Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:979

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2020
Datum publicatie
28-05-2020
Zaaknummer
200.253.478/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:7575, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding op grond van aansprakelijkheid assurantietussenpersoon. Vordering, voor zover gegrond op valsheid in geschrifte, wordt afgewezen. Vordering, voor zover gegrond op beroepsaansprakelijkheid, is verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.253.478/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/537527 / HA ZA 17-1006

arrest van 26 mei 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. T.W. Phea te Arnhem,

tegen

[naam 1] Assurantiën B.V.,

laatstelijk statutair gevestigd te Bleiswijk,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [naam 1] Assurantiën,

advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 27 november 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Rotterdam, team handel en haven, tussen partijen gewezen vonnis in verzet van 29 augustus 2018. [naam 1] Assurantiën heeft met een anticipatie-exploot van 4 januari 2019 de procedure in hoger beroep vervroegd aangebracht.

Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] vier grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [naam 1] Assurantiën de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

De feiten


1. De door de rechtbank in het vonnis van 29 augustus 2018 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan, met aanvulling van enkele eveneens vaststaande feiten. Het gaat daarmee in deze zaak om het volgende.

1.1

[naam 1] Assurantiën hield zich als assurantietussenpersoon bezig met het

adviseren over en bemiddelen in verzekeringsproducten.

1.2

[appellant] heeft in 1979 bij Stad Rotterdam Verzekeringen, een rechtsvoorganger

van ASR Levensverzekering N.V. (hierna: ASR) een overeenkomst van levensverzekering met lijfrenteclausule (polisnummer [nummer] ) gesloten met een looptijd van 30 jaar (hierna: de verzekering). Op het polisblad van 5 oktober 1979 is [appellant] als eerste begunstigde van de verzekering aangewezen.

1.3

Bij brief van 11 juni 2003 heeft [appellant] aan Stad Rotterdam Verzekeringen verzocht om zijn neef [neef appellant] (hierna: de neef) als begunstigde van de verzekering op het polisblad aan te tekenen. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

Hierbij verzoeken wij u op de levensverzekering met lijfrenteclausule van de heer [appellant] , met polisnummer [nummer] , de volgende persoon aan te tekenen als aanvaarde begunstigde:

De heer

[neef appellant]

(...)

Geboren te Delft op [geboortedatum] 1962


Per zo spoedig mogelijk.

Graag ontvangen wij een kopie van de polis met de aantekening. Voorts verzoeken wij u een kopie hiervan te sturen aan Arenthals Grant Thornton, t.a.v. [naam 2] (...).”

Deze brief is ondertekend door [appellant] en door de neef.

1.4

Op 4 juli 2003 heeft Stad Rotterdam Verzekeringen een wijzigingsblad aan de assurantiepersoon van [appellant] ( [naam assurantiepersoon] ) gezonden, waarop [appellant] als eerste begunstigde en de neef als tweede begunstigde staat vermeld.

1.5

In een emailbericht van 6 mei 2008 heeft de neef aan de toenmalige advocaat van [appellant] onder meer het volgende geschreven:

Voordat wij eventueel komen praten wil ik dat de volgende dingen geregeld worden: De verklaring die [appellant] zou ondertekenen i.v.m. zijn levensverzekering. (…)

1.6

Op 23, althans 29, mei 2008 heeft [appellant] ten kantore van [naam 1] Assurantiën een aanvraagformulier voor een levensverzekering ondertekend. Als polisnummer van de levensverzekering is vermeld [nummer] . Op dat aanvraagformulier is aangegeven dat als eerste en tweede begunstigde van de verzekering de neef wordt gekozen. Het formulier is tevens door de neef ondertekend. Op de laatste pagina van het aanvraagformulier is vermeld dat [appellant] overvoer van de verzekering naar [naam 1] Assurantiën als tussenpersoon wenst.

1.7

Bij brief van 5 juni 2008 heeft [naam 1] Assurantiën het aanvraagformulier waarin de neef als eerste en tweede begunstigde van de verzekering wordt aangewezen aan ASR gezonden.

1.8

Bij brief van 10 juni 2008 heeft [appellant] aan de neef onder meer geschreven:

Op 21 april hebben wij elkaar voor het laatst gesproken. Inmiddels heb ik de brief van [naam 3] ondertekend. Als het goed is heeft ze je hierover telefonisch geïnformeerd.”

1.9

Op een door ASR voor de verzekering opgemaakt wijzigingsblad van 22 juli 2008 is vermeld dat de polis per 15 juli 2008 is gewijzigd in die zin dat de neef als eerste begunstigde van de verzekering is aangewezen.

1.10

In een brief van 23 juli 2008 van de toenmalige advocaat van [appellant] aan de neef staat onder meer het volgende:

Ik wijs u erop dat cliënt een huurovereenkomst met u heeft gesloten en aangaande de huurpenningen een levensverzekering heeft afgesloten op uw naam.

1.11

In een brief van 1 september 2008 van [naam 1] Assurantiën aan [appellant] staat onder meer:

In verband met aanpassing van de begunstiging op uw bovenvermelde lijfrenteverzekering bij Fortis ASR sturen wij u hierbij een gewijzigd polisblad”.

1.12

Op 1 september 2008 heeft [naam 1] Assurantiën aan ASR onder meer geschreven:


Bij controle van de gewijzigde lijfrentepolis blijkt dat de geboortedatum van [neef appellant] vermeld in clausule nummer 3 niet is gecorrigeerd in [geboortedatum] 1962. Wilt u dit alsnog aanpassen.


De afkoopwaarde is inmiddels door de verzekeringsnemer [appellant] opgevraagd. Dit buiten mede weten van de aanvaarde begunstigde [neef appellant] . Bij een eventueel afkoopverzoek verzoeken wij u vriendelijk contact met ons op te nemen. De afkoopwaarde moet absoluut ten gunste komen van [neef appellant] en niet [appellant].”

1.13

Op 15 juli 2009, de einddatum van de verzekering, heeft ASR op verzoek van de neef de afkoopwaarde van de verzekering (een bedrag van € 255.626,00) uitbetaald aan de neef.

1.14

[naam 1] Assurantiën heeft [appellant] per brief van 7 augustus 2009 laten weten dat

uitkering van de afkoopwaarde van de verzekering aan de neef heeft plaatsgevonden.

1.15

Bij brief van 10 augustus 2010 aan [naam 1] Assurantiën heeft [appellant] zich op

het standpunt gesteld dat de verzekering slechts verpand zou zijn voor een bedrag van

€ 120.000.00 en dat de uitkering ten onrechte aan de neef heeft plaatsgevonden. [appellant]

kondigt in die brief een gerechtelijke procedure aan voor zover [naam 1] Assurantiën niet

zou meewerken aan een goede oplossing.

1.16

Bij brieven van 3 en 9 september 2010 heeft beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar

BAVAM namens [naam 1] Assurantiën aansprakelijkheid afgewezen.

1.17

Bij brief van 21 september 2010 aan BAVAM heeft de toenmalige advocaat van

[appellant] de aansprakelijkheidsstelling aan [naam 1] Assurantiën herhaald.

1.18

Op 1 januari 2012 is [naam 1] Assurantiën ontbonden en is [naam 3] Beheer

B.V. (hierna: [naam 3] Beheer) als vereffenaar benoemd.

1.19

Met ingang van 30 juni 2012 is [naam 1] Assurantiën opgehouden te bestaan door het einde van de liquidatie.

1.20

Bij brief van 20 juli 2015 heeft [appellant] aan BAVAM onder meer geschreven als

volgt:

Met dit aangetekend schrijven, stuiten wij de verjaringstermijn inzake de lopende

aansprakelijkheidsprocedure [appellant] / [naam 1] A[ss]urantiën met bovenvermeld kenmerk.”

1.21

Bij brieven van 24 augustus 2015 heeft mr. Phea namens [appellant] BAVAM en [naam 3] Beheer, als voormalig vereffenaar van [naam 1] Assurantiën, opnieuw

aansprakelijk gesteld.

1.22

Bij beschikking van 6 september 2016 heeft de rechtbank Rotterdam de vereffening van het vermogen van [naam 1] Assurantiën heropend met benoeming van [naam 3] tot vereffenaar.

1.23

Tussen [appellant] als eiser en ASR als gedaagde is een procedure voor de rechtbank

Utrecht aanhangig geweest over de vraag of de wijzing van de begunstiging van de

verzekering correct tot stand is gekomen. De rechtbank Utrecht heeft de vordering van

[appellant] om ASR te veroordelen tot betaling aan hem van € 255.626,-, vermeerderd met rente en kosten, bij vonnis van 4 juli 2012 afgewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft dit vonnis bij arrest van 29 juli 2014 bekrachtigd.

Het geschil en de vorderingen in eerste aanleg

2.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd om [naam 1] Assurantiën te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 182.200,-, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten, en om [naam 1] Assurantiën de veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

2.2

[appellant] heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn vorderingen. [naam 1] Assurantiën heeft jegens hem onrechtmatig gehandeld door zonder zijn toestemming de naam van de begunstigde op de verzekering te wijzigen in die van de neef en zonder zijn toestemming op te treden als zijn tussenpersoon. Zij heeft dit gedaan door het toesturen aan ASR van het aanvraagformulier van 23/29 mei 2008, dat door [appellant] is ondertekend maar na ondertekening door [naam 1] Assurantiën verder is ingevuld. [appellant] heeft als gevolg daarvan schade geleden bestaande uit de misgelopen uitkering uit de levensverzekering, zijnde een bedrag van € 255.526.00 bruto. Het netto-equivalent hiervan begroot [appellant] op een bedrag van €182.200.00.

2.3

Bij verstekvonnis van 6 september 2017 heeft de rechtbank de vordering van [appellant] , met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten, toegewezen.

2.4

[naam 1] Assurantiën heeft verzet ingesteld tegen het verstekvonnis.

2.5

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis het verstekvonnis van 6 september 2017 vernietigd en de vordering van [appellant] alsnog afgewezen en hem veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen [naam 1] Assurantiën op basis van het verstekvonnis heeft betaald c.q. nog zal betalen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van [appellant] is verjaard op grond van artikel 3:310 lid 1, in samenhang met de artikelen 2:23c en 3:320 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de vordering van [appellant] niet op grond van artikel 3:310 lid 4 BW pas na 12 jaar verjaart. De rechtbank heeft niet aannemelijk geacht dat in dit geval sprake is van valsheid in geschrifte bestaande in het door [naam 1] Assurantiën zelf invullen van het aanvraagformulier om ASR te bewegen tot een wijziging van de begunstiging van de verzekering.

De vordering in hoger beroep

3.1

In hoger beroep heeft [appellant] gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen, het verstekvonnis van 6 september 2017 te bekrachtigen, subsidiair zijn vordering in eerste aanleg alsnog toe te wijzen, en (primair en subsidiair) [naam 1] Assurantiën te veroordelen om al hetgeen [appellant] (eventueel) ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [naam 1] Assurantiën heeft voldaan aan hem terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, en met veroordeling van [naam 1] Assurantiën in de kosten van de procedure in beide instanties, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2

[naam 1] Assurantiën heeft hiertegen verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van de grieven van [appellant] en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De beoordeling van het hoger beroep


Inleiding; de volgorde van behandeling

4. Het hof stelt vast dat [appellant] zijn vordering tegen [naam 1] Assurantiën baseert op twee afzonderlijke grondslagen. Hij baseert zijn vordering op beroepsaansprakelijkheid door te betogen dat [naam 1] Assurantiën haar zorgplicht jegens hem heeft geschonden en in die zin onrechtmatig heeft gehandeld. Daarnaast betoogt [appellant] dat [naam 1] Assurantiën valsheid in geschrifte heeft gepleegd en (ook) in die zin onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.
In grief 1 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn vordering tegen [naam 1] Assurantiën, voor zover gegrond op beroepsaansprakelijkheid, is verjaard op grond van artikel 3:310 lid 1, in samenhang met de artikelen 2:23c en 3:320 BW.
In grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn vordering tegen [naam 1] Assurantiën, voor zover gegrond op valsheid in geschrifte, niet pas na twaalf jaar verjaart ingevolge artikel 3:310 lid 4 BW, zoals hij heeft betoogd.
Het hof ziet aanleiding eerst grief 2 te beoordelen.


De vordering, voor zover gegrond op valsheid in geschrifte

5. In grief 2 stelt [appellant] zich op het standpunt dat de rechtbank hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn betoog dat zijn vordering op [naam 1] Assurantiën, voor zover gegrond op valsheid in geschrifte, op grond van artikel 3:310 lid 4 BW na twaalf jaar verjaart.

Is de vordering verjaard?

5.1

[appellant] voert op zichzelf terecht aan dat zijn vordering, voor zover gegrond op valsheid in geschrifte, pas na twaalf jaar verjaart. Voor de toepasselijkheid van de verjaringstermijn is immers de grondslag van de vordering bepalend. Nu [appellant] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat het handelen van [naam 1] Assurantiën valsheid in geschrifte oplevert – een strafbaar feit waarop de Nederlandse strafwet van toepassing is –, verjaart die vordering op grond van artikel 3:310 lid 4 BW niet zolang het recht tot strafvordering niet door, voor zover hier van belang, verjaring is vervallen. Op grond van artikel 70 lid 1, onder 3, in samenhang met artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in twaalf jaren. De vordering van [appellant] op deze grondslag verjaart daarom na verloop van twaalf jaar. Niet in geschil is dat die termijn niet is verstreken. In zoverre slaagt grief 2.

Kan de vordering worden toegewezen?

5.2

Gelet op het voorgaande komt het hof toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering van [appellant] op deze grondslag. [appellant] voert onder grief 2 ook aan dat de rechtbank ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht dat [naam 1] Assurantiën zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte in de zin van artikel 225 Sr, te weten het eigenhandig invullen van het aanvraagformulier van 23/29 mei 2008 voor een levensverzekering waardoor de uitkering uit de levensverzekering van [appellant] aan een ander toekomt.

5.3

[appellant] stelt daartoe dat hij op 23, althans 29, mei 2008 een bezoek aan het kantoor van [naam 1] Assurantiën heeft gebracht omdat hij een nieuwe levensverzekering wilde afsluiten. Hij wenste een aanvulling op zijn bestaande levensverzekering die op of rond 15 juli 2009 zou aflopen. Volgens [appellant] is tijdens het korte gesprek met een medewerker van [naam 1] Assurantiën zijn bestaande levensverzekering niet ter sprake gekomen en heeft de medewerker enkel de laatste pagina van een aanvraagformulier voor een nieuwe levensverzekering ter ondertekening aan [appellant] voorgelegd. Hij heeft het formulier blanco getekend en de overige gegevens zijn verder ingevuld door [naam 1] Assurantiën. Volgens [appellant] heeft [naam 1] Assurantiën vervolgens zonder zijn toestemming de begunstigde op zijn levensverzekering gewijzigd door de neef als eerste begunstigde aan te wijzen. Daarnaast heeft [naam 1] Assurantiën, wederom zonder zijn instemming, zichzelf aangewezen als zijn nieuwe tussenpersoon voor zijn bestaande levensverzekering, aldus [appellant] .

5.4

Het hof is van oordeel dat [appellant] door het handelen van [naam 1] Assurantiën op 23/29 mei 2008 geen schade kan hebben geleden. De vordering van [appellant] kan daarom al niet worden toegewezen. Het hof overweegt daartoe het volgende.

5.5

[appellant] heeft al bij brief van 11 juni 2003, die door zowel [appellant] als de neef is ondertekend (zie 1.3), aan Stad Rotterdam (de rechtsvoorganger van ASR) verzocht om de neef als aanvaarde begunstigde van de levensverzekering op te nemen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn arrest van 29 juli 2014 in een procedure tussen [appellant] en ASR (ECLI:NL:GHARL:2014:6024) overwogen dat dit (niet geclausuleerde of gepreciseerde) verzoek van [appellant] , mede in het licht van de bij Stad Rotterdam bekende wens van [appellant] om de neef zekerheid te verschaffen voor een door hem verstrekte geldlening, redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan als een verzoek om de neef aan te wijzen als eerste begunstigde. Het hof Arnhem-Leeuwarden had met de genoemde ‘wens’ het oog op een eerder verzoek van 20 november 2002 van [appellant] aan Stad Rotterdam om de levensverzekering gedeeltelijk te verpanden aan de neef, waarop Stad Rotterdam had laten weten dat verpanding niet was toegestaan omdat het een verzekering betreft met een lijfrenteclausule.

Het hof sluit zich aan bij dit oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. [appellant] heeft ook nu geen (voldoende concrete) feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andere uitleg van zijn verzoek van 11 juni 2003 kunnen leiden. De door [appellant] overgelegde verklaring van zijn voormalige tussenpersoon [naam assurantiepersoon] (productie 22 van [appellant] in eerste aanleg) dat hij in 2003 naar aanleiding van een vraag van Stad Rotterdam heeft bevestigd dat het de bedoeling was dat [appellant] als eerste begunstigde op de polis vermeld moest blijven, biedt daarvoor onvoldoende grond. [appellant] liet zich bij het verzoek van 11 juni 2013 blijkens de brief immers bijstaan door Arenthals Grant Thornton ( [naam 2] ). Gesteld noch gebleken is dat [naam assurantiepersoon] daarbij betrokken was. Bovendien geeft de brief van [appellant] van 11 juni 2013, zoals hiervoor overwogen, geen blijk van die gestelde bedoeling.

5.6

Het voorgaande betekent dat de neef al onherroepelijk de eerste begunstigde op de polis was geworden door de ontvangst door Stad Rotterdam van de aanwijzing bij brief van 11 juni 2003 van de neef als (eerste) begunstigde en de gelijktijdige aanvaarding van die aanwijzing door de neef. Niet is gesteld of gebleken dat de neef nadien heeft ingestemd met wijziging van die aanwijzing. Integendeel, ook uit de overgelegde pandakte van 16 juni 2006 volgt dat de neef als pandhouder bevoegd is op de polis tot uitkering komende bedragen te innen. Daarom kan er ook geen sprake van zijn dat [naam 1] Assurantiën ASR heeft willen misleiden door haar in het aanvraagformulier van 23/29 mei 2008 te verzoeken om de neef (alsnog) als eerste begunstigde in de polis op te nemen. De neef was immers, ook zonder vermelding in de polis, al (onherroepelijk) eerste begunstigde. Dat betekent ook dat [appellant] geen schade kan hebben geleden, zelfs als [naam 1] Assurantiën zonder instemming van [appellant] – zoals hij stelt – met het aanvraagformulier van 23/29 mei 2008 ASR heeft verzocht de neef (alsnog) als eerste begunstigde in de polis te vermelden, nu die aanpassing van de polis niet tot een wijziging van de bestaande rechtstoestand heeft geleid.

5.7

Bij het voorgaande komt dat [appellant] ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 1] Assurantiën het aanvraagformulier tegen zijn wil heeft ingevuld door daarin het verzoek te doen aan ASR om de neef als eerste begunstigde van de levensverzekering op te nemen. Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen gaat het hof ervan uit dat Stad Rotterdam op het polisblad in 2003 (zie 1.4) abusievelijk de neef als tweede (en niet als eerste) begunstigde heeft aangemerkt, in lijn met het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het hiervoor genoemde arrest in de zaak van [appellant] tegen ASR. Het ligt daarom voor de hand dat het de bedoeling van [appellant] was om met het formulier van 23/29 mei 2008 de begunstiging van de verzekering alsnog juist in het polisblad te laten opnemen door daarin de neef als eerste begunstigde te vermelden. Dit had hij met de neef afgesproken zoals volgt uit het emailbericht van 6 mei 2008 van de neef aan de toenmalige advocaat van [appellant] (zie 1.5), de brief van 10 juni 2008 van [appellant] aan de neef (zie 1.8) en de brief van 23 juli 2008 van de toenmalige advocaat van [appellant] aan de neef (zie 1.10) . [appellant] heeft betwist dat hij in zijn brief van 10 juni 2008 met de passage “inmiddels heb ik de brief van [naam 3] ondertekend” heeft gedoeld op het formulier van 23/29 mei 2008. [appellant] heeft niet uitgelegd wat hij dan wel heeft bedoeld met deze passage. Daarom gaat het hof aan die betwisting voorbij.

5.8

Ook overigens is het hof is van oordeel dat de stellingen van [appellant] geen grond bieden voor het oordeel dat [naam 1] Assurantiën valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Daarvoor is nodig dat [naam 1] Assurantiën het door [appellant] getekende blanco aanvraagformulier onjuist - tegen de wil van [appellant] - heeft ingevuld met het oogmerk om een derde, zoals ASR te misleiden. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit een dergelijk oogmerk tot misleiding aan de zijde van [naam 1] Assurantiën blijkt. Van een samenspanning tussen [naam 1] Assurantiën en de neef is niet gebleken.

5.9

Daarnaast heeft [appellant] ook onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat [naam 1] Assurantiën valsheid in geschrifte heeft gepleegd door in het aanvraagformulier zichzelf als tussenpersoon van [appellant] aan te wijzen, nog daargelaten de vraag of die aanwijzing tot enige schade kan hebben geleid. [appellant] is immers zelf bij [naam 1] Assurantiën langs gegaan, hoewel hij voor zijn levensverzekering al een tussenpersoon had ( [naam assurantiepersoon] ). Verder heeft [appellant] niet de stelling van [naam 1] Assurantiën betwist dat [appellant] op 23/29 mei 2008 aan haar, in de persoon van [naam 3] , heeft aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat zij voortaan tussenpersoon zou zijn.


Conclusie

5.10

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [appellant] , voor zover gegrond op valsheid in geschrifte, niet (alsnog) kan worden toegewezen. In zoverre faalt grief 2. Dat betekent dat het gedeeltelijk slagen van grief 2 niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden.

De vordering, voor zover gegrond op beroepsaansprakelijkheid

6. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van [appellant] , voor zover gegrond op beroepsaansprakelijkheid, is verjaard omdat de verjaringstermijn met de brieven van 20 juli 2015 (zie 1.20) en 24 augustus 2015 (zie 1.21), noch met de mededeling in het verzoekschrift van 11 november 2015 tot heropening van de vereffening van [naam 1] Assurantiën dat hij zijn recht op nakoming voorbehoudt, rechtsgeldig is gestuit. Met grief 1 richt [appellant] zich tegen dat oordeel.


Is de vordering verjaard?

6.1

Niet in geschil is dat op de vordering van [appellant] , voor zover gegrond op beroepsaansprakelijkheid, de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW van in beginsel vijf jaar van toepassing is. Voor de beoordeling van deze grief is eerst van belang om vast te stellen wanneer de verjaringstermijn heeft gelopen.

Aanvang van de verjaringstermijn

6.2

Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn, gelet op deze bepaling, is gaan lopen op 9 augustus 2009 (de dag na ontvangst van de brief van [naam 1] Assurantiën van 7 augustus 2009 – zie 1.14) en dat de verjaring bij brief van 21 september 2010 (zie 1.17) is gestuit, zodat vanaf 21 september 2010 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen. [appellant] heeft geen grief gericht tegen dit oordeel van de rechtbank. Het hof zal daarom ook daarvan uitgaan.


Einde van de verjaringstermijn

6.3

Vaststaat dat op 1 januari 2012 de vennootschap [naam 1] Assurantiën is ontbonden en met ingang van 30 juni 2012 met het einde van de vereffening is opgehouden te bestaan, dus nog voor de verjaringstermijn van vijf jaar zou aflopen.

6.4

Uit artikel 2:23c lid 1 BW volgt dat indien na het tijdstip waarop de vennootschap is opgehouden te bestaan, nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen. In dat geval herleeft de vennootschap ter afwikkeling van de heropende vereffening. Uit artikel 2:23c lid 2 BW in verbinding met artikel 3:320 BW volgt dat wanneer een verjaringstermijn zou aflopen gedurende het tijdvak waarin de vennootschap had opgehouden te bestaan of binnen zes maanden na heropening van de vereffening, die verjaringstermijn verder loopt totdat zes maanden na die heropening zijn verstreken.

6.5

Artikel 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW geeft een regel voor het tijdstip waarop een verjaringstermijn van een vordering op een rechtspersoon eindigt nadat die rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Die regel veronderstelt dat een lopende verjaringstermijn in elk geval niet afloopt zolang de vereffening van de rechtspersoon niet is heropend op de voet van artikel 2:23c lid 1 BW (HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1182).

6.6

Nu in dit geval de vereffening van [naam 1] Assurantiën op 6 september 2016 is heropend, betekent het voorgaande dat de verjaringstermijn heeft voortgeduurd in de periode nadat [naam 1] Assurantiën heeft opgehouden te bestaan en is geëindigd zes maanden na de heropening van de vereffening, dus op 7 april 2017, tenzij de verjaring al voordien is gestuit, zoals [appellant] in zijn toelichting op grief 1 heeft betoogd. De rechtbank heeft het voorgaande in het bestreden vonnis klaarblijkelijk ook tot uitgangspunt genomen, waartegen [appellant] geen grief heeft gericht.

Is de verjaring gestuit?

6.7

Hoewel een verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande rechtspersoon niet hoeft te worden gestuit gedurende de periode dat die rechtspersoon niet meer bestaat (zie het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017), is niet in geschil dat de verjaringstermijn in die periode wel kan worden gestuit, zoals ook de rechtbank heeft aangenomen onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA3743). Volgens [appellant] heeft hij dat gedaan bij brieven van 20 juli 2015 (aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [naam 1] Assurantiën) en 24 augustus 2015 (aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [naam 1] Assurantiën en aan [naam 3] Beheer), en in het verzoekschrift tot heropening van de vereffening van [naam 1] Assurantiën.

6.8

[appellant] stelt in de toelichting op zijn grief op zichzelf terecht dat op grond van artikel 3:317 BW de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt, en dat stuiting dus, behalve door het uitbrengen van een exploot, ook met een gewone brief kan. Anders dan [appellant] stelt, was ten tijde van zijn brieven van 20 juli 2015 en 24 augustus 2015, of zijn verzoekschrift van 11 november 2015 [naam 3] Beheer echter niet (meer) de vereffenaar van [naam 1] Assurantiën. De vereffening van [naam 1] Assurantiën was immers al op 30 juni 2012 geëindigd en de vennootschap was daarmee opgehouden te bestaan. De beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [naam 1] Assurantiën kon haar dus niet meer vertegenwoordigen en van een vereffenaar was geen sprake meer. Stuiting per brief of in het verzoekschrift aan het adres van [naam 1] Assurantiën, van een vertegenwoordiger (zoals eventueel de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar) of van de vereffenaar van [naam 1] was dus niet meer mogelijk. Een rechtspersoon die niet meer bestaat, kan immers geen stuitingshandelingen in ontvangst (laten) nemen. Dat betekent dat stuiting van de verjaring in de periode nadat [naam 1] Assurantiën was opgehouden te bestaan en voordat de vereffening werd heropend, alleen mogelijk was door betekening van een exploot op de voet van artikel 54 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

6.9

In artikel 54, leden 3 en 4, Rv is voorgeschreven op welke wijze de betekening dient plaats te vinden van exploten aan rechtspersonen, “bestaande of ontbonden, bij gebreke van kantoor, bestuurder of vereffenaar, of wanneer de bestuurder of vereffenaar geen bekend kantoor, bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft”, namelijk – kort gezegd – door betekening aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie en bekendmaking in de Staatscourant. Uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 6 december 2013 volgt dat deze regeling zich ook leent voor overeenkomstige toepassing op het geval waarin een rechtspersoon na te zijn ontbonden heeft opgehouden te bestaan, en desondanks belang bestaat bij het kunnen betekenen van een exploot dat stuiting van verjaring van een vordering tot gevolg heeft.

6.10

Vaststaat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, dat [appellant] de verjaringstermijn van zijn vordering niet heeft gestuit door een op de voet van artikel 54, leden 3 en 4, Rv betekend exploot.

6.11

Dat [naam 1] Assurantiën door de heropening van de vereffening op 6 september 2016 op grond van artikel 2:23c lid 1 BW als rechtspersoon met terugwerkende kracht is gaan herleven, maakt niet dat de brieven van 20 juli 2015 en 24 augustus 2015 of het verzoekschrift van 11 november 2015 achteraf (alsnog) gelden als stuitingshandelingen gericht tot [naam 1] Assurantiën, zoals [appellant] heeft bepleit. In artikel 2:23c lid 1 BW is immers bepaald dat de rechtspersoon uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening met terugwerkende kracht herleefd. Feit blijft dat [naam 1] Assurantiën noch een vereffenaar de stuitingshandelingen in de brieven of het verzoekschrift van [appellant] ten tijde van het uitbrengen daarvan in ontvangst heeft kunnen (laten) nemen.
Naast de weg van artikel 54, leden 3 en 4, Rv, heeft De Hoge Raad in het hiervoor onder 6.5 genoemde arrest van 30 juni 2017 juist voor deze situatie geoordeeld dat uit artikel 2:23c lid 2 BW in verbinding met artikel 3:320 BW volgt dat na heropening van de vereffening stuiting van de verjaring mogelijk is tot zes maanden na die heropening. Vaststaat echter dat [appellant] (ook) van de gelegenheid om de verjaring binnen zes maanden na heropening van de vereffening van [naam 1] Assurantiën te stuiten (aan het adres van de (nieuwe) vereffenaar [naam 3] ) geen gebruik heeft gemaakt.

Conclusie: de vordering is verjaard
6.12 Uit het voorgaande volgt dat de verjaringstermijn van de vordering van [appellant] niet is gestuit. Dat betekent dat zijn vordering, voor zover gegrond op beroepsaansprakelijkheid, ingesteld bij dagvaarding van 31 juli 2017, al op 7 april 2017 (zes maanden na heropening van de vereffening van [naam 1] Assurantiën) was verjaard. Grief 1 faalt.

6.13

Het voorgaande betekent dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering van [appellant] tegen [naam 1] Assurantiën, voor zover gegrond op beroepsaansprakelijkheid.

6.14

Het hof merkt overigens op dat die vordering ook op inhoudelijke gronden niet kan slagen, al om de reden dat [appellant] door het handelen van [naam 1] Assurantiën op 23/29 mei 2008 geen schade kan hebben geleden. Het gevolg, dat met de aanpassing van de polis per 15 juli 2008 de neef daarin (alsnog) als eerste begunstigde staat vermeld, heeft immers niet geleid tot een wijziging in de bestaande rechtstoestand, omdat de neef al op 11 juni 2003 onherroepelijk als eerste begunstigde was aangewezen. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen is overwogen onder 5.5 en 5.6. Ook uit hetgeen onder 5.7 en 5.9 is overwogen, volgt dat (ook) de vordering van [appellant] , voor zover gegrond op beroepsaansprakelijkheid, niet kan slagen.


Overige grieven

7. De grieven 3 en 4 hebben geen zelfstandige betekenis. Nu grieven 1 en 2 falen, falen daarom ook de grieven 3 en 4.
Slotsom in het hoger beroep

8. Nu [appellant] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, althans zijn stellingen – indien bewezen – niet tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof aan bewijslevering niet toe.

9. Nu geen van de grieven slaagt, is er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de vordering van [appellant] ten onrechte heeft afgewezen. Daarom faalt het hoger beroep. Het hof zal daarom het bestreden vonnis bekrachtigen en [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten die [naam 1] Assurantiën in het hoger beroep heeft gemaakt, waaronder de eventuele nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, team handel en haven, van 29 augustus 2018;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [naam 1] Assurantiën tot op heden begroot op € 5.270,- voor griffierecht en € 1.707,- aan salaris voor de advocaat (1 punt x tarief V) , en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kluit, P.M. Verbeek en D.A. Schreuder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2020 in aanwezigheid van de griffier.