Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1117

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
23-07-2021
Zaaknummer
2200256120
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof komt – anders dan de rechtbank – niet tot een veroordeling vanwege artikel 5a WVW. Het bestanddeel “indien daarvan levensgevaar of gevaar van zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is” is niet bewezen verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/350
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002561-20

Parketnummer: 96-104336-20

Datum uitspraak: 17 juni 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 september 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 april 2020 te Zoetermeer (gemeente Zoetermeer) en/of Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland), althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmee rijdende op de weg, te weten de provinciale weg N470 en/of de Noordeindseweg, opzettelijk zich zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door:

- ( onnodig) langzaam te rijden en/of de auto (onverwacht) stil te zetten en/of

- onvoldoende rechts te houden op onoverzichtelijke plaatsen en/of daarbij (meermalen) een doorgetrokken streep te overschrijden en/of met (een deel van) de door hem bestuurde auto op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer te rijden en/of

- tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat (telefoon) vast te houden,

door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was,

terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, WVW 1994;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 april 2020 te te Zoetermeer (gemeente Zoetermeer) en/of Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland), althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, te weten de provinciale weg N470 en/of de Noordeindseweg, als volgt heeft gehandeld:

hij, verdachte, heeft/is:

- ( onnodig) langzaam gereden en/of de auto (onverwacht) stilgezet en/of

- onvoldoende rechts gehouden op onoverzichtelijke plaatsen en/of daarbij (meermalen) een doorgetrokken streep overschreden en/of met (een deel van) de

door hem bestuurde auto op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer gereden en/of

- tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat (telefoon) vastgehouden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,

terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, WVW 1994;

2.

hij op of omstreeks 08 april 2020 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, als bestuurder van een voertuig (auto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij
verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten lachgas, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon
verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1. primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met aftrek van de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden waarvan

2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van het tenlastegelegde

Op basis van de door het hof te bezigen bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte a) onnodig langzaam heeft gereden, b) zijn auto onverwacht heeft stilgezet, c) meermalen een doorgetrokken streep heeft overschreden en met een deel van zijn auto op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer heeft gereden, d) tijdens het rijden een telefoon heeft vastgehouden en e) tijdens het rijden onder invloed van lachgas verkeerde.

Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de inhoud van het door verbalisant [verbalisant], op ambtsbelofte, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen. Anders dan de verdediging constateert het hof in dit proces-verbaal geen onjuistheden. De verdachte betwist een groot deel van de bevindingen van [verbalisant], maar onderbouwt dat verder niet.

Het hof stelt vast dat het proces-verbaal op 10 april 2020 is ondertekend. Aangenomen mag worden dat het ook die dag is opgemaakt. Dat betekent naar het oordeel van het hof niet dat het niet ‘ten spoedigste’ is opgemaakt en/of dat de inhoud ervan als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt. De verbalisant heeft een groot deel van wat hij op 8 april 2020 heeft gezien ter plekke al in de vorm van zijn verhoor van de verdachte in aantekeningen vastgelegd in zijn notitieboekje, waarvan de gekopieerde bladzijden zich in het dossier bevinden. Twee dagen later heeft hij het proces-verbaal uitgewerkt. Dat tijdsverloop acht het hof niet dusdanig lang dat de verbalisant zijn waarnemingen niet meer objectief in een proces-verbaal zou hebben kunnen neerleggen. Het hof zal het proces-verbaal van bevindingen dus gebruiken voor het bewijs.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is welk strafbaar feit bovengenoemde verkeersgedragingen van de verdachte opleveren. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking de Memorie van Toelichting behorende bij artikel 5a WVW, waarin staat vermeld dat dit artikel is “bedoeld voor een beperkt aantal zaken, zaken waarin sprake is van zeer ernstige verkeersdelicten. Voor de overige zaken kan worden teruggevallen op het aangescherpte artikel 5 WVW.”1. Naar het oordeel van het hof is de combinatie van de gedragingen van de verdachte wel degelijk gevaarzettend geweest, maar kan op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet wettig en overtuigend worden vastgesteld dat deze in dit geval zodanig is geweest dat daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) was te duchten. Gelet hierop spreekt het hof de verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde (artikel 5a WVW) en komt het tot een bewezenverklaring van het onder

1. subsidiair tenlastegelegde (artikel 5 WVW). Het hof komt tevens tot een bewezenverklaring van het onder

2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair.

hij op of omstreeks 08 april 2020 te te Zoetermeer (gemeente Zoetermeer) en/of Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland), althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, te weten de provinciale weg N470 en/of de Noordeindseweg, als volgt heeft gehandeld:

hij, verdachte, heeft/is:

- (onnodig) langzaam gereden en/of de auto (onverwacht) stilgezet en/of

- onvoldoende rechts gehouden op onoverzichtelijke plaatsen en/of daarbij (meermalen) een doorgetrokken streep overschreden en/of met (een deel van) de

door hem bestuurde auto op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer gereden en/of

- tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat (telefoon) vastgehouden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,

terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, WVW 1994;

2.

hij op of omstreeks 08 april 2020 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, als bestuurder van een voertuig (auto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij
verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten lachgas, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon
verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

en

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft gevaar en hinder op de weg veroorzaakt door onnodig langzaam te rijden, zijn auto onverwacht stil te zetten, meermalen een doorgetrokken streep te overschrijden en tijdens het rijden een telefoon vast te houden. Tijdens het rijden verkeerde de verdachte ook nog eens onder invloed van lachgas. Door deze (combinatie van) gedragingen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het schenden van meerdere voor de verkeersveiligheid geldende belangrijke verkeersregels. Het is niet aan de verdachte te danken dat de andere weggebruikers geen schade en/of letsel hebben opgelopen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 mei 2021 is hij niet eerder veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.

Het hof is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop van de beide bewezen verklaarde feiten. Onder

2 is immers bewezen verklaard dat de verdachte heeft gereden onder invloed van lachgas, terwijl dit ook onder 1 is bewezen verklaard als bestanddeel van het gevaarlijke rijgedrag van de verdachte. Daarbij komt dat de beide overtreden bepalingen (de artikelen 5 en 8 van de WVW 1994) hetzelfde belang beschermen, namelijk

de verkeersveiligheid. Het hof houdt hier rekening mee bij de strafoplegging.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder

1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga,

mr. C.H.M. Royakkers en J.A.W. van 't Westeinde, in bijzijn van de griffier mr. N. Germeraad-van der Velden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 juni 2021.

1 Kamerstukken II, 2018-2019, 35086, nr. 3.