Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1056

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
BK-20/00732
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:9417, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag erfbelasting.

Een bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard indien de indiener van het rechtsmiddel geen belang heeft bij het bezwaar. Nu aan belanghebbende een nihilaanslag is opgelegd en bij de aanslag geen belastingrente in rekening is gebracht of een boete is opgelegd, kan het bezwaar niet leiden tot een vermindering van de aan belanghebbende opgelegde aanslag erfbelasting of een daarbij gegeven nevenbeschikking. Belanghebbende is tegen de verkeerde aanslag opgekomen. Voor zover de gronden zich richten tegen de navorderingsaanslag kan het Hof daar niet over oordelen, nu de uitspraak op bezwaar niet ziet op die navorderingsaanslag. Mocht de Inspecteur niet aan zijn zorgplicht hebben voldaan belanghebbende te informeren dat hij zijn klachten kon richten tegen de navorderingsaanslag, kan een eventuele termijnoverschrijding ter zake van een in te dienen of gediend bezwaarschrift tegen die navorderingsaanslag verschoonbaar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-6-2021
V-N Vandaag 2021/1517
FutD 2021-2007
FutD 2021-2008
NLF 2021/1340
V-N 2021/31.27.16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00732

Uitspraak van 29 april 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: E. van Loef)

en

de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 september 2020, nummer SGR 19/6987.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een aanslag in de erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 197.137 en een te betalen bedrag van nihil.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar aangetekend. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 131. De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend, door hem aangeduid als verweerschrift.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 april 2021, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Op 2 december 2017 is [A] (erflater) overleden. In het testament van erflater zijn belanghebbende en diens echtgenote (de echtgenote) tezamen en ieder voor gelijke delen tot erfgenamen benoemd.

2.2.

Ter zake van de verkrijging van de nalatenschap van erflater zijn met dagtekening 29 januari 2019 aan belanghebbende en de echtgenote aanslagen erfbelasting opgelegd. De aan belanghebbende opgelegde aanslag vermeldt een belaste verkrijging van € 197.137 en een te betalen bedrag van nihil. De aan de echtgenote opgelegde aanslag vermeldt eenzelfde belaste verkrijging en een te betalen bedrag van € 66.627.

2.3.

Belanghebbende heeft met dagtekening 30 januari 2019 namens hem en de echtgenote bezwaar aangetekend tegen de aan hen opgelegde aanslagen. Het bezwaar tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag is met dagtekening 15 oktober 2019 ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de afwijzing van zijn bezwaar beroep ingesteld.

2.4.

Het bezwaar tegen de aan de echtgenote opgelegde aanslag is met dagtekening 15 oktober 2019 gegrond verklaard, waarna de aan haar opgelegde aanslag is verminderd tot de helft, te weten tot een te betalen bedrag van € 33.313. Aan belanghebbende is vervolgens, eveneens met dagtekening 15 oktober 2019, met toepassing van artikel 52 van de Successiewet 1956 een navorderingsaanslag in de erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 197.137 en een te betalen bedrag van € 33.313.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“Beoordeling van het geschil

6. Een bezwaar dient niet-ontvankelijk te worden verklaard indien de indiener van dat rechtsmiddel geen belang bij het bezwaar heeft. Daarvan is sprake indien het bezwaar de indiener niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende beslissingen (zie HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844).

7. De aan eiser opgelegde aanslag bedraagt nihil. Bij de aanslag is geen belastingrente in rekening gebracht en is geen bestuurlijke boete opgelegd. Het bezwaar tegen de aanslag kan dan ook niet leiden tot vermindering van de aanslag erfbelasting of een daarbij gegeven nevenbeschikking. Dat het bezwaar eiser anderszins in een betere positie kan brengen is gesteld noch gebleken. Verweerder had het bezwaar van eiser tegen de aanslag dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu het bezwaar in afwijking daarvan door verweerder is afgewezen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, de bestreden uitspraak op bezwaar vernietigen en, doende wat verweerder had moeten doen, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

8. Voor zover de gronden van het beroep zich richten tegen de op 15 oktober 2019 aan eiser opgelegde navorderingsaanslag erfbelasting, kan de rechtbank daarover geen oordeel geven omdat de uitspraak op bezwaar geen betrekking heeft op die navorderingsaanslag. Tegen die navorderingsaanslag staat afzonderlijk bezwaar open. Daarbij heeft te gelden dat op verweerder de verplichting rust om eiser schriftelijk te informeren dat hij zijn klachten tegen de navorderingsaanslag dient te richten. Indien verweerder dat niet heeft gedaan, kan een eventuele termijnoverschrijding verschoonbaar worden geacht (zie HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1513).

9. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de Rechtbank het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, en indien hierop ontkennend moet worden geantwoord, of, voor zover die in het onderhavige hoger beroep aan de orde kunnen komen, de (navorderings)aanslagen die aan belanghebbende en de echtgenote zijn opgelegd tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

4.2.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van het totaalbedrag aan verschuldigde belasting in de aan belanghebbende en de echtgenote opgelegde (navorderings)aanslagen met een bedrag van € 8.125 gelijkelijk te verdelen over die (navorderings)aanslagen en tot vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden. Het Hof maakt de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne en voegt daaraan het volgende toe.

5.2.

Indien een bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard, houdt dit in dat een inhoudelijke behandeling niet (meer) volgt. De Rechtbank is dan ook, anders dan belanghebbende meent, terecht niet ingegaan op de stellingen van belanghebbende omtrent zijn beroep op het vertrouwensbeginsel aangaande de aan hem en de echtgenote opgelegde (navorderings)aanslagen.

5.3.

Belanghebbende en zijn echtgenote hadden de hoogte van de van hen geheven erfbelasting kunnen aankaarten door beroep in te stellen tegen de uitspraak op het bezwaar van de echtgenote van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag en/of door bezwaar te maken en zo nodig beroep in te stellen tegen de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben echter het een noch het ander gedaan. De grieven van belanghebbende tegen de van hem en zijn echtgenote geheven erfbelasting kunnen in het onderhavige hoger beroep niet aan de orde komen omdat dit hoger beroep uitsluitend de aan belanghebbende opgelegde nihilaanslag en de uitspraak op het bezwaar van belanghebbende tegen die nihilaanslag betreft. In onderdeel 8 van haar uitspraak overweegt de Rechtbank terecht dat de Inspecteur belanghebbende schriftelijk ervan op de hoogte had moeten stellen dat belanghebbende de klachten die hij in zijn bezwaar tegen de nihilaanslag aanvoerde, (ook) in een tegen de navorderingsaanslag gericht bezwaar diende aan te voeren. Omdat de Inspecteur dit heeft nagelaten, kan belanghebbende, als hij alsnog bezwaar tegen de navorderingsaanslag maakt, in dat bezwaar (ook) aanvoeren dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij, door de bezwaartermijn te overschrijden, in verzuim is geweest. Daarvan uitgaande dient niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens termijnoverschrijding achterwege te blijven, mits het bezwaar tegen de navorderingsaanslag wordt gemaakt zo spoedig als redelijkerwijs kan worden verlangd. Overigens geldt het voorgaande niet als aannemelijk is dat belanghebbende er anderszins tijdig van op de hoogte was hoe hij zijn rechten kon veiligstellen (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1513).

5.4.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, W.M.G. Visser en G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 29 april 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.