele leerlingen waren juist aan het begin van de grote pauze naar buiten aan het gaan, dan wel al op het plein en de straat aan de achterzijde van de school. Een aantal van hen heeft de verdachte (met het vuurwapen) achter het slachtoffer aan zien rennen en heeft schoten gehoord; een enkeling heeft de verdachte zien schieten en/of het slachtoffer in de fietsenkelder op de grond zien liggen terwijl zij allen, zeer kort daarop, hebben moeten vernemen dat zij was doodgeschoten. De impact van deze gewelddadige en schokkende gebeurtenis op al deze jonge mensen, is groot. Zo ook op hun ouders; zij moeten hun kinderen immers op, binnen en nabij de school veilig kunnen weten, waaraan door dit misdrijf in ernstige mate afbreuk is gedaan. In algemene zin brengt een feit als het onderhavige sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg. De gewelddadige dood van [het slachtoffer] heeft tot grote maatschappelijke beroering geleid, niet alleen in Rotterdam, maar ook ver daarbuiten.

Verder heeft de verdachte een doorgeladen vuurwapen - op de openbare weg in een drukke woonwijk en in de onmiddellijke nabijheid van een middelbare school - voorhanden gehad. Daarnaast heeft de verdachte voor het wapen geschikte munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit daarvan leidt, zoals uit de onderhavige zaak ondubbelzinnig en schokkend is gebleken, niet zelden tot het plegen van gruwelijke misdrijven. Dat is waarom streng wordt opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie.

De persoon van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 mei 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, onder andere geweldsdelicten, waaronder een poging tot doodslag.

Rapportage Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) d.d. 5 september 2019

De verdachte heeft in deze zaak zijn medewerking verleend aan een intramuraal psychologisch en psychiatrisch onderzoek in het PBC, uitgevoerd door A. Witvliet, GZ-psycholoog en D.C.W.H. Naus, psychiater. Deze deskundigen hebben op 5 september 2019 een rapportage uitgebracht die samengevat, en zakelijk weergegeven, het volgende inhoudt.

Diagnostiek

De verdachte functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau. Dit maakt de verdachte naïef, impulsief en beïnvloedbaar. Zijn denkwereld is rigide, dogmatisch en kinderlijk. Tevens is sprake van een ernstige persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, waarbij de verdachte tevens voldoet aan de criteria voor psychopathie. Het ontbreekt hem aan zelfinzicht, empathisch vermogen en het geweten is ernstig gestoord zowel voor wat betreft de cognitieve (weet van normen en waarden) als affectieve (vermogen tot meevoelen) empathie. De verdachte heeft verder geen boodschap aan de wet, is sterk egocentrisch, overmatig impulsief en agressief. Ten aanzien van zijn naaste omgeving laat hij parasitair gedrag zien en is hij onverantwoordelijk. Ook heeft hij een prikkelzoekende, hedonistische en leugenachtige levensstijl, waarbij drugs, criminaliteit en wapens hem aantrekken.

De verdachte heeft vanuit zijn ernstige persoonlijkheids-stoornis grote problemen in de omgang met mensen. Van wederkerigheid is geen sprake en binnen relaties is hij ontrouw, snel jaloers en achterdochtig als partners niet doen wat hij zegt of het (het hof begrijpt: de relatie) uitmaken. Hij is dan snel gekrenkt en manipuleert of dreigt om zijn zin te krijgen.

Tevens is er sinds lange tijd bestaand overmatig gebruik van middelen. De verdachte kent een grote mate van verslavingsgevoeligheid, waarbij het gebruik van middelen de functie lijkt te hebben om innerlijke leegte op te vullen, onwenselijke onlustgevoelens te verdrijven en prikkels te zoeken.

Alle vastgestelde stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de tenlastegelegde feiten. De verdachte was daarbij — blijkens onderzoek direct na het tenlastegelegde — onder invloed van cannabis en cocaïne.

Mate van toerekening

Zijn ernstige woede en wraakgevoelens ten gevolge van zijn krenking en voortkomend uit zijn ernstige persoonlijkheidsstoornis hebben ervoor gezorgd dat de verdachte in verminderde mate in staat was afwegingen te maken en de consequenties van zijn handelen te overzien. Ook beschikte hij, vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis en verstandelijke ontwikkelingsstoornis, over een beperkt aantal gedragsalternatieven.

Gezien de doorwerking van de vastgestelde stoornissen in het onder 1 tenlastegelegde, wordt geadviseerd om dit feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Bij het onder 3 ten laste gelegde kan geen doorwerking van de vastgestelde stoornissen worden onderbouwd. De verdachte lijkt in dit feit voldoende keuzevrijheid te hebben gehad om tot gedragsalternatieven te komen.

Middelengebruik

Het is niet aannemelijk dat hernieuwd middelengebruik plotseling een veel sterker effect heeft gehad op de verdachte. De lichte stoornis in cocaïnegebruik heeft niet doorgewerkt in de ten laste gelegde feiten. Daarbij komt dat van cannabisgebruik geen drempelverlagend effect beschreven is ten aanzien van agressie.

Gevaar voor herhaling

Het risico op toekomstig geweld wordt ingeschat als hoog. Indien de verdachte onbehandeld zou terugkeren naar de situatie van voor het tenlastegelegde is de inschatting van onderzoekers dat er sprake is van een hoog risico op recidive, aangezien bij de verdachte veel risicofactoren kunnen worden onderscheiden, hij weinig beschermende factoren heeft en hij volgens de risicotaxatie-instrumenten binnen een groep met een hoog recidiverisico valt. Dit risico betreft gewelddadig gedrag binnen relaties en acting out in algemene zin, en zal grotendeels lopen via de route van woede door gekrenktheid in combinatie met middelengebruik.

Conclusie deskundigen

Er is bij de verdachte sprake van ernstige en complexe pathologie en een hoge kans op recidive, waarvoor behandeling en begeleiding noodzakelijk is. Het accent van de behandeling zal primair moeten liggen in het nastreven van abstinentie van middelen en het aanleren van meer gezonde stressregulatiemechanismen bij het omgaan met krenkingen en teleurstellingen. De verstandelijke beperking is hierbij per definitie vaststaand en de ernstige persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken is moeilijk behandelbaar, temeer omdat er sprake is van een hoge mate van psychopathie.

Ook de verslavingsproblematiek van de verdachte is ernstig en reeds langdurig aanwezig. De vastgestelde stoornissen beïnvloeden elkaar bovendien op ongunstige wijze en verslechteren zodoende de prognose.

Verder moet worden genoemd dat het de verdachte ontbreekt aan ziektebesef en zelfinzicht en hij geen motivatie heeft voor behandeling. De verwachting is dat betrokkene niet mee zal werken aan een behandeling en hij, gelet op het verleden en indien de situatie zich voordoet, zich aan een behandeling zal onttrekken.

Gezien het bovenstaande zijn onderzoekers van mening dat enkel binnen een langdurige klinische behandelsetting aan bovengenoemde behandeldoelen kan worden gewerkt. Het risico op weerstand tegen de behandeling, op schijnaanpassing en op ongeoorloofd middelengebruik binnen de kliniek is daarbij aanwezig. Hoewel de verdachte formeel een verstandelijke beperking heeft, wordt gezien zijn persoonlijkheidsstoornis met psychopathie geadviseerd om de verdachte niet binnen een dergelijke setting te behandelen. De verwachting is dat hij dergelijke afdelingen zal ontwrichten vanuit de comorbide persoonlijkheidspathologie.

Tot slot dient een en ander plaats te vinden binnen een hoog beveiligingsniveau, onder andere omdat de verdachte bij zijn broer zou hebben aangekondigd bij de eerste gelegenheid van begeleid verlof te zullen ontvluchten.

Op grond van het bovenstaande adviseren onderzoekers om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna ook: TBS-maatregel) op te leggen. Andere, minder verstrekkende, maatregelen worden door onderzoekers onvoldoende intensief en niet haalbaar geacht teneinde het recidiverisico duurzaam te verlagen.

Aanvullende rapportage d.d. 24 februari 2021

De deskundigen Witvliet en Naus hebben op 24 februari 2021 een geactualiseerde rapportage van de eerder uitgebrachte PBC-rapportage d.d. 5 september 2019 uitgebracht. Laatstgenoemde rapportage vindt bevestiging in de aanvullende rapportage.

De deskundigen concluderen op basis van aanvullend onderzoek dat de diagnostiek in vergelijking met het onderzoek in het PBC d.d. 5 september 2019 onveranderd is gebleven, behoudens de stoornissen in middelengebruik, te weten cannabis, alcohol en cocaïne. Dit middelengebruik is door de detentie van de verdachte in gedwongen remissie.

Ten aanzien van de mate van toerekening van feit 1 wordt wederom geadviseerd dit feit verminderd aan de verdachte toe te rekenen (zowel op een drie- als op een vijfpuntsschaal). Ook wordt wederom geadviseerd feit 3 volledig aan de verdachte toe te rekenen.

Ondanks dat de deskundigen wel hebben gekeken naar de mogelijkheid van terbeschikkingstelling met voorwaarden, wordt dit niet haalbaar geacht.

De deskundigen adviseren opnieuw om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de genoemde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de bevindingen van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. Het hof maakt deze bevindingen en de daaruit getrokken conclusies tot de zijne.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat ten tijde van het begaan van feit 1, de moord, bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Ten aanzien van feit 3, het wapenbezit, is geen doorwerking van de stoornissen vastgesteld en dat feit kan, naar oordeel van het hof, volledig aan de verdachte worden toegerekend.

Gelet op de conclusies in de rapportages is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat het middelengebruik geen invloed heeft op de mate van toerekening van de bewezenverklaarde feiten.

Vastgesteld wordt dat de bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van het onder 1 bewezen verklaarde feit en het gevaar voor herhaling, zoals beschreven door de deskundigen. Ook heeft het hof daarbij de overige adviezen en rapporten over (de persoonlijkheid van de) verdachte in aanmerking genomen.

Het hof is gelet op de vastgestelde gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte, de buitengewone ernst en aard van het onder 1 bewezenverklaarde, de inhoud van de over de verdachte uitgebrachte rapportages en de eerdere onherroepelijke veroordelingen, ook wegens geweldsdelicten, en hetgeen het hof overigens uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon en persoonlijkheid van de verdachte, van oordeel dat sprake is van een groot gevaar voor recidive. Vanuit veiligheidsoogpunt is het onverantwoord om de verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij.

Conclusies van het hof

De hiervoor genoemde strafbepalende en – verzwarende omstandigheden zijn zodanig, dat het wettelijk strafmaximum (voor een tijdelijke gevangenisstraf) van 30 jaren voor feit 1 in zicht komt. Het hof heeft er echter ook op gelet dat de verdachte dit feit in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat voor de bewezenverklaarde feiten een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren een passende en geboden reactie is.

Het hof zal voorts de terbeschikkingstelling gelasten met een bevel tot verpleging van overheidswege, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit eist.

Het hof stelt vast dat het onder 1 bewezen verklaarde feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, Sr. Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit, alsmede de pathologie van de verdachte redengevend. De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Maatregel artikel 38z Sr

Het hof ziet geen aanleiding om de gevorderde maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr op te leggen. Het hof overweegt – onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis4 - daartoe dat deze maatregel (als het gaat om het opleggen van deze maatregel in combinatie met een TBS-maatregel) bedoeld is om de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen, in aansluiting op een in duur gemaximeerde TBS-maatregel. Nu – zoals hiervoor overwogen – ‘de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen’ niet alleen de reden maar ook de inzet is van de oplegging van een in duur ongemaximeerde TBS met dwangverpleging, ziet het hof geen meerwaarde in het opleggen van de maatregel van 38z Sr. In het geval van een in duur ongemaximeerde TBS met dwangverpleging geldt dat het verlengen van de TBS-maatregel de aangewezen weg is wanneer het recidiverisico ten aanzien van de betrokkene niet voldoende is afgenomen. Dat de reclassering de oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr wel heeft geadviseerd doet daar (mede gelet op de summiere motivering daarvan) niet aan af.

Vorderingen benadeelde partijen

In het onderhavige strafproces hebben zich als benadeelde partijen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit gevoegd:

- [ [benadeelde partij 1] (vader van [het slachtoffer])

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend ter vergoeding van € 7.284,86 aan materiële schade en

€ 25.000,- aan immateriële schade (shockschade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 32.284,86.

- [ [benadeelde partij 2] (moeder van [het slachtoffer])

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend ter vergoeding van € 1.411,74 aan materiële schade en

€ 25.000,- aan immateriële schade (shockschade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 26.411,74.

- [ [benadeelde partij 3] (broer van [het slachtoffer])

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend ter vergoeding van € 17.500 aan immateriële schade (shockschade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

- [ [benadeelde partij 4] (zus van [het slachtoffer])

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend ter vergoeding van € 1.767,46 aan materiële schade en

€ 17.500,- aan immateriële schade (shockschade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 19.267,46.

- [ [benadeelde partij 5] (zus van [het slachtoffer])

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend ter vergoeding van € 1.076,- aan materiële schade en

€ 17.500,- aan immateriële schade (shockschade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 18.576,00.

- [ [benadeelde partij 6] (zus van [het slachtoffer])

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend ter vergoeding van € 914,52 aan materiële schade en

€ 25.000,- aan immateriële schade (shockschade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 25.914,52.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door en namens de verdachte niet betwist.

Gevorderde materiële schade

Naar het oordeel van het hof hebben de benadeelde partijen (met uitzondering van [benadeelde partij 3], nu hij enkel vergoeding van immateriële schade heeft gevorderd) genoegzaam aangetoond dat tot het gevorderde bedrag aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vorderingen van de benadeelde partijen zullen derhalve in zoverre tot het gevorderde bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment waarop de schade is ingetreden, te weten:

  • -

    ter zake van [benadeelde partij 1] vanaf 19 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    ter zake van [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6] vanaf 20 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    ter zake van [benadeelde partij 4] vanaf 12 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Shockschade

Het hof onderkent dat het overlijden van het nog jonge slachtoffer als gevolg van een zeer gewelddadig strafbaar feit, een uitermate ingrijpende gebeurtenis is voor degenen die met haar verbonden zijn. Ook het aanwezig zijn in het mortuarium en uiteindelijk het moeten identificeren van de overledene, is zeer confronterend voor wie daarbij aanwezig zijn, zoals in deze zaak de benadeelden, behoudens [benadeelde partij 4]. De hevige emoties en het intense verdriet die daarvan het gevolg zijn, zijn invoelbaar.

Dat laat onverlet dat in rechte de vraag over de vergoeding van gestelde shockschade in zakelijkheid zal moeten worden behandeld en beantwoord.

Voor vergoeding van shockschade is op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarbij moet komen vast te staan dat dit geestelijk letsel is ontstaan als gevolg van het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, waardoor een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond (ECLI:NL:HR:2002:AD5356 en ECLI:NL:HR:2014:528).

Het hof is van oordeel dat het antwoord op de vragen of daarvan sprake is en of dit door het bewezenverklaarde is veroorzaakt, in onvoldoende mate blijkt uit de door de benadeelde partijen overgelegde (medische) stukken en uit de daarop gegeven toelichting, alleen al omdat daarin onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen de geestelijke problematiek bij de nabestaanden die (uitsluitend) het gevolg is van het overlijden van [het slachtoffer] als gevolg van het strafbare feit en de schade die (mogelijk) het gevolg is van de confrontatie met het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] in het mortuarium dan wel het identificeren van haar aldaar. Ook is niet steeds voldoende duidelijk of en in welke mate er al voordat [het slachtoffer] om het leven werd gebracht sprake was van de psychische klachten die worden toegeschreven aan haar gewelddadige dood. Verder kan zonder nader onderzoek niet de vraag worden beantwoord of zich een emotionele schok heeft voorgedaan en wat de aard daarvan is geweest in relatie tot de gestelde geestelijke schade. Evenmin bevatten de ter onderbouwing overlegde stukken voldoende aanknopingspunten om de hoogte van de beweerdelijk geleden schade vast te kunnen stellen. Voor een goed beeld dient nader onderzoek plaats te vinden. De vaststelling van de gestelde schade vereist derhalve een degelijker en uitvoeriger onderbouwing dan thans in de overgelegde stukken en de ter zitting gegeven toelichting wordt geboden.

Daarbij overweegt het hof dat de benadeelde partijen niet aanwezig zijn geweest bij het plegen van het feit waardoor [het slachtoffer] is overleden. Haar vader stond op dat moment wel aan de voorzijde van de school, maar dat is naar het oordeel van het hof niet gelijk te stellen met het waarnemen van het strafbare feit of een directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Verder overweegt het hof dat de omstandigheid dat de benadeelde partijen – hoe schokkend op zichzelf ook – [het slachtoffer] hebben gezien in het mortuarium niet zonder meer gelijkgesteld kan worden met de laatstgenoemde confrontatie, te meer nu niet is gesteld of gebleken dat dat sprake was van ernstige verminkingen van (het gelaat van) [het slachtoffer], zoals in de zaken waarin bij een confrontatie met het stoffelijk overschot wel shockschade is vastgesteld, het geval was. Vervolgens is aangevoerd dat tijdens pro forma zittingen en via de media dan wel uit het dossier is gebleken op welke gruwelijke wijze hun dochter en zusje om het leven is gebracht, en dat de wetenschap van de wijze waarop zij is overleden en de doodsangst die zij daarbij heeft moeten doorstaan een beeld is, dat zij niet meer kwijt raken. Ook dat – hoe invoelbaar ook – is niet gelijk te stellen met het waarnemen van het strafbare feit of een directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, zodat ook daarin geen grond kan worden gevonden voor het toewijzen van de gevorderde shockschade.

De behandeling van de vorderingen levert - voor zover deze zien op shockschade - naar het oordeel van het hof dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op als bedoeld in artikel 361, derde lid, Sv. De genoemde benadeelde partijen dienen daarom in zoverre in hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard. Zij kunnen hun vorderingen voor dit deel slechts aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Nu de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn gehele vordering, zal hij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Nu de vorderingen van de overige benadeelde partijen slechts gedeeltelijk zullen worden toegewezen, zal het hof bepalen dat de kosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag (te vermeerderen met de wettelijke rente) aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers

[benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 april 2018 onder parketnummer 09-827323-17 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaten-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging is derhalve gegrond. Het hof zal de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.284,86 (zevenduizend tweehonderdvierentachtig euro en zesentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.284,86 (zevenduizend tweehonderdvierentachtig euro en zesentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 71 (eenenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 19 december 2018.

Vordering van de [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.411,74 (duizend vierhonderdelf euro en vierenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.411,74 (duizend vierhonderdelf euro en vierenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 24 (vierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 december 2018.

Vordering van de [benadeelde partij 3]

Verklaart de [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de [benadeelde partij 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van

€ 1.076,00 (duizend zesenzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.076,00 (duizend zesenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 december 2018.

Vordering van de [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van

€ 1.767,46 (duizend zevenhonderdzevenenzestig euro en zesenveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.767,46 (duizend zevenhonderdzevenenzestig euro en zesenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 27 (zevenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 januari 2019.

Vordering van de [benadeelde partij 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 6] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 914,52 (negenhonderdveertien euro en tweeënvijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 6], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 914,52 (negenhonderdveertien euro en tweeënvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 december 2018.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 24 april 2018, parketnummer 09-827323-17, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. L.C. van Walree en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 juni 2021.

1 Rapportage pro Justitia NIFP, locatie Pieter Baan Centrum d.d. 5 september 2019, p. 71.

2 Aanvullend psychiatrisch en psychologisch onderzoek pro justitia d.d. 24 februari 2021, p. 7.

3 Rapportage pro Justitia NIFP, locatie Pieter Baan Centrum d.d. 5 september 2019, p. 75 en Aanvullend psychiatrisch en psychologisch onderzoek pro Justitia d.d. 24 februari 2021, p. 28.

4 Kamerstukken II 2013/14, 33816, nr. 3.