Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1076

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
200.259.567/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijk voor mishandeling in huiselijke sfeer. Voorschot op smartengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0524
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.259.567/01

Zaaknummer rechtbank : 6991510 / CV EXPL 18-24714

arrest van 25 mei 2021

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. D. Tap te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.H. de Bruin te Bleiswijk.

Het geding

Bij exploot van 25 april 2019 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam gewezen vonnis van 25 januari 2019 (het vonnis). Bij memorie van grieven met producties heeft [appellante] drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Wegens de Corona-crisis heeft het op 21 april 2020 geplande pleidooi geen doorgang gevonden en is er schriftelijk gepleit aan de hand van overlegde pleitnotities. Vervolgens zijn de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

De door de rechtbank in het vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Verder zal het hof in aanvulling daarop zelf feiten vaststellen. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

[geïntimeerde] is de echtgenoot van de pleegdochter van [appellante] (hierna: de pleegdochter).

2.2.

Op vrijdag 2 september 2016 heeft een incident plaatsgehad in de woning van [geïntimeerde] en de pleegdochter, waarbij [appellante] en [geïntimeerde] betrokken waren. Ook een schoonzus van [appellante], [schoonzus van appellante] (hierna: [schoonzus van appellante]), was aanwezig. De politie is vervolgens ter plaatse gekomen en heeft een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt.

2.3

In het proces-verbaal van bevindingen staat, voor zover hier relevant:

(…) Op vrijdag 2 september 2016 omstreeks 20:14 uur kwamen wij ter plaatse op voornoemde locatie. Aldaar werden wij bij de voordeur van het portiek opgewacht door een mevrouw die verklaarde de meldster te zijn. Zij gaf later op te zijn genaamd: [[schoonzus van appellante]] (…). Wij hoorden [schoonzus van appellante] verklaren dat er in de woning (…) een man binnen zat die met een mes had gedreigd en een vrouw in de woning had mishandeld door haar met een winkelwagentje te slaan. In de woning troffen wij twee vrouwen en een man aan. Ik, verbalisant (…) sprak met (…) [[geïntimeerde]] (…) [die] verklaarde mij direct ongevraagd (…): “Ze moet mijn huis uit! Het zijn dieven en ze moeten mijn huis uit. Ze hebben in het verleden van mij gestolen en ze moeten mijn huis uit. Ik weet wel dat mijn vrouw ze heeft uitgenodigd, maar ze luistert niet naar mij als ik zeg dat ik die mensen niet in mijn huis wil hebben. Omdat ze niet weggingen heb ik die moeder van haar die bult gegeven. U vraag mij hoe ik haar die bult heb gegeven. Ik heb haar met dat karretje geslagen, maar dat deed ik omdat ze niet weg ging. Zij heeft mij ook geduwd en ik heb haar met dat karretje geslagen. Dit is mijn huis en ze moet gewoon weg.”

(…) [De pleegdochter] verklaarde (…): “[geïntimeerde] is mijn man. Wij wonen hier samen. Ik ben blind. Ik heb aan mijn pleegmoeder gevraagd of zij mij wilde helpen met een jurk passen. Ik kan dat niet alleen. Vervolgens werd hij zo agressief. Hij moet er echt uit, hij gaat mij neersteken als hij hier blijft. Hij heeft mij ook geraakt hier op mijn schouder. Ik heb pijn aan mijn schouder”.

[[appellante]] verklaarde (…): “Ik kwam hier om mijn pleegdochter te helpen met een jurk. Zij is blind en heeft met sommige dingen ook wat hulp nodig. Dus ik ben samen met (...) [schoonzus van appellante] hierheen gekomen om haar te helpen. (…) [geïntimeerde] denkt dat ik steel maar dat doe ik helemaal niet. Op een gegeven moment wilde hij ons het huis uit hebben. Maar hij was zo boos. Ik durfde mijn pleegdochter niet met hem alleen te laten. Hij begon mij te duwen en zei dat ik er uit moest gaan. Maar dat leek mij niet verstandig omdat hij zo boos was. Toen pakte hij een boodschappenwagentje en sloeg mij daarmee. Ik probeerde dit af te weren met mijn arm. Toen hij sloeg voelde ik pijn. Nu doet mijn arm nog steeds pijn en heb ik een flinke bult op mijn arm. Vervolgens ging hij naar de keuken en hij zei tegen mij: ‘ik ga jou manieren leren, ik pak een mes’. Mijn pleegdochter heeft vervolgens de deur dichtgehouden van de keuken. [[schoonzus van appellante]] heeft de politie gebeld.

Vervolgens hebben wij (..) [[geïntimeerde]] aangehouden terzake bedreiging en mishandeling (…).

Vervolgens ging ik, verbalisant [ ] de aangifte van (…) [[appellante]] op schrift stellen. Terwijl ik dit deed sprak [de pleegdochter] voortdurend tegen haar pleegmoeder (…) om haar ervan te weerhouden aangifte te doen. Tevens verklaarde [de pleegdochter] (…) dat [[geïntimeerde]] helemaal niet had gezegd dat hij een mes zou pakken in de keuken, ondanks dat zij bij binnenkomst verklaarde dat wij [[geïntimeerde]] moesten meenemen omdat hij haar zou neersteken. Tevens verklaarde [de pleegdochter] dat zij geen hulp wilde en geen aangifte wilde doen en dat zij wilde dat [[geïntimeerde]] thuis zou komen omdat zij afhankelijk van hem is.

[[schoonzus van appellante]] (…) verklaarde (…): “Ik was hier met een vriendin, [[appellante]] om [de pleegdochter] te helpen. (…) Op een bepaald moment ging [de pleegdochter] naar de keuken en bleven [[appellante]] en ik achter in de slaapkamer. Opeens begon [[geïntimeerde]] te schreeuwen dat we weg moesten en dat we dieven waren. We liepen naar de gang van de woning. Hij stond iets verderop in de gang naar ons te schreeuwen. Hij zei dat we weg moesten en begon [[appellante]] uit te schelden dat ze een dief was en dat haar hele familie een dief was. [[appellante]] wilde niet weg gaan omdat ze bang was om [de pleegdochter] op die manier achter te laten met [[geïntimeerde]]. In de hal stonden twee winkelwagentjes. [[geïntimeerde]] schopte er een in de richting van [[appellante]] en pakte de andere op en tilde die boven zijn hoofd. Hij maakte een slaande beweging naar [[appellante]]. Die kon de slag weren met haar onderarm en daarmee voorkomen dat zij op haar hoofd werd geraakt. Hierop ben ik meteen naar buiten gegaan omdat ik bang was dat het zou escaleren en heb ik meteen de politie gebeld. (…)”.

2.4

In de overgelegde fotobijlage schrijft de verbalisant dat hij op 2 september 2016 om omstreeks 20:30 uur een onderzoek heeft ingesteld waarbij hij twee foto’s heeft genomen. Een foto betreft de foto van een winkelwagentje met als bijschrift ‘Winkelwagentje waar mee is geslagen’. De andere foto betreft de foto van de linkerarm van [appellante] met als bijschrift: ‘Dikke blauwe plek op linkeronderarm [appellante]’.

2.5

De politie heeft verder nog een proces-verbaal opgemaakt van het verhoor van [geïntimeerde] d.d. 3 september 2016. In dat p-v staat voor zover relevant het volgende:

Achter V: staat de vraag van de verbalisant.

Achter A: staat het antwoord van de verdachte.

(…)

V: U zou gisterenavond, op 2 september 2016, in de woning aan de [adres] te [plaatsnaam], [[appellante]] hebben mishandeld en bedreigd. Wat hebt u daar op te verklaren?

A: Zij was in mijn huis en zij steelt daar van alles. Ze zei tegen mij dat ze kon doen wat ze wil. Ik wilde haar toen uit mijn huis hebben. Mijn vrouw wilde dat niet. Omdat [appellante] niet wegging, duwde ik haar weg. Daarbij kreeg zij iets tegen haar hand. Ik heb haar niet bedreigd.

V: Waarmee duwde u haar weg?

A: Met mijn hand. Het gebeurde in de gang, bij de ingang van mijn huis.

V: Hebt u haar geslagen met een boodschappenkar?

A: Nee.

V: Er is verklaard dat u haar met een boodschappenkar hebt geslagen. [appellante] heeft een blauwe plek op haar arm. Hoe kunt u dan beweren dat u haar niet met de kar hebt geslagen?

A: Ik heb haar niet met de kar geslagen. Ik heb de kar aan de kant gezet, omdat die in de weg stond.

V: Raakte u [appellante] met de kar?

A: Nee.

V: Hoe komt zij dan aan de blauwe plek?

A: Door het geduw in de gang. Het is een kleine gang. Ik wilde haar mijn huis uitduwen. Zij had een paraplu gepakt en wilde mij daarmee slaan.

V: Er is verklaard dat u tegen haar in het Hindoestaans hebt geroepen: “Ik ga jou manieren leren. Ik pak een mes.” Uw vrouw zou u daarbij hebben tegengehouden, door de deur dicht te houden. Hoe kunt u dan beweren dat u haar niet hebt bedreigd?

A: Ik heb dat niet geroepen. Ik wilde haar gewoon weg hebben. Eigenlijk had ik de politie moeten bellen. Maar ik besloot haar weg te duwen. Het lukte niet omdat ze vet is.

2.6

De huisarts van [appellante], [huisarts], heeft ten aanzien van de hierna te noemen data de volgende informatie uit het computerregistratiesysteem verstrekt:

05-09-2016

S van weekend mishandeling door echtgenoot pleegdochter (is blind op Zuid woonachtig), klap met boodschappenkarretje achter re oor en afgewend met li onderarm, nog pijn zwelling achter re oor en li onderarm

O 4-4,5 cm achter re oor zwelling en temporaal 4-4 cm, kan geen vuist maken met li hand. hematoom (blauw 8cm en gelig rondom totaal 10cm – 6cm ulnaire zijde, drukpijn Links distale ulna (omvang aldaar 20,5 cm vs rechts 19,2 cm)

E li armkalchten na mishandeling

P X-hand en onderarm

P verwijsbrief X-hand links en onderarm, 05-09-2016

12-09-2016

S nog last zwelling distale ulna nabij hematoom, op x-onderarm geen fractuur

P kopie x-arm mee, vedrer ecxp, zn handfysio

30-08-2017

S Heeft na mishandeling in sept 2016 waarbij ze een afweer gemaakt heeft met linker onderarm tegen een boodschappenkaarretje geen gevoel meer in de pink en ringvinger links en kan er geen kracht meer mee zetten

O Foto onderarm was goed Nu verminderde sensibiliteit pink

E neuropraxie ulnaris?

P naar neuroloog

2.7

Op 21 november 2016 heeft de officier van justitie besloten tot een voorwaardelijk sepot jegens [geïntimeerde], die met betrekking tot voormeld incident was aangemerkt als verdachte van mishandeling. Daaraan werd, naast een verplichte (ambulante) behandeling, onder meer als bijzondere voorwaarde verbonden dat [geïntimeerde] aan [appellante] een schadevergoeding van € 270,- zou betalen, [geïntimeerde] heeft aan de gestelde bijzondere voorwaarde voldaan.

2.8

[appellante] heeft zich ter zake van voormelde beslissing van de officier tot het gerechtshof Den Haag gewend door middel van een zogenaamde art. 12 Sv-procedure. Het hof heeft het beklag van [appellante] als kennelijk ongegrond aangemerkt. Aan de ter zake gegeven beschikking wordt het volgende ontleend:

”(…)

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat het voorwaardelijk sepot een evenwichtige reactie is op het gepleegde feit en dat de officier van justitie, na afweging van alle betrokken belangen, terecht heeft besloten geen strafvervolging in te stellen. Een eventuele strafvervolging zal immers niet bijdragen aan een oplossing van de tussen partijen bestaande irritaties, terwijl er, gelet op de relatief geringe ernst van het feit en de beperkte kring waarbinnen dit zich heeft afgespeeld, onvoldoende gemeenschapsbelang aanwezig is om tot strafvervolging over te gaan.

Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat beklaagde de aan hem opgelegde voorwaarden heeft voldaan.

Het hof merkt daarbij nog op dat nu klaagster niet haar geheel verzochte schade vergoed heeft gekregen, zij dit via de civielrechtelijke weg nog kan proberen te regelen.

(…)”.

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade van [appellante] die zij heeft geleden ten gevolge van de mishandeling door hem op 2 september 2016, met verwijzing van de procedure naar de schadestaat ter begroting van de schade, en veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een voorschot van € 5.000,- en de kosten van de procedure. [geïntimeerde] heeft tegen de vorderingen verweer gevoerd.

3.2

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat niet van aanknopingspunten is gebleken dat [appellante] door toedoen van [geïntimeerde] bij het incident op 2 september 2016 schade heeft geleden die het door hem betaalde bedrag van € 270,- overstijgt, nog daargelaten de vraag of aan de overige eisen voor het aannemen van aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad is voldaan. De kantonrechter heeft de vordering van [appellante] afgewezen en haar veroordeeld in de kosten van de procedure.

3.3

In hoger beroep vordert [appellante] vernietiging van het vonnis en toewijzing van haar vorderingen. [geïntimeerde] vordert bekrachtiging van het vonnis en afwijzing van de vorderingen.

4.1

Tegen het vonnis van de kantonrechter heeft [appellante] drie genummerde grieven geformuleerd inhoudende dat de kantonrechter ten onrechte:

I. de gevorderde verklaring voor recht (met verwijzing naar de schadestaat) heeft afgewezen;

II. het gevorderde voorschot op schade heeft afgewezen;

III. [appellante] niet heeft toegelaten tot het leveren van bewijs van de schade.

4.2

[appellante] heeft daartoe aangevoerd dat [geïntimeerde] haar op 2 september 2016 met een boodschappenkarretje drie keer op het hoofd heeft geslagen. Zij heeft zich getracht te verweren met haar hand. Zij heeft grote bulten op haar hoofd opgelopen en kan twee vingers van haar linkerhand, de ringvinger en pink, die gevoelloos zijn geworden, nauwelijks meer bewegen. De huisarts heeft op 5 september 2016 geconstateerd dat er sprake was van zwellingen in de onderarm, dat zij geen vuist kon maken met de linkerhand, dat er een zwelling was achter het rechteroor en dat er linkerarmklachten waren na een mishandeling. De zwellingen zijn inmiddels verdwenen maar de handklachten bestaan nog steeds. Zij kan haar linkerhand zeer beperkt gebruiken en is niet in staat huishoudelijke werkzaamheden te doen. Hierdoor is zij beperkt in haar doen en laten, aldus [appellante].

4.3

[geïntimeerde] ontkent het toebrengen van letsel. Hij heeft [appellante] de woning uit willen duwen. Dat lukte hem niet. Er was sprake van een handgemeen. Door het geduw en getrek werd [appellante] (kennelijk) aan haar linker onderarm geraakt. Daar heeft de politie een foto van genomen en een blauwe plek geconstateerd. Ook de huisarts heeft louter een blauwe plek geconstateerd. Er is geen bewijs voor meer of ander letsel. Daarom ontbreekt ook de causaliteit tussen het handgemeen en de schade die [appellante] stelt. Het enige geconstateerde letsel is een blauwe plek en voor dat letsel heeft [geïntimeerde] al een vergoeding voldaan. In ieder geval is er sprake van eigen schuld omdat [appellante] niet vrijwillig de woning heeft verlaten. Door in te stemmen met het seponeringsvoorstel van de officier van justitie heeft [geïntimeerde] niet de aansprakelijkheid voor de schade erkend.

Aansprakelijkheid

4.4

Het hof is van oordeel dat eerst beoordeeld moet worden of [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld en hij daarvoor jegens [appellante] aansprakelijk is. Uit het proces-verbaal van bevindingen dat de politie ter plaatse van het incident op 2 september 2016 heeft opgemaakt blijkt dat bij aankomst van de verbalisanten [schoonzus van appellante] aan hen verklaart dat er in de woning een man is die een vrouw heeft mishandeld door haar met een winkelwagentje te slaan. Binnengekomen in de woning verklaart [geïntimeerde] hen ongevraagd dat hij de (pleeg)moeder van zijn vrouw, [appellante] dus, een ‘bult’ heeft gegeven en haar met het karretje heeft geslagen omdat ze niet weg ging. [appellante] bevestigt aan de politie dat [geïntimeerde] een boodschappenwagentje heeft gepakt en haar daarmee heeft geslagen. Zij probeerde dit af te weren met haar arm. Ze voelde pijn en heeft een bult op haar arm. Tenslotte bevestigt ook [schoonzus van appellante] dat [geïntimeerde] een winkelwagentje pakte, dat boven zijn hoofd tilde en er een slaande beweging mee maakte naar [appellante], die de slag kon weren met haar onderarm. De politie heeft foto’s gemaakt van het winkelwagentje waarmee is geslagen en van de dikke blauwe plek op de (linker)onderarm van [appellante]. [geïntimeerde] heeft nadien weliswaar ontkend (onder andere in het verhoor op 3 september 2016) dat hij [appellante] met het karretje heeft geslagen maar dat valt niet te rijmen met zijn eerdere bevestigende verklaring aan de politie en de daarmee overeenstemmende verklaringen van de andere aanwezigen, [appellante] en [schoonzus van appellante]. Een bevredigende verklaring voor deze discrepantie heeft [geïntimeerde] niet gegeven terwijl er geen aanknopingspunten zijn dat de blauwe plek van [appellante] (enkel) zou komen door het geduw in de gang. Het hof is dan ook van oordeel dat [geïntimeerde] [appellante] met een boodschappenwagentje heeft geslagen en zij die slag met haar linker onderarm heeft afgeweerd. [geïntimeerde] heeft [appellante] hierdoor letsel, in ieder geval een blauwe plek op haar linker onderarm, toegebracht. [geïntimeerde] heeft hierdoor onrechtmatig jegens [appellante] gehandeld en is aansprakelijk voor de schade die hij aan haar heeft toegebracht. Het letsel is niet te gering om voor vergoeding in aanmerking te komen (vgl. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519).

Eigen schuld

4.5

[geïntimeerde] heeft een beroep gedaan op de eigen schuld van [appellante]; zij had de woning moeten verlaten toen hij daarom verzocht. Het hof constateert dat [geïntimeerde] niet heeft betwist dat [appellante] in de woning was op verzoek van zijn vrouw die eveneens de woning bewoont. Toen [appellante] de woning niet wilde verlaten had [geïntimeerde] niet moeten proberen [appellante] de woning uit te duwen (zoals volgt uit zijn eigen stellingen), laat staan dat hij haar met het karretje had moeten slaan (rov 4.4), maar had hij de politie moeten bellen. Mede gelet op de verklaring van de pleegdochter tegenover de politie dat [geïntimeerde] agressief was en zij vreesde dat hij haar zou neersteken, kan [appellante] redelijkerwijs niet verweten worden dat zij [geïntimeerde] op dat moment niet met haar pleegdochter alleen wilde laten en zij daarom weigerde de woning te verlaten. Voor het aannemen van eigen schuld aan de zijde van [appellante], heeft [geïntimeerde] verder onvoldoende gesteld. Het beroep daarop wordt dan ook verworpen.

Verklaring voor recht

4.6

Gelet op voorgaande zal het hof voor recht verklaren dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade van [appellante] die zij heeft geleden ten gevolge van de mishandeling door hem op 2 september 2016.

Schade en voorschot

4.7

[appellante] heeft gevorderd, zo begrijpt het hof, de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Daarnaast heeft zij een voorschot van € 5.000,- op de schade gevorderd. De schade bestaat volgens [appellante] uit de volgende posten:

a. materiele schade/

kosten huisarts/reiskosten € 38,00 + pm

b. verlies zelfwerkzaamheid € 389,55

c. smartengeld € 4.050,00

d. huishoudelijke hulp/

verlies zelfredzaamheid € 9.430,32

e. buitengerechtelijke kosten € 4.144,00

totaal € 18.051,87 + pm

De schade is het gevolg van de omstandigheid dat [appellante] als gevolg van de mishandeling twee vingers van haar linkerhand nauwelijks meer kan bewegen en nog altijd pijnklachten ervaart. Zij is daardoor aangewezen op huishoudelijke hulp, aldus [appellante]. Zij verwijst naar de verklaring van de neuroloog die naar aanleiding van een onderzoek, op 11 oktober 2017 verklaart:

Patiënte heeft sinds 2016 na een mishandeling waarbij zij met een karretje op haar hoofd werd geslagen en bij afweren op haar hand is gekomen een doof gevoel in de pink en ringvinger links. Het karretje kwam proximaal aan de ventrale zijde van de pols. Heeft daar nog steeds een bult. De vingers tintelen ook. Bij bewegen van de vingers heeft zij pijn in de elleboog. Weinig kracht in de hand. Zij wordt in de nacht wakker van de tintelingen. Ook pijn in de vingers. De klachten zijn stabiel. Leunt niet veel met de ellebogen op een tafel. Rechts pijn in schouder. Geen fysiotherapie gehad.

4.8

[appellante] vordert een voorschot mede omdat [geïntimeerde] heeft aangegeven geen geld te hebben om de schade te betalen. Een uitgebreide schadeberekening heeft dan geen zin (en is voor [appellante] zeer kostbaar) als de totale schade zeer waarschijnlijk niet betaald kan worden. [appellante] vordert daarom thans een beperkt voorschot en zodra mocht blijken dat er een eindsituatie is en/of verhaalsmogelijkheden, kan het resterende bedrag via de schadestaatprocedure worden gevorderd.

4.9

[geïntimeerde] betwist de door [appellante] gestelde schade. De huisarts heeft op 5 september 2016 slechts een hematoom vastgesteld. Uit röntgenonderzoek kort daarna bleek dat [appellante] niets heeft gebroken. Pas op 30 augustus 2017, bijna een jaar later, heeft [appellante] zich weer bij de huisarts gemeld en is zij verwezen naar de neuroloog. Uit het onderzoek door de neuroloog blijkt dat deze geen objectieve oorzaak voor de subjectieve klachten van [appellante] kan vaststellen, althans ook van een ulnaropathie [storing van onderarmzenuw; toevoeging hof] is niet gebleken. [geïntimeerde] betwist daarom de gevorderde kosten en het smartengeld. Bovendien betwist [geïntimeerde] dat [appellante] de geclaimde kosten (zoals van huishoudelijke hulp door [schoonzus van appellante] en buitengerechtelijke kosten) daadwerkelijk heeft gemaakt.

4.10

Het hof is van oordeel dat er een voldoende causaal verband bestaat (in de zin van een conditio sine qua non verband) tussen klachten van [appellante] aan haar linker arm/hand en de mishandeling door [geïntimeerde]. De politie heeft ter plaatse in de woning van [geïntimeerde], kort na het incident, een foto gemaakt van de dikke blauwe plek op de linker onderarm van [appellante]. [appellante] is direct na het weekend op maandag 5 september 2016 naar de huisarts gegaan die geconstateerd heeft dat zij geen vuist kan maken met de linkerarm, dat er een hematoom is met blauwe en gele verkleuring van zo’n 8 tot 10 cm aan de ulnaire zijde, [dat wil zeggen aan de zijde van de pink; toevoeging hof] en van drukpijn en van zwelling bij de distale ulna [de ellepijp, een bot in de onderarm, bij het gedeelte richting de pols; toevoeging hof] met een omvang van 20,5 cm terwijl de omvang aan de rechterzijde 19,2 cm is. Bij het bezoek aan de huisarts op 12 september 2016 werd geconstateerd dat de zwelling van de distale ulna nabij het hematoom er nog steeds was, maar dat uit de röntgenfoto van de linker onderarm niet bleek van een fractuur. Bij de neuroloog, op 11 oktober 2017 klaagt [appellante] over een doof gevoel in de pink en ringvinger links als gevolg van de mishandeling. De neuroloog constateert een bult op de plek waar het karretje op de pols kwam (proximaal aan de ventrale zijde). De neuroloog constateert verder dat zij melding maakt van vingers die tintelen en pijn doen, van pijn in de elleboog bij het bewegen van de vingers en pijn rechts in de schouder. Verder constateert de neuroloog dat zij weinig kracht in de hand heeft. Hieruit blijkt dat het letsel van [appellante], zoals dat objectief door de politie, de neuroloog en de huisarts is waargenomen, meer omvat dan de enkele blauwe plek waarvan [geïntimeerde] stelt dat zij die heeft opgelopen. [appellante] heeft aldus schade geleden in ieder geval doordat zij beperkt is (geweest) in het gebruik van haar linker arm/hand en doordat zij pijn heeft geleden.

4.11

Dat sprake is van blijvende klachten en schade door functieverlies als gevolg van de mishandeling heeft [appellante] gesteld maar is door [geïntimeerde] betwist. [appellante] heeft erop gewezen dat de huisarts op 30 augustus 2017 verminderde sensibiliteit van de pink heeft geconstateerd. De neuroloog heeft blijkens de overgelegde onderzoeksbevindingen van 9 oktober 2017 geconstateerd dat sprake was van een bult bij de pols en weinig kracht in de hand maar heeft daarvoor geen oorzaak kunnen vinden. Het hof overweegt dat het op basis van de overgelegde stukken thans niet kan vaststellen dat er blijvende beperkingen van de linker pink en ringvinger zijn als gevolg van het incident, als door [appellante] gesteld. In het bijzonder ontbreekt een rapportage door een medisch deskundige over het bestaan en de omvang van het gestelde functieverlies van de twee vingers van de linkerhand en over de gestelde relatie met de mishandeling. Daartoe zal nader onderzoek moeten worden gedaan en het hof zal de zaak daarom, zoals door [appellante] gevorderd, verwijzen naar de schadestaatprocedure. Daarbij merkt het hof op dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, naast het vaststellen van de aansprakelijkheid, volstaat de enkele mogelijkheid dat er schade is geleden. Daar is hier in elk geval sprake van, zoals hierboven is overwogen. Niet geldt als vereiste dat het bedrag van de schade het bedrag dat [geïntimeerde] aan [appellante] vergoed heeft, al met voldoende zekerheid moet overstijgen.

4.12

Ter zake het voorschot overweegt het hof dat – bij gebreke van het hiervoor bedoelde medisch onderzoek - het gestelde verlies aan zelfwerkzaamheid en zelfredzaamheid onvoldoende is onderbouwd. [appellante] heeft verder onvoldoende onderbouwd, bijvoorbeeld door middel van urenstaten en/of kwitanties, dat zij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt ter zake van huishoudelijke hulp en ondersteuning door [schoonzus van appellante]. De kosten voor het opvragen van medische informatie bij de huisarts van € 38,05 en € 39,51, de reiskosten van € 8,67 naar het Ikazia Ziekenhuis en de hogere telefoonkosten voor extra contact met huisarts, politie, en slachtofferhulp van € 14,43 heeft zij wel voldoende met stukken onderbouwd. Nu de neuroloog na ommekomst van een jaar nog een bult aan de ventrale zijde van de pols constateert en de huisarts verminderde sensitiviteit van de pink, gaat het hof er vanuit dat er tenminste sprake is van letsel met een wat langere herstelperiode waar blijkens de Letselschade Richtlijn Licht Letsel, versie 1 januari 2018 een smartengeldbedrag van € 1.100,- tot € 2.025,- voor staat. Ter zake van (ook) het definitieve bedrag aan smartengeld zal, zoals gezegd, eerst een nader medisch (en/of arbeidskundig) onderzoek moeten plaatsvinden. Niettemin lijkt er mede gelet op de bevindingen van de neuroloog geruime tijd na de geweldsinwerking met hantering van een boodschappenkarretje sprake van serieus letsel: na bijna een jaar heeft [appellante] nog steeds pijn in haar vingers, elleboog en rechter schouder, met bijbehorende beperkingen in haar bewegingsmogelijkheden. Als voorschot op het smartengeld acht het hof daarom een bedrag van € 1.250,- op zijn plaats. [appellante] heeft ter onderbouwing van de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 1.769,63 als productie 7 een specificatie overgelegd die ziet op werkzaamheden anders dan voor (of ter voorbereiding op) de onderhavige procedure. Het verweer van [geïntimeerde] dat [appellante] geen bewijs van de buitengerechtelijke kosten heeft overgelegd wordt dan ook verworpen. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij al een bedrag van € 270,- aan [appellante] heeft voldaan. Met dat bedrag wordt bij het bepalen van het voorschot rekening gehouden. Gelet op al het voorgaande zal het hof het voorschot bepalen op € 2.850,-.

Ten slotte

4.13

Het bovenstaande betekent dat de grieven I en II slagen. Nu de zaak bovendien zoals door [appellante] gevorderd naar de schadestaatprocedure wordt verwezen, heeft [appellante] geen zelfstandig belang bij grief III waarin zij erover klaagt dat zij niet tot het leveren van bewijs van de schade is toegelaten. Die grief faalt dan ook.

Proceskosten

4.14

[geïntimeerde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de onderhavige procedure en van de procedure bij de kantonrechter.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2019,

en opnieuw rechtdoende:

  • -

    verklaart voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade van [appellante] die zij heeft geleden ten gevolge van de mishandeling door hem op 2 september 2016;

  • -

    verwijst de zaak voor de begroting van de schade naar de schadestaatprocedure;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van een voorschot op de schade van € 2.850,-;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot op 25 januari 2019 begroot op € 178,91 aan verschotten (kosten inleidende dagvaarding en vast recht) en € 480,- aan salaris gemachtigde;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 425,05 aan verschotten (kosten appeldagvaarding en vast recht) en € 1.574,- aan salaris advocaat;

  • -

    wijst af het anders of meer gevorderde;

  • -

    verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.D. Ruizeveld, P.M. Verbeek en M.T. Nijhuis, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.