Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:103

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
2200392619
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 68 Sr; art. 96 lid 2 Sr; art. 140a Sr; art. 6 WIM; GA 3 Verdragen van Geneve; EVOS. Veroordeling wegens deelname in Syrië aan een organisatie met terroristisch oogmerk (IS) en voorbereidingshandelingen daartoe en het oorlogsmisdrijf bestaande uit aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling jegens personen die buiten gevecht zijn gesteld door enig andere oorzaak (plaatsen op Facebook van een foto van verdachte poserend naast een door IS geëxecuteerde, in een oranje overal geklede man vastgebonden aan een kruis). Beroep op ne bis in idem beginsel. Rechtsmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003926-19

Parketnummers: 09-748003-18 en 09-748003-19

Datum uitspraak: 26 januari 2021

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 juli 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

thans gedetineerd in PI Vught, Terroristen Afdeling, te Vught.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

27 januari 2020 (regie), 7 oktober 2020 (inhoudelijk), 23 november 2020 (inhoudelijk) en 12 januari 2021 (inhoudelijk).

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Inhoudsopgave

I Procesgang ……………………………………………………………………………………… blz. 2

II Ontvankelijkheid hoger beroep……………………………………… blz. 2

III Tenlastelegging…………………………………………………………………………… blz. 2

IV Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie blz. 6

V Rechtsmacht……………………………………………………………………………………… blz. 13

VI Bewezenverklaring …………………………………………………………………… blz. 23

VII Nadere bewijsoverwegingen………………………………………………… blz. 26

VIII Motivering van de op te leggen straf…………………… blz. 48

IX Beslissing………………………………………………………………………………………… blz. 51

I Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het in de zaak met parketnummer 09-748003-19 onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-748003-18 onder 1 cumulatief/alternatief en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

II Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 09-748003-19 onder 1 en 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 09-748003-19 onder 1 en 2 tenlastegelegde.

III Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen en na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 09-748003-18:

1.


hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 01 augustus 2014 tot 01 november 2016, in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak en/of Turkije en/of Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een (terroristische) organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), althans (een) Organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke Organisatie tot oogmerk had en/of heeft het plegen van terroristische misdrijven te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 288a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)

en/of

hij in op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 1 november 2016, in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak en/of Turkije en/of Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het misdrijf

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s)

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) Organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) of Al Qaida (verder AQ) of Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham (beiden voorheen Jabhat al Nusra, JaN), althans een aan voornoemde Organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep, althans (een) organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of

B. zich laten informeren over het afreizen naar en/of verblijven in het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

C. de reis naar Syrië en/of Irak gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar door de terroristische organisatie IS(IS/IL) of Al Qaida of Jabhat al Nusra gecontroleerd gebied en/of (gedurende enige tijd) verbleven in bedoeld (strijd)gebied in Syrië en/of Irak en/of

D. zich gevoegd bij één of meer mededader(s) en/of IS(IS/IL) en/of Al Qaida en/of Jabhat al Nusra strijder(s), althans perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, althans een of meer perso(o)n(en) die (eveneens) deelnam(en) aan een terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en/of

E. in Syrië deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische) organisatie IS(IS/IL) en/of Al Qaida en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties, althans (een) terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en/of

F. in Syrië (vuur)wapens gebruikt en/of gedragen en/of voorhanden gehad,

in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;

2.


hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 19 juli 2015, in Abu Kamal (Syrië) en/of onderweg van Mosul (Irak) naar Raqqa (Syrië), althans (elders)in Irak of Syrië, ingeval van een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië, in strijd met het bepaalde in gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Geneve van 12 augustus 1949,

een persoon die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam, te weten een burger en/of personeel van strijdkrachten die de wapens had neergelegd en/of een persoon die buiten gevecht is gesteld door ziekte en/of verwonding en/of gevangenschap en/of enig andere oorzaak, in zijn persoonlijke waardigheid heeft aangerand (en/of) (in het bijzonder) vernederend en/of onterend heeft behandeld,

doordat hij, verdachte,

- ( lachend) heeft geposeerd naast voornoemde (overleden) persoon terwijl diegene gekruisigd is en/of vastgebonden is aan een houten kruis en/of

- zich heeft laten fotograferen met voornoemde (overleden) persoon terwijl diegene gekruisigd is en/of vastgebonden is aan een houten kruis en/of

- deze foto vervolgens heeft geplaatst op social media, te weten Facebook, en daarmee (aldus) heeft verspreid en/of openbaar heeft gemaakt.

IV Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De verdediging betoogt dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte omdat de verdachte niet tweemaal voor hetzelfde feit mag worden vervolgd. De verdediging legt hieraan verschillende argumenten ten grondslag die in het hiernavolgende zullen worden besproken.

Het hof gaat daarbij uit van de volgende vaststaande feiten:

a. De verdachte is op 2 november 2016 in Turkije aangehouden en vervolgens gedetineerd door de Turkse autoriteiten. Op 17 mei 2018 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en drie maanden door de Turkse rechtbank. Op dezelfde dag is de verdachte vrijgelaten. Op

3 juli 2018 is de verdachte op Schiphol aangehouden. Sedertdien verblijft hij in Nederland in voorlopige hechtenis.

De rechtbank in Kilis (Turkije) heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het strafbare feit van lidmaatschap van de gewapende terroristische organisatie IS, met opzet gepleegd. De veroordeling van de verdachte is gebaseerd op de Wet op Terrorismebestrijding nummer 3713 en het feit wordt als een terroristisch misdrijf aangemerkt.

Op 6 maart 2020 heeft de Hoge Raad van Turkije (16e Strafkamer) een ‘verklaring van in kracht van gewijsdetreding’ afgegeven, waaruit volgt dat de “datum gewijsdetreding” van dit vonnis 24 december 2019 is, nadat de 18e Strafkamer van het Gerechtshof te Gaziantep (Turkije) op 11 april 2019 en de 16e Strafkamer van de Hoge Raad op 24 december 2019 een beslissing hadden gegeven. Het hof begrijpt dat op 24 december 2019 het voornoemde vonnis onherroepelijk is geworden.

Kort samengevat wordt de verdachte thans in Nederland vervolgd voor deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven in Syrië in de periode van 1 augustus 2014 tot 1 november 2016, het verrichten van voorbereidingshandelingen tot het plegen van terroristische misdrijven en het in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 19 juli 2015 in Irak of Syrië plegen van een oorlogsmisdrijf door zich te laten fotograferen naast een overleden en aan een houten kruis vastgebonden persoon.

De advocaat-generaal betwist niet dat sprake is van hetzelfde feit in dit Turkse vonnis en de tenlastelegging in deze zaak voorzover het gaat om het verwijt van de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Het hof stelt vast – in navolging van de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging - dat er sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) waarvoor de veroordeling in het Turkse vonnis is gevolgd en het verwijt in deze zaak van de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Europees Verdrag betreffende de Overdracht van Strafvervolging.

De raadsman van verdachte beroept zich primair op het bepaalde in artikel 30, 31, 35 en 36 van het Europees Verdrag betreffende de Overdracht van Strafvervolging (hierna: EVOS) en concludeert dat

  • -

    gelet op het bepaalde in artikel 30 EVOS had het Openbaar Ministerie moeten afzien van de procedure in Nederland, dan wel had moeten kennisgeven aan Turkije voornemens te zijn de verdachte in Nederland te vervolgen;

  • -

    er sprake is van een rechterlijk pardon in de zin van art. 35 sub b onder ii EVOS;

  • -

    artikel 35 EVOS zich in dit geval verzet tegen een nieuwe vervolging;

  • -

    artikel 36 EVOS niet juist is toegepast.

Zowel Nederland als Turkije zijn partij bij dit verdrag. Het hof stelt vast dat uit het dossier niet blijkt van enig op dit verdrag gegrond verzoek van Turkije aan Nederland en ook niet van enig verzoek van Nederland aan Turkije. Niet is gebleken dat bescheiden uit de eerdergenoemde Turkse strafzaak onderdeel uitmaken van de processtukken, anders dan het vonnis van 17 mei 2018 en de ‘verklaring van in kracht van gewijsdetreding’, beiden overgelegd door de raadsman.

Het hof leidt hieruit af dat niet valt vast te stellen dat justitiële samenwerking tussen Nederland en Turkije heeft plaatsgevonden inzake de overdracht van strafvervolging gebaseerd op dit verdrag. Het hof tekent hierbij aan dat het EVOS niet verplicht tot overdracht van strafvervolging, maar hiertoe alleen een bevoegdheid schept. De op dit verdrag gebaseerde verweren treffen derhalve geen doel. Dit leidt ertoe dat dit verdrag niet in de weg staat aan de gevolgtrekking dat zich niet de situatie voordoet dat geen redelijk handelend officier van justitie tot vervolging had kunnen besluiten.

Het hof verwerpt het beroep op het EVOS in al zijn onderdelen.

Artikel 68 Sr

Juridisch kader

Artikel 68 Sr houdt, voor zover van belang, het volgende in:

  1. Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onherroepelijk is beslist.

  2. Is het gewijsde afkomstig van een andere rechter, dan heeft tegen dezelfde persoon wegens hetzelfde feit geen vervolging plaats in geval van:

1e vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging;

2e veroordeling, indien straf is opgelegd, gevolgd door gehele uitvoering, gratie of verjaring der straf.

(…)

Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat de uitspraak van de Turkse rechtbank inzake de veroordeling voor de deelname aan een terroristische organisatie onherroepelijk is en dat deze veroordeling op hetzelfde feit ziet als het feit dat in deze zaak onder meer op de tenlastelegging staat.

Het hof stelt vast dat de verdachte in Turkije is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en drie maanden, oftewel 75 maanden. De verdachte heeft van 2 november 2016 tot 17 mei 2018 in Turkije in voorlopige hechtenis doorgebracht. Van de in Turkije opgelegde straf heeft de verdachte dus 18 maanden en 15 dagen uitgezeten in Turkije.

- Gratie/kwijtschelding?

De eerdergenoemde rechtbank in Kilis heeft in haar vonnis van 17 mei 2018 onder meer het volgende overwogen: “Met inachtneming van de aard van het strafbare feit dat de verdachten ten laste is gelegd, het aanwezige bewijsmateriaal, de duur in detentie in relatie tot de opgelegde straf de verdachten worden VRIJGELATEN en dat over hun vrijlating aan de officier van justitie een proces-verbaal wordt opgestuurd indien er geen andere strafbare feiten zijn waarvoor zij vastzitten dan wel zijn veroordeeld;”

Uit deze zin leidt de raadsman af dat de Turkse rechtbank de resterende vrijheidsstraf van de verdachte heeft kwijtgescholden en dat in zoverre sprake is van gratie, zodat ook aan de resterende voorwaarde voor toepasselijkheid van artikel 68 Sr is voldaan. De raadsman wijst erop dat expliciet wordt verwezen naar de omstandigheden en de kracht van het bewijs.

De advocaat-generaal betwist dat uit deze zin kan worden afgeleid dat door de Turkse rechtbank ter zake de resterende straf gratie is verleend.

Het hof stelt vast op grond van de tekst van deze passage af dat de rechtbank heeft besloten dat de verdachte wordt vrijgelaten. Dit staat niet ter discussie.

Objectieve en verifieerbare gegevens anders dan deze passage in het vonnis over de reden van de vrijlating zijn niet voorhanden.

Het hof stelt voorop dat deze zin niet verwijst naar de Turkse wettelijke regelingen inzake de tenuitvoerlegging van straffen en veiligheidsmaatregelen, zoals die ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen, die onder meer voorzien in toezicht op het gedrag van de veroordeelde en die voorwaarden scheppen voor re-integratie in de maatschappij gedurende de periode dat de verdachte vervroegd in vrijheid komt.

Ook stelt het hof vast dat de tekst van deze passage niet rept van kwijtschelding (of soortgelijke bewoordingen) van het omvangrijke strafrestant, terwijl de rechtbank de verdachte eerder in het uitgebreid onderbouwde vonnis tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur veroordeeld heeft en expliciet rekenschap aflegt van strafverhogende en strafverminderende omstandigheden.

Aldus komt het hof tot de conclusie dat een redelijke uitleg van deze zin, bezien tegen de achtergrond van het vonnis als geheel en hetgeen overigens gebleken is, niet leidt tot de door de raadsman voorgestane uitleg dat sprake is geweest van kwijtschelding van de straf of gratie door de Turkse rechtbank.

Het verweer wordt verworpen.

- Straf geheel uitgevoerd?

De raadsman heeft op diverse gronden betoogd dat de verdachte wel de volledige in Turkije opgelegde straf heeft uitgezeten en daartoe rechtsgeleerde opinies overgelegd van de Turkse advocaten [naam advocaat 1] en

[naam advocaat 2].

Voor zover de raadsman betoogt op grond van deze opinies dat de duur van de voorlopige hechtenis doorgebracht in Turkije dient te worden opgeteld bij de duur van de in Nederland doorgebrachte voorlopige hechtenis bij de beantwoording van de vraag of de straf geheel is uitgevoerd in de zin van het bepaalde in artikel 68, tweede lid, Sr, overweegt het hof het volgende.

Ingevolge vaste rechtspraak mag de duur van de in Nederland doorgebrachte voorlopige hechtenis niet worden opgeteld bij de duur van de in Turkije doorgebrachte voorlopige hechtenis in het kader van de beantwoording van vraag of voldaan is aan het bepaalde in art. 68 lid 2 Sr (HR 4.2.1969, NJ 1970, 325 m.nt. Enschedé en HR 26.5.2009, NJ 2009/348).

Gegeven het feit dat de verdachte van de door de Turkse rechtbank opgelegde straf van 75 maanden een periode van 18 maanden en 15 dagen in Turkije in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, is niet voldaan aan het bepaalde in art. 68, tweede lid onder 2 Sr, dat de opgelegde straf gevolgd moet zijn door gehele uitvoering van die straf.

Voor zover de raadsman betoogt dat de verdachte de gehele straf in Turkije heeft uitgezeten gelet op de in dit geval toepasselijke Turkse regeling inzake voorwaardelijke in vrijheidstelling, wordt dit verweer verworpen op de grond dat dit niet gebleken is gelet op het verhandelde ter terechtzitting.

Het hof voegt hieraan toe dat dit ook niet volgt uit de rechtsgeleerde opinies van de Turkse advocaten [naam advocaat 1] en [naam advocaat 2], die immers de daadwerkelijk ingevolge het Turkse recht te ondergane gevangenisstraf berekenen op respectievelijk 44,25 maanden dan wel 3 jaar, 8 maanden en 10 dagen.

Het hof verwerpt het verweer.

Dit alles neemt niet weg dat door dit hof bij het bepalen van de hoogte van de straf acht wordt geslagen op de tijd die de verdachte in Turkije in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Hierop zal verderop in het arrest worden ingegaan.

Zorgvuldigheid en beginselen van een goede procesorde

De verdediging stelt dat de tenuitvoerlegging van het resterende strafgedeelte door het Openbaar Ministerie overgenomen had kunnen worden, mits het Openbaar Ministerie zorgvuldig had gehandeld.

Juridisch kader

Artikel 3, eerste lid, van de Wet Overdracht Strafvonnissen (hierna: WOTS) luidt – voor zover hier van belang - als volgt:

1 Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in Nederland slechts worden ten uitvoer gelegd voor zover:

a. de rechterlijke beslissing in die staat voor tenuitvoerlegging vatbaar is;

Artikel 7 WOTS luidt - (voor zover hier van belang)- als volgt:

1 Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in Nederland niet worden ten uitvoer gelegd voor zover de veroordeelde ter zake van het zelfde feit in Nederland wordt vervolgd.

Beoordeling door het hof

Het hof heeft in het voorgaande de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld en voegt daaraan enkele vaststellingen toe.

De verdachte is door de Turkse rechtbank in Kilis – zoals hiervoor reeds overwogen – op 18 mei 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf en op diezelfde dag vrijgelaten. De verdachte is op 3 juli 2018 aangekomen in Nederland. Die dag is hij ook aangehouden. De rechtbank heeft in deze zaak vonnis gewezen op 23 juli 2019. Op dezelfde dag is namens de verdachte appel tegen dit vonnis ingesteld. Eerst op 24 december 2019 is het vonnis van de rechtbank in Kilis onherroepelijk geworden.

Tot 24 december 2019 stond het bepaalde in artikel 3 en 7 van de WOTS, en daarna nog steeds artikel 7 van de WOTS er aan in de weg om het strafrestant over te nemen en ten uitvoer te leggen.

De officier van justitie en de advocaat-generaal hebben voorts aangegeven bij het vorderen van de op te leggen straf acht te slaan op de in Turkije in voorlopige hechtenis doorgebrachte periode.

Immers, het vonnis waarbij de door de Turkse rechtbank opgelegde straf onherroepelijk is geworden, dateert van een veel later moment dan de vervolgingsbeslissing door het Nederlandse Openbaar Ministerie en voorts wordt de verdachte in Nederland vervolgd voor hetzelfde feit als waarvoor hij is veroordeeld in Turkije. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat het Openbaar Ministerie in dit opzicht onzorgvuldig heeft gehandeld bij het nemen van de beslissing om tot vervolging over te gaan. Anders dan door de raadsman wordt betoogd kon het in Turkije resterende strafgedeelte niet door Nederland worden overgenomen gelet op het bepaalde in de WOTS.

Bezien in het licht van de stellingen van de verdediging en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen leidt het bepaalde in artikel 4 van het Zevende Protocol van het EVRM niet tot een ander oordeel over de zorgvuldigheid van het handelen van het Openbaar Ministerie.

Ook het beroep op het zogenoemde Alcoholslotprogramma-arrest (HR 3.3.2015, ECLI:NL:HR:2015: 434) kan niet tot een ander oordeel leiden over de zorgvuldigheid van het handelen van het Openbaar Ministerie. In dat geval was aan een verdachte een onherroepelijke verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma opgelegd, terwijl de officier van justitie die verdachte daarnaast ook vervolgde en wilde doen bestraffen ter zake van hetzelfde onderliggende feit.

In dit geval is de verdachte vervolgd en veroordeeld in Turkije, terwijl de daar opgelegde straf niet volledig ondergaan is en die veroordeling eerst op 24 december 2019 onherroepelijk is geworden, lang na 3 juli 2018 en de beslissing om tot vervolging over te gaan door het Openbaar Ministerie in Nederland.

De officier van justitie en de advocaat-generaal hebben bovendien het deel van de straf dat door de verdachte in Turkije is ondergaan meegewogen bij hun strafeis ter zake de deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en de andere tenlastegelegde feiten.

Bezien tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat door leden van het Openbaar Ministerie in dit opzicht niet is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, omdat de vervolging op gespannen voet zou staan met het ne bis in idem-beginsel.

De verweren van de raadsman worden verworpen.

Slotsom

Dit alles leidt tot de volgende slotsom. Art 68 Sr staat niet in de weg aan een vervolging van de verdachte voor de aan hem verweten gedraging van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Evenmin kan worden aangenomen dat geen redelijk handelend officier van justitie tot vervolging had kunnen besluiten dan wel dat sprake is van strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde bij de beoordeling van de vervolging in het licht van het ne bis in idem-beginsel.

De advocaat-generaal is derhalve ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

V Rechtsmacht

In de zaak met parketnummer 09-748003-18 wordt de verdachte onder feit 2 handelen in strijd met het bepaalde in gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Geneve van 12 augustus 1949 tenlastegelegd zoals strafbaar gesteld in artikel 6 Wet Internationale Misdrijven (hierna: WIM) verweten. Het staat niet ter discussie dat dit hof ingevolge artikel 2 van de WIM bevoegd is van deze feiten kennis te nemen. Hiervan zal worden uitgegaan.

De verdediging betwist dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de aan de verdachte onder parketnummer 09-748003-18 onder 1 tenlastegelegde feiten. Het Openbaar Ministerie stelt dat er wel degelijk rechtsmacht bestaat ten aanzien van die tenlastegelegde feiten. Het hiernavolgende heeft alleen betrekking op de rechtsmacht inzake die feiten.

De verdachte wordt, kort gezegd en voor zover thans van belang, verweten - onder het eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde - dat hij in de periode van 1 augustus 2014 tot 1 november 2016 in Syrië en/of Irak en/of Turkije en/of Nederland heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie met het oogmerk om terroristische misdrijven te plegen, alsmede in de periode van 1 augustus 2014 tot 1 november 2016 in Syrië en/of Irak en/of Turkije en/of Nederland voorbereidingshandelingen met het oogmerk om terroristische misdrijven te plegen heeft verricht.

Vast staat dat de verdachte mede de Nederlandse nationaliteit had gedurende de gehele tenlastegelegde periode.

Niet ter discussie staat verder dat de Nederlandse strafwet in ieder geval toepasselijk is, voor zover de verdachte in Nederland gepleegde strafbare feiten tenlastegelegd worden. Hiervan zal worden uitgegaan.

Artikel 4 Sr luidt sedert 1 juli 2014, voor zover van belang, als volgt:

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt:

a. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 92 tot en met 96 (…);

Artikel 6 Sr luidt sedert 1 juli 2014 als volgt:

1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit voor zover een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie tot het vestigen van rechtsmacht over dat feit verplicht.

2. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden de feiten omschreven met betrekking tot welke de bij de maatregel aangewezen verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties tot de vestiging van rechtsmacht verplichten.

Het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht, dat op 1 juli 2014 in werking is getreden, houdt onder meer in:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a) de wet: het Wetboek van Strafrecht;

b) een terroristisch misdrijf: een misdrijf als bedoeld in artikel 83 van de wet;

c) een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf: een misdrijf als bedoeld in artikel 83b van de wet.

Artikel 2

1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt: (…)

e. aan een terroristisch misdrijf dan wel een van de misdrijven omschreven in de artikelen 115, 117, 117b, 121 tot en met 123, 157, 161, 161bis, 161quater, 161sexies, 162, 162a, 164, 166, 168, 170, 172, 173a, 285, 287, 288, 289, 350, 350a, 351, 352, 354, 385b en 385d van de wet, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 15 december 1997 te New York totstandgekomen Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen en hetzij het feit is begaan tegen een Nederlander, hetzij de verdachte zich in Nederland bevindt;

(…)

Artikel 4

(…)

2. Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander of de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een terroristisch misdrijf dan wel een van de misdrijven omschreven in de artikelen 131, tweede lid, 132, derde lid, 134a, 205, derde lid, 225, derde lid, 311, eerste lid, onder 6º, 312, tweede lid, onder 5º, 317, derde lid, jo. 312, tweede lid, onder 5°, en 421 van de wet. (…)

Artikel 2 van het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, gesloten te New York op

15 december 1997 (hierna: het Verdrag) houdt het volgende in:

1. Een persoon pleegt een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag indien deze persoon wederrechtelijk en opzettelijk een springstof of ander dodelijk instrument aflevert, plaatst, tot ontlading of ontploffing brengt op, bij of in een openbare plaats, een staats- of regeringsvoorziening, een openbaar vervoerssysteem of een infrastructurele voorziening,

a. met de bedoeling de dood of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken; of

b. met de bedoeling grootschalige vernieling aan te richten van een dergelijke plaats, voorziening of systeem, waarbij de vernieling leidt of waarschijnlijk zal leiden tot grote economische schade.

2. Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon een poging doet tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van het eerste lid.

3. Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon:

a. als medeplichtige deelneemt aan een strafbaar feit als omschreven in het eerste of tweede lid; of

b. het plegen van een strafbaar feit als omschreven in het eerste of tweede lid organiseert of anderen opdracht geeft een strafbaar feit als omschreven in het eerste of tweede lid te plegen; of

c. op enige andere wijze bijdraagt tot het plegen van een of meer strafbare feiten als omschreven in het eerste of tweede lid door een groep personen die optreden met een gemeenschappelijk doel; deze bijdrage dient opzettelijk te zijn, en te worden geleverd hetzij met het oog op de bevordering van de criminele activiteit of het doel van de groep in het algemeen, hetzij met de wetenschap van de bedoeling van de groep het desbetreffende strafbare feit of de desbetreffende strafbare feiten te plegen.

Eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde
Wat onder een terroristisch misdrijf wordt verstaan, is bepaald in artikel 83 Sr. In artikel 83, sub 3, Sr is ook de strafbepaling van artikel 140a Sr genoemd. Artikel 140a Sr waarop de onderhavige tenlastelegging is toegesneden, is dus ook een terroristisch misdrijf.

Artikel 2, lid 3 onder c, van het Verdrag, brengt ook onder de omschrijving van de reikwijdte van dit verdrag het leveren van een bijdrage tot het plegen van een of meerdere van de in lid 1 omschreven strafbare feiten - plegen/deelnemen aan tot ontlading brengen of tot ontploffing brengen van een springstof of een ander dodelijk instrument – (dan wel een poging daartoe ingevolge lid 2) door een groep personen met een gemeenschappelijk doel onder de daar beschreven voorwaarden.

De aan de verdachte verweten gedraging in de tenlastelegging ziet onder meer op deelname aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, waaronder:

“A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht.”

Dit onderdeel van de tenlastelegging valt onder het bepaalde in artikel 2, lid 1, jo. artikel 2, lid 3 onder c, van het Verdrag. Voor dit onderdeel bestaat er derhalve rechtsmacht.

Voorts wordt aan de verdachte onder B tot en met D in de tenlastelegging het volgende verweten:

“B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerdervermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96 lid 2) en/of”

In de Memorie van Toelichting met betrekking tot de uitvoering van het Verdrag is het volgende opgemerkt:

“Het Wetboek van Strafrecht kent een groot aantal strafbepalingen van generale en specifieke aard waaronder de hierboven omschreven strafbare feiten – terroristische bomaanslagen – kunnen worden gebracht. Allereerst worden genoemd de navolgende – merendeels specifieke – feiten, strafbaar gesteld in Titel VII van Boek II, die gewijd is aan misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht. Het gaat om de volgende misdrijven:

– opzettelijke brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing (artikel 157); (…)

– opzettelijke en wederrechtelijke vernieling van een vaartuig of luchtvaartuig (artikel 168); (…)

Op de hierboven genoemde misdrijven zijn zware straffen gesteld, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar is te duchten dan wel levensgevaar is te duchten en het feit iemands dood ten gevolge heeft. (…)
Verder worden enige – generieke – misdrijven, tegen het leven gericht, uit Titel XIX van Boek 2, genoemd:

– doodslag (artikel 287);

– gekwalificeerde doodslag (artikel 288);

– moord (artikel 289).”1

Gelet op de in de Memorie van Toelichting opgesomde strafbaarstellingen uit het Wetboek van Strafrecht die uitvoering kunnen geven aan de in artikel 2, lid 1, van het Verdrag beschreven strafbare gedragingen jo. artikel 2, lid 3 onder c, van het Verdrag (voor zover gericht op het plegen/deelnemen aan ‘terroristische bomaanslagen’) bestaat voor de aanhef van de tenlasteleggingen en de in de onderdelen B tot en met D tenlastegelegde gedragingen rechtsmacht van de Nederlandse strafwet. Deze strafbaarstellingen geven uitvoering aan het bepaalde in artikel 2 van het Verdrag.

Sedert 1 juli 2014 luidt de tekst van het eerste lid van thans artikel 7 Sr:

1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

Tot slot wordt aan de verdachte verweten onder E:

“E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie)”.

Naar Nederlands recht levert deze omschrijving een of meer misdrijven op.

De strafbaarstellingen waarop dit onderdeel van de tenlastelegging doelt, vallen niet onder het bepaalde in artikel 2, lid 1, van het Verdrag.

Irak en Turkije
Het hof kan niet vaststellen op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting of de Irakese en Turkse wetgeving straf stelt (en eventueel stelde) op de aan de verdachte in de tenlastelegging verweten gedraging onder E. In zoverre is derhalve niet voldaan aan het bepaalde in artikel 7 onder 1 Sr en is derhalve geen rechtsmacht op grond van deze bepaling.

In de onderhavige zaak beperkt de rechtsmacht voor de tenlastelegging zich tot de aanhef van de tenlastelegging en het onderdeel onder A tot en met D. Er bestaat geen rechtsmacht voor onderdeel E van de tenlastelegging met betrekking tot deze voornoemde landen. Het Openbaar Ministerie zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van verdachte.

Syrië

De door de raadsman in eerste aanleg overgelegde Nederlandstalige tekst van het Syrisch Wetboek van Strafrecht (wettelijke verordening Nr. 148. 22-06-1949) houdt onder meer in:

Artikel 216:

  1. Eenieder die een ander ertoe aanzet of tracht te verleiden een strafbaar feit te plegen, wordt geacht een aanstichter te zijn.

  2. De aansprakelijkheid van de aanstichter zal verschillend zijn van die van de persoon die wordt aangespoord om het strafbare feite te plegen.

Artikel 217:

  1. De aanstichter is aansprakelijk voor de straf die is gesteld op het strafbare feit dat hij wilde begaan, ongeacht of het misdrijf werd voltooid, een poging inhield of mislukte;

  2. Indien het aanzetten tot het plegen van een misdrijf of een overtreding zonder gevolg was, wordt de straf omgezet overeenkomstig artikel 219, lid 2, 3 en 4;

  3. Aansporing tot het plegen van een overtreding is niet strafbaar als er geen positieve reactie op volgde;

  4. Aan de aanstichter worden preventieve maatregelen opgelegd alsof hij de dader van het strafbare feit was.

Artikel 218:

De volgende personen worden beschouwd als medeplichtigen aan een misdrijf of een overtreding:

  1. Eenieder die instructies voor het plegen verstrekt, zelfs als dergelijke instructies de handeling niet vergemakkelijken;

  2. Eenieder die het voornemen van de dader op enigerlei wijze bestendigt;

  3. Eenieder die, voor materiële of morele winst, het voorstel van de dader tot het plegen van het misdrijf aanvaardt;

  4. Eenieder die de dader helpt of aanspoort bij handelingen die voorbereidend zijn op het misdrijf;

  5. Eenieder die, na vooraf akkoord te zijn gegaan met de dader of een medeplichtige voor het plegen van het strafbare feit, heeft geholpen om de sporen te verwijderen, de daaruit resulterende voorwerpen te verbergen of te verwijderen, of een of meer van de deelnemers aan het oog van justitie te onttrekken;

  6. Eenieder die op de hoogte is van het gangbare criminele gedrag van daders van roofovervallen op de openbare weg of geweldplegingen tegen de staatsveiligheid, openbare veiligheid, personen of goederen, en die genoemde daders voorziet van voedsel, onderdak, een toevluchtsoord of een ontmoetingsplaats.

Artikel 219:

  1. Een medeplichtige zonder wiens hulp het strafbare feit niet zou zijn gepleegd, zal worden gestraft als ware hij de dader zelf.

  2. Alle medeplichten worden gestraft met levenslange zware dwangarbeid of zware dwangarbeid voor een periode van 12 tot 20 jaar als de dader ter dood wordt veroordeeld.

  3. Als de dader wordt veroordeeld tot levenslange zware dwangarbeid of levenslange gevangenisstraf dan zullen de medeplichtigen tot dezelfde straf worden veroordeeld voor een periode van tenminste 20 jaar. (…)

Artikel 325:

  1. Als twee of meer personen samenspannen of een overeenkomst aangaan tot het plegen van misdrijven tegen personen of goederen, worden zij gestraft met dwangarbeid voor bepaalde tijd. De duur van deze straf zal tenminste 7 jaar bedragen als de handelingen van de overtreders gericht zijn tegen de levens van andere personen.

  2. Een persoon die het bestaan van een samenspanning of overeenkomst aan het licht brengt en de informatie die hij bezit met betrekking tot de andere daders onthult, zal echter worden vrijgesteld van strafoplegging.

Artikel 326:

  1. Leden van een groep van drie of meer personen die op de openbare weg en in plattelandsgebieden opereren als een gewapende bende met het oogmerk voorbijgangers te beroven, personen of goederen aan te vallen of andere overvallen te plegen, zullen worden veroordeeld tot zware dwangarbeid voor een minimale duur van zeven jaar.

  2. Ze zullen worden veroordeeld tot dwangarbeid voor het leven als ze een van de bovengenoemde handelingen daadwerkelijk hebben gepleegd.

  3. De doodstraf wordt opgelegd aan elk lid dat bij het plegen van het misdrijf de slachtoffers doodt of probeert te doden of hen onderwerpt aan foltering of barbaarse wreedheden.

Artikel 535:

Opzettelijke doodslag zal leiden tot de doodstraf indien deze is gepleegd in de volgende omstandigheden:

  1. Met voorbedachten rade;

  2. Om een misdrijf of overtreding voor te bereiden, te vergemakkelijken of uit te voeren, om de ontsnapping van aanstichters, daders of medeplichtigen aan een dergelijk misdrijf te vergemakkelijken of om de tenuitvoerlegging van hun straf te verhinderen;

  3. Tegen een voorouder of nakomeling van de dader.

Artikel 573:

Een persoon die opzettelijk gebouwen, fabrieken, werkplaatsen, magazijnen of andere residentiële of niet-residentiële gebouwen in een stad of dorp in brand heeft gestoken, of brand sticht in spoorwegvoertuigen of voertuigen die een of meer personen vervoeren, zal worden gestraft met zware dwangarbeid van ten minste 7 jaar.

Artikel 575:

Indien brandstichting het overlijden van een persoon tot gevolg heeft, zal de dader in de gevallen als bepaald in de artikel 573 en 574 ter dood worden veroordeeld en in de gevallen in de artikelen 575 en 576 zal hij worden veroordeeld tot dwangarbeid. De in deze artikelen genoemde straffen zullen worden verhoogd als een persoon blijvende invaliditeit oploopt.

Het is het hof ambtshalve bekend dat artikel 315 lid 1 van het Syrisch Wetboek van Strafrecht bezit van oorlogswapens strafbaar stelt, (zie Gerechtshof Den Haag 26.6.2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1676 onder 7).

Het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat het onder E tenlastegelegde niet alleen naar Nederlands recht, maar ook naar Syrisch recht, in het bijzonder de artikelen 315, 325, 326, 535, 573 en 575 van het Wetboek van Strafrecht, een strafbaar feit vormt waarop straf is gesteld.

Eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde

Het hof heeft rechtsmacht voor het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde met uitzondering van het onderdeel onder E voor wat betreft de landen Irak en Turkije.

Tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde

Met betrekking tot het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft het hof rechtsmacht op grond van het bepaalde in artikel 4, aanhef en sub 1, Sr gelezen in samenhang met de artikelen 157, 176b, 288a, art. 289 en art. 289a Sr.

Slotsom met betrekking tot de gehele tenlastelegging

Het hof heeft rechtsmacht voor het eerste en het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde met uitzondering van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde voor wat betreft onderdeel onder E ten aanzien van de landen Irak en Turkije.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-748003-18 onder 1 cumulatief/alternatief en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft in zijn vordering rekening gehouden met de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis in Turkije heeft doorgebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

VI Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-748003-18 onder 1 cumulatief/alternatief en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 09-748003-18:

1.


hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 01 augustus 24 oktober 2014 tot 01 november 3 september 2016, in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak en/of Turkije en/of Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een (terroristische) organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), althans (een) Organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie tot oogmerk had en/of heeft het plegen van terroristische misdrijven te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 288a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)

en/of

hij in op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 1 november 3 september 2016, in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak en/of Turkije en/of Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft trachten te verschaffent en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zhij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het misdrijf

immers heeft/hebben zhij, verdachte, en/of haar mededader(s)

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) Organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) of Al Qaida (verder AQ) of Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham (beiden voorheen Jabhat al Nusra, JaN), althans een aan voornoemde Organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep, althans (een) organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of

B. zich laten informeren over het afreizen naar en/of verblijven in het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

C. de reis naar Syrië en/of Irak gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar door de terroristische organisatie IS(IS/IL) of Al Qaida of Jabhat al Nusra gecontroleerd gebied en/of (gedurende enige tijd) verbleven in bedoeld (strijd)gebied in Syrië en/of Irak en/of

D. zich gevoegd bij één of meer mededader(s) en/of IS(IS/IL) en/of Al Qaida en/of Jabhat al Nusra strijder(s), althans perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, althans een of meer perso(o)n(en) die (eveneens) deelnam(en) aan een terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en/of

E. in Syrië deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische) organisatie IS(IS/IL) en/of Al Qaida en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties, althans (een) terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en/of

F. in Syrië (vuur)wapens gebruikt en/of gedragen en/of voorhanden gehad,

in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;

2.


hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 juni 2015 tot en met 19 juli 2015, in Abu Kamal (Syrië) en/of onderweg van Mosul (Irak) naar Raqqa (Syrië), althans (elders)in Irak of Syrië, in geval van een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië, in strijd met het bepaalde in gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Geneve van 12 augustus 1949,

een persoon die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam, te weten een burger en/of personeel van strijdkrachten die de wapens had neergelegd en/of een persoon die buiten gevecht is gesteld door ziekte en/of verwonding en/of gevangenschap en/of enig andere oorzaak, in zijn persoonlijke waardigheid heeft aangerand (en/of) (in het bijzonder) vernederend en/of onterend heeft behandeld,

doordat hij, verdachte,

- (lachend) heeft geposeerd naast voornoemde (overleden) persoon terwijl diegene gekruisigd is en/of vastgebonden is aan een houten kruis en/of

- zich heeft laten fotograferen met voornoemde (overleden) persoon terwijl diegene gekruisigd is en/of vastgebonden is aan een houten kruis en/of

- deze foto vervolgens heeft geplaatst op social media, te weten Facebook, en daarmee (aldus) heeft verspreid en/of openbaar heeft gemaakt.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

VII Nadere (bewijs)overwegingen

Nadere (bewijs)overweging ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de wettige bewijsmiddelen stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.

De moeder van de verdachte heeft hem op 26 november 2014 als vermist bij de politie opgegeven. Onderzoek wees uit dat hij op 24 oktober 2014 van Keulen naar Antalya was gevlogen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij rechtstreeks van Antalya naar Syrië is gegaan.

Blijkens een ambtsbericht van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (verder: MIVD) van 4 februari 2019 heeft de MIVD informatie ontvangen van het Ministerie van Defensie van de Verenigde Staten van Amerika. Het betreft door de Verenigde Staten verkregen persoonsgegevens - bestaande uit een loonlijst - van ongeveer 40.000 foreign fighters van ISIS2. Op deze ISIS loonlijst staat de volledige naam van de verdachte [naam verdachte], met de ‘kunya’ [naam kunya], de Nederlandse nationaliteit en als geboortedatum [geboortedag] 1994. De nicht van de verdachte heeft verklaard dat “[naam kunya]” de naam is die de verdachte in Syrië gebruikte.

Voorts staat op deze loonlijst onder het kopje ‘Assignment’ vermeld ‘Sniper Battalion’ bij de ‘Mu’atah Division’. Op de loonlijst staat verder geregistreerd dat deze persoon salaris kreeg over de perioden 7 juni tot

6 juli 2016, 7 juli tot 4 augustus 2016 en 5 augustus tot 3 september 2016, waarbij het salaris stond opgedeeld in de bedragen ‘30’ en ‘80’. De moeder van de verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte haar vertelde dat hij een salaris kreeg van 30 dollar of 80 dollar. Het hof stelt vast dat deze loonlijst betrekking heeft op de verdachte.

Op 1 juli 2016 heeft de verdachte – zo heeft hij ook verklaard ter terechtzitting in hoger beroep – de tiplijn van de Nederlandse politie gebeld. In dit gesprek vertelde de verdachte dat hij zich al twee jaar in de Islamitische Staat bevond, en dat hij wilde weten wat Nederland tegen hem heeft.

Op de profielfoto van het Facebookaccount van de verdachte (met de naam [naam Facebookaccount]) is de verdachte te zien met een wapen. In het dossier bevinden zich verschillende andere foto’s waarop de verdachte te zien met wapens en/of in gevechtskleding. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij gebruik maakte van voornoemd Facebookaccount, en dat hij tijdens zijn verblijf in Syrië en Irak inderdaad op foto’s te zien is in gevechtskleding en/of met een wapen.

De politie heeft de telefoon onderzocht van [naam persoon 1], tegen wie de verdenking bestond dat zij van plan was om uit te reizen naar Syrië en Irak om deel te nemen aan de gewapende strijd. Hieruit bleek dat zij chatgesprekken voerde met ene [naam persoon 2]. Onderzoek heeft uitgewezen dat dit de verdachte betrof. In uitvoerige chatgesprekken in de periode van 11 oktober 2015 tot en met 7 december 2015 wordt door [naam persoon 2] onder meer – zakelijk weergegeven - gezegd dat:

- hij in oktober 2015 bij IS was en toen al een jaar was aangesloten bij IS;

- dat hij een aanvalsgeweer had gekregen van de namens IS aangewezen leider van de provincie Wilayat Al-Furat;

- dat hij in Aleppo en Kobani is geweest;

- dat “allah azzawadjal (Allah/God de almachtige) iemand gedood had via zijn handen en daar heel erg blij mee was;

- hij niets liever wil dan vechten aan het front;

- dat hij op ‘Kuffaar’ geschoten heeft tijdens zijn verblijf aan het front;

- dat hij veertig kogels in zijn magazijn heeft, dat snipen het leukste is wat er is, maar ook het gevaarlijkst;

- dat hij mee op patrouille is geweest met de politiedienst van IS en dat hij heeft geholpen bij het verhoren van verdachten;

- dat hij morgen naar Raqqa gaat, ‘Taskia’ inleveren;

- dat hij zich ‘istishadie’ heeft ingeschreven, saheed wil worden in ribaat;

- dat ‘ribaat’ de front linie is, dat het begin kapot moeilijk is bij aanvallen;

- dat het in de stad moeilijk is bij aanvallen omdat je daar veel huizen hebt en je hen moet zien te raken, maar dat je ze in de sahara makkelijk kan snipen;

- dat hij met Bashar altijd deed dat als hij wist waar ze zaten, hij een granaat gooide;

- dat er de hele tijd een auto om hem heen rijdt en dat hij denkt dat hij die gaat aanhouden, het kan zijn dat die langsrijdt om een granaat te gooien, ze zijn in oorlog en hij is in een dorp waar de gekste dingen gebeuren;

- dat hij altijd schiet op ramen, omdat hij bang is voor die snipers;

- dat hij zich heeft ingeschreven voor het ‘knoppie’;

- dat in Ribaat iedereen gewoon op zijn plek is en laat merken dat je er bent met een granaat of schieten met een mortier.

In dit gesprek zijn ook meerdere van de hiervoor genoemde foto’s verstuurd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij deze chats via internet heeft gevoerd met [naam persoon 1].

Het hof stelt vast dat aan de navolgende gebruikte woorden de volgende betekenis kan worden toegekend:

Taskia: (tazkiya of tazkiyah): garantie of getuigschrift voor degenen die zich bij IS willen aansluiten.

Istishadie: (Istishadi): de aanduiding door IS van degenen die een martelaarsoperatie uitoefent.

Saheed: (shahid) martelaar.

Mujahid: Islamitische strijder.

Ribaat: Grensbewaking.3

De vader van [naam medeverdachte] heeft veelvuldig contact gehad met de politie over het vermoedelijk verblijf van zijn zoon in IS-gebied. Tijdens één van deze contacten is door deze vader een deel van een gesprek op Facebook Messenger op 13 juli (het hof begrijpt: 2016) tussen zijn zoon en [naam persoon 3] getoond. In dit gesprek zegt [naam persoon 3] dat [naam kunya verdachte] terug is van ‘riba’. Zoals hiervoor overwogen is [naam kunya verdachte] de bijnaam (kunya) van de verdachte.

Tot slot bevindt zich in het dossier een chatgesprek van 3 september 2016 tussen [persoon 1] en de verdachte waarin hij zegt dat hij is ‘overgestoken’ en nu niet meer bij ISIS zit maar bij een andere groep. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het kan kloppen dat hij vanaf ongeveer 3 september 2016 bij het Vrije Syrische heeft verbleven.

Deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven

Juridisch kader

Van deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven in de zin van artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.
Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische)misdrijven. Enige vorm van opzet op de door de organisatie concreet beoogde misdrijven is niet vereist.

Voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven

Juridisch kader
De in artikel 96, tweede lid, Sr beschreven voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet.

Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen kunnen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid.

Beoordeling door het hof

Deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven

IS (voorheen ISIL of ISIS) was een van de jihadistische strijdgroepen in Syrië die op gewelddadige wijze een zuiver islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia – dit alles zoals door hen gepercipieerd – wilden opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beoogden zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in artikel 83a Sr. De misdrijven die deze strijdgroepen pleegden, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, werden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.4

IS is sinds 30 mei respectievelijk 1 juli 2013 op de VN en EU-sanctielijsten van terroristische organisaties geplaatst en is in bestendige rechtspraak als terroristische organisatie aangemerkt5.

Op grond van het dossier en verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte kort na 24 oktober 2014 via Turkije is uitgereisd naar Syrië. Hij heeft zich vervolgens aangesloten bij IS tot 3 september 2016, het moment dat hij overstapte naar het Vrije Syrische Leger. De vele chatgesprekken, de foto’s waarop de verdachte (al dan niet samen met anderen) in gevechtskleding en/of met (vuur)wapens te zien is, het feit dat hij in plaatsen is geweest die door IS werden gecontroleerd en beheerst, alsmede zijn vermelding en zijn functie op de loonlijst van ISIS laten geen andere conclusie toe dan dat de verdachte zich heeft aangesloten bij IS en daadwerkelijk heeft gevochten. Daarmee heeft hij een feitelijke bijdrage geleverd aan de gewapende strijd.

Aan de verklaring van de verdachte dat de chatgesprekken en de foto’s slechts stoerdoenerij waren hecht het hof geen geloof, zeker niet in combinatie met de foto’s die hij soms meestuurde. Ook zijn verklaring dat hij al die tijd slechts parkeerwacht of humanitair hulpverlener zou zijn geweest acht het hof gelet op het voorgaande niet geloofwaardig. Objectieve gegevens die deze stelling kunnen onderbouwen ontbreken bovendien. Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep fonetisch de naam van een ziekenhuis in Mosul genoemd, maar dat acht het hof voor de onderbouwing van de aannemelijkheid van zijn stelling ontoereikend.

Het hof stelt vast op grond van het voorgaande dat de verdachte gedragingen heeft verricht die hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van de terroristische organisatie IS waarbij de verdachte zich als strijder aansloot en waarbij hij ruim twee jaren aangesloten bleef.

De verdachte wist in zijn algemeenheid dat deze organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat ten tijde van het tenlastegelegde maar ook al geruime tijd voor die periode jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden, waarbij de in Syrië woonachtige bevolking werd geterroriseerd. Dit kan de verdachte gedurende zijn verblijf in Syrië niet zijn ontgaan.

Het hof acht met de rechtbank medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen, omdat het dossier geen concrete bewijsmiddelen bevat dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen heeft gehandeld.

Voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven

Op grond van de al genoemde bewijsmiddelen komt het hof ook tot het oordeel dat de verdachte zich in dezelfde periode heeft schuldig gemaakt aan de aan verdachte verweten voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven.

De verdachte is naar Syrië en Irak gereisd, is daar in het strijdgebied geweest, en heeft zich aangesloten bij IS. Hij heeft er in zijn chats blijk van gegeven bereid te zijn tot het plegen van (zelfmoord)aanslagen en heeft (vuur)wapens voorhanden gehad. Hij heeft daadwerkelijk een bijdrage aan de door IS gevoerde (jihad)strijd geleverd, bijvoorbeeld door mee te gaan op patrouille met de politiedienst van IS en “verdachten te horen”.

Al doende heeft hij zichzelf en anderen gelegenheid en/of middelen getracht te verschaffen tot het plegen van terroristische misdrijven. Doordat de verdachte zich heeft laten registreren als lid van een ‘sniper’-bataljon’ heeft hij anderen bovendien inlichtingen verschaft en zichzelf gelegenheid trachten te verschaffen tot het plegen van terroristische misdrijven. De verdachte heeft ook dit gedaan met het oogmerk de bewezenverklaarde terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen.

Het hof zal de verdachte van de onderdelen A en B vrijspreken, nu er geen concreet bewijs voorhanden is betreffende het zich toe-eigenen van het radicaal extremistisch gedachtegoed en zich laten informeren over het afreizen en/of verblijven in het strijdgebied in Syrië en/of Irak.

Het hof acht met de rechtbank medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen omdat het dossier geen concrete bewijsmiddelen bevat dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen heeft gehandeld. Ook daarvan zal hij worden vrijgesproken.

Nadere (bewijs)overweging ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

Juridisch kader

Aan de verdachte wordt verweten onder verwijzing naar de tenlastelegging zoals die in bijlage 1 bij dit arrest is opgenomen – kort gezegd – dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een oorlogsmisdrijf.

Artikel 6 Wet internationale misdrijven


Artikel 6 van de Wet internationale misdrijven (hierna: WIM) dat ziet op de strafbaarstelling van het plegen van oorlogsmisdrijven– luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

1 Hij die zich in geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maakt aan schending van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, te weten het begaan jegens personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft neergelegd, of jegens personen die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enig andere oorzaak, van een van de volgende feiten:
(…)
c. aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;
(…) wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie.

Het hof dient te beoordelen - na vaststelling van de feiten – of op grond daarvan sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict in de zin van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Geneve (verder: GA 3)6, een aanranding van de persoonlijke waardigheid van een persoon in de zin van GA 3 door de verdachte die valt onder de bescherming van GA 3 en tot slot of er sprake is van voldoende verband tussen de vastgestelde gedraging en het gewapend conflict (nexus) om te kunnen spreken van een oorlogsmisdrijf.

Het hof oriënteert zich voor de uitleg van de delictsbestanddelen van de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven op het internationale recht, zoals het Statuut voor het Internationaal Strafhof en de op de voet van artikel 9 van het Statuut van het Strafhof opgestelde Elementen van Misdrijven, dienen als hulpmiddel bij de interpretatie van de misdrijven en richtinggevende uitspraken van de internationale tribunalen, zoals het ICTY, gelet op de internationale karakter van dit misdrijf.7

Niet-internationaal gewapend conflict

Het internationaal humanitair recht is van toepassing wanneer sprake is van een gewapend conflict op het grondgebied van een van de verdragsluitende partijen.

Onderscheid wordt gemaakt tussen internationaal gewapende conflicten en niet-internationaal gewapende conflicten. De regels voor deze twee typen conflicten verschillen op onderdelen. Een belangrijk onderscheid is dat bij een internationaal gewapend conflict geen eisen worden gesteld aan de intensiteit van het gewapende conflict. Dat is anders voor de vaststelling van het bestaan van een niet-internationaal gewapend conflict.

Het ICTY heeft door de jaren heen het begrip ‘niet internationaal gewapend conflict’ in zijn rechtspraak nader uitgewerkt en criteria ontwikkeld voor de beoordeling van de vraag of hiervan sprake is. In de eerste plaats dient de intensiteit van het conflict van het niveau van aanhoudend gewapend geweld (protracted armed violence) te zijn en in de tweede plaats dienen de betrokken gewapende groeperingen voldoende georganiseerd te zijn.8

Factoren die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de intensiteit van een conflict omvatten het aantal, de duur en de intensiteit van de afzonderlijke confrontaties; het type wapens en ander militair materiaal; aantal en kaliber van de afgevuurde munitie; het aantal personen en het soort gewapende groeperingen die deelnemen aan het gevecht; het aantal slachtoffers; de omvang van de materiele schade; en het aantal vluchtelingen uit de gevechtsgebieden. De betrokkenheid van de VN Veiligheidsraad kan ook een indicatie van de intensiteit van het conflict vormen.9

Voor de vaststelling van de organisatiegraad van de gewapende groeperingen zijn de volgende factoren van belang: het bestaan van een commando structuur en disciplinaire regels en mechanismen binnen de groep; het bestaan van een hoofdkwartier; de omstandigheid dat de groep een bepaald territoir controleert; de mogelijkheid om de groep toegang tot wapens te geven en ander militair materiaal, rekrutering en militaire training; de mogelijkheid om militaire operaties te plannen, coördineren en uitvoeren, inclusief troepenbeweging en daarmee samenhangende logistiek; de mogelijkheid een uniforme militaire strategie te bepalen en het gebruik van militaire tactieken; en de mogelijkheid om met een stem te spreken en te onderhandelen en overeenkomsten af te sluiten zoals een staakt het vuren of een vredespact. Het betreft geen uitputtende lijst.10

Een staat wordt verondersteld strijdkrachten te hebben die voldoen aan het vereiste van organisatie.11

De vaststelling of sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict is in hoge mate een feitelijke beoordeling die afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.12


Voorts moet de dader kennis hebben van het bestaan van het gewapende conflict.


Aanranding van de persoonlijke waardigheid

GA 3
In gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verdragen van Genève is - voor zover in deze zaak van belang - een verbod neergelegd op aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling, van personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen.

Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen
Het internationaal humanitair recht – waaronder GA 3 – bepaalt onder andere welke personen vallen onder de bescherming van dit rechtsregime in tijden van (internationale en) niet-internationale conflicten.

Met personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen wordt in GA 3 gedoeld op burgers, maar ook op onder meer het personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft neergelegd, en op hen die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak.13

In de Elementen van misdrijven van het ICC is aangegeven dat het slachtoffer zich niet persoonlijk bewust hoeft te zijn van de gedraging en dat ook overleden personen slachtoffer van dit misdrijf kunnen zijn.14

De dader moet zich bewust zijn geweest van de feitelijke omstandigheden die ten grondslag lagen aan de beschermde status van de persoon.15

Invulling begrip ‘aanranding van de persoonlijke waardigheid’
Noch in de Verdragen van Genève noch in het daarbij behorende tweede Aanvullend Protocol is een definitie te vinden van ‘aanranding van de persoonlijke waardigheid’. In de rechtspraak van het ICTY is hierover onder meer overwogen dat het gaat om een gedraging die de verdachte opzettelijk heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen die in het algemeen gezien zou worden als een ernstige vernederende of onterende behandeling of op een andere wijze een aanranding van de persoonlijke waardigheid zou vormen.16

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een aanranding van de persoonlijke waardigheid dient - naast subjectieve criteria die zijn gerelateerd aan de kwetsbaarheid van het slachtoffer - te worden gekeken naar objectieve criteria die zijn gerelateerd aan de ernst van de gedraging.17

De Elementen van misdrijven van het ICC houden rekening met de relevante aspecten van de culturele achtergrond van het slachtoffer.18 Hierdoor vallen gedragingen die bijvoorbeeld vernederend zijn voor iemand van een bepaalde nationaliteit, cultuur of religie, terwijl ze dat niet noodzakelijkerwijs zijn voor anderen, ook onder de reikwijdte van het begrip aanranding van de persoonlijke waardigheid.19

Nexus
Tussen de gedraging en het gewapende conflict dient voldoende samenhang – in de (internationale) rechtspraak ook wel ‘nexus’ genoemd – te bestaan.20 De strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven beoogt immers bescherming te bieden tegen misdrijven die in (nauwe) relatie staan tot de oorlog. Het nexus-vereiste dient in dat verband om oorlogsmisdaden te onderscheiden van commune misdaden en andere internationale misdrijven zoals genocide en misdrijven tegen de menselijkheid.

In de rechtspraak van de ICTY is nader ingegaan in verschillende uitspraken op de uitleg van het begrip nexus. Voor zover van belang voor de beoordeling van de nexus in de onderhavige zaak zal het hof hieronder het juridisch kader weergeven.

In de rechtspraak van het ICTY zijn richtinggevende aanknopingspunten genoemd voor de beantwoording van de vraag of sprake is in het voorliggende geval van een nexus. Dit laat onverlet dat de beoordeling van het bestaan van een nexus van zaak tot zaak beoordeeld moet worden. Deze aanknopingspunten betreffen de volgenden waarbij uitgangspunt is dat het oorlogsstrafrecht toepassing vindt op het gehele territoir van de strijdende partijen ongeacht waar op dat moment actuele gevechten plaatsvinden en vinden toepassing tot het moment dat een vreedzame oplossing is gevonden. Het bestaan van een gewapend conflict moet op zijn minst (i) een substantiële rol hebben gespeeld bij de beslissing van de dader het misdrijf te begaan, (ii) zijn mogelijkheid dit te doen, (iii) de wijze waarop het misdrijf is begaan of (iv) het doel waarvoor het is begaan. Het hof begrijpt deze aanknopingspunten aldus dat het geen 'harde’ en evenmin limitatieve criteria zijn.21 Voorts kan de rechter voor de beoordeling van de vraag of een gedraging in voldoende verband staat tot het gewapend conflict onder meer de volgende factoren betrekken: de omstandigheid dat de dader een strijder is; de omstandigheid dat het slachtoffer een non-combattant is; de omstandigheid dat het slachtoffer behoort tot de tegenpartij; de omstandigheid dat de gedraging gezegd kan worden het ultieme doel van de militaire campagne te dienen; en de omstandigheid dat het strafbare feit is gepleegd als onderdeel van of in de context van de uitoefening van de officiële functie van de dader.22

De strafrechtelijke aansprakelijkheid voor oorlogsmisdrijven is niet gelimiteerd tot de strijdende partijen en diegenen die in nabije relatie staan met één van de partijen.23

De dader moet op de hoogte zijn geweest van de feitelijke omstandigheden die het bestaan van het gewapende conflict constitueerden.24

Beoordeling door het hof

Voor de beoordeling of het voormelde tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, dient het hof de volgende vragen te beantwoorden.

(1) Is er sprake geweest van een niet-internationaal gewapend conflict in Syrië en Irak?

(2) Is de verdachte op de hoogte geweest van de feitelijke omstandigheden die het bestaan van het gewapend conflict constitueren?

(3) Wordt het slachtoffer beschermd door het internationaal humanitair recht, in het bijzonder door GA 3?

(4) Is de verdachte op de hoogte geweest van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de beschermde status van het slachtoffer?

(5) Heeft de verdachte de persoonlijke waardigheid van het slachtoffer aangerand en/of het slachtoffer vernederend en onterend te behandeld?

(6) Is er een nexus zijn tussen de gewraakte gedraging van de verdachte en het hiervoor genoemde gewapende conflict?

Ad 1) Is er sprake van een niet internationaal gewapend conflict?


Het hof stelt vast in het hierna volgende dat in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015, en dus ook op of omstreeks 12 november 2015 er sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict in Syrië tussen Syrische regeringsstrijdkrachten enerzijds en de strijders van (onder andere) de gewapende groepen ISIL/ISIS/IS en Jabhat al-Nusra (hierna: JaN) anderzijds.

Hieronder volgt - met het oog op de onderbouwing van deze vaststelling – een uiteenzetting van de gebeurtenissen in Syrië voor zover van belang voor de bewezenverklaring van het hierboven tenlastegelegde feit op dit punt vanaf 2011. In dit verband zal het hof in het bijzonder ook ingaan op de intensiteit van het conflict en de organisatiegraad van de betrokken gewapende groepen, in het bijzonder van IS, nu dit relevant is voor de vraag of sprake is van een (niet-internationaal) gewapend conflict.

Het hof baseert zich hierbij voornamelijk op de kennisdocumenten die deel uitmaken van het strafdossier en volledig zijn gebaseerd op open bronnen, zoals de rapportages van de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic, van de Human Rights Council van de Verenigde Naties, rapporten van Human Rights Watch en Amnesty International, rapportages van UNAMI, van de OHCHR, de United Nations Security Council, journalistieke bronnen alsmede websites, social media, documenten en beeldmateriaal van in Syrië actieve jihadistische organisaties.25

Syrië
In het voorjaar van 2011 is de opstand in Syrië begonnen met protesten om hervormingen af te dwingen bij het regime van president Assad. Het regime probeerde de roep om hervormingen met grof geweld de kop in te drukken, maar dit bracht het verzet niet tot zwijgen. Na de start van de opstand werd door de wereldgemeenschap veroordelend gereageerd op de gewelddadige reactie hierop door president Assad. Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties Ban Kimoon stelde in de zomer van 2011 vast dat president Assad alle legitimiteit had verloren. Westerse staten drongen aan op zijn aftreden en vaardigden sancties uit tegen zijn regime. Aan het eind van 2011 begon de oppositie zich in reactie op de gewelddadigheden van het regime gewapenderhand te verzetten. Hierbij werden wraakacties uitgevoerd tegen regeringstroepen en wijken in grote steden en gebieden op het platteland veroverd op de regeringstroepen. Het Syrische bewind trad hiertegen met nog hardere hand op. Bij luchtaanvallen die werden uitgevoerd door de Syrische luchtmacht vielen veel burgerslachtoffers. Mensenrechtenschendingen vonden plaats aan de kant van de regeringstroepen en paramilitaire milities die aan de kant van de overheid streden, maar ook door gewapende oppositie die het regime van Assad bestreden, zoals IS en JaN. Begin 2013 is er sprake van een regelrechte oorlog. Het Syrische regime wordt ervan beschuldigd in 2013 en 2015 chemische aanvallen te hebben gepleegd met een groot aantal slachtoffers tot gevolg. In de laatste maanden van 2013 en de eerste maanden van 2014 lijkt het Syrische regime aanvallen met zogenaamde barrel bombs26te hebben opgevoerd. Ook in de loop van 2014 en in de eerste helft van 2015 kosten luchtaanvallen en aanvallen met barrel bombs, door het Syrisch regime in diverse delen van Syrië vele levens, met name ook van burgers. De gewapende groeperingen die tegen het regime van Assad streden maakten zich tegelijkertijd onder meer schuldig aan standrechtelijke executies, kidnapping, marteling van gevangengenomen regeringssoldaten, leden van de pro-Assad milities en personen die als informant van het Assad regime werden aangemerkt. IS, JaN en andere strijdgroepen maakten zich gedurende deze periode schuldig aan het illegaal vasthouden van een groot aantal gedetineerden, martelingen en executies.

In december 2015 schat United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (UNOCHA) het aantal personen dat in Syrië zelf op de vlucht is op 6,6 miljoen en het aantal mensen dat het land is ontvlucht op 4,3 miljoen. 13,5 miljoen inwoners, zo stelt de organisatie, hebben humanitaire hulp nodig. Het aantal doden lag in november 2015 rond de 250.000.

Betrokkenheid jihadistische strijdgroepen, in het bijzonder IS
Naarmate de strijd in Syrië en Irak vorderde, nam de invloed van jihadistische groepen in die strijd steeds meer toe. Het doel van deze strijdgroepen was niet alleen het ten val brengen van het regime van Assad, maar tevens de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië en eventueel op een ruimer territoir, waar een zeer strikte versie van de sharia zou gelden. Één van die jihadistische groepen betreft een aanvankelijk aan Al Qaida gelieerde groep die eerder actief was in Irak. Het gaat hierbij om de Islamitische Staat in Irak (hierna: ISI), ook bekend als Al Qaida in Iraq (AQI), die al langer een basis zou hebben in Syrië, toen (nog) gesteund door het Assad regime. De groep claimde op 11 maart 2013 een aanval, die op 4 maart 2013 had plaatsgevonden. Hierbij zouden 48 Syrische soldaten en negen Iraakse gardisten om het leven zijn gekomen. Het zou gaan om de eerste actie waarbij ISI zijn betrokkenheid bij het Syrisch conflict bevestigde. ISI, dat onder leiding stond van Abu Bakr al-Baghdadi, doopte zich in april 2013 om tot ISIL om de uitbreiding van haar activiteiten naar Syrië te benadrukken.

Organisatie IS
Op 29 juni 2014 riep ISIL het Islamitisch kalifaat uit in het door de organisatie veroverde gebied in Syrië en Irak en werd de organisatie omgedoopt tot IS met als hoogste leider, Abu Bakr al-Baghdadi. Het door IS gecontroleerde grondgebied bevond zich in 2014 en in 2015 in Syrië en Irak. Het aantal strijders dat zich bij IS heeft aangesloten, wordt in 2014 geschat tussen de 20.000 en 31.500.

In de eerste helft van 2014 wordt gesteld dat IS als volgt was georganiseerd. Het leiderschap van IS zou zijn onderverdeeld in verschillende raden. Er zou de commandoraad zijn. Verder zou er de adviesraad zijn waarvan de leden verantwoordelijk waren voor het overbrengen van bevelen van Abu Bakr al-Baghdadi aan de lagere commandostructuren en die controleerden of deze bevelen werden opgevolgd en besliste deze raad over wetten en de toepassing ervan. Voorts zou er de shariaraad zijn die besliste over religieuze zaken. Andere raden zouden zijn de rechtsraad, de veiligheidsraad, de militaire raad, de inlichtingenraad, de hulpraad voor strijders die de komst van buitenlandse strijders naar IS regelden en hun huisvesting, de raad voor de media en de financiële afdeling.

Na de stichting van het kalifaat en de verovering van grondgebied in 2014 heeft IS onderdelen van de organisatie, zo lijkt het, omgevormd tot ministeries of comités, die ook het door IS veroverd grondgebied moesten besturen.

Op diverse plaatsen in Syrië bevonden zich trainingskampen van IS waar lessen worden gegeven in kennis van wettelijke regels en de islamitische geloofsleer en waar de rekruut ook gevechtstechnieken en het omgaan met wapens werd bijgebracht.

Het leger van IS was opgebouwd uit onder meer speciale eenheden, luchtverdedigingstroepen, een scherpschuttersbrigade en een administratie.

Op het hiervoor genoemde tijdstip werd in ieder geval voldaan aan het vereiste van dat de intensiteit van het conflict beantwoordde aan het niveau van aanhoudend gewapend geweld. Er waren veelvuldig grootschalige militaire operaties tussen de betrokkenen, waarbij gebruik werd gemaakt van militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie.

Het aantal dodelijke slachtoffers bedroeg eind 2015 meer dan 250.000 personen en 4,3 miljoen personen waren toen Syrië en Irak ontvlucht. Een zeer aanzienlijk aantal personen had toen humanitaire hulp nodig en diverse steden en dorpen in Syrië en Irak waren vernield. Ook werd er onderhandeld over een vredesplan, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties veroordeelde het Syrische bewind en de gedragingen van IS.

Slotsom t.a.v. organisatiegraad IS
Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het hof eveneens voldaan aan het vereiste van voldoende organisatie van de gewapende groepen ISIL/ISIS/IS. In de hiervoor genoemde periode had deze organisatie immers beschikking over militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie en kon zij grootschalige militaire operaties uitvoeren. De organisatie beschikte bovendien over een organisatiestructuur en oefende zelfs controle uit over een territorium. Daarnaast waren er verschillende samenwerkingsverbanden met andere organisaties.

Ad 2) De verdachte dient op de hoogte te zijn geweest van de feitelijke omstandigheden die het bestaan van het gewapend conflict constitueren.

Het hof stelt vast op grond van de eigen verklaring van de verdachte dat hij kennis had van het gewapend conflict in Syrië en Irak.

Ad 3) Het slachtoffer dient te worden beschermd door het internationaal humanitair recht, in het bijzonder door GA 3.

Het staat niet ter discussie dat de persoon op afbeelding 127 ten tijde van het nemen van de foto’s reeds was overleden. Dit maakt dat hij - ongeacht het antwoord op de vraag of hij gedurende zijn leven als tegenstander werd gezien van IS - bescherming genoot onder het internationaal humanitair recht.

Het hof stelt vast derhalve vast dat de gedraging is begaan jegens een persoon die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam gelijk in de tenlastelegging is weergegeven.

Ad 4) De verdachte dient op de hoogte zijn geweest van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de beschermde status van het slachtoffer.

Het hof stelt vast dat de verdachte op de hoogte was van de omstandigheden die voor de beschermde status zorgen. Met betrekking tot de persoon op afbeelding 1 blijkt immers uit het gespreksverslag tussen de verdachte en de medewerker van het ministerie van Buitenlandse Zaken dat de verdachte ten tijde van het nemen van de foto wist dat de man in de oranje overall was overleden, nu de verdachte toen immers heeft verklaard dat het lichaam van de overledene stonk door de ontbinding daarvan en dat hij zich zorgen maakte dat gedacht zou worden op basis van de foto dat hij de man had gedood.28

Verweer
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de persoon van Buitenlandse zaken die het gespreksverslag heeft gemaakt, zijn opmerkingen hierover niet goed heeft samengevat en dat het ging om andere foto’s die hij op Facebook en/of internet zou hebben gezet maar niet deze foto.

Beoordeling van het verweer door het hof
Blijkens het gespreksverslag is het volgende genoteerd met betrekking tot hetgeen door de verdachte is verklaard:

‘Hij maakt zich ook zorgen om een foto die hij op FB gezet heeft. Hij zou onderweg van Mosul naar Raqqa bij een bushalte met een gekruisigde man (die volgens hem heel erg stonk vanwege de ontbinding) een foto hebben gemaakt. Hij vond dat toen stoer maar is bang dat gedacht wordt dat hij dit gedaan heeft. Hij zei: ze kunnen zien via mijn FB dat ik onderweg was en helemaal geen tijd had gehad om die man te doden.’29

Het hof ziet geen aanwijzingen dat er een misverstand is geweest over welke foto de verdachte heeft gesproken. Het hof heeft hierbij betrokken dat de opgetekende details over de afbeelding die de verdachte blijkens het gespreksverslag heeft verschaft daadwerkelijk overeenkomen met desbetreffende afbeelding. Uit het gespreksverslag volgt op geen enkele wijze dat over meerdere foto’s zou zijn gesproken. Ook anderszins heeft het hof geen aanwijzingen in het dossier aangetroffen die de lezing door de verdachte zouden kunnen ondersteunen. Het hof verwerpt het verweer.

Ad 5) De verdachte dient de persoonlijke waardigheid van het slachtoffer te hebben aangerand en/of het slachtoffer vernederend en onterend te hebben behandeld.

Vaststelling van de feiten
Het hof stelt vast dat de verdachte tussen 15 juni 2015 en 2 juli 2015 te Abu Kamal te Syrië een foto (foto 1) heeft laten maken waarop te zien is dat hij naast een overleden persoon staat (vermoedelijk [naam slachtoffer])30 die, gekleed in een oranje overall, is opgehangen aan een kruis.

De verdachte heeft erkend op de foto te staan afgebeeld en hij is van de foto ook herkend door zijn vader.

Het hof stelt vast dat de kunya van de verdachte [naam kunya verdachte] is gelet op chatgesprek van de verdachte met [persoon 1] (verder: [persoon 1]).31 De verdachte heeft afbeelding 1 op het Facebookaccount met de naam [naam Facebookaccount verdachte] geplaatst. Het hof baseert zich voor deze vaststelling op het gespreksverslag opgetekend door een medewerker van het ministerie van Buitenlandse Zaken over een met de verdachte gevoerd gesprek. Hierin is opgenomen dat de verdachte heeft verklaard dat hij een foto van hemzelf met een gekruisigde man op zijn Facebookaccount heeft geplaatst. Dat de foto vervolgens via Facebook verder is gedeeld wordt bevestigd door de inhoud van een proces-verbaal van bevindingen waarin een Utrechtse wijkagent verklaard dat hij van zijn contactpersoon over de situatie met betrekking tot de jongeren in het Kanaleneiland had vernomen dat de desbetreffende foto via Facebook werd gedeeld en dat de foto ook aan hem is getoond en toegezonden.32 Dat de verdachte de foto heeft verspreid wordt ondersteund door het reeds hiervoor genoemde chatgesprek met [naam persoon 1], waarin de verdachte vraagt of zij nog beschikt over de ‘kruiziging foto’33en door een proces-verbaal van bevindingen van dezelfde wijkagent. Hij verklaart over een sleutelfiguur die naar aanleiding van o.a. afbeelding 1 verklaart dat de man op de foto [naam verdachte] heette en dat die onder de naam ‘[naam Facebookaccount verdachte]’ actief was. En dat de getoonde foto’s ook van dit facebookaccount afkomstig waren.34

Bespreking verweer inzake het onder dwang laten maken van de foto
Het hof verwerpt het verweer van de verdachte dat hij tegen zijn zin en onder dwang op de foto is gegaan met de overledene, nu dit op geen enkele manier aannemelijk is geworden. Het hof stelt vast dat op deze afbeelding immers te zien dat de verdachte actief poseert. Dat hij trots is op het poseren blijkt uit zijn vraag aan [persoon 1] of zij nog beschikt over de betreffende foto, omdat hij deze als profielfoto wil gebruiken. Pas ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte voor het eerst verklaard over enige dwang, terwijl hij hier zelfs niet in zijn gesprek met een medewerker van het ministerie van Buitenlandse Zaken over is begonnen.

Beoordeling door het hof

Op afbeelding 1 is een overleden en bebloede man te zien die in een oranje overall aan een kruis is gehangen dat langs de kant van de weg staat. De omstandigheid dat de overledene niet is begraven maar op deze wijze is tentoongespreid, levert zonder meer een aanranding van de persoonlijke waardigheid op.

Het hof dient te beoordelen of de gedraging van de verdachte - te weten het voor de foto poseren met de overledene en het verspreiden van die foto - een aanranding van de persoonlijke waardigheid oplevert.

Door het poseren naast de overleden persoon en het (laten) maken van een foto heeft de verdachte bijgedragen aan het verder verdiepen van de vernedering en/of ontering van de overledene. De verdachte heeft hiermee uitgedrukt dat het lichaam van de overleden als trofee moet worden gezien en dat hij superieur is ten opzichte van de overledene. Die vernederende en/of onterende gedraging is van zodanige ernst dat deze zonder meer wordt gezien als een aanranding van de persoonlijke waardigheid van de overleden persoon. Door het vervolgens plaatsen van de foto op zijn Facebookaccount, heeft de verdachte ervoor gezorgd dat een groot aantal mensen in de gelegenheid is gesteld om kennis te nemen van de foto. Hiermee heeft hij, in onderlinge samenhang bezien met het feit dat hij zelf voor de foto heeft geposeerd en deze heeft laten maken, de aanranding van de persoonlijke waardigheid van de overleden persoon nog verder voortgezet.


Ad 6) Er moet een nexus zijn tussen de gewraakte gedraging van de verdachte en het hiervoor genoemde gewapende conflict.

Vaststelling van de feiten
Het hof stelt vast dat de verdachte, als lid van IS, heeft geposeerd met de overledene en een foto heeft laten maken van zichzelf en de overledene. Vervolgens heeft de verdachte deze foto op Facebook geplaatst en ook nog aan iemand toegezonden.

Beoordeling door het hof

Naar het oordeel van het hof is sprake van een nexus tussen de gedragingen van de verdachte met betrekking tot de foto 1 en het gewapend conflict in Syrië. Het poseren met de overledene en het (laten) maken van een foto en deze vervolgens op Facebook plaatsen en aan iemand toesturen heeft plaatsgevonden in de context van het gewapend conflict in Syrië. De overleden persoon op foto 1 is immers in het gewapend conflict in Syrië als vermeend tegenstander om het leven gebracht door of namens IS en vervolgens tentoongesteld door hem aan een kruis te bevestigen. De verdachte bevond zich als lid van IS in dat gebied en was aldus in de gelegenheid om de persoonlijke waardigheid van de overleden persoon (verder) aan te tasten op de wijze als hiervoor is vastgesteld. Het verspreiden van de foto heeft bijgedragen aan het etaleren en verheerlijken van de macht van IS over de gemaakte gevangenen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 09-748003-18 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven

en

met het oogmerk om opzettelijk brand te stichten en /of ontploffingen teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolgen heeft en/of moord en/of doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk voor te bereiden en te bevorderen, zich en anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf verschaffen en trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf.

Het in de zaak met parketnummer 09-748003-18 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

Zich in het geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig gemaakt aan schending van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, bestaande uit aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling jegens personen die buiten gevecht zijn gesteld door enig andere oorzaak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

VIII Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is in oktober 2014 uitgereisd naar Syrië en heeft zich daar als strijder aangesloten bij IS, een verboden jihadistische organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, voor een periode van ongeveer twee jaar. Met diezelfde gedragingen heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van onder meer moord en doodslag met een terroristisch oogmerk.

Jihadistische groeperingen als IS hebben zich structureel schuldig gemaakt aan bloedig, angstaanjagend geweld en grove mensenrechtenschendingen. Zij hebben talloze doden op hun geweten, zijn mede verantwoordelijk voor de verschrikkelijke vernielingen van huizen, landbouw en infrastructuur. Hun terreurdaden hebben een ontwrichtende werking op de samenleving gehad, hebben de sektarische strijd aangewakkerd en hebben bijgedragen aan ondraaglijk lijden en angst van velen. Geterroriseerde inwoners zijn vanwege dit hiervoor beschreven geweld op de vlucht geslagen en hebben alles achter moeten laten.

Op het moment dat de verdachte is uitgereisd was er veel bekend omtrent de door IS gepleegde ernstige mensenrechtenschendingen en overige wandaden. Bovendien was het kalifaat al uitgeroepen op 29 juni 2014, welk bericht de hele wereld is overgegaan. De verdachte moet hiervan op de hoogte zijn geweest, maar is niettemin uitgereisd, hetgeen het hof met de rechtbank de verdachte uiterst kwalijk neemt.

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven dient daarom op krachtige wijze te worden tegengegaan. Vergelding en algemene preventie moeten bij de keuze van strafsoort en duur van de op te leggen straf voorop staan. Naar het oordeel van het hof kan daarom slechts worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.

Gedurende zijn verblijf binnen het kalifaat heeft de verdachte in Abu Kamal (Syrië), terwijl hij op doorreis was van Irak naar Syrië geposeerd naast een door IS geëxecuteerde man die bebloed en in een oranje overall gestoken aan een kruis was gehangen. Vervolgens heeft de verdachte deze foto op zijn Facebookaccount geplaatst, zodat mensen hier kennis van kunnen nemen. De foto is daarna verspreid onder een grote groep jongeren in Utrecht. Op deze wijze heeft hij deze schokkende beelden van de man die op een mensonterende wijze aan een kruis is gehangen, openbaar gemaakt.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat op de bewezenverklaarde feiten dan ook niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf is er gekeken naar de hoogte van straffen in zaken die enigszins vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. Als uitgangspunt voor deelneming aan een terroristische organisatie en voorbereidingshandelingen is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

Daarbij wordt in strafverhogende zin meegewogen dat de verdachte kennelijk onderdeel was van een sniperbataljon, en wijzen de chats erop dat de verdachte daadwerkelijk geweld tegen mensen heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd tijdens zijn deelname aan de gewapende strijd.

Als uitgangspunt voor het oorlogsmisdrijf van aanranding van de persoonlijke waardigheid van een overledene neemt het hof overeenkomstig de rechtbank als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden.

Ook zal het hof net als de rechtbank in strafmatigende zin meewegen dat de verdachte ruim 18 maanden in voorlopige hechtenis heeft gezeten in verband met een strafproces in Turkije voor dezelfde feiten waarvoor de verdachte heden wordt veroordeeld en zal deze – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - verdisconteren in de hierna op te leggen straf.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

28 december 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, zij het geruime tijd geleden in 2013 en in 2012, onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten, maar niet eerder voor soortgelijke feiten.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de Pro Justitia rapport, triple onderzoek, d.d. 20 mei 2019 betreffende de verdachte. De verdachte heeft beperkt meegewerkt aan het onderzoek in die zin dat hij niet of nauwelijks wilde ingaan op de tenlastegelegde feiten. Door de rapporteurs is - voor zover relevant - geconcludeerd dat de verdachte over een gemiddeld intelligentieniveau beschikt. Er is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken. Deze persoonlijkheidsstoornis was ook aanwezig in de periode van de tenlastegelegde feiten. Ondanks

dat de rapporteurs niet volledig zicht hebben gekregen op de afwegingen en keuzes van de verdachte voorafgaand en tijdens de tenlastegelegde feiten, menen zij wel dat, in samenhang met de persoonlijkheidsstoornis, betrokkenes impulsiviteit, beïnvloedbaarheid, behoeftigheid en

geringe empathische vermogens hem hebben beperkt bij het maken van afwegingen en overzien van de gevolgen van zijn handelen. De rapporteurs adviseren dan ook de tenlastegelegde feiten in een (enigszins) verminderde mate aan hem toe te rekenen. De psychiater komt tot een licht verminderde mate van toerekening, omdat deze van mening is dat ook situationele factoren een relevante invloed hadden en de verdachte ook bewuste keuzes maakte. De psycholoog komt tot een verminderde mate van toerekening omdat deze van mening is dat de persoonlijkheidsproblematiek een iets grotere rol heeft gespeeld omdat narcistische trekken getriggerd werden voorafgegaan aan de keuze om uit te reizen.

Met de rechtbank neemt het hof de conclusies ten aanzien van de gebrekkige ontwikkeling in de geestelijke

vermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis over en maakt die tot de zijne. Het hof gaat er voorts, evenals de psychiater, van uit dat de feiten de verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Evenals de rechtbank heeft het hof voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies van 1 juli 2019 van

Reclassering Nederland betreffende de verdachte. Volgens de reclassering zijn er aanwijzingen dat de verdachte nog steeds de jihadistische salafistische ideologie aanhangt.

Het risico op recidive wordt door de reclassering als hoog ingeschat. Hoewel de reclassering slechts beperkt mogelijkheden ziet voor het effectueren van een positieve gedragsverandering bij de verdachte adviseren zij toch om bijzondere voorwaarden op te leggen zoals in het rapport weergegeven.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Gelet op de duur van deze straf is het niet mogelijk om de geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 83, 96, 134a en 140a van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 6 van de Wet internationale misdrijven, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

IX BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-748003-19 onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 09-748003-18 onder 1 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde onderdeel E voor zover dit ziet op Irak en Turkije.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-748003-18 onder 1 cumulatief/alternatief en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-748003-18 onder 1 cumulatief/alternatief en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz,

mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. L.C. van Walree, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 januari 2021.

mr. M.I. Veldt-Foglia is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 028, nr. 3, p. 3.

2 Uit het kennisdocument Van opstand naar Jihad (Jihadi-)Salafistische groepen en de strijd in Syrië en Irak, p. 159 blijkt dat de afkortingen IS (Nederlands) en ISIS (in Engelse teksten en soms ook in het Nederlands) (vgl. p. 295) naast elkaar worden gehanteerd. Aan het verschillend gebruik van de afkortingen IS en ISIS wordt hieronder (in deze bewijsoverwegingen) geen relevante betekenis gehecht. De organisaties zijn alle aan elkaar gelieerd.

3 Zie Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: de Islamitische Staat, p. 18 onder 2.2.5.2, Kennisbijlage 140a PV Islamitische Staat p. 99, 168 en 169.

4 In deze zin ook reeds Hof Den Haag 10 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:642 en Hof Den Haag 6 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2855.

5 Zie onder andere Hof den Haag 25 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1249

6 Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde; Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee; Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen; Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd.

7 Zie expliciet hierover in deze zin: Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, Memorie van Toelichting, p. 5.

8 ICTY, Prosecutor v. Tadić a/k/a “Dule”, Appeals Chamber Decision, IT-94-1-AR72, 2 oktober 1995, paragraaf 70;ICTY, Prosecutor v. Limaj et al, Trial Chamber Judgement, IT-03-66-T, 30 november 2005, paragraaf 170.

9 ICTY, Prosecutor v. Haradinaj, Trial Chamber Judgement, IT-04-84-T, 3 april 2008, paragraaf 49.

10 ICTY, Prosecutor v. Haradinaj et al, Trial Chamber Judgement, IT-04-84-T, 3 april 2008, paragraaf 60.

11 ICTY, Prosecutor v. Haradinaj et al, Trial Chamber Judgement, IT-04-84-T, 3 april 2008, paragraaf 60.

12 In deze zin ook: Kamerstukken II 2002-2003, 28 337, Nota naar aanleiding van het verslag, nr. 6, p. 7.

13 Elements of Crimes, 2011, Article 8(2)(c)(ii), nr. 3.

14 Elements of Crimes, Article 8(2)(c)(ii), noot 57. Zie https://www.icc-cpi.int/NR/rdonlyres/336923D8-A6AD-40EC-AD7B-45BF9DE73D56/0/ElementsOfCrimesEng.pdf.

15 Elements of Crimes, Article 8(2)(c)(ii), nr. 4.

16 ICTY, Prosecutor v. Kunarac, Trial Chamber Judgement, IT-96-23-T en IT-96-23/1-T, 22 februari 2001, paragraaf 514 en bevestigd in ICTY, Prosecutor v. Kunarac, Appeals Chamber Judgement, IT-96-23 en IT-96-23/1, 12 juni 2002, paragraaf 161 en 163, ICTY, Prosecutor v. Haradinaj, Trial Chamber Judgement, IT-04-84-T, r.o. 132 (‘severe humiliation’ in plaats van ‘serious humiliation’). In deze zin ook in de Elementen van misdrijven, Article 8(2)(c)(ii) onder nr. 2.

17 ICTY, Prosecutor v. Aleksovski, Trial Chamber Judgement, IT-95-14/1-T, 25 juni 1999, r.o. 56 en Prosecutor v. Kunarac, Trial Chamber Judgement, IT-96-23-T en IT-96-23/1-T, 22 februari 2001, paragraaf 504 en Appeals Chamber Judgement, IT-96-23 en IT-96-23/1, 12 juni 2002, r.o. 162 en r.o. 163.

18 Elements of Crimes, 2011, Article 8(2)(c)(ii) noot 57.

19 Elements of Crimes, 2011, Article 8(2)(c)(ii) noot 57. Article 3: Conflicts not of an international character’, ICRC, in: Commentary on the First Geneva Convention, 2016, paragraaf 669.

20 Zie ook Elements of Crimes, Article 8(2)(c)(ii), nr. 5.

21 ICTY, Prosecutor v. Kunarac, Appeals Chamber Judgement, IT-96-23 en IT-96-23/1, 12 juni 2002, r.o. 57 en r.o. 58. Zie verder: ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2444, , rov. 46.

22 ICTY, Prosecutor v. Kunarac, Appeals Chamber Judgement, IT-96-23 en IT-96-23/1, 12 juni 2002, r.o. 59.

23 ICTR, Prosecutor v. Akayesu, Appeals Chamber Judgement, ICTR 96-4-A, 1 juni 2001, r.o. 444.

24 Elements of Crimes, Article 8(2)(c)(ii), nr. 6.

25 J. Jolen, Van opstand naar jihad, (Jihadi-)Salafistische groepen en de strijd in Syrië en Irak, d.d. 18.1.2018.

26 Dit zijn tonnen vaak gevuld met een combinatie van benzine, spijkers of andere metaal afval en explosieven die voorzien van een ontsteking, simpelweg uit een helikopter worden gegooid.

27 Map 4, zaaksdossier 2, bijlage 1 bij proces-verbaal ELRCA 15069-111, p. 43-44.

28 Map 4, zaaksdossier 2, bijlage 10 bij proces-verbaal LERCA 15069-177, p. 32-33.

29 Map 4, zaaksdossier 2, bijlage 10 bij proces-verbaal, LERCA 15069-177, p. 32-33.

30 Map 4, zaaksdossier2, bijlage 8 bij proces-verbaal 15069-177, proces-verbaal van bevindingen aantreffen stoffelijk overschot in open bronnen, p. 38 e.v.

31 Map 2, zaaksdossier 1, Bijlage bij proces-verbaal Bevindingen chat 1 Timmy E86, LERCA 15069-109, p. 297 en Proces-verbaal Chat 200, LERCA15069-96, p. 342 en p. 360.

32 Map 4, zaaksdossier 2, bijlage 10 bij proces-verbaal LERCA 15069-177, p. 32-33.

33 Map 2, zaaksdossier 1, Bijlage bij proces-verbaal Bevindingen chat 1 Timmy E86, LERCA 15069-109, p. 294.

34 Map 2, zaaksdossier 1, Proces-verbaal van bevindingen, LERCA 15069-27, p. 159-160.