Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:984

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
200.274.975/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering om uitlevering te verbieden afgewezen omdat (dreigende) schending van fundamentele rechten niet aannemelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.274.975/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/586250/ KG ZA 20/6

arrest van 9 juni 2020

inzake

[appellant ] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Arnhem,

appellant,

hierna te noemen: [appellant ] ,

advocaat: mr. A.F.M. Oudijk te Utrecht,

tegen

De Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie & Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: De Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

1 De procedure in hoger beroep

1.1

Bij appeldagvaarding van 21 februari 2020 heeft [appellant ] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 24 januari 2020 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag in kort geding tussen partijen heeft gewezen (hierna te noemen: het vonnis). In de dagvaarding heeft [appellant ] vier grieven tegen het vonnis aangevoerd, en verzocht om een behandeling als spoedappel. Bij memorie van antwoord heeft de Staat de grieven bestreden. Partijen hebben de zaak op 12 mei 2020 schriftelijk laten bepleiten door hun advocaten. Daarbij heeft [appellant ] nog een productie overgelegd.

1.2

Vervolgens is arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1

De door de voorzieningenrechter in het vonnis vastgestelde feiten zijn, met uitzondering van de feiten opgesomd in rov. 2.1, waartegen grief I zich richt, niet in geschil. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2

[appellant ] heeft van 13 tot 17 december 2013 (in Ede) vastgezeten in verband met een Interpolsignalering. Vervolgens heeft [appellant ] op 7 juni 2015 vastgezeten naar aanleiding van een uitleveringsverzoek van de Turkse autoriteiten (hierna ook te noemen: het eerste uitleveringsverzoek). In verband met dit uitleveringsverzoek is [appellant ] op 5 januari 2016 opnieuw aangehouden. Nadat het uitleveringsverzoek door de Turkse autoriteiten is ingetrokken (omdat de rechtbank die het uitleveringsverzoek had gedaan zich relatief onbevoegd verklaarde en de zaak naar een ander Turks gerecht verwees) is [appellant ] op 5 februari 2016 weer in vrijheid gesteld.

2.3

Eind 2016 hebben de Nederlandse autoriteiten een nieuw uitleveringsverzoek van

de Turkse autoriteiten ontvangen (hierna ook te noemen: het tweede uitleveringsverzoek).

De Turkse autoriteiten hebben daarin gevraagd om uitlevering met het oog op vervolging van [appellant ] in verband met de handel in verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie.

2.4

In verband met het tweede uitleveringsverzoek is [appellant ] op 21 december 2016

aangehouden en in uitleveringsdetentie genomen. Bij beschikking van de rechtbank

Gelderland van 29 december 2016 is deze uitleveringsdetentie met ingang van 30 december

2016 onder voorwaarden geschorst. Vervolgens is bij beslissing van de rechtbank

Gelderland van 13 januari 2017 de gevangenhouding van [appellant ] bevolen. Die

gevangenhouding is bij afzonderlijke beschikking van 13 januari 2017 onmiddellijk onder

voorwaarden geschorst.

2.5

Bij uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 januari 2017 is de uitlevering

van [appellant ] toelaatbaar verklaard. Bij advies van dezelfde datum concludeert de rechtbank

als volgt:

"Gelet op haar bovengenoemde beslissing adviseert de rechtbank de Minister van Veiligheid en Justitie op het voornoemde uitleveringsverzoek toewijzend te beschikken, maar niet voordat in het bijzonder is nagegaan:

- in welke mate de in de media berichte aanhouding en detentie van rechters

en openbare aanklagers het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn in het geval van de opgeëiste persoon onder druk zet;

- in welke mate de vorengenoemde omstandigheid alsmede de in de media

berichte aanhouding en detentie van advocaten het recht van de opgeëiste persoon op onbelemmerde toegang tot een raadsman van zijn keuze onder druk zet;

- in welke mate de huidige situatie in Turkije invloed heeft op de detentieomstandigheden aldaar;

2.6

Bij brieven van 3 februari 2017 en 24 maart 2017 hebben de Turkse autoriteiten

diverse garanties gegeven met betrekking tot de bejegening van opgeëiste personen. Bij

note verbale’ van 7 juli 2017 hebben de Turkse autoriteiten te kennen gegeven dat de in die

brieven gegeven garanties ook van toepassing zijn in de zaak van [appellant ] .

2.7

Op 22 maart 2017 is [appellant ] in Duitsland, na op heterdaad betrapt te zijn,

aangehouden vanwege een verdenking van invoer van en handel in verdovende middelen.

Vervolgens is hij voor deze feiten op 31 juli 2017 door het Landgericht Kleve

onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden. De

tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf is overgedragen aan Nederland en [appellant ] is

daartoe op 22 maart 2019 door de Duitse autoriteiten aan Nederland overgedragen. Op 17

januari 2020 kwam [appellant ] voor het eerst in aanmerking voor voorwaardelijke

invrijheidstelling.

2.8

Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 17 mei 2019 is de bij

beschikking van 13 januari 2017 bevolen schorsing van de gevangenhouding opgeheven

met ingang van 17 januari 2020, of zoveel later of eerder als [appellant ] ingevolge de

tenuitvoerlegging van de Duitse gevangenisstraf voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld.

2.9

Bij beschikking van de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) van

5 juli 2019 heeft de Minister besloten de verzochte uitlevering van [appellant ] toe te staan. De

Minister heeft daarbij, voor zover nu relevant, als volgt overwogen:

(…)

4.2.

Allereerst is het van belang om op te merken dat de noodtoestand in Turkije sinds 19 juli 2018 niet meer van kracht is. Voor zover gevreesd wordt dat er niettemin sprake zal zijn van schendingen van artikel 3 en 6 EVRM, is het volgende van belang.

4.3.

Naar aanleiding van de genoemde ontwikkelingen heeft de Minister het

noodzakelijk gevonden Turkije in de loop van 2017 aanvullende informatie en

garanties met betrekking tot de naleving van artikel 3 en 6 EVRM te vragen. De

Turkse autoriteiten hebben de Minister bij brief van 13 februari 2017 en 24 maart 2017 aanvullende informatie en garanties verstrekt over onder meer toepassing van artikel 3 EVRM, detentieomstandigheden, toegang tot een raadsman en de toegang tot effectieve klachtmogelijkheden.

4.4.

In de bovengenoemde brieven met garanties van de Turkse autoriteiten wordt tevens deze garantie verstrekt voor de opgeëiste persoon (zie p. 1 van beide documenten). Volledigheidshalve is een kopie van deze brieven bijgesloten, waarbij de namen van andere opgeëiste personen geanonimiseerd zijn.

4.5.

Gelet op het voorgaande concludeert de Minister dat de detentieomstandigheden van verdachten voor commune delicten (zoals in dit geval) niet onredelijk zijn, dat de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon ten aanzien van artikel 3 en 6 EVRM en dat de toegang tot effectieve klachtmogelijkheden voldoende is gewaarborgd.

(…)

2.10

Op 17 januari 2020 is [appellant ] voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Op hetzelfde moment is hij in uitleveringsdetentie genomen. Hij verblijft sindsdien in de penitentiaire inrichting te Arnhem.

3 De procedure in eerste aanleg

3.1

[appellant ] heeft in eerste aanleg gevorderd de Staat op straffe van een dwangsom te

verbieden hem uit te leveren aan Turkije, met veroordeling van de Staat in de kosten van de

procedure. De Staat heeft verweer gevoerd. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellant ] afgewezen en [appellant ] in de proceskosten veroordeeld. Samengevat komen de overwegingen van de voorzieningenrechter neer op het volgende. Het beroep van [appellant ] op artikel 8 EVRM faalt omdat [appellant ] niet heeft onderbouwd waarom uitlevering zal leiden tot een inbreuk op zijn familie- en gezinsleven. De stelling van [appellant ] dat hij al geruime tijd in onzekerheid verkeert over zijn uitlevering levert geen grond op voor afwijzing van het verzoek vanwege bijzondere hardheid in de zin van artikel 10, tweede lid van de Uitleveringswet. Ook het beroep van [appellant ] op artikel 6 EVRM faalt. [appellant ] heeft niet onderbouwd dat hij door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico op een flagrante schending van deze bepaling. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM moet worden uitgegaan van het tweede uitleveringsverzoek. Sinds dat uitleveringsverzoek heeft de Staat voortvarend gehandeld. Het feit dat de Minister uiteindelijk pas op 5 juli 2019 heeft beschikt op het tweede uitleveringsverzoek, kan worden gerechtvaardigd door de detentie van [appellant ] uit hoofde van de Duitse gevangenisstraf. Feitelijke uitlevering was pas na die detentie aan de orde, en door de beschikking kort voor de feitelijke uitlevering te nemen, heeft de Minister de meest recente feiten en omstandigheden in aanmerking kunnen nemen. Daarbij komt dat de waarborgen van artikel 6 EVRM niet van toepassing zijn op de in Nederland gevolgde uitleveringsprocedure. Dat in Turkije een ernstige overschrijding van de redelijke termijn dreigt, heeft [appellant ] onvoldoende onderbouwd. Uitgangspunt is dat er op vertrouwd moet worden dat Turkije het EVRM naleeft. [appellant ] heeft niets aangevoerd dat erop wijst dat in Turkije bij de berechting van commune delicten, zoals het delict waarvoor de uitlevering van [appellant ] is gevraagd, de redelijke termijn wordt overschreden. Evenmin is komen vast te staan dat [appellant ] geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat als toch sprake mocht zijn van een schending van artikel 6 EVRM.

4 De vordering in hoger beroep

4.1

In hoger beroep vordert [appellant ] vernietiging van het vonnis, toewijzing van zijn vordering in eerste aanleg, veroordeling van de Staat om aan hem terug te betalen wat hij ter uitvoering van het vonnis aan de Staat heeft betaald, te vermeerderen met wettelijke rente, en

veroordeling van de Staat in de proceskosten in beide instanties, inclusief nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente.

4.2

De Staat heeft de grieven weersproken en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van [appellant ] in de proceskosten, inclusief nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente.

5 Beoordeling

5.1

De voorzieningenrechter heeft in rovv. 4.1 tot en met 4.3 van het vonnis een beschrijving gegeven van het beoordelingskader. Samengevat komt dit beoordelingskader erop neer dat een besluit van de Minister op grond van de Uitleveringswet om de uitlevering van een opgeëiste persoon toe te staan, volledig kan worden getoetst door de burgerlijke rechter wat betreft mogelijke schendingen van fundamentele rechten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat als het uitleveringsverzoek afkomstig is van een Staat die toegetreden is tot het EVRM, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van het EVRM zal eerbiedigen. Het ligt dus in beginsel op de weg van de opgeëiste persoon (in dit geval: [appellant ] ) om aannemelijk te maken dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren. Met inachtneming van dit beoordelingskader zal het hof hierna de grieven van [appellant ] bespreken.

5.2

Grief I van [appellant ] is gericht tegen rov. 2.1 van het vonnis. [appellant ] stelt dat hij op 7 juni 2015 heeft vastgezeten in verband met het eerste uitleveringsverzoek van Turkije en niet op basis van een Interpolsignalering, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen. De Staat heeft dat bevestigd. Het hof heeft hiermee rekening gehouden bij de vaststelling van de feiten (zie hiervoor onder 2.2). Verder stelt [appellant ] dat hij van 13 december 2013 tot en mét 17 december 2013 heeft vastgezeten, en niet tót 17 december 2013 zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen. De Staat heeft bij memorie van antwoord aangevoerd dat [appellant ] op 17 december 2013 in vrijheid is gesteld. [appellant ] is daar bij pleidooi niet op teruggekomen, zodat het hof uitgaat van de juistheid van het verweer van de Staat. In zoverre faalt deze grief.

5.3

Met grief II komt [appellant ] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij zijn beroep op artikel 8 EVRM niet heeft onderbouwd. [appellant ] stelt dat hij vóór zijn detentie mantelzorger was voor zijn moeder. Verder stelt hij dat hij vanaf zijn eerste aanhouding in juni 2015 in onzekerheid heeft verkeerd over de vraag of de Minister zijn uitlevering zou toestaan. Gelet op die voortdurende onzekerheid is het volgens [appellant ] in strijd met artikel 8 EVRM om de uitlevering nu nog door te zetten.

5.4

In dit verband neemt [appellant ] ten onrechte het eerste uitleveringsverzoek tot uitgangspunt. Dat uitleveringsverzoek is door de Turkse autoriteiten ingetrokken. Ter beoordeling ligt voor de beslissing van de Minister op het tweede uitleveringsverzoek. Bij die beoordeling moet worden uitgegaan van het tijdstip waarop het tweede uitleveringsverzoek is gedaan, dat wil zeggen eind 2016. Zonder nadere toelichting, die [appellant ] niet heeft gegeven, valt niet in te zien dat het feit dat [appellant ] sindsdien in onzekerheid heeft verkeerd over zijn uitlevering, heeft geleid tot een aantasting van zijn familie- en gezinsleven. Overigens is de belangrijkste reden dat het tot juli 2019 heeft geduurd voordat de Minister op het tweede uitleveringsverzoek heeft beslist, dat [appellant ] eerst de gevangenisstraf heeft moeten uitzitten voor de strafbare feiten die hij in Duitsland heeft begaan. Zoals de Staat heeft toegelicht, is het gebruikelijk om bij detentie uit anderen hoofde pas tegen het einde van die detentie over een uitleveringsverzoek te beslissen, zodat de beslissing kort voor de feitelijke uitlevering wordt genomen. Zo kan bij die beslissing met de laatste ontwikkelingen rekening worden gehouden. [appellant ] heeft dat beleid als zodanig niet bestreden, maar hij stelt dat de Minister heeft nagelaten kort voor de beschikking van 5 juli 2019 nieuwe informatie op te vragen omtrent de persoonlijke omstandigheden van [appellant ] of relevante ontwikkelingen in Turkije. Kennelijk meent [appellant ] dat in die omstandigheden de Minister het uitstel van de behandeling van het uitleveringsverzoek niet kan wijten aan zijn detentie. Wat betreft zijn persoonlijke omstandigheden lag het op de weg van [appellant ] om de Minister daarover te informeren. Wat betreft de ontwikkelingen in Turkije volgt het hof de Minister in zijn verweer dat hij zijn beslissing heeft kunnen nemen op basis van de aanvullende informatie en garanties die de Minister in 2017 van de Turkse autoriteiten heeft verkregen, nu hem uit openbare bronnen geen informatie bekend was die aanleiding gaf tot het stellen van nieuwe vragen. Het hof zal dat hierna toelichten bij de bespreking van grief III van [appellant ] . De slotsom is dat het familie- en gezinsleven van [appellant ] niet kan zijn aangetast door onzekerheid over zijn uitlevering. Grief II faalt.

5.5

Grief III bevat een aantal klachten over de verwerping van het beroep van [appellant ] op de artikelen 6 en 13 EVRM in rovv. 4.11 tot en met 4.14 van het vonnis. Het betoog van [appellant ] kan als volgt worden samengevat. Turkije heeft onvoldoende garanties gegeven voor de naleving van artikel 6 EVRM, in de eerste plaats ten aanzien van de redelijke termijn. Dat zulke garanties worden verstrekt is des te meer van belang nu de uitleveringsprocedure in Nederland al 2,5 jaar in beslag heeft genomen. Dat de zaak van [appellant ] in Turkije binnen een redelijke termijn zal worden behandeld is echter in geen enkel opzicht gegarandeerd. Uit de berichtgeving van het ministerie van Buitenlandse Zaken uit 2017 en 2019 over de mensenrechtensituatie in Turkije volgt dat onvoldoende aandacht uitgaat naar de berechting van commune delicten. Verder volgt uit een rapport over Turkije van de Europese Commissie uit 2019 dat sprake is van groeiende achterstanden in de behandeling van strafzaken. Turkije heeft ook onvoldoende garanties gegeven voor de behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Dat blijkt uit het rapport van de Europese Commissie, waarin staat dat een groot aantal onervaren rechters en officieren is geworven zonder adequate training, en het rapport van de International Commission of Jurists (hierna te noemen: ICJ) van 18 juli 2019, waarin wordt gewezen op ernstige tekortkomingen in de Turkse rechtspraak. Ook voor de naleving van artikel 13 EVRM zijn onvoldoende garanties gegeven. De klachtregeling bij de “Office of Execution Judge” kan niet worden beschouwd als een afdoende rechtsmiddel in de zin van dit artikel. Ten slotte had de Minister niet mogen vertrouwen op de aanvullende informatie en garanties die zijn verstrekt door de Turkse autoriteiten in 2017 voor een beslissing die in 2019 is genomen. Die informatie is achteraf onjuist gebleken, gelet op het grote aantal rechters en officieren van justitie dat sindsdien is ontslagen en op de overvolle cellen, aldus nog steeds [appellant ] .

5.6

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de beslissing op het uitleveringsverzoek, de duur van de uitleveringsprocedure in Nederland buiten beschouwing moet worden gelaten. In dat opzicht sluit het hof zich aan bij de overweging van de voorzieningenrechter dat Turkije niet kan worden afgerekend op de wijze waarop het uitleveringsverzoek in Nederland is behandeld (vgl. rov. 4.12 van het vonnis). Overigens is reeds bij de bespreking van grief II vastgesteld dat het feit dat de Minister pas in juli 2019 op het uitleveringsverzoek heeft beslist, voornamelijk is te wijten aan de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf die aan [appellant ] is opgelegd voor de strafbare feiten die hij in Duitsland heeft begaan.

5.7

Wat betreft de situatie in Turkije brengt het vertrouwen dat moet worden gesteld in de naleving van het EVRM door de verzoekende staat mee, dat een uitleveringsverzoek slechts kan worden geweigerd indien blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op zijn rechten ingevolge artikel 6 EVRM en hem ter zake van die inbreuk geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat (vgl. Hoge Raad 3 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312). Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter in rovv. 4.12 tot en met 4.14 van het vonnis met juistheid overwogen dat [appellant ] zijn stellingen in dit opzicht onvoldoende heeft onderbouwd. Wat [appellant ] in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

5.8

Uit de berichtgeving van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de rapporten die [appellant ] aanhaalt, blijkt dat zich na de mislukte staatsgreep in 2016 zorgwekkende ontwikkelingen in het rechtssysteem van Turkije hebben voorgedaan. Daarop heeft het hof reeds gewezen in zijn arrest van 31 oktober 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:3257). Zoals het hof echter ook in dat arrest heeft overwogen, zijn die ontwikkelingen met name bedreigend voor een bepaalde groep personen, zoals (vermeende) aanhangers van de Gülen beweging, personen die betrokken zijn (geweest) bij het corruptieonderzoek tegen (familie van) overheidsdienaren van de regering Erdogan en personen met een Koerdische achtergrond en (vermeende) banden met de PKK. [appellant ] behoort niet tot die kwetsbare groep personen. De noodtoestand in Turkije is in juli 2018 opgeheven. Het door het ministerie van Buitenlandse Zaken in de update van 18 september 2017 gesignaleerde risico dat het langer kan duren voordat verdachten van commune delicten voor de rechter verschijnen nu prioriteit wordt gegeven aan de berechting van politieke gevangenen, zal sindsdien eerder zijn afgenomen dan toegenomen, mede gezien het feit dat inmiddels veel nieuwe rechters en officieren van justitie zijn aangesteld. In de bladzijde uit het rapport van de Europese Commissie die [appellant ] heeft overgelegd is sprake van een “emerging backlog” van zaken en een “excessive length of some trials”. Uit dit rapport zijn echter geen concrete aanwijzingen af te leiden dat commune delicten in het algemeen niet binnen een redelijke termijn worden behandeld. De bladzijde uit het rapport van de Europese Commissie waar [appellant ] zich op beroept, heeft betrekking op de “efficiency” van de rechterlijke macht in Turkije. De opmerking over de onervarenheid van rechters en officieren van justitie moet in dat licht worden bezien en levert geen concrete aanwijzing op dat de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van de behandeling van commune strafzaken in gevaar is. In het rapport van de ICJ worden ernstige zorgen geuit over de onafhankelijkheid van rechters die in functie zijn gebleven, vanwege het “chilling effect” van het massale ontslag van rechters na de mislukte staatsgreep in 2016. Uit het rapport valt echter niet af te leiden dat ten gevolge van dit “chilling effect” ook de onpartijdige en onafhankelijke behandeling van commune strafzaken wordt bedreigd. Hetzelfde geldt voor het door de ICJ gesignaleerde gebrek aan institutionele garanties voor de onafhankelijkheid van rechters. [appellant ] heeft ten slotte niet aannemelijk gemaakt dat als zich toch een inbreuk op artikel 6 EVRM mocht voordoen, hij niet kan beschikken over een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM. De klachtprocedure bij de “Office of Execution Judge”, waarnaar de Turkse autoriteiten hebben verwezen in hun brief van 24 maart 2017, is bedoeld voor klachten van gedetineerden over disciplinaire straffen en andere maatregelen; niet als rechtsmiddel in geval van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, zoals [appellant ] lijkt te veronderstellen in punt 49 van de appeldagvaarding. Nu Turkije is toegetreden tot het EVRM, moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat Turkije de bepalingen van het EVRM zal eerbiedigen, en [appellant ] dus een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste zal staan in geval van een schending van zijn rechten ingevolge artikel 6 EVRM. [appellant ] heeft niets aangevoerd dat wijst op het tegendeel.

5.9

Het hof volgt [appellant ] ook niet in zijn stelling dat de Minister niet had mogen vertrouwen op de aanvullende informatie en garanties verstrekt door de Turkse autoriteiten in 2017. Ter onderbouwing van deze stelling herhaalt [appellant ] zijn eerdere argument dat de ernstige vertraging van de rechtspleging, veroorzaakt door het ontslag van een groot aantal rechters en officieren van justitie, een overschrijding van de redelijke termijn tot gevolg kan hebben. Hiervoor is reeds vastgesteld dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat daarvan ook bij de berechting van commune delicten in het algemeen sprake is. Verder verwijst [appellant ] naar de berichtgeving van het ministerie van Buitenlandse Zaken over de bezettingsgraad van cellen. Het ministerie (van Buitenlandse Zaken) geeft in zijn berichtgeving weliswaar aan dat sprake is van “overcrowding” van gevangenissen, maar concludeert ook dat de detentieomstandigheden van personen, veroordeeld voor commune delicten, in het algemeen redelijk zijn. Anders dan [appellant ] stelt, kan het hof uit deze berichtgeving niet afleiden dat de aanvullende informatie en garanties van de Turkse autoriteiten onjuist zijn. Er bestond gezien het voorgaande ook geen aanleiding voor de Minister om nieuwe informatie en/of garanties te vragen.

5.10

Grief III faalt dus ook.

5.11

In grief IV klaagt [appellant ] over zijn veroordeling in de proceskosten. Deze grief deelt het lot van de vorige grieven.

5.12

Het voorgaande betekent dat het vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant ] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

6 Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 24 januari 2020;

- veroordeelt [appellant ] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot heden begroot op € 760,- aan griffierecht en € 2.148,- aan salaris voor de advocaat en op € 157,- aan na salaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,-indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak, dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen;

- verklaart dit arrest voor zover het betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, D. Aarts en R.M. Hermans en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2020 in aanwezigheid van de griffier.