Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:10

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
BK-20/00361
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:1901, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV 2012 giften aan een stichting opgevoerd als aftrekpost. De Inspecteur heeft de giften na door belanghebbende verstrekte giftkwitanties en leningsovereenkomsten in aftrek toegestaan. De Inspecteur heeft de aftrek teruggenomen met de opgelegde navorderingsaanslag. Het Hof oordeelt dat de Inspecteur beschikt over een nieuw feit, omdat hij pas naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek bekend is geworden met een handelwijze waarbij op grote schaal valse giftkwitanties werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. De intrekking van de ANBI-status van de stichting op 6 januari 2014 heeft geen invloed op de aftrekbaarheid van daarvóór gedane giften, zodat geen sprake is van een ambtelijk verzuim. Met de giftkwitanties en de leningsovereenkomsten heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk giften heeft gedaan. Ten aanzien van de vergrijpboete oordeelt het Hof dat de Inspecteur niet op de hem rustende bewijslast heeft voldaan. De feiten en omstandigheden die hij heeft aangevoerd zien voornamelijk op de handelwijze bij de stichting in het algemeen en zijn niet te herleiden tot belanghebbende. Belanghebbende komt niet voor in de handgeschreven kasadministratie van de stichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-01-2021
V-N Vandaag 2021/228
FutD 2021-0304 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/562
V-N 2021/14.21.16
NLF 2021/0286 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00361

Uitspraak van 5 januari 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: […] , […] en […] )

op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 februari 2020, nummer SGR 19/5153.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.652 (de navorderingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 189 aan belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 817.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de navorderingsaanslag en de beschikkingen afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 47. De beslissing van de Rechtbank luidt:

"De Rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover dit ziet op de boetebeschikking gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de boetebeschikking;

- vermindert de boetebeschikking naar 50% van de boetegrondslag en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt [de Inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.572;

- veroordeelt [de Inspecteur] tot vergoeding van door [belanghebbende] geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;

- draagt [de Inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 47 aan [belanghebbende] te vergoeden."

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 131. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft gereageerd op het incidenteel hoger beroep.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 oktober 2020. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal gemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.1.

Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV 2012 een gift van € 3.000 aan de [stichting] ( [stichting] ) opgevoerd. Na aftrek van de drempel van € 403 resteerde een aftrekbare gift van € 2.597.

2.1.2.

De [stichting] stond in 2012 geregistreerd als Algemeen nut beogende instelling (ANBI).

2.2.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 7 mei 2015 verzocht om schriftelijke bewijsstukken van de in de aangifte opgenomen gift. Op 28 mei 2015 heeft belanghebbende drie leningsovereenkomsten en drie donatieformulieren (kwitanties) verstrekt. De leningsovereenkomsten zijn gesloten door de echtgenoot van belanghebbende (geldnemer) en de vader van belanghebbende (geldgever), vermelden elk een lening van € 1.000 en dateren van 11 februari 2012, 8 april 2012 en 10 december 2012. De kwitanties met nummers 000195, 000671 en 002350 vermelden elk een bedrag van € 1.000 en als donateur de echtgenoot van belanghebbende. De kwitanties dateren van 12 februari 2012, 9 april 2012 en 11 december 2012.

2.3.

De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 met dagtekening 26 juni 2015 vastgesteld conform de aangifte naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.055.

2.4.1.

De Belastingdienst is in 2013 een onderzoek gestart naar de houdbaarheid van de ANBI-status van de [stichting] . Daaruit bleek ten aanzien van het jaar 2012 dat belastingplichtigen gezamenlijk voor ten minste een bedrag van € 3.000.000 aan giften aan de [stichting] in aftrek hadden gebracht terwijl in de jaarstukken van de [stichting] voor dat jaar een bedrag van € 591.210 aan ontvangen giften was verantwoord. Voorts bleek dat de [stichting] in het jaar 2012 meer kwitanties (in totaal 2.500) had uitgeschreven dan in haar administratie was verantwoord (531) en dat de [stichting] in de jaarstukken voor 2013 een bedrag van € 88.564 aan ontvangen donaties had verwerkt terwijl in aangiften IB/PVV van diverse belastingplichtigen in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] was aangegeven. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt dat is gedagtekend 17 mei 2016.

2.4.2.

Omdat de administratie van de [stichting] ernstige gebreken vertoonde is de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008.

2.4.3.

In januari 2015 is de FIOD gestart met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse giftkwitanties bij drie andere ANBI-instellingen dan de [stichting] ( [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] ). Uit die onderzoeken bleek dat diverse belastingplichtigen die giften aan voormelde instanties in de aangiften hadden opgenomen ook giften aan de [stichting] hadden opgenomen in hun aangiften.

2.5.1.

Voormelde bevindingen (2.4.1 en 2.4.3) zijn aanleiding geweest voor de FIOD om op 17 september 2015 een strafrechtelijk onderzoek te starten naar de [stichting] en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en/of donatieverklaringen van de [stichting] en het gebruik hiervan bij het doen van aangiften IB/PVV ( [FIOD-onderzoek 3] ).

2.5.2.

De bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn door de FIOD opgenomen in een proces-verbaal, met dossiernummer 57425. De Officier van Justitie heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend de bevindingen uit het FIOD-onderzoek te gebruiken voor fiscale doeleinden. De resultaten van het onderzoek zijn op 23 april 2018 ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst/kantoor Den Haag. Het (geanonimiseerde) proces-verbaal met bijlagen is door de Inspecteur verstrekt op een CD-rom (het FIOD-rapport).

2.5.3.

Belanghebbende is in voormeld onderzoek niet als verdachte aangemerkt noch is zij als getuige gehoord.

2.6.

In het FIOD-rapport zijn proces-verbalen van verhoor van verdachten opgenomen uit de strafrechtelijke onderzoeken [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] . De verdachten hebben onder andere verklaringen afgelegd over de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .

2.6.1.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 1] (blz. 2040 e.v.). De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"[…] is belastingadviseur en hij werkt samen met de [stichting] met betrekking tot het kopen van kwitanties. Hij koopt de kwitanties in voor 10% en verkoopt ze voor 12 tot 15% aan zijn klanten zodat zij dit kunnen aftrekken van de belasting."

2.6.2.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 2] (blz. 2140 e.v.). De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"Ik ga u alles vertellen in 2011, 2012 en 2013 heb ik kwitanties gekocht bij [stichting] . Dit was niet voor 10% maar voor 15% of zelfs 20% procent weet ik niet meer zeker. Het zijn allemaal oplichters van die stichtingen. Ze stoppen alles in de eigen zak en melden niets aan de Belastingdienst. In 2011 heb ik geld betaald aan [de bestuurder/directeur] van de [stichting] . In 2012 en 2013 heb ik geld betaald aan [de penningmeester] van de [stichting] . De door mij overgelegde kwitanties over het jaar 2013 van de [stichting] heb ik van die [penningmeester] gekregen. Dit geld heb ik op de [adres] in [woonplaats] betaald. De kwitanties heeft [de penningmeester] mij op het adres aan de [adres] waar de [stichting] is gevestigd gegeven."

2.6.3.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 3] (blz. 1900 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, voor zover van belang:

"Opmerking verbalisanten: Uit onderzoek is naar voren gekomen dat uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 zijn ingediend vanaf het IP-adres van de [stichting] .

Vraag verbalisanten: Wie heeft uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 ingevuld en ingediend bij de Belastingdienst?

Antwoord gehoorde:

"Omdat ik slecht Nederlands spreek, ben ik door diverse mensen geadviseerd om naar de [stichting] te gaan. Ik ging naar de [stichting] om mijn aangiften in te laten vullen.

(…)

Vraag verbalisanten: Wie heeft de aangifte Inkomstenbelasting 2011 op uw naam bij de Belastingdienst ingevuld en ingediend?

Antwoord gehoorde:

"Ik ben eerlijk, maar toen ik daar kwam waren het elke keer andere mensen. Er waren allemaal kleine hokjes en daar werd het ingevuld. Ik ben daar gewoon naartoe gegaan, maar ik ken daar helemaal niemand. Ik kan dus niet zeggen wie dat voor mij ingevuld heeft. Op de dag dat ik mijn aangifte liet invullen, kreeg ik de twee kwitanties die ik u zojuist heb overhandigd. De data op de kwitanties hebben zij van de [stichting] erop gezet. Ik heb in ieder geval niet op die data betaald. Ik heb in één keer € 300 of zo betaald. Ik weet niet meer precies hoeveel ik heb betaald maar ik dacht iets van 12 of 15% van € 2.500. Ik heb mijn DigiD code en wachtwoord aan de medewerker van de [stichting] gegeven en die heeft vervolgens mijn aangifte ingediend. Dat ging elk jaar zo."

(…)

Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2012 staat in het onderdeel 'giften' een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

"Daarvoor geldt hetzelfde als het jaar 2011. Ik denk dat ik daar ook ongeveer € 300 voor betaald heb."

(…)

Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2012 staan de data 10-03-2012 en 15‑11‑2012. Uw aangifte inkomstenbelasting 2012 is gedaan op 9 maart 2013.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

(…)

Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2013 staat in het onderdeel ‘giften’ een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

“Ook hier heb ik maar € 300 of € 350 voor betaald."

Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2013 staan de data 23-02-2013 en 24‑05‑2013. Uw aangifte inkomstenbelasting 2013 is gedaan op 26 februari 2014.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

2.7.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "aangetroffen belastingaangiften en correspondentie op de PC van de [stichting] " (blz. 930 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Resumé

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden, te weten dat:

(…)

 […] zijn aangifte inkomstenbelasting 2013 voor € 50 in heeft laten vullen door/bij de [stichting] ;

 In de aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] een gift is opgenomen van € 3.000;

 […] € 300, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];

 De aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is ingediend;

 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] die bij de Belastingdienst is ingediend, is verzonden vanaf één van de computers van de [stichting] ;

 In de aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] een gift is opgenomen van €1.000;

 […] € 100, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];

 De kwitantie op naam van […] met nummer [xxx] gelet op de verklaring van [de penningmeester] vermoedelijk valselijk is opgemaakt;

 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is gedaan;

(…)"

2.8.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "onderzoek in administratie [stichting] " (blz. 747 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"In verband met dit onderzoek heeft op 13 december 2016 een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van de [stichting] , waarbij diverse administratie in beslag is genomen. Ik heb verhuisdoos 1 met boekingsnummer C.22.02.01 van object C van totaal 21 dozen nader onderzocht.

(…)

Resumé

 De [stichting] neemt niet alle door hun afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties naar aanleiding van contante stortingen op in het kasboek van de [stichting] .

 Meerdere malen wordt slechts het bedrag of een gedeelte van het bedrag wat vermeld staat op 1 donatieformulier of op het bewijs van donatie opgenomen in het kasboek van de [stichting] ;

 Uit onderstaande tabel is op te maken dat ongeveer 22% procent van de afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties verantwoord is in het kasboek van de [stichting] ;

 (…)"

2.9.

Het FIOD-rapport bevat een op 16 april 2015 bij de FIOD binnengekomen anonieme melding, met nummer 35.04946 (blz. 4180) met de volgende mededeling:

"Belastingfraude door […]. Het gaat om giften/donaties aan de [stichting] te [woonplaats] . De ontvangstbewijzen die ontvangen zijn van de [stichting] zijn meermalen vervalst en gebruikt voor meerdere personen om belastingteruggaaf aan te vrahen (lees: vragen, hof) (alsof zij deze giften/bedragen ook hebben betaald)"

2.10.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "Vergelijking opbrengst donaties Stichting [stichting] " (blz. 469 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Ontvangst Excelbestand en kwitanties [stichting]

(…)

De Belastingdienst heeft, onder andere over het jaar 2014, diverse kwitanties op naam van de Stichting [stichting] en een Excelbestand aan de FIOD ter beschikking gesteld.

(…)

Uit onderzoek in het Excelbestand is naar voren gekomen dat er op naam van de [stichting] in de periode 1 januari 2014 tot en met 6 januari 2014 in totaal 232 kwitanties zijn uitgeschreven, die een gezamenlijke waarde van € 564.820 vertegenwoordigen.

Vergelijking donaties 2014 met voorliggende Jaren

Ik heb het aantal boekingen, dat over de jaren 2008 tot en met 2013 in de periode 1 januari tot en met 6 januari in de administratie van de Stichting [stichting] is gedaan, vergeleken met het aantal kwitanties, dat in dezelfde periode in 2014 is uitgeschreven.

Ik zag daarbij dat het aantal boekingen in de administratie over de jaren 2008 tot en met 2013 sterk afwijkt van het aantal kwitanties, dat in 2014 is uitgeschreven. Zie onderstaande tabel.

Jaar

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Data van de boekingen

1, 4 en 5 januari

5 en 6 januari

2, 3 en 5 januari

1, 3,4 en 5 januari

4 en 6 januari

1 t/m 6 januari

Aantal boekingen

7

5

3

13

6

0

232

Bedrag boekingen

€ 9.300

€ 5.450

€ 3.450

€ 13.900

€ 5.250

€ 0

€ 564.820"

2.11.1.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn diverse telefoons in beslag genomen. Het FIOD-rapport (blz. 34) vermeldt hierover, onder meer:

"In diverse telefoons die bij de doorzoeking van de woning van [de penningmeester] in beslag werden genomen zijn tekstberichten aangetroffen waarin wordt gesproken over het aankopen van kwitanties en het percentage wat daarvoor moet worden betaald. Ook zijn er berichten aangetroffen waaruit kan worden opgemaakt dat anderen de kwitanties namens belastingplichtigen aankopen."

2.11.2.

Het FIOD-rapport bevat (de vertaling van) de tekstberichten die op de in beslag genomen telefoons zijn gevonden. Het FIOD-rapport bevat onder meer een vertaling van de volgende sms-berichten (blz. 4259, 4261 en 4262):

"*

Folder

Party

Time

(…)

(…)

Message

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

32

Inbox

From

[…]

20-3-2014

21:34:43(…)

Read

Hallo […] Je zou een bon opstellen voor […]. Ik heb de datums genoteerd van de gelden die ik van de bank heb opgenomen. Zou je het na vrijdag kunnen regelen als ik morgen even langskom?

7500 opname op 11.10.2013

1000 opname op 30.09.2013

500 opname op 29.09.2013

2000 opname op 18.12.2013

1000 opname op 17.06.2013

1000 opname op 16.07.2013

1000 opname op 25.07.2013

1000 opname op 30.09.2013

500 opname op 02.10.2013

(…)

33

Sent

To

[...]

20-3-2014

21:35:48 (…)

Sent

Hallo broer, is goed. Ik heb het gereed. Zou je mij je adres en het totaalbedrag van wat je wilt willen doorgeven?

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

54

Inbox

From

[...]

4-7-2014

22:26:10 (…)

Read

Hallo meneer

24-03-2013 800 euro

23-04-2013 1000 euro

10-06-2013 700 euro

(…)

55

Sent

To

[...]

4-7-2014

22.:27:19

Sent

Hallo hoca, Dankjewel. U kunt het morgenavond op komen halen. Gegroet

(…)"

2.12.

Het FIOD-rapport bevat een "TCI proces-verbaal" van het Team Criminele Inlichtingen (blz. 504 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, onder meer:

"Bij het Team Criminele Inlichtingen van de Belastingdienst/FIOD is in de maand maart 2016 via één informant de navolgende Informatie binnengekomen:

'De leiding van de [ [stichting] ] is op de hoogte van de belastingfraude door middel van de verkoop van valse giftenkwitanties op haar naam. Vals opgemaakte stukken worden ondertekend en gestempeld door […]. Nu de [stichting] geen ANBI meer is, worden andere stichtingen gebruikt voor deze fraude"

2.13.1.

Het FIOD-rapport bevat een handgeschreven kasadministratie, aangeduid als DOC‑480 (blz. 3614 e.v.). Dit kasboek bevat de contante inkomsten en uitgaven van de [stichting] in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 december 2016. Het FIOD-rapport bevat voorts een overzicht van de door de [stichting] uitgeschreven kwitanties voor het jaar 2013, aangeduid als DOC-433 (blz. 3399 e.v.).

2.13.2.

De penningmeester heeft over voormelde administratie en voormeld overzicht onder meer verklaard:

a. FIOD-rapport, blz. 1518-1526:

"Ik had zelf een administratie ontwikkeld in excel. Pas toen wij een ANBI controle kregen zijn wij de administratie gaan ontwikkelen. In 2012 als er dan iemand kwam voor een of meerdere kwitanties dan werd deze door mij uitgeschreven en schriftelijk geboekt in een doorschrijf kasboek. Ik boekte dan het bedrag dat wij daadwerkelijk ontvingen. Dus voor een kwitantie van € 1.000 boekte ik een ontvangst van € 100. (…) Later werd door mij het daadwerkelijke bedrag op de kwitantie geboekt. Ik maakte hiervoor een excel bestand aan dat op de computer stond van de [stichting] in dit bestand zette ik het bedrag van de kwitantie, zodat ik kon bijhouden wat er gebeurd was voor als de mensen kwamen voor onder andere donatieverklaringen. (…)"

b. FIOD-rapport, blz. 1535:

"Opmerking verbalisanten:

Wij tonen u een Excel bestand welke is gerelateerd aan donatiekwitanties die door de [stichting] aan derden zijn verstrekt. In het Excel bestand zijn de kwitantienummers, datum van afgifte, naam donateur en het gedoneerde bedrag opgenomen. (Het Excelbestand wordt onder DOC-511 opgenomen in het dossier)

Vraag verbalisanten: Kunt u aan de hand van dit overzicht aangeven of de geldbedragen vermeld op de bijbehorende kwitanties, in combinatie met de vermelde persoonsnamen, daadwerkelijk zijn gedoneerd aan de [stichting] ?

Antwoord gehoorde:

"Van de lijsten die u mij nu laat zien met de namen en bedragen kan ik zeggen, dat niemand hierop deze lijst dat bedragen echt daadwerkelijk aan de [stichting] betaald heeft zij hebben van deze bedragen slechts 10% of 12% betaald zoals ik eerder heb verklaard. Ik heb al eerder gezegd dat er slechts een handjevol mensen is die daadwerkelijk het volledige bedrag heeft betaald maar dat betreffen bedragen van maximaal 300 of 400 euro. Als er in het kasboek kleine bedragen opgenomen zijn en daar staan soms geen kwitanties tegenover, dan is dat omdat deze mensen dit ook niet in aftrek wilden nemen bij de belastingdienst."

c. FIOD-rapport, blz. 1557:

"Vraag verbalisanten: Op 6 januari 2014 is de ANBI status van de [stichting] ingetrokken. Er zijn meerdere kwitanties aangetroffen die zijn voorzien van een datum gelegen in de periode 1 tot en met 6 januari 2014. Zijn al deze kwitanties valselijk opgemaakt?

Antwoord gehoorde:

"Niet allemaal, er zijn ook donaties die echt zijn gedaan. Ik kan mij nu niet herinneren wie dat zijn geweest. Ik heb het dan over de kwitanties vanaf 2012 die onder de € 500 zijn, alles wat daarboven is, is vals. Dit geld voor alle kwitanties die u heeft aangetroffen. Jullie kunnen uit de kasboeken uitvissen welke bedragen echt zijn gedoneerd. Dat boek klopt namelijk wel."

2.13.3.

Het FIOD-rapport vermeldt onder meer nog het volgende over de administratie bij de [stichting] (blz. 33):

"Naast de vermoedelijk achteraf opgestelde donatieoverzichten zijn over de periode

(…) december 2013 tot en met december 2016 handgeschreven kasboeken bijgehouden. Het vermoeden bestaat dat in dat kasboek de juiste bedragen zijn vermeld. De gegevens van dit kasboek zijn ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek in een Excel-bestand verwerkt en digitaal bij het dossier gevoegd. In deze kasboeken staan inkomsten en uitgaven vermeld.

(…) Bij onderzoek van de inkomsten die zijn vermeld in de kasboeken is vastgesteld dat over de periode december 2013 tot en met december 2016 totaal 1.192 mutaties zijn opgenomen met de omschrijving 'donatie'. Het totaalbedrag van deze 1.192 donaties is € 489.087,70. Het is opvallend dat het grootste deel van deze donaties kleiner is dan € 500."

2.14.

In eerste aanleg heeft de Inspecteur drie (geanonimiseerde) verslagen van hoorgesprekken met belastingplichtigen overgelegd (bijlage 24). De verslagen bevatten verklaringen van de belastingplichtigen over (hun deelname aan) de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .

2.14.1.

Het "verslag van het horen op vrijdag 13 juni [juli; Hof] 2018" vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:

(…)

4. (…) Hij vertelt dat hij één keer per week naar toespraken op de [stichting] ging. Na afloop van de toespraak werd aan de toehoorders vertelt dat zij de [stichting] konden helpen. In ruil voor deze donaties werd er een hoger bedrag op de kwitantie geschreven. Wanneer er een bedrag van € 300 werd betaald, werd er op de kwitantie € 3.000 vermeld. (…)"

2.14.2.

Het "verslag van het horen op donderdag 9 augustus 2018" vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:

(…)

3. Voor de aankoop van zijn woning is hij in contact gekomen met Advieskantoor […] via iemand genaamd […] (…) Ze waren behulpzaam en gaven goede adviezen. De heer […] hielp hem met zijn hypotheek en […] hielp hem met het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2013. Bij het indienen van de aangifte kreeg hij van […] het advies om te doneren aan de [stichting] .

De [belastingplichtige] deelde hen mee dat hij daarvoor geen financiële middelen had. […] deelde hem daarop mee dat het ook anders kon, namelijk eerst het bedrag in aftrek brengen in de aangifte, afhankelijk van de teruggaaf zou dan een bedrag aan de [stichting] worden gedoneerd. De kwitantie hiervoor zou dan achteraf geregeld worden (…)."

2.15.1.

Door belastingplichtigen is verklaard over het gebruik van leningsovereenkomsten. Het FIOD-rapport vermeldt (blz. 51 e.v.), voor zover van belang:

"Door […] is onder meer verklaard dat hij geld leende als hij zelf geen geld had om te doneren. Hij heeft van zijn leningen een overzicht aan de Belastingdienst verstrekt.

Het is opvallend dat in het door […] verstrekte overzicht staat dat hij op 16 januari 2012 € 1.500 heeft geleend en dat hij volgens de aangetroffen kwitanties op die datum een gift zou hebben gedaan aan [stichting] . De giftkwitantie van [stichting] heeft nummer 000043. Bij onderzoek van de belastingplichtige […] (…) is ook een giftkwitantie van [stichting] aangetroffen gedateerd op 16 januari 2012 voor een gift van € 1.500. Deze kwitantie heeft het nummer 000044, dit nummer volgt op de kwitantie op naam […]. Door […] is aan de Belastingdienst een leningovereenkomst verstrekt waarin staat dat hij op 16 januari 2012 € 1.500 heeft geleend van […].

Het vermoeden bestaat dat de door […] afgelegde verklaring in strijd is met de waarheid en dat de door hem aan de Belastingdienst verstrekte leningovereenkomst valselijk is opgemaakt.

Dit vermoeden is gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden:

[…] leende op 16 januari 2012 € 1.500 van […] en doneert dit geld diezelfde dag aan [stichting] . Hiervoor ontvangt hij een kwitantie met nummer 000043. […] leende eveneens op 16 januari 2012 € 1.500 van […] en doneert dit geld diezelfde dag aan [stichting] . Hiervoor ontvangt hij een kwitantie met nummer 000044. Het is opmerkelijk dat […] op 16 januari 2012 eerst € 1.500 leende om een donatie te kunnen doen en vervolgens diezelfde dag € 1.500 uitleende aan […] eveneens om een donatie te kunnen doen. Het vermoeden bestaat dat de leningovereenkomsten van […] valselijk zijn opgemaakt om te kunnen aantonen dat hij beschikte over geld om giften te doen."

2.15.2.

Belanghebbende komt niet voor in het onder 2.13.1 genoemde overzicht van de door de [stichting] uitgeschreven kwitanties (DOC-433) en ook niet in de onder 2.13.1 genoemde handgeschreven kasadministratie (DOC-480).

2.16.

Bij brief van 2 oktober 2017 heeft de Inspecteur aan belanghebbende te kennen gegeven dat hij over het jaar 2012 een navorderingsaanslag zal opleggen waarbij de giftenaftrek ter zake van de [stichting] wordt gecorrigeerd. Verder heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat hij voornemens is een vergrijpboete op te leggen als bedoeld in artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van 75% van de nagevorderde belasting.

2.17

Vervolgens is met dagtekening 16 december 2017 de navorderingsaanslag 2012 opgelegd en zijn gelijktijdig de boetebeschikking en de beschikking belastingrente vastgesteld.

2.18.

Op 21 december 2017 heeft de Inspecteur het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen. Op 30 november 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden, belanghebbende is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Tezamen met het hoorverslag is een vragenlijst door de Inspecteur verzonden. Belanghebbende heeft op de vraag: "Hoe vaak is er gedoneerd (in één keer het volledige bedrag of zijn er meerdere donaties per jaar gedaan)?" geantwoord dat er één keer is gedoneerd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"Nieuw feit

11. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan ingevolge artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Op grond van artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Awr kan een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

12. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, rust op [de Inspecteur]. Op grond van vaste rechtspraak is [de Inspecteur] niet gehouden onderzoek te doen naar de juistheid van een ingediende aangifte indien voor de daarin opgenomen posten een redelijke verklaring mogelijk is. [De Inspecteur] mag er in dergelijke gevallen van uitgaan dat de belastingplichtige zijn aangifte, juist, volledig en zonder voorbehoud heeft ingevuld. Niet gebleken is dat er voor [de Inspecteur] voor het jaar 2012 reden was niet uit te gaan van de juistheid van de aangifte. Op grond van de door [belanghebbende] voor het jaar 2012 overgelegde stukken heeft [de Inspecteur] niet hoeven te betwijfelen of de giften daadwerkelijk waren gedaan en dat deze voor aftrek in aanmerking kwamen. Niet gebleken is dat [de Inspecteur] reeds ten tijde van het opleggen van de aanslagen op de hoogte was dan wel behoorde te zijn van eventuele onregelmatigheden in de door de [stichting] afgegeven kwitanties.

13. [Belanghebbende] heeft gesteld dat [de Inspecteur] niet beschikt over een nieuw feit, omdat hij reeds vanaf 6 januari 2014 ervan op de hoogte was dat de ANBI-status van de [stichting] was ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008. [De Inspecteur] had, aldus [belanghebbende], de gift vanaf dat moment niet meer als aftrekbare gift in aanmerking mogen nemen, omdat de [stichting] geen ANBI-status meer had. [De Inspecteur] heeft weersproken dat hij reeds vanaf het moment dat de ANBI-status van de [stichting] werd ingetrokken wist dat bij de giften aan de [stichting] mogelijk gebruik werd gemaakt van valselijk opgemaakte kwitanties en heeft daarover ter zitting verklaard dat de intrekking van de ANBI-status van de [stichting] voortvloeide uit administratieve onregelmatigheden bij de [stichting] die niet aan individuele belastingplichtigen kunnen worden toegerekend.

14. De rechtbank overweegt dat uit het FIOD-PV weliswaar blijkt dat bij het onderzoek door de Belastingdienst Eindhoven is vastgesteld dat de administratie van de [stichting] niet op orde was en dat er twijfels waren over de juistheid van de gegevens in het kasboek van de [stichting] , maar dat niet gebleken is dat tijdens dat onderzoek reeds is geconstateerd dat er sprake was van valselijk opgemaakte kwitanties dan wel van ten onrechte opgevoerde giftenaftrek bij de donateurs. Nu [belanghebbende] geen stukken heeft overgelegd waaruit het tegendeel volgt, acht de rechtbank niet aannemelijk dat [de Inspecteur] reeds ten tijde van de intrekking van de ANBI-status op de hoogte was van eventuele onregelmatigheden in de door de [stichting] afgegeven kwitanties en de met behulp van die kwitanties geclaimde giftenaftrek. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat pas in september 2015 is besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek naar de [stichting] terwijl de aanslag ruim daarvóór is opgelegd en de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek pas in 2017 door de officier van justitie zijn vrijgegeven voor fiscale doeleinden. [De Inspecteur] heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het FIOD-onderzoek een nieuw feit oplevert dat navordering rechtvaardigt.

Giftenaftrek

15. Ingevolge artikel 6.32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zijn aftrekbare giften (a) periodieke giften en (b) andere giften. Ingevolge artikel 6.33, eerste lid, onder a van de Wet IB 2001 wordt onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Verder volgt uit artikel 6:33, eerste lid, onder b in samenhang met artikel 6:35 van de Wet IB 2001 dat giften aftrekbaar zijn indien zij worden gedaan aan een ANBI.

16. Niet in geschil is dat ten tijde van de gestelde giften de [stichting] de ANBI-status had. De rechtbank merkt hierbij op dat de omstandigheid dat die ANBI-status op 6 januari 2014 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 is ingetrokken, op zichzelf niet aan de giftenaftrek in de weg staat.

17. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op [belanghebbende]. Bij contante giften moet een belastingplichtige - zoals [de Inspecteur] terecht heeft gesteld - met schriftelijke bescheiden aantonen dat de door hem gestelde giften daadwerkelijk zijn gedaan, dat wil zeggen aan de [stichting] ten goede zijn gekomen. [Belanghebbende] wijst daartoe op de door haar overgelegde kwitanties en geldleningsovereenkomsten. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] die worden bevestigd door verklaringen van anderen, kan aan de kwitanties op zichzelf onvoldoende bewijskracht worden toegekend. Weliswaar staat niet onomstotelijk vast dat ook in het geval van [belanghebbende] sprake is van onjuiste kwitanties, maar evenmin kan met zekerheid worden gesteld dat de kwitanties in overeenstemming zijn met wat de echtgenoot van [belanghebbende] daadwerkelijk aan de [stichting] heeft geschonken. De door [belanghebbende] overgelegde geldleningsovereenkomsten, die telkens kort vóór de data waarop de kwitanties zijn uitgeschreven zijn gesloten, bieden hiervoor onvoldoende bewijs omdat, zoals [de Inspecteur] onweersproken heeft verklaard, uit het FIOD‑PV volgt dat in voorkomende gevallen kwitanties feitelijk met terugwerkende kracht werden opgesteld door de hoogte van de schenking en de datum van de schenking vooraf met de penningmeester af te stemmen. Niet kan worden uitgesloten dat ook in het geval van [belanghebbende] dit is gebeurd. De rechtbank stelt bovendien vast dat [belanghebbende] op de kwitanties niet is vermeld als degene die de giften heeft gedaan en tevens geen partij is (geweest) bij de leningsovereenkomsten. Ten slotte kan niet worden uitgesloten dat de geldleningsovereenkomsten zijn opgesteld met het uitsluitende doel de kwitanties te onderbouwen, temeer nu niet gebleken is dat aan deze overeenkomsten ook daadwerkelijk uitvoering is gegeven. [De Inspecteur] heeft dan ook voorbij kunnen en mogen gaan aan de geldleningsovereenkomsten. Nu [belanghebbende] geen ander bewijs heeft overgelegd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de door haar overgelegde kwitanties wel voldoende betrouwbaar zijn. Zij is niet geslaagd in het bewijs dat zij de giften heeft gedaan. [De Inspecteur] heeft dan ook op goede gronden de giftenaftrek gecorrigeerd en de navorderingsaanslag opgelegd.

Vergrijpboete

18. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de Awr kan de inspecteur een boete opleggen van ten hoogste 100 percent, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

19. Op [de Inspecteur] rust de bewijslast dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [belanghebbende] onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de door haar in haar aangifte afgetrokken giften en dat de aanslag daardoor tot een te laag bedrag is vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn stelling dat dit te wijten is aan opzet dan wel grove schuld van [belanghebbende] maakt [de Inspecteur] gebruik van bewijsvermoedens die hij baseert op de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] , de verklaringen van getuigen en verdachten die betrokken zijn in het onderzoek van de [stichting] en verklaringen die andere belastingplichtigen hebben afgelegd tijdens diverse hoorgesprekken. Verder wijst [de Inspecteur] op het feit dat hij [belanghebbende] naar aanleiding van het hoorgesprek een vragenlijst heeft toegezonden waarin onder andere de vraag is gesteld hoe vaak er is gedoneerd. Het antwoord van [belanghebbende] dat slechts één maal is gedoneerd is in tegenspraak met het feit dat voor het jaar 2012 drie kwitanties zijn overgelegd. Nu [belanghebbende] tevens heeft verklaard dat zij in andere jaren geen giften heeft gedaan, is het op zijn minst opmerkelijk dat [belanghebbende] zich de omstandigheden waaronder de in 2012 gedane giften zijn gedaan niet meer zou herinneren. [De Inspecteur] heeft er verder op gewezen dat de handelwijze lijkt aan te sluiten bij de gebruikelijke werkwijze van de [stichting] waarbij feitelijk met terugwerkende kracht handelingen werden verricht om giften aannemelijk te maken. In onderhavig geval werd weliswaar geen aansluiting gezocht bij reeds bestaande geldopnames, maar zijn drie geldleningsovereenkomsten opgesteld waarbij [belanghebbende] geen partij is geweest. Het betreft drie overeenkomsten die telkens zijn aangegaan één dag vóór de datum die op de kwitanties is vermeld. Met het aanvoeren van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft [de Inspecteur] naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs geleverd dat [belanghebbende] wist dat zij in haar aangifte giften in aanmerking nam die zij feitelijk niet had gedaan en dat de daarvoor verstrekte kwitanties vals waren. Daarmee is het aan opzet van [belanghebbende] te wijten dat de aanslagen op te lage bedragen zijn vastgesteld en dat zij daardoor te weinig belasting heeft betaald. [De Inspecteur] is daarmee echter nog niet geslaagd in het bewijs dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden. Het enkele gebruik van valse kwitanties is daarvoor onvoldoende. Gezien de aard en ernst van de gedragingen acht de rechtbank daarom een boete van 50% van de nagevorderde belasting passend en geboden.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

20. In de uitspraak op bezwaar heeft [de Inspecteur] zijn beslissing onderbouwd met bevindingen uit het FIOD-onderzoek. Daarmee heeft hij voldaan aan het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het enkele feit dat hij op dat moment nog niet beschikte over het volledige FIOD-PV, maakt niet dat die motivering ondeugdelijk is of dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Tevens volgt uit de stukken van het dossier dat [belanghebbende] meerdere malen in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk of mondeling haar bezwaren toe te lichten.

Vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn

21. [Belanghebbende] stelt dat zij in verband met het overschrijden van de redelijke termijn in aanmerking komt voor een vergoeding voor immateriële schade.

22. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in de arresten van de Hoge Raad van 22 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006) en 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment waarop [de Inspecteur] het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. [De Inspecteur] heeft naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.

23. Op 21 december 2017 heeft [de Inspecteur] het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag ontvangen. [De Inspecteur] heeft met dagtekening 10 juli 2019 uitspraak op bezwaar gedaan. Op 5 augustus 2019 is het beroepschrift binnengekomen en de rechtbank heeft uitspraak gedaan op 25 februari 2020. Dat is twee jaar en (afgerond) drie maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. Dit betekent dat de redelijke termijn voor de gezamenlijke fase van bezwaar en beroep is overschreden met drie maanden, welke overschrijding geheel dient te worden toegerekend aan [de Inspecteur] nu de rechtbank zelf binnen de haar toekomende tijd uitspraak heeft gedaan. De rechtbank ziet daarom aanleiding om [belanghebbende] een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen, welke wordt bepaald op € 500.

Rentebeschikkingen

24. Niet is gebleken dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

25. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep voor wat betreft de boetebeschikking gegrond verklaard en voor het overige ongegrond."

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de navorderingsaanslag en de vergrijpboete terecht zijn opgelegd. De Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend, belanghebbende ontkennend.

4.2.

Belanghebbende concludeert in haar principaal hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de navorderingsaanslag en de boetebeschikking en tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het principaal hoger beroep. In het incidenteel hoger beroep concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover de boete is verminderd tot 50% en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

Beoordeling van het hoger beroep

Navorderingsaanslag

5.1.1.

Belanghebbende heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een nieuw feit. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De Belastingdienst heeft in 2013 reeds onderzoek verricht naar de administratie van de [stichting] , hetgeen heeft geleid tot intrekking van de ANBI-status met terugwerkende kracht. De FIOD is op 23 januari 2015 gestart met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse giftkwitanties bij andere ANBI-instellingen dan de [stichting] ( [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] ). Hieruit is naar voren gekomen dat ook de [stichting] betrokken zou zijn bij het uitgeven van valse kwitanties, waarop het strafrechtelijk onderzoek naar de [stichting] is gestart. De informatie die bij de FIOD bekend is, had de Inspecteur ook redelijkerwijs bekend kunnen zijn bij het opleggen van de primitieve aanslag op 26 juni 2015. Het is aannemelijk dat al in juni 2015 signalen bij de Belastingdienst bekend waren dat sprake was van zodanige onregelmatigheden bij de [stichting] dat moest worden getwijfeld aan de giften. Een grond voor de navorderingsaanslag ontbreekt daarom. De Inspecteur heeft een en ander betwist en zich op het standpunt gesteld dat het bekend worden van de resultaten van het FIOD-onderzoek bij de [stichting] ( [FIOD-onderzoek 3] ) het nieuwe feit vormt dat navordering rechtvaardigt.

5.1.2.

Artikel 16, lid 1, AWR bepaalt, voor zover van belang, dat, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

5.1.3.

Het Hof oordeelt als volgt. Tijdens het onderzoek bij de [stichting] naar de houdbaarheid van de ANBI-status, zijn onvolkomenheden in de administratie van de [stichting] geconstateerd. Vanwege deze administratieve onvolkomenheden is de ANBI-status met terugwerkende kracht ingetrokken. Vanwege het feit dat de bedragen aan contante giften die werden opgenomen in aangiften een veelvoud bedroegen van de in de administratie van de [stichting] verantwoorde donaties, heeft de Belastingdienst voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslagen aan de desbetreffende belastingplichtigen, waaronder belanghebbende, vragen gesteld over de door hen opgevoerde giften. Indien de contante giften konden worden onderbouwd met schriftelijke bescheiden, stond de Belastingdienst de giftenaftrek toe. Dit heeft ertoe geleid dat de giftenaftrek voor 2012 pas is verleend nadat de kwitanties en geldleningsovereenkomsten zijn verstrekt. De Inspecteur heeft aangevoerd dat hij gelet op de overgelegde kwitanties en geldleningsovereenkomsten geen reden had om eraan te twijfelen dat de opgevoerde giften daadwerkelijk waren gedaan.

5.1.4.

Aangezien het intrekken van de ANBI-status zijn grondslag vond in de administratieve onvolkomenheden van de [stichting] , staat die omstandigheid – naar het oordeel van het Hof – niet in de weg aan het opleggen van de navorderingsaanslag. Uit deze administratieve onvolkomenheden volgt immers niet dat tevens sprake zou zijn van misstanden bij de donateurs, zoals valselijk opgemaakte giftkwitanties. Pas nadat de FIOD in januari 2015 was gestart met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse giftkwitanties bij drie andere ANBI-instellingen dan de [stichting] , bleek dat diverse belastingplichtigen die giften aan voormelde instanties in de aangiften hadden opgenomen ook giften aan de [stichting] hadden opgenomen in hun aangiften. Dit was de aanleiding om op 17 september 2015 een strafrechtelijk onderzoek te starten naar de [stichting] en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en/of donatieverklaringen van de [stichting] en het gebruik hiervan bij het doen van aangiften IB/PVV. De Inspecteur heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de gebreken in de administratie van de [stichting] op het moment van intrekking van de ANBI-status nog niet konden worden toegerekend aan individuele belastingplichtigen. Ook in juni 2015 was de Inspecteur in het licht van de op dat moment bekende omstandigheden niet gehouden de aanslagregeling aan te houden. De eventueel op dat moment bij de FIOD aanwezige informatie kan evenmin aan de Inspecteur worden toegerekend.

5.1.5.

Uit voornoemd strafrechtelijk onderzoek van de FIOD bij de [stichting] , dat is aangevangen na het opleggen van de primitieve aanslag 2012, is gebleken dat in verschillende jaren op grote schaal werd gehandeld in valse giftkwitanties van de [stichting] . Daarbij werden kwitanties verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Belastingplichtigen maakten op grote schaal gebruik van die giftkwitanties om giften op te voeren tot bedragen die zij niet hadden betaald. Voorts werden de giftkwitanties veelal gekocht op een latere datum dan de datum die is vermeld op de betreffende giftkwitantie. Uit verklaringen van de penningmeester, welke worden bevestigd door verklaringen van diverse andere belastingplichtigen en de bevindingen in het strafrechtelijk onderzoek, volgt dat (veelal) geen bedragen zijn gedoneerd van € 500 of hoger. Als gevolg van deze bevindingen is bij de Inspecteur het vermoeden ontstaan dat ook bij belanghebbende de aanslag van 2012, als gevolg van de in aftrek gebrachte giften aan de [stichting] , tot een te laag bedrag is vastgesteld. Nu de gedingstukken geen aanleiding geven voor de veronderstelling dat de Inspecteur vóór het opleggen van de definitieve aanslag 2012 op 26 juni 2015, bekend dan wel redelijkerwijze bekend had kunnen zijn met de voormelde uit het strafrechtelijk onderzoek gebleken feiten, is aan het vereiste van een nieuw feit voldaan.

5.2.

Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan, omdat de Inspecteur, ondanks de intrekking van de ANBI-status van de [stichting] met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008, de giftenaftrek heeft toegestaan bij de aanslagregeling in 2015. Die stelling faalt. De door belanghebbende gestelde giften zijn volgens haar opgave gedaan in 2012. De intrekking van de ANBI-status op 6 januari 2014 heeft geen invloed op de aftrekbaarheid van reeds vóór die datum gedane giften, ook niet nu de intrekking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 plaatsvond. De Inspecteur hoefde derhalve geen gevolgen te verbinden aan de intrekking met terugwerkende kracht van de ANBI-status van de [stichting] en kon bij het opleggen van de primitieve aanslag op 26 juni 2015 de giftenaftrek verlenen. Er is geen sprake van een ambtelijk verzuim dat navordering door de Inspecteur verhindert.

Giftenaftrek

5.3.1.

Andere giften dan periodieke giften zijn aftrekbaar voor zover zij kunnen worden gestaafd met schriftelijke bescheiden (zie artikel 6.39, lid 1, in verbinding met artikel 6.32 van de Wet Inkomstenbelasting 2001). In geval van betwisting door de Inspecteur, zoals hier het geval, rust op belanghebbende de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat zij recht heeft op giftenaftrek.

5.3.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij in 2012 giften in contanten van € 3.000 aan de [stichting] heeft gedaan. Ter onderbouwing van haar stelling heeft belanghebbende drie kwitanties en drie geldleningsovereenkomsten overgelegd.

5.3.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de overgelegde giftkwitanties van de [stichting] niet zonder meer kunnen dienen ter onderbouwing van de opgevoerde giften en wijst daarbij op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek naar de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] .

5.3.4.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de Inspecteur in beroep en hoger beroep onder meer de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] :

  • -

    de vaststelling van een controlemedewerker dat namens de [stichting] in het jaar 2012 in totaal 2.500 kwitanties zijn uitgeschreven, terwijl slechts 531 kwitanties in de administratie zijn verantwoord;

  • -

    dat in het jaar 2013 in de jaarstukken van de [stichting] € 88.564 aan donaties is verantwoord, terwijl in de diverse aangiften over dat jaar in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] is aangegeven;

  • -

    de verklaringen van verdachten dat giftkwitanties voor een bepaald percentage van het giftbedrag werden gekocht/verkocht van de [stichting] ;

  • -

    dat uit de inbeslaggenomen administratie van de [stichting] volgt dat 22% van de ontvangen giften is verwerkt in het kasboek;

  • -

    een anonieme tip aan de FIOD dat de kwitanties zijn vervalst en gebruikt door meerdere personen om een belastingteruggaaf te bewerkstelligen;

  • -

    dat na het intrekken van de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014, dat op 19 december 2013 was aangekondigd, in de periode van 1 januari tot 6 januari 2014 een opvallend groter aantal kwitanties is geboekt dan in voorgaande jaren;

  • -

    de whatsapp- en sms-berichten en de verklaringen van onder andere de penningmeester van de [stichting] waaruit volgt dat een levendige handel in giftkwitanties bestond en dat uit die berichten volgt dat de data op de kwitanties worden afgestemd op de data van willekeurige pinopnamen;

  • -

    de verklaring van een informant aan het Team Criminele Inlichtingen waaruit volgt dat de leiding van de [stichting] op de hoogte is van de belastingfraude door middel van de giftkwitanties en meewerkt aan de uitgifte daarvan;

  • -

    de verklaring van de penningmeester van de [stichting] dat slechts een handvol mensen het volledige vermelde bedrag op de giftkwitanties hebben betaald maar dat die bedragen maximaal € 300 of € 400 betreffen;

  • -

    de verklaringen van diverse personen aan de FIOD en de Belastingdienst die de handel in kwitanties hebben bevestigd;

  • -

    een overzicht van uitgeschreven kwitanties voor 2013 waarvan de gegevens die in dit document zijn opgenomen niet overeenkomen met de daadwerkelijk ontvangen bedragen;

  • -

    een doorlopend handgeschreven kasboek waarin de werkelijk ontvangen bedragen werden opgenomen; de werkelijk ontvangen bedragen (donaties) bedroegen veelal 10% tot 12% van de uitgegeven kwitanties;

  • -

    dat de Belastingdienst bij 2.040 belastingplichtigen navorderingsaanslagen heeft opgelegd dan wel correcties heeft aangebracht bij het opleggen van de aanslagen en indien mogelijk een vergrijpboete. Van deze 2.040 gevallen zijn ongeveer 450 belastingplichtigen in bezwaar gegaan en 150 in beroep;

  • -

    dat bij belastingplichtigen van wie aanslagen zijn gecorrigeerd of bij wie is nagevorderd doorgaans een giftenaftrek van minimaal € 500 in de aangifte is opgenomen.

5.3.5.

Uit hetgeen de Inspecteur onder 5.3.4 heeft aangevoerd volgt dat op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting] werd verhandeld en gebruikt door belastingplichtigen om giften op te voeren die zij niet daadwerkelijk hebben gedaan. Gelet op deze bevindingen kunnen de kwitanties van de [stichting] niet zonder meer dienen als bewijs voor de door belanghebbende gestelde giften. Het is aan belanghebbende aanvullende feiten en omstandigheden aan te voeren en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat zij recht heeft op giftenaftrek.

5.3.6.

Met de overgelegde leningsovereenkomsten heeft belanghebbende dat aanvullende bewijs niet geleverd, reeds omdat met een geldleningsovereenkomst niet vaststaat dat de geleende gelden ook daadwerkelijk aan de [stichting] ten goede zijn gekomen.

5.3.7.

Nu belanghebbende geen ander (schriftelijk) bewijs heeft bijgebracht waaruit volgt dat giften ten goede zijn gekomen aan de [stichting] , acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende in het onderhavige jaar giften aan de [stichting] heeft gedaan. De Inspecteur heeft dan ook terecht geen giften in aftrek toegestaan en de navorderingsaanslag 2012 terecht opgelegd.

Vergrijpboete

6.1.1.

De Inspecteur kan op grond van artikel 67e, lid 1, AWR een boete opleggen van ten hoogste 100% indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De bewijslast hiervan rust op de Inspecteur.

6.1.2.

Bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit heeft geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die waarborgen houden onder meer in dat de bewijslast op de inspecteur rust en de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van de twijfel moet worden gegund. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens. De belanghebbende moet wel een redelijke mogelijkheid hebben zich daartegen te verweren en het gebruik van vermoedens mag er niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de belanghebbende; het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350, BNB 2011/207 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207). Het EVRM eist niet dat de inspecteur bij het bewijzen van de opzet of grove schuld is gebonden aan de bewijsregels van het nationale strafrecht. Er hoeft geen wettig en overtuigend bewijs te worden geleverd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 338 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (vgl. HR 18 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5166, BNB 1993/40). Wel moet de uit die vermoedens af te leiden opzet buiten redelijke twijfel zijn (vgl. HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5391, BNB 1993/272).

6.2.

De Inspecteur heeft primair gesteld dat sprake is van opzet en subsidiair van grove schuld. Op de Inspecteur rust de bewijslast om primair aannemelijk te maken dat belanghebbende ten tijde van het doen van haar aangifte IB/PVV 2012 zich ervan bewust is geweest dat (een aanmerkelijke kans bestond dat) de aangifte voor wat betreft de giftenaftrek onjuist was en subsidiair dat belanghebbende zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat haar kan worden verweten dat de aangifte op het punt van de giftenaftrek onjuist was.

6.3.

Naast de in 5.3.4. aangevoerde feiten en omstandigheden ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] , heeft de Inspecteur ten aanzien van de belanghebbendes betrokkenheid bij voormelde handel in giftkwitanties het volgende aangevoerd:

- de datums van de geldleningsovereenkomsten zijn telkens een dag voor de datums op de kwitanties.

- op het ingevulde vragenformulier, dat naar aanleiding van het hoorgesprek aan (de gemachtigde van) belanghebbende is verstrekt, heeft belanghebbende ingevuld dat sprake is geweest van een eenmalige gift, terwijl de door haar verstrekte stukken zien op drie donaties.

Volgens de Inspecteur volgt hieruit dat de kwitanties vals zijn en de geldleningsovereenkomsten achteraf zijn opgemaakt om de giften aannemelijk te maken.

6.4.

Het Hof is van oordeel dat de feiten en omstandigheden zoals aangevoerd door de Inspecteur voornamelijk zien op de handelwijze bij de [stichting] in het algemeen en niet zijn te herleiden tot belanghebbende. Het bewijsvermoeden is in dit geval in het bijzonder gebaseerd op het FIOD onderzoek, waaruit een algemene “modus operandi” voor een overgrote hoeveelheid van de gevallen is opgemaakt en op verklaringen van derden (waaronder de penningmeester) over wat kennelijk een gebruikelijke werkwijze was binnen de [stichting] . Uit die verklaringen kan weliswaar worden geconcludeerd dat in veel gevallen sprake was van kwitanties die niet in overeenstemming zijn met de bedragen die daadwerkelijk aan de [stichting] zijn geschonken, maar dat betekent niet dat ook in het geval van belanghebbende sprake is van deelname aan de handel in valse kwitanties en daarmee van het opzettelijk dan wel grofschuldig te weinig betalen van belasting. Ook de datering van de geldleningsovereenkomsten en de discrepantie tussen het antwoord op het vragenformulier en de gestelde drie donaties zijn onvoldoende om daaraan het vermoeden te ontlenen dat belanghebbende frauduleus heeft gehandeld. De giften waar het hier om gaat zijn volgens de kwitanties gedaan vóór 1 december 2013 en daarvan is geen handgeschreven kasadministratie beschikbaar. Om die reden komt belanghebbende evenmin voor in het overzicht van de uitgeschreven kwitanties. Onder deze omstandigheden zou het accepteren van bewijsvermoedens betekenen dat de bewijslast feitelijk ook voor de boeteoplegging op belanghebbende komt te rusten. Het Hof komt niet toe aan hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ter ontzenuwing van het bewijsvermoeden.

6.5.

De Inspecteur is niet geslaagd in het bewijs dat het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Het Hof zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen de boetebeschikking vernietigen.

Slotsom

7. De slotsom is dat het principaal hoger beroep gegrond en het incidenteel hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep en het incidenteel hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.602 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor de schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534, een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2.

Voorts dient de Inspecteur aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 131 te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;

- verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep in zoverre gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 1.602, te vermeerderen met de op de voet van artikel 6:119 en 6:120 Burgerlijk Wetboek over dit bedrag te berekenen wettelijke rente vanaf de dag dat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking aan partijen van de uitspraak van het Hof tot aan de dag van algehele voldoening van die kosten; en

- bepaalt dat de Inspecteur aan belanghebbende het voor het Hof betaalde griffierecht van € 131 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door I. Obbink-Reijngoud, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier N. Veenstra. De beslissing is op 5 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.