Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:995

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
200.248.951/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease, Dexia. Vernietiging op grond van art. 1:88 en 89 BW, verjaring, bewijswaardering. Vernietiging van de verlengde overeenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.248.951/01

Zaaknummer rechtbank : 6073401 \ CV EXPL 17-2757

arrest van 16 juni 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding

1.1

Bij exploot van 16 oktober 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen tegen de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Leiden (hierna: de kantonrechter) van 7 maart 2018 en 22 augustus 2018. [appellant] heeft bij memorie van grieven twee grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht en heeft producties overgelegd.

1.2

Bij memorie van antwoord heeft Dexia de grieven bestreden en producties overgelegd.

1.3

Hierop heeft [appellant] nog een akte met productie genomen waarop Dexia bij antwoordakte heeft gereageerd.

1.4

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 Inleiding

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis van 7 maart 2018 onder het kopje “feiten” een aantal feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven gericht of bezwaren ingebracht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2.

Voor zover in hoger beroep nog van belang gaat het in deze zaak om het volgende.

( i) [appellant] heeft met (de rechtsvoorgangster van) Dexia vier effectenleaseovereenkomsten gesloten, waarvan er nu nog twee in geschil zijn. Het gaat om:

- Overeenkomst [nummer 1] , gesloten op 23 mei 1997 met een leasesom van € 16.667,19; de overeenkomst is verlengd op 22 mei 2002; [appellant] heeft in totaal een bedrag van € 8.478,44 aan leasetermijnen betaald.

- Overeenkomst [nummer 2] , gesloten op 9 juni 1999 met een leasesom van € 23.456,69; de overeenkomst is verlengd op 8 juni 2002; [appellant] heeft in totaal een bedrag van € 7.748,02 aan leasetermijnen betaald.

( ii) Dexia heeft in 2005 voor deze overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld.

- Overeenkomst [nummer 1] is geëindigd met een positief resultaat van € 3.216,89; [appellant] heeft een voor deze overeenkomst een bedrag van € 755,53 aan dividend ontvangen; Dexia heeft een bedrag van € 53,06 aan dividend verrekend.

- Overeenkomst [nummer 2] is geëindigd met een negatief resultaat van € 6.791,31; [appellant] heeft daarvan een bedrag van € 630,98 betaald. Hij heeft aan dividend een bedrag van € 1.287,10 ontvangen en Dexia heeft een bedrag van € 352,56 aan dividend verrekend.

( iii) Bij brief van 20 september 2004 heeft de echtgenote van [appellant] ( [naam echtgenote] ) de effectenleaseovereenkomsten buitengerechtelijk vernietigd op grond van art. 1:89 BW.

2.3

Voor zover in hoger beroep nog van belang heeft [appellant] een verklaring voor recht gevorderd dat de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] (door de kantonrechter ook aangeduid als: de leaseovereenkomsten I en II) rechtsgeldig zijn vernietigd. Hij heeft verder gevorderd dat Dexia zal worden veroordeeld om al hetgeen door [appellant] is betaald onder deze overeenkomsten, terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.

2.4

In reconventie heeft Dexia – voor zover in hoger beroep nog van belang – een verklaring voor recht gevorderd:

- dat de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet blootstaan aan vernietiging;

- dat [appellant] ter zake van de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] niet werd blootgesteld aan een onaanvaardbaar zware last en

- dat ter zake van de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] geen sprake is van onrechtmatige advisering.

Verder heeft Dexia gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 6.779,79, zijnde het bedrag dat [appellant] onbetaald heeft gelaten ter zake van de restschuld van overeenkomst [nummer 2] en een derde effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer 3] , te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.5

Dexia heeft de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomsten bestreden met een beroep op verjaring. Dexia beroept zich daartoe onder meer op een geluidsopname van een telefoongesprek van 19 oktober 2001 tussen de echtgenote en een medewerker van Dexia. Uit dat telefoongesprek blijkt, aldus Dexia, dat de echtgenote van [appellant] op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 7 maart 2018 geoordeeld dat de door Dexia gestelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de echtgenote van [appellant] vóór of op 13 maart 2000 kennis heeft gekregen van het bestaan van de overeenkomsten. [appellant] werd in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren.

2.6

De kantonrechter heeft op 23 april 2018 [appellant] en zijn echtgenote als getuigen gehoord.

2.7

In het eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] er niet in is geslaagd het door Dexia bijgebrachte bewijs te ontzenuwen. Het is onvoldoende opgehelderd wanneer de echtgenote van [appellant] voor het eerst kennis heeft gekregen van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten. Het op 19 oktober 2001 gevoerde gesprek wekt de indruk dat zij al langer op de hoogte was van het bestaan van die overeenkomsten.

2.8

Dit alles bracht mee dat kantonrechter de vordering van [appellant] ter zake van de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] heeft afgewezen.

2.9

In reconventie wees de kantonrechter de verklaring voor recht toe dat de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet blootstaan aan vernietiging. Dat geldt ook voor de verklaring voor recht dat geen sprake was van een onaanvaardbaar zware last en de verklaring voor recht dat van onrechtmatige advisering geen sprake was. De kantonrechter wees 1/3 van de restschuld van overeenkomst [nummer 2] toe, te verminderen met het reeds betaalde bedrag van € 630,98. Dit komt uit op een bedrag van € 2.053,44 dat [appellant] aan Dexia dient te betalen.

2.10

In hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen voor zover de kantonrechter daarin heeft geoordeeld dat Dexia voorshands is geslaagd in het bewijs dat de vernietigingsvordering ter zake van de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] is verjaard (tussenvonnis 7 maart 2018) en voor zover daarin de vernietiging van de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] is afgewezen, alsmede voor zover de daaruit voortvloeiende vorderingen zijn afgewezen. [appellant] vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] (inclusief de verlengingen) rechtsgeldig zijn vernietigd. Verder vordert hij dat het hof Dexia zal veroordelen om al hetgeen hij heeft betaald onder deze overeenkomsten aan hem terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na 20 september 2004. Tot slot vordert [appellant] dat het hof de vorderingen van Dexia alsnog integraal afwijst, met veroordeling van Dexia in de proceskosten, inclusief nakosten.

2.11

Dexia heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling van [appellant] in de kosten.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] voert in de nrs. 3.1 en 5.1 e.v. van de memorie van grieven – kort gezegd – aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de bevoegdheid om de effectenleaseovereenkomsten buitengerechtelijk te vernietigen op 20 september 2004 reeds was verjaard.

3.2

De bevoegdheid tot (buitengerechtelijke) vernietiging op basis van art. 1:89 BW verjaart drie jaar nadat deze bevoegdheid aan de vernietigingsbevoegde ten dienste is komen te staan (art. 3:52 lid 1 onder (d) BW). Dat wil voor deze zaak zeggen dat de verjaring – indien niet tijdig gestuit – intreedt drie jaar nadat de echtgenote van [appellant] met de vernietigbare rechtshandeling daadwerkelijk bekend is geworden.

3.3

Dexia heeft aangevoerd dat het in de rede ligt dat de echtgenote van [appellant] ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] bekend is geraakt met het bestaan van de overeenkomsten, dat wil zeggen op 23 mei 1997 en 9 juni 1999. Op het moment van de vernietigingsverklaring van 20 september 2004 was de bevoegdheid om te vernietigen dus al verjaard. Dexia heeft aan deze stelling het volgende ten grondslag gelegd.

3.3.1

Het gaat om grote bedragen – de overeenkomsten vertegenwoordigden een waarde van ruim fl. 140.000,- – en naar algemene ervaringsregels moet worden aangenomen dat echtelieden dit soort zaken niet voor elkaar plegen te verzwijgen. Dexia neemt verder aan dat ook het salaris van de echtgenote van [appellant] moet zijn aangewend voor het betalen van de maandtermijnen.1

3.3.2

Volgens Dexia is de post van Legio Lease verstuurd naar het huisadres van [appellant] en zijn echtgenote. Op de envelop staat duidelijk het logo van Legio Lease. Gezien de veelheid van enveloppen kan dit voor de echtgenote niet onopgemerkt zijn gebleven. Verder gaat Dexia ervan uit dat de echtgenote de gezamenlijke belastingaangiftes onder ogen heeft gehad voordat deze werden ingediend. Uit die aangiftes moet haar duidelijk zijn geworden dat de rentebetalingen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten konden worden afgetrokken.

3.3.3

De echtgenote heeft zich op 19 oktober 2001 telefonisch tot Dexia gewend. Zij wilde weten wat er daar mis was gegaan met het verwerken van het rekeningnummer van [naam ] , de bankrekening die voor de (automatische) maandelijkse betalingen moest worden gebruikt. Volgens Dexia volgt hieruit dat zij al voor 19 oktober 2001 op de hoogte moet zijn geweest van de overeenkomsten. Dexia heeft een opname van het telefoongesprek in het geding gebracht. Verder heeft Dexia een transcriptie van een deel van dit gesprek overgelegd. Hierin staat het volgende:

“Echtgenote: Wij hebben begin juni contact gehad met meneer [naam medewerker] en hebben ook een brief over geschreven over de wijziging van het bankrekeningnummer. Nu blijkt dat vanaf die wijziging is er gewoon niks afgeschreven en nu word ik bestookt met allerlei brieven van Dun & Bradstreet, waar we niet vrolijk van worden. Want wij hebben heel duidelijk aan jullie te kennen gegeven van welke bankrekening dat afgehaald moet worden: het zakelijke rekening waar geen blokkering op zit. Dus we blijven zo aan de gang.

(…)

We hebben bankrekening nummer opgegeven en dat is een zakelijke rekening en zit geen blokkering op. De brief is van 6 juni.

(…)

Ja klopt. Toen moesten wij de achterstand van 747,06 gulden.

(…)

Medewerker Dexia: Om welk contractnummer gaat het (…) [nummer 2] ?

Echtgenote: Ja klopt.

(…)

Medewerker Dexia: Staat op naam van [appellant] .

Echtgenote: Ja, hij is ook van ons. Staat alleen op [naam ] . Zo heet die rekening.

(…)

Echtgenote: Hoe lossen we dat nu op? Mijn man heeft duidelijk tegen meneer [naam medewerker] gezegd.

(…)

Echtgenote: Mijn man zelf is ook onderweg (…) krijgen wij dit soort problemen (…) we zijn er vroegtijdig ingesprongen.”

3.3.4

Dexia stelt dat uit het telefoongesprek blijkt dat de echtgenote zich bewust is geweest van de overeenkomsten gezien de wijze waarop zij refereert naar de effectenleaseovereenkomsten van [appellant] alsof het overeenkomsten van haarzelf betreffen. Uit het telefoongesprek maakt Dexia ook op dat de echtgenote van [appellant] volledig bekend is met de financiële beslissingen en geldstromen binnen de huishouding, met name met de maandelijkse betalingen van een zakelijke rekening van [appellant] . De echtgenote verwijst namelijk naar die rekening als “onze rekening”.

3.3.5

Dexia acht het ongeloofwaardig dat [appellant] aanvankelijk (inleidende dagvaarding nr. 45) heeft aangevoerd dat zijn echtgenote pas eind 2002 / begin 2003 bekend werd met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten, maar naar aanleiding van het overleggen van de geluidsopname zijn standpunt heeft gewijzigd en heeft aangevoerd dat zijn echtgenote in 2001 bekend is geworden met de overeenkomsten (conclusie van repliek nr. 17). Volgens Dexia lijkt het erop dat [appellant] wil verbergen dat zijn echtgenote reeds vanaf aanvang wist van de overeenkomsten.2

3.3.6

De echtgenote deed de administratie van het bedrijf van [appellant] . Het is dan niet waarschijnlijk dat zij geen zicht had op de rekening waarvan de afschrijvingen ten gunste van Dexia plaatsvonden.

3.3.7

Tot slot kan Dexia zich niet aan de indruk onttrekken dat [appellant] , die in 2004 duplicaten van de overeenkomsten heeft opgevraagd, op dat moment wilde nagaan of de overeenkomsten mede waren ondertekend door zijn echtgenote. Als de echtgenote van [appellant] onbekend was met die overeenkomsten, zou er geen reden zijn geweest een duplicaat aan te vragen, aldus nog steeds Dexia.3

3.4

[appellant] heeft aangevoerd dat voor aanvang van de verjaringstermijn vereist is dat zijn echtgenote de bevoegdheid tot vernietiging daadwerkelijk heeft kunnen uitoefenen en dat daarvan geen sprake kan zijn als de echtgenote niet op de hoogte was van het feit dat [appellant] de effectenleaseovereenkomsten had gesloten. Hij heeft zich in de inleidende dagvaarding (nr. 42) op de volgende feiten en omstandigheden beroepen:

  1. [appellant] heeft zijn echtgenote niet verteld dat hij de overeenkomsten had gesloten en zij was daarvan ook niet op de hoogte.

  2. De betalingen aan Dexia werden gedaan vanaf twee rekeningen: een zakelijke rekening van [appellant] en een rekening die uitsluitend op naam van [appellant] (privé) stond. De echtgenote had een eigen bankrekening.

  3. De verlengingen in 2002 heeft [appellant] niet met zijn echtgenote besproken.

  4. De post van Dexia kwam binnen op het zakelijke postbusnummer van [appellant] . Die post is dus niet door de echtgenote geopend.

  5. De belastingaangifte werd gedaan door de boekhouder. [appellant] leverde daartoe de benodigde stukken aan. De echtgenote keek de ingevulde aangifte niet door.

  6. De echtgenote is omstreeks eind 2002/begin 2003 bekend geraakt met het bestaan van de overeenkomsten. Naar aanleiding van berichten in de media heeft [appellant] zijn echtgenote voor het eerst geïnformeerd over het bestaan van de overeenkomsten.

3.5

De kantonrechter heeft [appellant] en zijn echtgenote als getuigen gehoord. [appellant] heeft als getuige het volgende verklaard:

“(…) ik een eigen girorekening en die heb ik nog steeds. Die staat op mijn naam. Mijn echtgenote had toen ook een eigen girorekening en die heeft zij nog steeds. In de loop van het huwelijk zijn er zakelijke rekeningen bij gekomen op naam van mijn bedrijf. Ook hebben wij een en/of-rekening. Die wordt beheerd door mijn echtgenote.

Vanaf 1984 had ik een boekhouder administratiekantoor die voor mijn bedrijf de belastingpapieren in orde maakte. Volgens mij is er daarnaast geen belastingaangifte gedaan voor mij of mijn echtgenote. De belastingpapieren die de administrateur in orde maakte, werden door mij ondertekend. Mijn vrouw heeft daar geen inzage in gehad. Daar heeft zij geen verstand van.

Ik heb een postbus voor de zaak. En daar komt de zakelijke post binnen. De privépost van mij en mijn echtgenote valt op de mat thuis. Wie thuis is van ons, pakt die privépost op. Wij zien elkaars post niet in.

U vraagt mij hoe ik ertoe ben gekomen om in 1979 (lees: 1997, hof) de eerste leaseovereenkomst (nummer [nummer 1] ) op 23 mei af te sluiten. Iemand had mij verteld dat als ik die overeenkomst afsloot ik eerder zou kunnen stoppen met werken. Wie die iemand is geweest, dat kan ik mij niet herinneren. Ik weet zeker dat ik toen niet bij Legiolease langs ben geweest. Hoe het contact en deze overeenkomst wel tot stand is gekomen, dat weet ik niet meer. De maandelijkse termijnen, die ingevolge deze overeenkomst zijn betaald, zijn betaald vanaf mijn privérekening bij de giro/ING, nummer […] . Mijn echtgenote weet van het bestaan van deze privérekening van mij, maar zij heeft daar geen inzage in. Mijn echtgenote wist niet dat ik de leaseovereenkomst afsloot. Of ik naar aanleiding van deze overeenkomst contact heb opgenomen met Legiolease dat weet ik niet. Toen het op een gegeven moment mis ging met de afboekingen, heb ik tegen mijn echtgenote gezegd: bel jij even op en verander het nummer. Wanneer ik dit heb gezegd, weet ik niet meer.

Mijn echtgenote wist ook niet af van de tweede leaseovereenkomst, die ik op 19 juni 1999 (nummer [nummer 2] ) heb afgesloten. De maandelijkse termijnen zijn bij mijn weten van. mijn zakelijke rekening betaald. Mijn echtgenote heeft ook in die rekening geen inzicht. Wanneer mijn echtgenote op de hoogte is gekomen van de twee voornoemde door mij afgesloten leaseovereenkomsten, dat weet ik niet meer.

(…)

Ik gaf wel vaker opdrachten aan mijn echtgenote om telefoontjes te plegen. Want ik heb een stukadoorsbedrijf. Mijn echtgenote deed en doet de administratie van mijn stukadoorsbedrijf. Er zijn onder meer vier zakelijke rekeningen, te weten:

- (…)337 van het stukadoorsbedrijf

- (…)192 ook van het stukadoorsbedrijf

- (…)226 zijnde een g-rekening

- (…)326 zijnde de rekening van [naam ]

Mijn echtgenote die de administratie verzorgt van het stukadoorsbedrijf heeft alleen inzicht in de drie eerstgenoemde rekeningen en niet in de rekening van [naam ] . De maandelijkse termijnen van een van de twee leaseovereenkomsten werden betaald vanaf de rekening van [naam ] en de termijnen van de andere leaseovereenkomst vanaf mijn privérekening ((…)776). Als ik vraag om te bellen voor iemand die moet betalen, dan doet mijn echtgenote dat. Pas toen het misging met de afboekingen heb ik gezegd, bel maar even op naar Legiolease. Daarvoor heb ik nooit aan mijn echtgenote gevraagd om te bellen naar Legiolease, niet dat ik weet. Mijn vrouw spreekt in de wij-vorm omdat wij zijn gehuwd. Mijn echtgenote heeft mij nimmer een vraag gesteld over post die van Dexia binnen kwam.”

3.6

De echtgenote van [appellant] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

“In eerste instantie verzorgde mijn echtgenoot de financiën en later beheerde ik de gezamenlijke rekening. Dat is de en/of-rekening (…)325. Mijn echtgenoot heeft een stukadoorsbedrijf en ik ben in loondienst als enige administratief medewerker. Met deze werkzaamheden ben ik omstreeks 1990 begonnen. Ik maakte, en maak de rekeningen van J.G. Spuitbedrijf op en controleerde of die betaald werden. Dit controleerde ik aan de hand van de rekening van dit spuitbedrijf met nummer (…)337 en ook had ik inzicht in de g-rekening van het stukadoorsbedrijf. Als er grote privé-uitgaven door ons werden gedaan, dan bespreken en bespraken wij die, maar niet altijd. Mijn echtgenoot ging bijvoorbeeld op pad met mijn auto waarvan mijn licht kapot was en kwam met een andere auto terug. Andere voorbeelden die niet zijn besproken, zijn er niet. U vraagt mij of ik destijds heb geweten dat mijn man de winstverdubbelaar op 12 mei 1997 had afgesloten en op 9 juni 1999 de winstverdriedubbelaar. Daar wist ik niets, van. Een verklaring hiervoor heb ik niet. U houdt mij voor dat de maandelijkse termijnen van een van de twee leaseovereenkomsten werden betaald van de privérekening van mijn echtgenoot en de maandelijkse termijnen van de andere leaseovereenkomst vanaf een rekening van [naam ] . Van beide rekeningen wist ik van het bestaan af. Maar inzicht in die rekeningen had ik niet. Ik heb destijds nimmer post van Legiolease of Dexia aangetroffen. De boekhouder van het bedrijf verzorgt ook de belastingaangiftes voor ons privé. Die aangiftes heb ik destijds niet onder ogen gezien. Ik neem aan dat mijn echtgenoot die tekende. Op enig moment las mijn echtgenoot in de krant de problematiek met de Legiolease-aandelen en toen heeft hij mij verteld dat hij ook dergelijke overeenkomsten had afgesloten. Dat was voor het eerst dat ik daarvan kennis droeg. Wanneer dat precies is geweest, dat weet ik niet.

Naar aanleiding van de geluidsdrager die in deze procedure door Dexia is overgelegd, kan ik het volgende verklaren. Mijn echtgenoot had mij gevraagd om te bellen met Legiolease/Dexia vanwege afschrijving vanaf een verkeerde rekening. Ik heb toen opgebeld, maar dat dit ging over aandelenleaseovereenkomsten, dat wist ik niet. Op dat moment heb ik ook niet aan mijn man gevraagd om wat voor overeenkomsten dit eigenlijk ging. Dat heb ik pas later begrepen toen mijn man in de krant over Dexia las en mij daar over vertelde. Zoals gezegd weet ik niet meer precies wanneer dit is geweest.”

3.7

Het hof overweegt als volgt. De termijn van de verjaring van de bevoegdheid van de echtgenote om een buitengerechtelijke verklaring uit te brengen tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten op grond van het ontbreken van toestemming, is gaan lopen vanaf het tijdstip waarop zij met de overeenkomsten daadwerkelijk bekend is geworden. Op Dexia rust de stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast van de feiten waaruit bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.

3.8

Verder is van belang dat de Hoge Raad bij arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft beslist dat de stuitende werking op de voet van art. 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW. Ingevolge het bepaalde in art. 3:52 lid 2 BW leidt dit ertoe dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Meer concreet betekent dit voor deze zaak dat dat er stuitende werking is uitgegaan van het instellen van de Eegalease-procedure op 13 maart 2003. Het beroep van Dexia op verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging heeft dus alleen succes indien de echtgenote van [appellant] vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomsten.

3.9

Naar het oordeel van het hof volgt uit de transcriptie van het telefoongesprek van 19 oktober 2001 dat de echtgenote op dat moment op de hoogte moet zijn geweest van het bestaan van de twee (hier in het geding zijnde) effectenleaseovereenkomsten. De maandlasten voor deze overeenkomsten moesten worden betaald vanaf de bankrekening van [naam ] . De echtgenote heeft op 19 oktober 2001 met Dexia gebeld omdat er al enkele maanden iets is mis ging met de afschrijvingen met als gevolg dat [appellant] en zijzelf aanmaningen ontvingen van Dun & Bradstreet. Uit het telefoongesprek wordt duidelijk dat er in de maanden daarvoor met Dexia hierover was gecorrespondeerd en dat de echtgenote inzage in die correspondentie had. Uit het telefoongesprek volgt ook dat daarover enkele malen telefonisch contact is geweest met Dexia en Dun & Bradstreet. De echtgenote zegt onder meer:

“Wij hebben begin juni contact gehad met meneer [naam medewerker] (medewerker van Dexia, hof) en hebben ook een brief over geschreven over de wijziging van het bankrekeningnummer. Nu blijkt dat vanaf die wijziging is er gewoon niks afgeschreven en nu word ik bestookt met allerlei brieven van Dun & Bradstreet, waar we niet vrolijk van worden. Want wij hebben heel duidelijk aan jullie te kennen gegeven van welke bankrekening dat afgehaald moet worden: het zakelijke rekening waar geen blokkering op zit. Dus we blijven zo aan de gang.”

Dat de echtgenote ten tijde van het telefoongesprek niet wist dat het om effectenleaseovereenkomsten ging, zoals zij als getuige heeft verklaard, acht het hof ongeloofwaardig. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat het gesprek, dat in de in de wij-vorm en de ik-vorm is gevoerd, de stellige indruk wekt dat de echtgenote van [appellant] ten tijde van het telefoongesprek wist dat het om de door [appellant] gesloten effectenleaseovereenkomsten ging en op de hoogte was van de administratieve verwikkelingen rondom deze overeenkomsten.

3.10

Dexia wijst terecht op het feit dat [appellant] verschillende stellingen heeft ingenomen over de vraag wanneer zijn echtgenote bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomsten. Bij inleidende dagvaarding (nr. 45) heeft hij gesteld dat zijn echtgenote voor eind 2002 / begin 2003 niets wist van de overeenkomsten, maar hij heeft zijn stellingen aangepast nadat hij bekend is geraakt met de opname van het telefoongesprek van 19 oktober 2001. Bij conclusie van repliek (nr. 17) heeft [appellant] aangevoerd dat hij aanvankelijk niet meer wist van de kwestie met de bankrekening, maar dat uit de geluidsopnames blijkt dat zijn echtgenote inderdaad sinds medio 2001 bekend was met het bestaan van de overeenkomsten. Na de getuigenverhoren – waarin zijn echtgenote verklaarde dat zij niet wist dat het telefoongesprek van 19 oktober 2001 ging over de door [appellant] gesloten effectenleaseovereenkomsten en dat zij er pas later van heeft gehoord toen haar man over Dexia in de krant las – heeft [appellant] nogmaals zijn stellingen aangepast. Volgens [appellant] belde zijn echtgenote over het feit dat het vanaf 26 maart 2001 misging met de maandelijkse betalingen en is zij dus niet eerder dan op 26 maart 2001 bekend geworden met het bestaan van de overeenkomsten (conclusie na enquête nr. 6 en memorie van grieven nr. 5.7). Gezien de verschillende tegenstrijdige verklaringen, heeft [appellant] onvoldoende toegelicht hoe en wanneer zijn echtgenote bekend is geraakt met de effectenleaseovereenkomsten.

3.11

Verder staat vast dat de echtgenote van [appellant] de administratie van het bedrijf voerde en inzicht had in de bankrekeningen van het bedrijf, met uitzondering van – naar [appellant] stelt – de bankrekening van [naam ] . Ook als dat laatste juist zou zijn, hetgeen het hof weinig geloofwaardig acht, is in dit geval geen sprake van een ‘klassieke’ taakverdeling tussen de beide echtelieden, waarbij de ene echtgenoot alle financiële zaken regelt en de andere echtgenoot zich voornamelijk bekommert om de kinderen en het huishouden. Dit wordt onderstreept door het feit dat [appellant] als getuige heeft verklaard dat zijn echtgenote de gezamenlijke en/of-rekening beheerde. Tegen deze achtergrond acht het hof het onaannemelijk dat [appellant] het sluiten van de effectenleaseovereenkomsten – die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigden en waarvoor aanzienlijke maandelijkse lasten moesten worden voldaan – niet met zijn echtgenote zou hebben besproken.

3.12

De kantonrechter heeft dus terecht geoordeeld dat Dexia in het bewijs is geslaagd dat de echtgenote van [appellant] vóór of op 13 maart 2000 kennis heeft gekregen van het bestaan van de twee effectenleaseovereenkomsten. De desbetreffende grief van [appellant] faalt. De bevoegdheid van de echtgenote van [appellant] om de overeenkomsten uit 1997 en 1999 te vernietigen was op 20 september 2004 verjaard.

3.13

In nr. 3.2 en nr. 4.1 van de memorie van grieven heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter eraan voorbij is gegaan dat de verlengingen van de overeenkomsten in 2002 zelfstandige rechtshandelingen zijn, waarvan de vernietiging afzonderlijk moet worden beoordeeld. Dexia heeft opgemerkt dat in eerste aanleg geen expliciete vordering ter zake van de verlengingen is ingesteld, maar heeft zich overigens gerefereerd aan het oordeel van het hof.

3.14

Deze grief slaagt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:41) volgt dat de overeenkomsten en de verlengingen daarvan zijn aan te merken als zelfstandige overeenkomsten en dat de ratio van art. 1:88 lid 1 BW meebrengt dat ook voor de verlengingsovereenkomst de toestemming van de andere echtgenoot is vereist. Dexia heeft niet bestreden dat de beide overeenkomsten in 2002 zijn verlengd, dat de echtgenote van [appellant] daarvoor geen toestemming heeft gegeven en dat de (verlengde) overeenkomsten in 2004 buitengerechtelijk zijn vernietigd. Vernietiging van de verlengingen heeft dus plaatsgevonden binnen de verjaringstermijn van drie jaar. Dit leidt tot de conclusie dat de verlengingsovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd.

3.15

Het vorenstaande betekent dat de vorderingen van [appellant] toewijsbaar zijn, althans voor zover deze zien op de verlengde overeenkomsten. Toewijsbaar is dus de gevorderde verklaring voor recht dat de verlengde overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] rechtsgeldig zijn vernietigd en de gevorderde veroordeling van Dexia tot betaling van al hetgeen [appellant] uit hoofde van deze verlengde overeenkomsten heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na 20 september 2004. Hierop komt uiteraard in mindering al hetgeen [appellant] uit hoofde van de verlengde overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen.

3.16

Voor de reconventionele vorderingen van Dexia heeft het slagen van de grief de volgende consequenties. De door de kantonrechter toegewezen verklaringen voor recht kunnen in stand blijven, aangezien deze klaarblijkelijk uitsluitend zien op het aangaan van de initiële overeenkomsten en niet op de nadien overeengekomen verlengingen.

3.17

Daarnaast heeft Dexia gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 6.778,79, zijnde de restschuld van overeenkomst [nummer 2] en een derde effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer 3] . De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] uitsluitend ter zake van overeenkomst [nummer 2] nog iets aan Dexia is verschuldigd. Uit de door Dexia overgelegde eindafrekening volgt dat [appellant] aan het eind van de looptijd ter zake van deze overeenkomst een restschuld had van € 6.791,31. [appellant] is hiervoor een betalingsregeling overeengekomen en heeft op grond daarvan € 630,98 aan Dexia betaald. Nu [appellant] slechts 1/3 van de restschuld behoeft te voldoen, resulteert een en ander erin dat [appellant] is veroordeeld tot betaling van € 2.053,44 aan Dexia.

3.18

Deze veroordeling kan niet in stand blijven, omdat de verlenging van overeenkomst [nummer 2] rechtsgeldig is vernietigd. Het is onduidelijk of er ter zake van deze overeenkomst op het moment van de verlenging een (tussentijdse) restschuld bestond die door [appellant] moet worden voldaan en zo ja, hoe groot deze restschuld is. Dexia heeft dat verder niet toegelicht, hoewel dat gezien haar hiervoor in 3.13 vermelde referte wel op haar weg had gelegen. De vordering dient daarom bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing te worden afgewezen.

3.19

Gelet op de uitkomst van het hoger beroep ziet het hof geen aanleiding de beslissing omtrent de proceskosten in eerste aanleg te vernietigen. Ook in hoger beroep zal het hof de proceskosten compenseren nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

4 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden vonnissen voor zover het gaat om (i) in conventie: de beslissingen ter zake van de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] (de effectenleaseovereenkomsten I en II) en (ii) in reconventie: de betalingsveroordeling van € 2.053,44 (met wettelijke rente);

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

in conventie:

- verklaart voor recht dat de verlengingen van de effectenleaseovereenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] rechtsgeldig zijn vernietigd door de echtgenote van [appellant] en veroordeelt Dexia om al hetgeen door [appellant] krachtens deze verlengde overeenkomsten aan Dexia is betaald, aan [appellant] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2004 over het saldo van de onverschuldigde betalingen per deze datum tot de dag der voldoening daarvan;

in reconventie:

- wijst af de door Dexia gevorderde betaling van het bedrag van € 2.053,44 (met wettelijke rente) aan restschuld ter zake van effectenleaseovereenkomst [nummer 2] ;

- bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige;

- compenseert de proceskosten aldus dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, M.J. van der Ven en F.R Salomons en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 16 juni 2020 in aanwezigheid van de griffier.

1 Cva nr. 9 en 24.

2 Zie nr. 14 en 19 mva.

3 Nr. 21 mva