Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:1022

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
200.266.073/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens aanrijding op het werk afgewezen. Bekrachtiging. Causaal verband tussen gestelde schade en aanrijding kan ook in hoger beroep niet worden vastgesteld, en te onzeker voor toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0491
AR-Updates.nl 2021-0747
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.266.073/01

Rolnummer rechtbank Rotterdam : 7169658 CV EXPL 18-36115

arrest van 1 juni 2021

inzake

[werknemer] ,

wonende te [woonplaats] ( [provincie] ),

appellant,

hierna te noemen: [werknemer] ,

advocaat: mr. A. Rhijnsburger te Rotterdam,

tegen

Eurofrigo B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Eurofrigo,

advocaat: mr. J.D. de Rooij te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

[werknemer] is bij dagvaarding van 29 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Rotterdam (hierna: de kantonrechter) van 14 juni 2019, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [werknemer] als eiser en Eurofrigo als gedaagde.

Bij arrest van 1 oktober 2019 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie is gehouden op 11 februari 2020. Van de comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met een productie.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.15 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Eurofrigo drijft een onderneming die zich toelegt op het verhuren van koel- en vriesruimten aan importeurs en exporteurs van levensmiddelen en heeft een vestiging in Rotterdam.

2.2

[werknemer] is met ingang van 15 juni 2007 in dienst getreden van Eurofrigo. Laatstelijk was hij werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gedurende

32 uur per week in de functie van [functienaam] .

2.3

Tijdens het dienstverband is [werknemer] herhaaldelijk en langdurig uitgevallen wegens rugklachten. Op 3 juli 2014 is [werknemer] geopereerd aan een hernia in zijn rug.

2.4

Op 23 augustus 2016 is [werknemer] tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden in een koelcel op de locatie te Rotterdam van achteren aangereden door een collega met een vorkheftruck terwijl hij een reachtruck bestuurde. [werknemer] heeft zich die dag ziek gemeld.

2.5

[werknemer] is op 20 oktober 2016 door een Arbo-arts gezien. In diens verslag van

21 oktober 2016 staat vermeld, voor zover thans van belang: “De heer [werknemer] is uitgevallen voor werk door een medische oorzaak.”.

2.6

[werknemer] is op 23 december 2016 door een (andere) Arbo-arts gezien. De arts schrijft hierover in zijn verslag van 23 december 2016 onder meer: “Er is sprake van beperkingen door een medische oorzaak, vermoedelijk ten gevolge van een bedrijfsongeval. (…) Vooralsnog is de verwachting dat volledige werkhervatting binnen 3-6 maanden mogelijk is”.

2.7

Op 29 januari 2018 is [werknemer] door weer een andere Arbo-arts gezien. In diens verslag van diezelfde datum staat onder meer het volgende: “Betreft een [leeftijd] jarige [functienaam] uitgevallen met klachten en beperkingen in dynamische handelingen en statische houdingen per 25 augustus 2016 ten gevolge van een niet nader gespecificeerd incident. (…) Er lijkt sprake te zijn van duurzame beperkingen gezien de lange herstelduur en het ontbreken van een hersteltendens (…)”.

2.8

Bij besluit van het UWV van 20 juli 2018 is de aanvraag van [werknemer] om toekenning van een WIA-uitkering afgewezen. [werknemer] kon volgens het UWV weliswaar bij zijn eigen werkgever (nog) niet hervatten in zijn eigen of ander werk, maar werd wel in staat geacht om meer dan 65% te verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. [werknemer] heeft hiertegen (bezwaar en) beroep ingesteld.

2.9

Met toestemming van het UWV heeft Eurofrigo de arbeidsovereenkomst met [werknemer] opgezegd tegen 1 februari 2019.

3 Beoordeling van het hoger beroep

3.1

[werknemer] heeft in eerste aanleg gevorderd veroordeling van Eurofrigo tot betaling van € 35.000,- aan smartengeld, € 10.000,- aan voorschot schadevergoeding, € 500,- aan vergoeding van reiskosten, een nader te bepalen bedrag aan eigen risico verzekering,

€ 1.099,99 wegens de aanschaf van een bed, € 219,- wegens de aanschaf van een stoel,

een voorlopig begroot bedrag van € 600,- aan kosten van de sportschool, een voorlopig begroot bedrag van € 600,- aan verlies van zelfwerkzaamheid, met rente, en vergoeding van het verlies aan arbeidsvermogen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [werknemer] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij aan de aanrijding op het werk op 23 augustus 2016, die veroorzaakt werd door een collega, toegenomen rugklachten heeft overgehouden waardoor hij materiele en immateriële schade lijdt en heeft geleden. [werknemer] houdt Eurofrigo voor zijn schade aansprakelijk. Eurofrigo heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen.

3.2

De kantonrechter heeft de vorderingen van [werknemer] afgewezen. Hij heeft daartoe, samengevat, overwogen dat de aanrijding niet met hoge snelheid kan hebben plaatsgevonden zoals [werknemer] heeft gesteld. [werknemer] is niet toegelaten om bewijs te leveren van zijn stelling dat hij zich op 23 augustus 2016 heeft ziek gemeld in verband met (toegenomen rugklachten door) de aanrijding omdat, al zou [werknemer] in dat bewijs slagen, nog niet vaststaat dat de aanrijding heeft geleid tot letsel dat uiteindelijk heeft geleid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, en tot schade die Eurofrigo zou moeten vergoeden. In dat verband acht de kantonrechter van betekenis dat [werknemer] in de voorafgaande jaren, ook nog betrekkelijk kort voor de aanrijding, veelvuldig en langdurig is uitgevallen met rugklachten. Hoogstwaarschijnlijk zou [werknemer] ook weer zijn uitgevallen als de aanrijding op 23 augustus 2016 niet zou hebben plaatsgevonden. Het gestelde biedt daarom bij gebreke van medische onderbouwing geen voldoende objectieve basis om tot het oordeel te kunnen komen dat de aanrijding de rugklachten heeft veroorzaakt of (potentieel aanwezige) ernstiger rugklachten, leidend tot de definitieve uitval, heeft uitgelokt. Over dit laatste (condicio sine qua non-)verband is niets gesteld, laat staan onderbouwd en er is geen bewijs van aangeboden. Bovendien heeft Eurofrigo onweersproken aangevoerd dat [werknemer] vanaf zijn veertiende jaar zwaar werk heeft verricht dat de oorzaak kan zijn van zijn huidige arbeidsongeschiktheid. Daarom is er ook geen aanleiding voor schadevergoeding in evenredigheid met de kans dat de schade is veroorzaakt door schending van een zorgplicht, waarbij geldt dat bij de toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid terughoudendheid dient te worden betracht, aldus de kantonrechter.

3.3

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [werknemer] met zijn grieven op. Grief 1 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte aanneemt dat de aanrijding niet met hoge snelheid gebeurd kan zijn. Met de grieven 2 en 4 betoogt [werknemer] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat niet vaststaat dat zijn ziekmelding op 23 augustus 2016 verband hield met de toegenomen rugklachten door de aanrijding en dat hij in de gelegenheid gesteld had moeten worden om te bewijzen dat hij op die dag tegen zijn leidinggevende [naam leidinggevende] en HR-manager [naam HR-manager] heeft gezegd dat hij was aangereden en zich ziek meldde. Grief 3 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat er gerede twijfel bestaat of de aanrijding als een bedrijfsongeval moet worden aangemerkt, laat staan dat daardoor schade bij [werknemer] is veroorzaakt. Grief 5 is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat mogelijk eerdere lichamelijke klachten van [werknemer] aan vaststelling van de schade in de weg staan. Grief 6 ten slotte is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat hij in deze zaak geen aanleiding ziet voor toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid. [werknemer] concludeert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [werknemer] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Eurofrigo in de kosten van de procedure in beide instanties.

3.4

Eurofrigo bestrijdt de grieven en concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [werknemer] in de kosten van de procedure, naar het hof begrijpt, in hoger beroep.

3.5

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs aangeboden van hun stellingen.

3.6

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Kern van de zaak is de vraag of Eurofrigo aansprakelijk is voor de schade die [werknemer] stelt te hebben geleden als gevolg van een ongeval dat hem naar zijn zeggen is overkomen bij het verrichten van zijn werkzaamheden.

3.7

Voorop staat dat [werknemer] gemotiveerd dient te stellen - en, gelet op de betwisting van Eurofrigo, te bewijzen - dat hij door de aanrijding schade heeft geleden. Als [werknemer] daarin slaagt, is Eurofrigo op grond van artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk voor die schade tenzij Eurofrigo zou bewijzen, kort gezegd, dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan dan wel dat [werknemer] zich schuldig heeft gemaakt aan opzet of bewuste roekeloosheid.

3.8

Vast staat dat op 23 augustus 2016 een aanrijding is veroorzaakt door een collega van [werknemer] die met een vorkheftruck in de koelcel de reachtruck, die bestuurd werd door [werknemer] , aanreed. Ook staat vast dat [werknemer] zich op die dag heeft ziek gemeld en daarna het werk bij Eurofrigo niet meer heeft hervat tot de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd.

3.9

Het staat echter niet vast dat [werknemer] als gevolg van die aanrijding schade heeft geleden. [werknemer] heeft wel gesteld dat hij als gevolg van de aanrijding toegenomen rugklachten heeft, maar iedere onderbouwing van die stelling ontbreekt. De medische informatie die [werknemer] in hoger beroep heeft overgelegd, geeft geen uitsluitsel over de oorzaak van zijn rugklachten die optraden vanaf 23 augustus 2016. Dr. [naam 1] , neurochirurg, vermeldt in de brief van 23 november 2016 slechts, voor zover thans van belang: “Hij heeft nu nadat hij aangereden is op zijn werk weer uitstralende pijn in zijn rechterbeen.”. De fysiotherapeut [naam 2] schrijft in zijn brief van 4 november 2019 over de “geschiedenis omtrent lage rug klachten in combinatie met de hernia uit 2014” en vermeldt niets over (een mogelijk verband met) de aanrijding.

3.10

Anders dan [werknemer] kennelijk wil bepleiten in zijn toelichting op grief 5 ziet het hof onvoldoende aanleiding om een deskundige te benoemen die een oordeel zou kunnen geven over de vaststelling van een oorzakelijk verband tussen de aanrijding en de toegenomen rugklachten van [werknemer] .

3.11

Daartoe overweegt het hof allereerst dat [werknemer] ook in hoger beroep onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat de aanrijding met een hoge snelheid moet hebben plaatsgevonden. Vast staat dat de maximum snelheid van een vorkheftruck 18 km/u is. Hoewel aan [werknemer] kan worden toegegeven dat een snelheid van 18 kilometer per uur een hoge snelheid is voor voertuigen met een grote massa, zoals een vorkheftruck en/of een reachtruck, is niet aannemelijk dat in dit geval van een ongeval met hoge impact sprake is geweest. Behalve de blote eigen stelling van [werknemer] dat sprake is geweest van een ernstige aanrijding, is er niets dat erop wijst dat de aanrijding in dit geval een relevante impact heeft gehad. [werknemer] heeft geen grief gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat de reachtruck nagenoeg stilstond op het moment van de aanrijding en in hoger beroep heeft [werknemer] ook erkend dat de reachtruck op dat moment stil stond, zodat het hof daar ook van uitgaat. Evenmin heeft [werknemer] gemotiveerd bestreden dat, zoals de bestuurder van de vorkheftruck heeft verklaard, diens snelheid hoogstens 5 km/u was toen hij de koelcel inreed, dat die collega de aanrijding wel voelde maar geen schade aan de voertuigen heeft gezien, en dat hij van [werknemer] heeft gehoord dat het allemaal wel meeviel. [werknemer] heeft in hoger beroep ook niet bestreden dat Eurofrigo evenmin schade aan de voertuigen heeft geconstateerd, hetgeen bij een ongeval met hoge impact wel het geval moet zijn geweest. Niet is gesteld of gebleken dat de aanrijding, die volgens [werknemer] een grote klap moet hebben gegeven, door een of meer andere collega’s van [werknemer] is opgemerkt. Het hof neemt daarom als vaststaand aan dat de aanrijding geen grote impact heeft gehad, zodat zonder nadere informatie, die ontbreekt, niet aannemelijk is dat [werknemer] daaraan lichamelijk letsel heeft overgehouden.

3.12

Daarbij acht het hof van belang dat [werknemer] weliswaar heeft gesteld dat hij op

23 augustus 2016 tegen [naam leidinggevende] en [naam HR-manager] heeft gezegd dat hij zich heeft ziek gemeld omdat hij was aangereden, wat Eurofrigo overigens heeft betwist, maar dat hij kennelijk geen aanleiding heeft gezien om dit ook op 20 oktober 2016 met de Arbo-arts te bespreken. In het verslag van dat gesprek is immers niets over de aanrijding is opgenomen en daarin staat slechts vermeld dat [werknemer] is uitgevallen door een medische oorzaak. Dit had toch wel voor de hand gelegen zeker nu het volgens [werknemer] een aanrijding met hoge snelheid is geweest die een zware klap heeft gegeven. Pas in het verslag van het gesprek met de Arbo-arts op 23 december 2016, dat was vier maanden na de aanrijding, werd de aanrijding voor het eerst, zonder nadere toelichting, vermeld als de - vermoedelijke - oorzaak van de beperkingen van [werknemer] .

3.13

Vervolgens overweegt het hof dat [werknemer] vóór de aanrijding al jarenlang geregeld en langdurig uitviel met rugklachten. Eurofrigo heeft in eerste aanleg onweersproken aangevoerd dat [werknemer] in 2011 71 werkdagen arbeidsongeschikt was, in februari 2012 gedurende zestien werkdagen, in de periode van mei 2012 tot juli 2013 gedurende veertien maanden en in de periode van 4 februari 2014 tot 6 februari 2015 gedurende twaalf maanden. In die periode is [werknemer] aan een hernia geopereerd. Vervolgens is [werknemer] desondanks vanaf 12 november 2015 tot 9 januari 2016 en van 11 april 2016 tot 14 mei 2016 opnieuw langdurig uitgevallen wegens rugklachten. Vast staat bovendien dat [werknemer] al vanaf zijn veertiende jaar lichamelijk zwaar werk heeft gedaan wat, zoals algemeen bekend is, op latere leeftijd rugklachten kan veroorzaken. Daarom kan niet worden uitgesloten, en is het juist aannemelijk, dat [werknemer] ook zonder de aanrijding opnieuw met rugklachten zou zijn uitgevallen, ondanks de hernia-operatie die enige jaren eerder bij hem was uitgevoerd.

3.14

[werknemer] heeft gelet op het voorgaande onvoldoende gesteld over het oorzakelijk verband tussen de aanrijding en zijn toegenomen rugklachten vanaf 23 augustus 2016. Het enkele feit dat de aanrijding en de toename van de rugklachten van [werknemer] in de tijd met elkaar samenvielen (de ziekmelding vond immers plaats na de aanrijding), is onvoldoende om daartussen oorzakelijk verband aan te nemen. Voor nader onderzoek door een deskundige ziet het hof bij deze stand van zaken onvoldoende grond.

3.15

De conclusie moet zijn dat ook het hof, anders dan door [werknemer] met zijn grieven is betoogd, van oordeel is dat het oorzakelijk verband tussen de aanrijding en de gestelde schade niet kan worden vastgesteld.

3.16

Ook het hof is van oordeel, evenals de kantonrechter, dat in deze zaak niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid omdat [werknemer] ook daarvoor onvoldoende heeft gesteld. Volgens vaste rechtspraak dient bij de toepassing van dit leerstuk terughoudendheid te worden betracht. In deze zaak is het oorzakelijk verband tussen het schadeveroorzakende feit (de aanrijding) en de schade te onzeker.

3.17

Eurofrigo is daarom niet aansprakelijk voor de schade die [werknemer] stelt te hebben geleden als gevolg van de aanrijding en de grieven falen.

3.18

[werknemer] heeft in hoger beroep geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven. Zijn bewijsaanbod in de memorie van grieven wordt daarom, als niet ter zake dienend en overigens ook als te weinig concreet, gepasseerd.

3.19

De slotsom uit het bovenstaande is dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [werknemer] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [werknemer] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Eurofrigo begroot op € 741,- aan verschotten en € 2.228,- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. Verbeek, M.J. van der Ven en C.J. Frikkee en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2021 in aanwezigheid van de griffier.