Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1095

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
2200238120
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak art. 6 WVW. De verdachte rijdt op het haventerrein achteruit met reachstacker en raakt stratenmaker die daar werkzaamheden uitvoert. Ten laste is gelegd dat veroorzaken ongeval te wijten is aan het rijden op een plek waar dat niet was toegestaan en aan het niet goed kijken, maar dat is geen van beide bewezen. Niet onaannemelijk dat de verdachte door combinatie van omstandigheden het slachtoffer ondanks goed kijken niet heeft waargenomen. Tevens vrijspraak van overtreding van art. 5 WVW, reeds omdat het ongeval niet heeft plaatsgevonden op de openbare weg als bedoeld in die bepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002381-20

Parketnummer: 10-720009-17

Datum uitspraak: 31 mei 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 september 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 uren dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 15 februari 2017 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een rijdend werktuig, een zogenaamde reachstacker, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat werktuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op het haventerrein van het bedrijf [bedrijf],

welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl bestratingswerkzaamheden werden uitgevoerd op bovengenoemde locatie en/of aldaar een persoon, genaamd [slachtoffer], aanwezig was en/of aan het werk was,

-ondanks bovengenoemde omstandigheden zich op bovengenoemde locatie heeft bevonden en/of heeft gereden en/of

-tijdens het achteruitrijden niet goed/onvoldoende om zich heen en/of achterom heeft gekeken en/of niet heeft opgemerkt dat die [slachtoffer] aan het werk was en/of

-(vervolgens) tegen/over een aggregaat is gereden waarna dat aggregaat vlam vatte en/of

- ( vervolgens) met de reachstacker en/of het brandende aggregaat tegen die [slachtoffer] is aangereden,

waardoor die [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken voet, een gebroken hielbeen en kuit- en scheenbeenletsel), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 15 februari 2017 te Rotterdam als bestuurder van een rijdend werktuig, een zogenaamde reachstacker, zich zodanig heeft gedragen op het haventerrein van het bedrijf [bedrijf] dat gevaar op dat terrein werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op dat terrein werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl bestratingswerkzaamheden werden uitgevoerd op bovengenoemde locatie en/of aldaar een voetganger, genaamd [slachtoffer], aanwezig was en/of aan het werk was met de bestrating,

-hij, verdachte, ondanks bovengenoemde omstandigheden zich op die locatie heeft bevonden en/of heeft gereden en/of

-tijdens het achteruitrijden niet goed/onvoldoende om zich heen en/of achterom heeft gekeken en/of niet heeft opgemerkt dat die [slachtoffer] aan het werk was en/of

-(vervolgens) tegen/over een aggregaat is gereden waarna dat aggregaat vlam vatte en/of

- ( vervolgens) met de reachstacker en/of het brandende aggregaat tegen die [slachtoffer] is aangereden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Nadere overwegingen ten aanzien van de vrijspraak

Niet ter discussie staat dat de verdachte op 15 februari 2017 als bestuurder van een reachstacker op het haventerrein van [bedrijf] te Rotterdam tijdens het achteruitrijden niet heeft opgemerkt dat [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) achter hem als stratenmaker aan het werk was, waarna het in de tenlastelegging beschreven ongeval heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan het slachtoffer aanzienlijk letsel heeft opgelopen.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of de verdachte zich - op de tenlastegelegde wijze - zodanig heeft gedragen, dat het ongeval aan zijn schuld te wijten is, in die zin dat sprake is geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, een en ander als bedoeld in art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze vraag beantwoordt het hof ontkennend. Daartoe overweegt het hof het volgende.

Bij de beoordeling of er sprake is van schuld in bovenbedoelde zin van artikel 6 van de WVW, komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Bij de beoordeling is leidend hetgeen in de tenlastelegging is vermeld als zijnde de verwijtbare gedragingen van de verdachte.

Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat, zoals aan de verdachte blijkens de tenlastelegging verweten - de verdachte zich ten tijde van het ongeval op een locatie heeft bevonden en gereden waar hij zich op dat moment niet had mogen bevinden.

Naar het oordeel van het hof kan evenmin worden bewezen dat de verdachte, zoals eveneens tenlastegelegd, tijdens het achteruitrijden niet goed/onvoldoende om zich heen en/of achterom heeft gekeken. Directe bewijsmiddelen hiervoor ontbreken. De enkele omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer tijdens het achteruitrijden niet heeft opgemerkt, kan die conclusie niet dragen. De verklaring van de verdachte dat hij tijdens het achteruit rijden wel goed om zich heen en achterom heeft gekeken, daarbij ook gebruik makend van de aanwezige spiegels en achteruitrijcamera, maar desondanks het slachtoffer niet heeft opgemerkt, acht het hof niet onaannemelijk.

Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. Op grond van de bevindingen in de rapportages van Baan Hofman, gedateerd 10 december 2018 en 21 mei 2019, acht het hof aannemelijk dat sprake is geweest van een combinatie van omstandigheden, die het zicht van de verdachte, vanuit zijn hoge positie in de cabine van de reachstacker, op het slachtoffer, die zich ten tijde van het ongeval in de (slag)schaduw bevond en geen reflecterende kleding droeg, zodanig heeft belemmerd, dat de verdachte daardoor het slachtoffer niet heeft opgemerkt. Tevens neemt het hof in aanmerking dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte, gelet op de geldende afspraken op het betreffende haventerrein, de door de verdachte verkregen informatie over de bestratingswerkzaamheden en het ontbreken van een gebruikelijke markering van de plaats waar het slachtoffer als stratenmaker aan het werk was, niet bedacht was – en naar het oordeel van het hof ook niet hoefde te zijn - op de mogelijke aanwezigheid van een stratenmaker op de plaats van het ongeval.

Het voorgaande leidt er toe dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, zodat de verdachte van het aan hem primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof voorts van oordeel dat de verdachte van het subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, reeds omdat niet kan worden vastgesteld dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de openbare weg als bedoeld in art. 5 jo art. 1, aanhef en onder b, Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. F.P. Geelhoed,

mr. W.A.G.J.W. Ferenschild en mr. M.A.J. van de Kar,

in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 mei 2021.