Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1099

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
200.256.846
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht; bewijswaardering; schending infoplicht met opzet te benadelen?; schadebeeld aanrijding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.256.846/01

Zaaknummer rechtbank : 5984061 RL EXPL 17-12062

arrest van 29 juni 2021

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. G.M.S. Gomes te Den Haag,

tegen

Turien & Co Assuradeuren B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Turien,

advocaat: mr. M. Smit te Alkmaar.

De verdere loop van het geding

Voor het verloop van het geding tot 9 juni 2020 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum (ECL:I:NL:GHDHA:2020:981). Bij dat tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten tot tegenbewijs. Op 10 november 2020 heeft een enquête plaatsgevonden en op 18 januari 2021 een contra-enquête. Hierna heeft [appellant] een memorie na enquête genomen en Turien een antwoordmemorie na enquête. Tot slot is opnieuw arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak – zakelijk weergegeven – om de vraag of de schade aan zijn Mercedes, die [appellant] bij Turien heeft geclaimd, kan zijn veroorzaakt door een aanrijding zoals door hem gesteld.

2. Het hof heeft in rov. 4.1 en 4.2 van zijn tussenarrest van 9 juni 2020 overwogen dat nu Turien stelt dat [appellant] niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, met het opzet Turien te misleiden, en zich beroept op het rechtsgevolg (dat het recht op uitkering onder de verzekering is komen te vervallen, zij [appellant] mocht opnemen in de frauderegisters en dat zij recht heeft op vergoeding van de door haar gemaakte onderzoekskosten), de stelplicht en bewijslast van feiten die zij hieraan ten grondslag legt, op haar rust. In dat tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de onderzoeksrapporten van CED en SOB in combinatie met de tegenstrijdigheden in de verklaringen van [appellant] zodanige vragen oproepen, dat voorshands – behoudens tegenbewijs – bewezen moet worden geacht dat de schade niet het gevolg kan zijn van het door [appellant] gestelde ongeval, op grond waarvan moet worden aangenomen dat sprake is van overtreding van de inlichtingenplicht door [appellant] met het opzet Turien te misleiden. Dit voorshands bewijsoordeel houdt in dat Turien met deze rapporten, gelet op de mededelingen en verklaringen van [appellant] , voorshands heeft bewezen dat [appellant] zijn inlichtingenplicht heeft geschonden met het opzet Turien te misleiden door schade te claimen die niet door de aanrijding met de Opel is veroorzaakt. Uit deze rapporten blijkt immers dat de lak van de Mercedes geen enkel horizontaal krasspoor vertoonde, terwijl volgens de beschrijving op het schadeformulier de Mercedes reed op het moment dat hij door de Opel werd geraakt. Indien het ongeval zou hebben plaatsgevonden zoals door [appellant] geschetst, hadden horizontale krassen zichtbaar moeten zijn, omdat beide auto's elkaar al rijdend hebben geschampt. Het hof heeft op grond van de door [appellant] beschreven toedracht van de aanrijding voorshands bewezen geacht dat hij niet naar waarheid heeft verklaard over het ontstaan van de schade en hem toegelaten dit voorshands geleverde bewijs te ontkrachten. Het hof heeft daarbij opgemerkt dat het enkele bewijs dat op 26 maart 2016 een aanrijding heeft plaatsgevonden waarbij de Mercedes betrokken was niet toereikend is, omdat het (ook) erom gaat of de geclaimde schade door de aanrijding is ontstaan (en niet al voorafgaand aan de aanrijding aanwezig was).

3. [appellant] heeft vervolgens zichzelf en de bestuurder van de Opel, [bestuurder Opel] , als getuige doen horen. Turien heeft in tegengetuigenverhoor [naam deskundige 1] , de door haar ingeschakelde deskundige van SOB, doen horen.

4. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] met het horen van voornoemde getuigen het gevraagde tegenbewijs niet geleverd. Het hof overweegt daartoe als volgt.

5 [appellant] heeft weliswaar als getuige verklaard dat hij in zijn Mercedes is aangereden door de Opel van [bestuurder Opel] toen hij stapvoets rijdend komend vanuit de Judith Leysterstraat de bocht nam om rechtsaf te slaan, maar de door hem beschreven toedracht komt niet overeen met het schadebeeld, met name de afwezigheid van horizontale krassporen op de Mercedes. Het gaat – zo heeft het hof uitdrukkelijk overwogen in zijn tussenarrest – ook/vooral om de vraag of de geclaimde schade door de aanrijding is ontstaan. Over die vraag heeft [appellant] slechts verklaard dat de door hem geraadpleegde deskundige [naam deskundige 2] hem heeft bevestigd dat er niet altijd een krasspoor hoeft te zijn. Dat er geen krasspoor is te zien, kan – zo had [naam deskundige 2] hem verteld – het gevolg zijn van het loslaten van de zijskirts, zo verklaarde [appellant] .

Gelet op deze verklaring had het in de rede gelegen dat [appellant] ook [naam deskundige 2] als getuige had doen horen, zodat Turien en het hof [naam deskundige 2] over zijn standpunt hadden kunnen bevragen. (Hoe moet deze verklaring worden begrepen? Geldt dat ook als beide auto's in beweging waren? Geldt dit ook in het geval dat de Opel wel krassporen vertoonde? Is het verklaarbaar dat ook de zijskirt niet gekrast of anderszins beschadigd is?) [appellant] heeft echter nagelaten [naam deskundige 2] als getuige op te roepen en evenmin toegelicht waarom hij dat niet heeft gedaan. De enkele verklaring van [appellant] over wat hij [naam deskundige 2] heeft horen zeggen acht het hof onvoldoende om aan te nemen dat [appellant] zijn informatieplicht ten aanzien van het ontstaan van de schade niet heeft geschonden en dus om het voorshands bewijs te ontkrachten. Daar komt overigens nog het volgende bij. [appellant] heeft als getuige verklaard: “Ik heb gelijk geremd omdat ik schrok en waarschijnlijk ben ik toen doorgegleden.” Als de Mercedes inderdaad is “doorgegleden”, ligt het eens te meer in de rede dat er horizontale krassporen aan de Mercedes moeten zijn ontstaan als gevolg van de aanrijding met de Opel, welke krassporen nu juist ontbreken. Deze omstandigheid levert in elk geval geen tegenbewijs op.

6. [bestuurder Opel] heeft als getuige eveneens bevestigd dat er een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de Opel en de Mercedes. Hij heeft verklaard dat hij eraan kwam en

dat hij met zijn voorkant op de zijkant van de Mercedes botste, op de deur aan de linkerkant. Volgens de getuige kwam de Mercedes de bocht om en maakte deze een ruime bocht

omdat er vuil op de stoep en op de straat lag. De getuige heeft geen andere schade gezien aan de Mercedes dan aan de deur. De Opel had een flinke deuk en krassen. De schade aan de Opel bevond zich rechtsvoor en aan de zijkant bij/voor het wiel. [bestuurder Opel] heeft aldus niets verklaard waaruit kan worden afgeleid dat de door [appellant] gestelde schade kan zijn ontstaan door de aanrijding. Integendeel: als de Opel, zoals [bestuurder Opel] heeft verklaard, krassporen vertoonde, duidt dit er veeleer op dat beide auto's elkaar hebben geschampt, in welk geval ook de Mercedes krassporen zou moeten hebben. Daar komt bij dat uit de getuigenverklaringen van [appellant] en [bestuurder Opel] , in onderling verband beschouwd, kan worden afgeleid dat de Mercedes tijdens de aanrijding in beweging was en niet (zo goed als) stilstond.

7. [naam deskundige 1] heeft als getuige verklaard dat de door [appellant] geclaimde schade lijkt voort te komen uit een 90-graden-aanrijding, waarbij hij niet uitsluit dat er iets tussen beide voertuigen heeft gezeten om krassen zoveel mogelijk te voorkomen. Uit het feit dat de Mercedes geen horizontale krassen vertoont, leidt hij verder af dat de schade niet het gevolg kan zijn van een aanrijding zoals die volgens [appellant] zou hebben plaatsgevonden.

8. Nu [appellant] aldus het bewijsvermoeden niet heeft ontkracht, komt hetgeen hij in zijn memorie na enquête heeft gesteld neer op "napleiten" en het opnieuw aan de orde stellen van zaken waarover het hof al heeft geoordeeld. Daarvoor is een akte na enquête echter niet bedoeld. Het hof gaat daaraan dan ook voorbij.

9. Dit een en ander betekent dat de grieven falen en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De vordering tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Turien heeft voldaan, ligt voor afwijzing gereed. Hetzelfde geldt de vordering tot schadevergoeding. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag van 28 augustus 2018;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Turien tot op heden begroot op € 726,-- aan griffierecht en € 3.342,-- aan salaris advocaat;

- wijst af het anders en meer gevorderde;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, P.M. Verbeek en C.J. Verduyn en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 29 juni 2021 in aanwezigheid van de griffier.