Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:982

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
200.240.050/01
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onoverdraagbaarheidsbeding = onverpandbaarheidsbeding? Is per datum faillissement sprake van toekomsitge vorderingen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0169
NTHR 2020, afl. 4, p. 203
RCR 2020/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.240.050/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/510604/ HA ZA 16/551

arrest van 9 juni 2020

inzake

De coöperatie Coöperatieve Rabobank U.A., gevestigd te Amsterdam,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep

hierna te noemen: Rabobank,

advocaat: voorheen mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk, thans mr. T.P. Timmers te Den Haag

tegen

  1. Mr. Emanuel Andreas Henderikus Ten Berge in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap onder firma Firma [de firma] V.O.F.,

  2. Debbij Henrietta Henrica Graven-Quasters in haar hoedanigheid van bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregelingen van [naam 1] en [naam 2],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de curator en de bewindvoerder, en gezamenlijk ook de curator c.s.,

Advocaat: mr. F.J. Hordijk te Naaldwijk.

1 Het geding

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de hogerberoepdagvaarding van 22 februari 2018 en het herstelexploot van 9 maart 2018, waarbij Rabobank in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 december 2017 (het bestreden vonnis);

  • -

    de memorie van grieven in het principaal hoger beroep, met producties I-IV

  • -

    de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep/grieven in het incidenteel hoger beroep, met producties I-II

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep, met producties V-VI

  • -

    het schriftelijk pleidooi van Rabobank, met producties VII-VIII

  • -

    het schriftelijk pleidooi van de curator, met productie III.

1.2.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en om arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

Bij beschikkingen van 8 mei 2015 van de rechtbank Den Haag zijn de faillissementen van [naam 1] en [naam 2] (hierna ook: [de vennoten] ) opgeheven onder gelijktijdig van toepassing

verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling, met aanstelling van de curator als

bewindvoerder. Per 2 augustus 2016 is de huidige bewindvoerder de curator opgevolgd in diens hoedanigheid van bewindvoerder in de schuldsaneringsregelingen van [de vennoten] . In het navolgende wordt over de curator in zijn huidige hoedanigheid en tevens toenmalige hoedanigheid van bewindvoerder van [de vennoten] , ook gesproken als: de curator c.s.

2.2.

De door de rechtbank in het bestreden vonnis onder 2. vermelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

korte aanduiding van de zaak

2.3.

Op 10 december 2013 zijn Firma [de firma] V.O.F. (hierna: [de firma] ) en haar [de vennoten] (tezamen met [de firma] ook: [de firma] c.s.) in staat van faillissement verklaard, onder gelijktijdige intrekking van de op 29 november 2013 aan [de firma] voorlopig verleende surseance van betaling, met aanstelling van de curator als zodanig. Zoals onder 2.1 vermeld zijn de faillissementen van [de vennoten] omgezet in wettelijke schuldsaneringen.

2.4.

[de firma] c.s. was lid van de coöperatie Coöperatieve Bloemenveiling

FloraHolland U.A. (hierna: FloraHolland). FloraHolland werd (mede) gefinancierd door de leden in de vorm van een ledenlening en een participatiereserve. De statuten van FloraHolland (hierna: de statuten) per 1 januari 2013, die – hierover zijn partijen het eens – leidend zijn ter zake van de kwesties die partijen in de onderhavige procedure verdeeld houden, hielden onder meer regelingen in ter zake van de voeding/opbouw en terug-/uitbetaling van die ledenlening en participatiereserve (artikelen 17 en 33 en 34). Ook hielden de statuten een regeling in voor rechtsopvolging in relatie tot de ledenlening en de participatiereserve (artikel 6 lid 7) en een bepaling die inhield dat buiten die regeling, een participatierekening niet vatbaar is voor overdracht of overgang (artikel 34 lid 7). De relevante bepalingen luidden, voor zover van belang, als volgt:

“[...] Verkrijging van het (gewone) lidmaatschap.

Artikel 6.

1. Lid van de coöperatie kunnen zijn:

a. Natuurlijke personen en rechtspersonen die niet in staat van faillissement verkeren en één of meer bedrijven uitoefenen, waarin sierteeltproducten worden geteeld. […]

c. Personencombinaties, zoals de (openbare) vennootschap en commanditaire vennootschap, die niet in staat van faillissement verkeren en van welke de deelgenoten (leden of vennoten) één of meer bedrijven uitoefenen als onder a. bedoeld.

[…]

7. Het lidmaatschap is persoonlijk en derhalve niet vatbaar voor overdracht of overgang. Niettemin kan het bestuur in daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende gevallen, zoals bijvoorbeeld overlijden, juridische fusie of splitsing en wijziging van rechtsvorm, na overleg met betrokkenen regelingen treffen ertoe strekkend dat een rechtverkrijgende geheel of gedeeltelijk voor de toepassing van daarvoor in aanmerking komende bepalingen, zoals die met betrekking tot de ledenlening of de participatierekening, in de plaats treedt van zijn rechtsvoorganger.

[…]

Einde van het lidmaatschap.

Artikel 8.

1. Het lidmaatschap eindigt:

[…]

c. door opzegging door het bestuur volgens artikel 11 […]

Lidmaatschap. Opzegging door het bestuur.

Artikel 11.

1. Het bestuur kan aan een lid het lidmaatschap – met ingang van het eerstvolgende boekjaar en zonder inachtneming van een opzeggingstermijn – opzeggen:

a. indien het lid een of meer vereisten voor het lidmaatschap heeft verloren [...]

Geldmiddelen.

Artikel 15.

De ter bereiking van het doel van de coöperatie benodigde gelden kunnen onder meer worden verkregen door:

[…]

d. het aangaan van geldleningen en kredieten, onder meer door het instellen van een ledenlening […]

Ledenlening.

Artikel 17.

1. Ieder lid neemt deel in de ledenlening aan de coöperatie door eventuele inhouding voor dit doel. [...] Ten name van elk lid zal in de boeken van de coöperatie een afzonderlijke rekening betreffende zijn tegoed in de ledenlening worden bijgehouden.

2. Over het tegoed in de ledenlening vergoedt de coöperatie een jaarlijkse rente. Het rentepercentage wordt vastgesteld door het bestuur. De rente wordt jaarlijks op een door het bestuur vast te stellen tijdstip aan de leden betaalbaar gesteld.

3. De bedragen die op grond van het bepaalde in lid 1 van dit artikel worden bijgeschreven op de ledenlening, zullen telkens in de eerste maand van het negende boekjaar, volgend op dat waarin de eerdergenoemde bijschrijvingen plaatsvond, worden afgelost. De algemene ledenvergadering kan, op voorstel van het bestuur, besluiten alle in een of meer jaren bijgeschreven bedragen (“jaarlagen”) op de ledenleningen van de leden eerder of later af te lossen.

4. Na het eindigen van het lidmaatschap wordt het tegoed op de ledenlening aan het oud-lid dan wel diens rechtverkrijgende(n) voldaan als volgt.

Gedurende de drie kalenderjaren na het jaar waarin het lidmaatschap eindigde, blijft het voorgaande lid van toepassing.

Het alsdan nog niet terugbetaalde wordt voldaan binnen drie maanden na de vaststelling van de jaarrekening over het laatste boekjaar van de driejaarsperiode. […]

Exploitatieresultaat. Batig saldo. Tekort.

Artikel 33.

1. Indien uit de exploitatierekening blijkt van een batig saldo, stelt de algemene vergadering, op voorstel van het bestuur, vast of dit saldo dan wel welk gedeelte daarvan, wordt toegevoegd aan de algemene reserve en welk gedeelte voor uitkering of toevoeging aan benoemde reserve(s) als hierna vermeld, beschikbaar is. Indien niet het gehele batig saldo wordt toegevoegd aan de algemene reserve, wordt eerst bepaald welk gedeelte daarvan wordt toegevoegd aan de participatiereserve middels bijschrijving op de participatierekeningen van de leden en van hen wier lidmaatschap eindigde in of aan het einde van het betrokken boekjaar. Deze bijschrijving geschiedt naar verhouding van de door ieder van hen in het betrokken boekjaar verschuldigd geworden provisie.

2. Uit het batig saldo of hetgeen hiervan resteert na toepassing van het bepaalde in het vorige lid, kan, door de algemene vergadering op voorstel van het bestuur, aan de participatierekeningen van de leden, als vergoeding worden toegevoegd een percentage van het bedrag van de participatierekeningen naar de stand per de laatste dag van het betrokken boekjaar (“participatievergoeding”), behoudens voor zover uit het elders in deze statuten bepaalde anders voortvloeit. Het percentage zal niet hoger zijn dan het in lid 2 van artikel 17 bedoelde percentage.

3. Een na toepassing van het vorige lid resterend batig saldo kan de algemene vergadering op voorstel van het bestuur ten goede doen komen aan de leden en aan degenen wier lidmaatschap in of aan het einde van het betreffende boekjaar eindigde, hetzij door uitkering hetzij door bijschrijving op het tegoed van ieders ledenlening, hetzij deels door uitkering en deels door zodanige bijschrijving. Het aldus aan de (oud-)leden ten goede komende komt aan ieder van hen ten goede naar evenredigheid van de door hen in het betreffende boekjaar verschuldigd geworden provisie.

4. Blijkt uit de exploitatierekening van een tekort, dan wordt dit tekort, tenzij de algemene vergadering op voorstel van het bestuur besluit tot een andere wijze van delging van het tekort, allereerst gedelgd door dit ten laste te brengen van de over het betreffende boekjaar door de coöperatie ingehouden liquiditeitsbijdragen van de leden.

Resteert na toepassing van de vorige zin, dan wel het besluit van de algemene vergadering krachtens de vorige zin, een tekort, dan stelt de algemene vergadering, op voorstel van het bestuur, vast welk gedeelte daarvan ten laste wordt gebracht van de algemene reserve en welk gedeelte ten laste van de participatiereserve.

Indien een tekort wordt gebracht ten laste van de participatiereserve vindt afboeking plaats op de participatierekeningen van de leden naar verhouding van de omvang van ieders participatierekening. Deze afboeking wordt toegerekend aan het gehele bedrag van ieders participatierekening en wel naar evenredigheid van het in de verstreken jaren jaarlijks daaraan toegevoegde bedrag, de participatievergoedingen daaronder begrepen.

5. Indien een tekort niet kan worden gedelgd op de wijzen als in de voorgaande leden vermeld, beslist de algemene vergadering op voorstel van het bestuur op welke wijze het tekort zal worden gedelgd.

Dit besluit kan inhouden dat het geheel of een deel van het tekort wordt omgeslagen over de leden en over hen

wier lidmaatschap in het betreffende boekjaar eindigde. Alsdan stelt de algemene vergadering op voorstel van het

bestuur de maatstaf vast aan de hand waarvan ieders aandeel in de omslag zal worden vastgesteld.

Participatiereserve.

Artikel 34.

1. De participatiereserve is de som van de ten name van de afzonderlijke leden in de boeken van de coöperatie geadministreerde participatierekeningen. De participatiereserve behoort tot het eigen vermogen van de coöperatie.

2. Bijschrijvingen op de participatierekeningen vinden plaats als bepaald in artikel 33 leden 1 en 2.

3. Op voorstel van het bestuur kan de algemene vergadering besluiten, dat de in een boekjaar op de participatierekeningen bijgeschreven bedragen (“jaarlaag”) [...] aan de leden of hun rechtverkrijgende betaalbaar worden gesteld uiterlijk in het eenentwintigste boekjaar na het boekjaar waarin de toevoeging geschiedde. [...]

5. […] b. Voorts kan het bestuur besluiten dat de contante waarde van het saldo van de participatierekening van een lid of oud-lid dat onherroepelijk in staat van faillissement is verklaard, wordt uitgekeerd binnen drie maanden na de vaststelling van de jaarrekening van de coöperatie over het boekjaar waarin het vonnis tot faillietverklaring onherroepelijk is geworden.

[…]

7. Een participatierekening is niet vatbaar voor overdracht of overgang, onverminderd de toepassing van artikel 6 lid 7.”

2.5.

De bedrijfsactiviteiten van [de firma] c.s. werden gefinancierd door (een rechtsvoorganger van) Rabobank (hierna steeds: Rabobank). In dat kader verkreeg [de firma] c.s. (hoofdelijk) meerdere financieringen, tot zekerheid voor de nakoming waarvan [de firma] c.s. bij akte van verpanding van november 2009 aan Rabobank heeft verpand:

“1. Alle huidige en toekomstige vordering(en) van de pandgever op Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A. […], hierna te noemen: veiling, met uitzondering van vorderingen wegens levering van agrarische producten door de pandgever aan de veiling voor zover deze laatstbedoelde vorderingen direct opeisbaar zijn.

2. De vorderingen op Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A. […], hierna te noemen: afnemer, uit hoofde van door de pandgever aan de afnemer geleverde en te leveren producten.

De pandgever verpandt aan de bank tevens, zoals overeengekomen, alle rechten met betrekking tot het onderpand die de pandgever heeft of mocht hebben jegens derden […]. ”

2.6.

Op 30 november 2009 heeft Rabobank mededeling van dit pandrecht gedaan

aan FloraHolland. FloraHolland heeft hierop bij brief van 4 december 2009 gereageerd met onder meer de volgende mededeling:

“Naar aanleiding van uw brief kunnen wij u informeren dat wij de akte hebben geadministreerd. Wij hebben er derhalve nota van genomen dat de in die akte genoemde vorderingen van de pandgever, voor zover wij gehouden zijn om die uit te betalen, onder uw pandrecht vallen.”

2.7.

Rabobank heeft tegenover FloraHolland op grond van het door haar gestelde pandrecht aanspraak gemaakt op uitbetaling van de tegoeden van [de firma] c.s. onder de participatiereserve en de ledenlening. Per datum faillissement beliep het saldo van de door [de firma] c.s. bij FloraHolland aangehouden ledenlening € 92.636,79 en van de participatierekening € 12.390,48.

procedure en vonnis in eerste aanleg

2.8.

In eerste aanleg bij de rechtbank Den Haag heeft de curator c.s. een verklaring voor recht gevorderd dat de aanspraken c.q. tegoeden c.q. saldi van de door [de firma] , althans [de vennoten] aangehouden ledenlening(en) c.q. -rekening(en) en participatiereserve(s), en de daarop gevallen rente, niet zijn verpand aan Rabobank, met veroordeling van Rabobank in de kosten van het geding. Hij beriep zich daarbij op twee grondslagen:

  1. de betreffende vorderingen waren op de datum van faillietverklaring van [de firma] c.s. nog toekomstig, zodat artikel 35 lid 2 Fw aan de door Rabobank gestelde verpanding in de weg staat; en

  2. de in de artikelen 6 lid 7 en 34 lid 7 van de statuten opgenomen onoverdraagbaarheidsbedingen brengen mee dat ook niet kon worden verpand.

2.9.

Met het bestreden vonnis heeft de rechtbank grondslag a. verworpen met betrekking tot (de vorderingen uit) zowel de participatierekening als de ledenlening. Grondslag b. verwierp de rechtbank ook met betrekking tot de ledenlening, maar zij oordeelde deze deugdelijk wat betreft de participatiereserve. Het door Rabobank met betrekking tot deze participatiereserve ingeroepen pandrecht oordeelde de rechtbank om die reden ongeldig. De rechtbank wees de vordering van de curator c.s. aldus toe met betrekking tot de participatiereserve, en af wat betreft de ledenlening. Rabobank veroordeelde zij in de kosten van het geding.

de vordering in het hoger beroep

2.10.

Rabobank vordert in het principaal hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de vordering van de curator c.s. daarin is toegewezen en alsnog afwijzing daarvan, met veroordeling van de curator c.s. in de kosten, bij arrest dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. De curator c.s. concludeert in het principaal hoger beroep tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Rabobank in de kosten.

2.11.

De curator c.s. vordert in het incidenteel hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis voor zover zijn vordering daarin is afgewezen en alsnog toewijzing daarvan, bij arrest dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Rabobank concludeert in het incidenteel hoger beroep tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, kosten rechtens.

beoordeling van de vordering in het hoger beroep

2.12.

In het principaal hoger beroep richt Rabobank zich met de grieven 1-3 tegen de gegrondbevinding door de rechtbank van de door de curator c.s. aangevoerde grondslag b. ter zake van de participatierekening. Zij legt aan het hof voor dat (grief 1) aan artikel 34 lid 7 van de statuten geen goederenrechtelijke werking toekomt, (grief 2) voor het geval dat daarover anders mocht worden geoordeeld, daarmee nog niet de verpanding (goederenrechtelijk) uitgesloten is en (grief 3) voor het geval dat ook daarover anders mocht worden geoordeeld, FloraHolland heeft ingestemd met de verpanding of deze heeft bekrachtigd. Grief 4 in het principaal hoger beroep gaat over de proceskosten en grief 5 is een veeggrief. In het incidenteel hoger beroep gaat grief 1 over de door de rechtbank (niet) vastgestelde feiten. Met grief 2 komt de curator c.s. op tegen de verwerping door de rechtbank van de door hem aangevoerde grondslag a. van zijn vorderingen. Met grief 3 richt hij zich tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 6 lid 7 van de statuten de aanspraken van [de firma] c.s. uit de ledenlening niet onverpandbaar maakte. Grief 4 is een veeggrief. Met het oog op eventuele cassatie – beide partijen hebben reeds aangekondigd bij (gedeeltelijk) verlies van deze (proef)procedure in hoger beroep, in cassatie te gaan –, en in dit verband op verzoek van partijen, zal het hof hierna alle aangevoerde grieven (afgezien van de veeggrieven) bespreken, ook die welke in het licht van het eindoordeel van het hof (nog) niet besproken behoeven te worden (grieven 1-3 in het principaal hoger beroep).

2.13.

Grief 1 in het principaal hoger beroep strekt ertoe dat (de rechtbank heeft miskend dat) het onoverdraagbaarheidsbeding van artikel 34 lid 7 van de statuten van FloraHolland (hierna: het onoverdraagbaarheidsbeding) slechts verbintenisrechtelijke strekking heeft en geen goederenrechtelijk effect. Rabobank verwijst voor dit standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167 (Coface/Intergamma), waarin de Hoge Raad als uitgangspunt heeft geformuleerd dat bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is beoogd.

2.14.

De grief faalt. Bij de beoordeling van deze grief gaat het hof uit van het in hoger beroep onbestreden oordeel van de rechtbank dat de in artikel 34 lid 7 van de statuten geregelde onoverdraagbaarheid van de participatierekening betrekking heeft op de aanspraken die [de firma] c.s. kan doen gelden op uitkering van haar (op die rekening geadministreerde) aandeel in de participatiereserve. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 34 lid 7 van de statuten van FloraHolland, afhankelijk van de (objectieve) uitleg daarvan, tussen FloraHolland en [de firma] c.s. kan kwalificeren als “beding” in de zin van artikel 3:83 lid 2 BW. De formulering in artikel 34 lid 7 van de statuten dat de participatierekening “niet vatbaar” is voor overdracht of overgang, wijst er naar taalkundige en daarmee objectieve maatstaf op dat hiermee goederenrechtelijke werking is beoogd.

2.15.

Volgens Rabobank moet artikel 34 lid 7 in samenhang met artikel 6 lid 7 van de statuten worden gelezen en leidt dat tot een andere conclusie, maar het hof volgt Rabobank hierin niet. Anders dan Rabobank stelt, brengt de enkele omstandigheid dat overdracht is onderworpen aan toestemming niet mee dat de onoverdraagbaarheid die zonder die toestemming geldt, slechts een verbintenisrechtelijke strekking heeft. Rabobank voert verder aan dat artikel 40 lid 8 van de conceptstatuten van FloraHolland van 11 mei 2018 bepaalt dat vóór 1 januari 2017 bestaande of verleende rechten ten aanzien van de overdraagbaarheid en bijvoorbeeld verpanding van een participatierekening worden geëerbiedigd. Daaruit volgt volgens haar dat FloraHolland overdracht en/of verpanding vóór die datum niet uitsloot. Daargelaten dat Rabobank hiermee slechts naar een concept verwijst, dus een stuk zonder formele status, licht zij niet toe dat en waarom hieruit volgt dat artikel 34 lid 7 van de statuten slechts verbintenisrechtelijke strekking heeft. Volgens haar eigen stellingen is c.q. was vóór 1 januari 2017 overdracht inderdaad mogelijk indien het bestuur van FloraHolland daaraan op voet van artikel 6 lid 7 van de statuten meewerkte, maar dat zegt nog niets over het verbintenis- of goederenrechtelijk regime dat zonder die medewerking geldt (gold) voor de in artikel 34 lid 7 opgenomen onoverdraagbaarheid.

2.16.

Rabobank voert ook nog aan dat FloraHolland en haar leden niet geacht kunnen worden om vorderingen van leden goederenrechtelijk onoverdraagbaar en/of onverpandbaar te hebben gemaakt omdat zij, kort gezegd, belang hebben bij elkaars financierbaarheid. Het hof kan Rabobank ook in dit argument niet volgen. Dit door haar gestelde belang zou een statutair regime kunnen verklaren waarin overdracht of althans verpanding in het geheel niet wordt verboden of uitgesloten, maar niet een regime waarin dat “slechts” (behoudens toestemming) verbintenisrechtelijk niet mag. Dan mag het, immers, (behoudens toestemming) evengoed niet. De door Rabobank gestelde omstandigheid dat FloraHolland volgens bestendig gebruik meewerkte aan cessie of verpanding maakt al het voorgaande niet anders: althans niet dat de onoverdraagbaarheid die behoudens toepassing van artikel 6 lid 7 op grond van artikel 34 lid 7 van de statuten gold, slechts verbintenisrechtelijke strekking had. Eventueel (bestendig) negeren door het bestuur van FloraHolland van de statutaire regeling over overdraagbaarheid van de aanspraken van leden op de participatiereserve, neemt niet weg dat die statutaire regeling wel gold. Het negeren van die regeling kan voorts plaatsvinden zowel indien aan het beding goederenrechtelijke als indien daaraan slechts verbintenisrechtelijke strekking zou moeten worden toegekend, zodat het voor de vraag wat partijen hebben beoogd geen betekenis heeft.

2.17.

Grief 3 in het principaal hoger beroep neemt veronderstellenderwijs (zie hierna, grief 2 in het principaal hoger beroep) tot uitgangspunt dat in artikel 34 lid 7 van de statuten een goederenrechtelijk onverpandbaarheidsbeding is geïmpliceerd. De grief strekt ertoe dat, indien dit het geval is, (de rechtbank heeft miskend dat) FloraHolland heeft ingestemd met de verpanding, dan wel de verpanding heeft bekrachtigd door deze op 4 december 2009 te erkennen, nadat Rabobank haar hiervan op 30 november 2009 mededeling had gedaan (hiervoor, 2.6). Rabobank stelt dat FloraHolland heeft “ingestemd” met de verpanding. Mede gelet op de stellingen van Rabobank in eerste aanleg begrijpt het hof die stelling zo dat hiermee is bedoeld dat FloraHolland afstand heeft gedaan van het verbod uit artikel 34 lid 7 van de statuten, zodat dit is vervallen en de curator zich hierop evenmin kan beroepen.

2.18.

Het hof oordeelt hierover als volgt. In eerste aanleg heeft de curator terecht aangevoerd dat de statuten buiten de regeling van artikel 6 lid 7 – die hier niet aan de orde is – niet voorzien in een door het bestuur of anderszins te maken uitzondering op het onoverdraagbaarheidsbeding van artikel 34 lid 7, zodat dat ook moet gelden voor het onverpandbaarheidsbeding dat volgens de veronderstelling van deze grief in dat onoverdraagbaarheidsbeding is geïmpliceerd. Dit maakt de door Rabobank gestelde instemming met het pandrecht door (het bestuur van) FloraHolland nietig (artikel 2:14 lid 1 BW). Als er al vanuit zou worden gegaan dat (het bestuur van) FloraHolland heeft beoogd in te stemmen met het pandrecht, dan zou dit om de hiervoor genoemde reden – welk argument het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep in aanmerking zou moeten nemen – niet kunnen leiden tot het oordeel dat bij de gratie daarvan het pandrecht daadwerkelijk is gevestigd.

2.19.

Ten overvloede overweegt het hof dat de grief faalt. Voor de door Rabobank gestelde instemming/afstand moet naar analogie van artikel 6:160 lid 2 BW worden aangenomen dat hiervoor ten minste een verklaring aan het adres van [de firma] c.s. vereist was. Daarover heeft Rabobank niets gesteld. Los daarvan blijkt uit de door Rabobank aangehaalde brief van FloraHolland (hiervoor, 2.6) niet dat FloraHolland met de daarin gedane mededelingen daadwerkelijk beoogde afstand te doen van het bepaalde in artikel 34 lid 7 van de statuten. Rabobank mocht dit ook niet anders begrijpen. Het hof verwerpt het beroep van Rabobank op artikel 3:58 BW (bekrachtiging). Hiervan kan alleen sprake zijn indien eerst na het verrichten van een rechtshandeling een voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste wordt vervuld. Van die situatie is geen sprake omdat het hier een (veronderstelde) door de statuten bepaalde onverpandbaarheid betreft.

2.20.

Grief 2 in het principaal hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat (de keerzijde van) artikel 3:228 BW, dat alle goederen die voor overdracht vatbaar zijn, verpandbaar maakt, met zich brengt dat het onoverdraagbaarheidsbeding van artikel 34 lid 7 van de statuten, tevens onverpandbaarheid meebrengt. Ook overigens is volgens Rabobank geen sprake van onverpandbaarheid.

2.21.

Deze grief is gegrond. In zijn arrest van 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, NJ 2004/281 (Oryx/Van Eesteren), heeft de Hoge Raad over het in die zaak aan de orde zijnde beding dat cessie en verpanding verbood, geoordeeld dat een in strijd daarmee verrichtte cessie op grond van artikel 3:83 lid 2 BW ongeldig was en dat “krachtens artikel 3:98 [BW] dit een en ander ook [geldt] voor verpanding”. De verwijzing door de Hoge Raad naar artikel 3:98 BW impliceert dat verpanding separaat, dat wil zeggen los van eventuele onoverdraagbaarheid, goederenrechtelijk kan worden uitgesloten en dat de grondslag hiervoor artikel 3:98 BW (in verbinding met artikel 3:83 lid 2 BW) is. Dit is in overeenstemming met de opvatting dat artikelen 3:81 lid 1 en 3:228 BW niet gelezen behoeven te worden als wettelijke uitzondering op de overeenkomstige toepassing van de regels voor de overdracht van goederen op de vestiging van beperkte rechten op die goederen. Daarbij past dat ook mogelijk is dat een vordering in de zin van artikel 3:83 lid 2 BW onoverdraagbaar wordt gemaakt maar niet onverpandbaar.

2.22.

Aan het voorgaande doet niet af dat executie van een pandrecht op een vordering kan plaatsvinden door verkoop en overdracht van die vordering aan een derde (de executiekoper) en dat gezegd zou kunnen worden dat een goederenrechtelijk onoverdraagbaarheidsbeding zich daartegen juist zou verzetten. Artikel 3:246 BW geeft de pandhouder de bevoegdheid om het pandrecht te executeren door in of buiten rechte nakoming van de verpande vordering te eisen en daarop betalingen in ontvangst te nemen. Daarbij vindt overdracht van de vordering niet plaats, zodat in die zin een onoverdraagbaarheidsbeding zich daartegen ook niet zou kunnen verzetten. De vraag of in het onderhavige geval Rabobank wellicht niet bevoegd of zelfs niet in staat zou zijn tot executie door middel van openbare verkoop en overdracht – omdat de vorderingen van [de firma] c.s. uit de participatierekening goederenrechtelijk onoverdraagbaar zijn gemaakt –, maakt in het onderhavige geding geen deel uit van de rechtsstrijd tussen partijen.

2.23.

Wat een beding over dit onderwerp in een concreet geval inhoudt is een kwestie van (vlg. het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad in de zaak Coface/Intergamma: objectieve) uitleg. Naar het oordeel van het hof dient tot uitgangspunt te worden genomen dat een beding dat een vordering in de zin van artikel 3:83 lid 2 BW onoverdraagbaar maakt, niet tevens verpanding daarvan uitsluit, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee (ook) onverpandbaarheid (met goederenrechtelijke werking als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 BW in verbinding met artikel 3:98 BW) is beoogd. Nu artikelen 3:81 lid 1 en 3:228 BW als zodanig niet in de weg staan aan verpanding ondanks een (goederenrechtelijk) onoverdraagbaarheidsbeding, is er naar het oordeel van het hof, anders dan de curator c.s. betoogt, ook geen reden om aan deze bepalingen een “wettelijk vermoeden” te ontlenen dat met een onoverdraagbaarheidsbeding tevens onverpandbaarheid is beoogd.

2.24.

Uit de formulering van artikel 34 lid 7 van de statuten van FloraHolland blijkt een oogmerk van (goederenrechtelijke) onverpandbaarheid niet. De omstandigheid dat deze statutaire bepaling naast “overdracht” “overgang” noemt c.q. uitsluit, maakt dit niet anders, omdat laatstbedoelde term niet naar objectieve maatstaven (noodzakelijk) duidt op (ook) verpanding. De curator c.s. heeft ook niet anders aangevoerd of althans toegelicht. Het hof volgt niet de stelling van de curator c.s. dat uit de enkele onoverdraagbaarheid van de vordering reeds blijkt dat FloraHolland op geen enkele wijze met een andere crediteur dan het betreffende lid wil worden geconfronteerd en dat verpanding daarmee niet verenigbaar is, en dus ook niet geacht kan worden tussen partijen te zijn toegelaten. De rechten die een cessionaris van een overgedragen vordering kan uitoefenen zijn niet gelijk aan die welke een pandhouder van een aan hem verpande vordering kan uitoefenen. In elk geval is de door de curator c.s. veronderstelde wil van FloraHolland om – ter zake van althans de participatiereserve – niet met een “andere crediteur” dan het betreffende lid te maken te krijgen, onvoldoende voor de conclusie dat uit de formulering van het desbetreffende beding naar objectieve maatstaven blijkt dat beoogd is (ook) verpanding uit te sluiten. Feiten of omstandigheden die die veronderstelde wil nader concretiseren heeft de curator c.s. niet (voldoende) aangevoerd.

2.25.

De gegrondheid van deze grief kan evenwel niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof acht te slaan op de door de rechtbank al dan niet ten overvloede verworpen grondslagen van de vordering van de curator op dit punt. Zoals hiervoor (2.8) overwogen heeft de curator in eerste aanleg mede als grondslag van zijn vordering aangevoerd dat de aanspraak van [de firma] c.s. op (het saldo van) de participatiereserve of -rekening ten tijde van het faillissement een toekomstige vordering betrof, waardoor de verpanding daarvan aan Rabobank niet aan de boedel kan worden tegengeworpen (artikel 35 lid 2 Fw).

2.26.

De rechtbank heeft deze grondslag van de vordering van de curator ten onrechte verworpen. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 34 lid 3 van de statuten aldus moet worden uitgelegd dat de algemene vergadering op voorstel van het bestuur uiterlijk in het eenentwintigste boekjaar na het boekjaar waarin een bedrag (“jaarlaag”) op de participatierekening van een lid is bijgeschreven, kan besluiten tot betaalbaarstelling daarvan aan het desbetreffende lid (en dat een dergelijk besluit na dat eenentwintigste boekjaar niet meer kan worden genomen). Dit betekent dat voor het ontstaan van een dergelijke aanspraak een handeling c.q. wilsverklaring is vereist van FloraHolland, alsdan debiteur van het lid, en dit maakt dat de desbetreffende aanspraak zolang een dergelijke handeling nog niet is verricht, in de zin van artikel 35 lid 2 Fw als toekomstige vordering moet worden aangemerkt (vgl. HR 25 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0247, NJ 1989/200 (Staal Bankiers/Ambags q.q.)). Gesteld noch gebleken is dat ten aanzien van het saldo op de participatierekening op het moment van faillietverklaring van [de firma] c.s. reeds besluiten als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de statuten waren genomen.

2.27.

De stelling van Rabobank dat het in de recente geschiedenis van FloraHolland niet is voorgekomen dat de desbetreffende jaarlagen van de participatierekeningen niet zijn uitgekeerd, leidt niet tot een ander oordeel. Deze gestelde praktijk maakt immers niet dat een verplichting tot uitkering bestond of dat het nemen van het door de statuten voorgeschreven daartoe strekkend besluit van de algemene vergadering, betekenisloos is. Evenmin doet aan het voorgaande af dat, zoals Rabobank aanvoert, het jaarverslag 2017 van FloraHolland vermeldt dat “[h]et eindsaldo van een lid of oud-lid […] in acht gelijke jaarlijkse termijnen aan dat lid of oud lid [wordt] uitgekeerd, evenwel onder de voorwaarde dat de algemene vergadering […] besluit tot uitkering […]”. Omdat het jaarverslag hier spreekt over uitkering “onder de voorwaarde” van een besluit van de algemene vergadering tot uitkering, is volgens Rabobank sprake van een bestaande (voorwaardelijke) vordering. Het hof kan Rabobank hierin niet volgen. Omdat wat Rabobank en het jaarverslag “voorwaarde” noemen, bestaat uit een wilsverklaring van de debiteur FloraHolland, is nu juist, zolang als die “voorwaarde” niet is vervuld, in de zin van artikel 35 lid 2 Fw sprake van een toekomstige vordering, zoals hiervoor reeds overwogen.

2.28.

Het hof passeert de stelling van Rabobank dat, na ongebruikt verstrijken van de hiervoor bedoelde in artikel 34 lid 3 van de statuten genoemde termijn, voor FloraHolland een natuurlijke verbintenis resteert om het betreffende saldo uit te keren. Ook indien sprake zou zijn van een natuurlijke verbintenis ontbreekt de verklaring dat en vanaf welk (voor de faillissementsdatum gelegen) moment sprake is van een bestaande en niet van een toekomstige vordering. Rabobank heeft niet toegelicht dat en hoe dit uit de statuten voortvloeit. Evenmin heeft zij gesteld, laat staan toegelicht, dat de natuurlijke verbintenis waarop zij zich beroept volgt uit de wet of uit enige rechtshandeling, dan wel dat en waarom in een dergelijk geval in de zin van artikel 6:3 lid 2 sub a. BW sprake is van een “dringende morele verplichting” aan de zijde van FloraHolland.

2.29.

Grief 1 in het incidenteel hoger beroep klaagt erover dat de rechtbank bepaalde feiten niet als zodanig in het bestreden vonnis heeft vastgesteld en niet (kenbaar) in haar beoordeling heeft betrokken. De grief faalt omdat het de rechtbank vrij stond slechts die feiten vast te stellen die zij nodig oordeelde om tot haar beslissing te komen. Waar nodig zal het hof de in deze grief bedoelde feiten bij de beoordeling van de overige grieven in het incidenteel hoger beroep betrekken.

2.30.

Grief 2 in het incidenteel hoger beroep klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de aanspraken van [de firma] c.s. op de participatiereserve en uit hoofde van de ledenlening per datum faillissement niet als toekomstige vorderingen moeten worden aangemerkt. Voor de participatiereserve heeft het hof deze kwestie al beoordeeld in het kader van de devolutieve werking van het (principale) hoger beroep (hiervoor, 2.25-28).

2.31.

Wat betreft de ledenlening faalt de grief. De curator c.s. stelt dat hetgeen waarop hij aanspraak maakt, te weten de aanspraak van [de firma] c.s. uit hoofde van artikel 17 lid 4 van de statuten – uitbetaling van het complete saldo ineens – pas na faillissement, en slechts mede ten gevolge van (noodzakelijke) handelingen van [de firma] (aanvraag faillissement) en FloraHolland (opzegging lidmaatschap) is ontstaan. Deze aanspraak moet volgens de curator om die reden in de zin van artikel 35 lid 2 Fw per datum faillissement als toekomstig worden aangemerkt. Met deze stelling gaat de curator c.s. er echter aan voorbij dat de aanspraken van [de firma] c.s. op (terugbetaling van) de gehele ledenlening onder de (voorwaardelijke) tijdsbepalingen van artikel 17 lid 3 van de statuten, ten tijde van haar faillissement reeds bestonden. Niet kan worden aangenomen dat het enkel vervroegd betaalbaar (moeten) stellen van de lening door FloraHolland, een nieuwe aanspraak doet ontstaan en tegelijkertijd de oorspronkelijke aanspraak van [de firma] c.s. teniet doet gaan. Het faillissement van [de firma] c.s. en de daaropvolgende opzegging van het lidmaatschap kan voor de afwikkeling van de ledenlening ook niet (in de zin van HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9463, NJ 2010/653 (ING/Nederend q.q.)) als zodanig ingrijpend worden aangemerkt, dat zou moeten worden gesproken van een nieuwe vordering. De werking van artikel 17 lid 4 van de statuten is slechts dat de bestaande vordering uit hoofde van de ledenlening vervroegd opeisbaar wordt.

2.32.

Grief 3 in het incidenteel hoger beroep strekt ertoe dat (de rechtbank heeft miskend dat) het persoonlijk karakter van het lidmaatschap en de niet-vrije overdraagbaarheid daarvan (artikel 6 lid 7 van de statuten) maakt dat ook de aanspraken van een lid uit de ledenlening niet overdraagbaar zijn – dat wil zeggen niet zonder regelingen van het bestuur in de zin van voormeld artikel 6 lid 7 van de statuten – en daarom ook in die zin onverpandbaar zijn en waren. Deze grief faalt. Artikel 6 lid 7 van de statuten bepaalt niets over (on)verpandbaarheid. Zoals het hof hiervoor in 2.22 heeft overwogen dient tot uitgangspunt te worden genomen dat een beding dat een vordering in de zin van artikel 3:83 lid 2 BW onoverdraagbaar maakt, niet tevens verpanding daarvan uitsluit, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee (ook) onverpandbaarheid (met goederenrechtelijke werking als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 BW in verbinding met artikel 3:98 BW) is beoogd. Uit de formulering van artikel 6 lid 7 van de statuten van FloraHolland blijkt een dergelijk oogmerk niet. Het hiervoor in 2.23 overwogene geldt hier dienovereenkomstig. Als er al van zou worden uitgegaan dat de in artikel 6 lid 7 gestipuleerde onoverdraagbaarheid van het lidmaatschap zo moet worden uitgelegd dat hiermee goederenrechtelijke onoverdraagbaarheid van de in dezelfde bepaling genoemde ledenlening is gegeven, dan betekent dat dus niet dat deze ledenlening ook (goederenrechtelijk) onverpandbaar was. Het pandrecht van Rabobank is aan FloraHolland meegedeeld, zodat de beperking van art. 3:239 lid 1 BW niet van toepassing is.

2.33.

De door de curator c.s. gestelde onverpandbaarheid vloeit evenmin voort uit de door hem gestelde “inbedding” van de ledenlening in het lidmaatschap. Bepaalde rechten en plichten uit de rechtsverhouding tussen lid en coöperatie zouden als onlosmakelijk aan het lidmaatschap verbonden kunnen worden geacht, zoals bijvoorbeeld het stemrecht van het lid, maar dit geldt naar het oordeel van het hof niet voor het recht op terugbetaling van de ledenlening (inning) indien aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan. De curator c.s. beroept zich er tot slot nog op dat volgens hem

  • -

    i) artikel 33 lid 5 van de statuten meebrengt dat FloraHolland in voorkomend geval kan besluiten om exploitatieverliezen af te boeken op de ledenleningen;

  • -

    ii) dergelijke afboekingen als tegenvorderingen op de betreffende leden moeten worden aangemerkt;

  • -

    iii) verpanding van de aanspraken van een lid uit een ledenlening, aan de zijde van FloraHolland op grond van artikel 6:130 lid 2 BW in de weg zou staan aan verrekening van na de verpanding verrichtte afboeking van verliezen op grond van artikel 33 lid 5 van de statuten;

  • -

    iv) dat niet geacht kan worden de bedoeling te zijn; en

  • -

    v) daarom dus de ledenlening onverpandbaar moet worden geoordeeld.

Ook dit argument faalt. De pandhouder kan tegenover FloraHolland niet méér rechten verkrijgen dan de [de firma] c.s. jegens FloraHolland kan uitoefenen. De stelling van de curator c.s. houdt in wezen in dat de rechten van [de firma] c.s. uit de ledenlening zijn onderworpen aan het afboekings- of verrekeningsvoorbehoud van artikel 33 lid 5 van de statuten met betrekking tot mogelijke toekomstige exploitatieverliezen. Dit impliceert evenwel dat in geval van verpanding, ook de pandhouder dat voorbehoud tegen zich heeft te laten gelden.

2.34.

Grief 4 in het principaal hoger beroep is een voorwaardelijke grief, namelijk alleen voor het geval het vonnis in stand zou moeten blijven. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. De grief klaagt erover dat de rechtbank Rabobank ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten (van de eerste aanleg), en strekt ertoe dat de curator in de proceskosten van de eerste aanleg wordt veroordeeld, althans dat proceskosten van de eerste aanleg worden gecompenseerd (in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt). In laatstbedoelde zin is deze grief gegrond. Uit de beoordeling van de overige grieven vloeit voort dat het hof het bestreden vonnis, afgezien van de daarin opgenomen proceskostenveroordeling, zal bekrachtigen. Beide partijen dienen als in eerste aanleg deels in het ongelijk gesteld, te worden aangemerkt. Dat rechtvaardigt op zichzelf een compensatie van de proceskosten. De door Rabobank aangevoerde omstandigheid dat het ongelijk van de curator in dit geval een hogere geldswaarde representeert dan dat van Rabobank (hiervoor, 2.7 (slot)) geeft geen aanleiding om niet te compenseren, mede gelet op (het gewicht van) het principiële debat dat partijen ook hebben gevoerd op het onderdeel waarin Rabobank in het ongelijk is en wordt gesteld.

2.35.

Slotsom; proceskosten hoger beroep. De bewijsaanbiedingen van partijen dienen als te vaag – omdat zij onvoldoende duidelijk zijn betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet ter zake dienende – nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven – te worden gepasseerd. De grieven 1 en 3 in het principaal hoger beroep falen en grief 2 in het principaal hoger beroep kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Grief 4 in het principaal hoger beroep slaagt. De grieven 1 tot en met 3 in het incidenteel hoger beroep falen. Grief 5 in het principaal hoger beroep en grief 4 in het incidenteel hoger beroep hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven geen bespreking. Hoewel grief 4 in het principaal hoger beroep slaagt heeft Rabobank in dat beroep toch te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal Rabobank daarom veroordelen in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van de curator c.s. tot op heden begroot op € 726 voor het griffierecht en € 2.148 voor het salaris van de advocaat, totaal € 2.876. Het hof zal de curator c.s. als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op € 1.074 voor het salaris van de advocaat.

3 Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis, met uitzondering van de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling;

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    compenseert de proceskosten van de eerste aanleg aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

  • -

    veroordeelt Rabobank in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van de curator c.s. tot op heden begroot op € 2.876;

  • -

    veroordeelt de curator c.s. in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op € 1.074;

  • -

    wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, M.C.M. van Dijk en R.F. Groos en is ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2020 door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.