Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:937

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
19-05-2020
Zaaknummer
200.260.453/01 en 200.276.063/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:2462
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Art. 4 lid 3 Rv. Bevoegdheid Nederlandse rechter ten aanzien van zorgregeling in echtscheidingsprocedure. Kinderen hebben geen gewone verblijfplaats in Nederland. Geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.260.453/01 en 200.276.063/01

rekestnummers rechtbank : FA RK 17-3267 en FA RK 18-3721

zaaknummer rechtbank : C/09/531648 en C/09/553641

beschikking van de meervoudige kamer van 22 april 2020

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.L. Spekschoor te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K. Beumer te Brielle.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 5 juni 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2.

De man heeft op 7 augustus 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 17 september 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 21 januari 2020, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 27 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 7 februari 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- mr. M.L. Spekschoor,

- de man, bijgestaan door mr. K. Beumer.

De vrouw is met bericht van verhindering niet verschenen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- partijen zijn [in] 2007 te [plaats] , Verenigde Arabische Emiraten, gehuwd;

- partijen zijn de ouders van:

1. [de minderjarige 1] , geboren [in] 2010 te [geboorteplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,

2. [de minderjarige 2] , geboren [in] 2012 te [geboorteplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,

hierna te noemen: de minderjarigen;

- zowel partijen als de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard ten aanzien van de zorgregeling. Voorts heeft de rechtbank in de bestreden beschikking de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld en hetgeen overigens is gevorderd afgewezen.

4.2.

De vrouw heeft bij journaalbericht van 21 januari 2020 haar principaal appel ingetrokken.

4.3.

De man verzoekt het hof, in incidenteel appel, de bestreden beschikking deels te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna te noemen: de zorgregeling) vast te stellen, inhoudende dat de man en de minderjarigen gerechtigd zijn tot contact met elkaar één maal per veertien dagen van vrijdag 10.00 uur tot zaterdag 19.30 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;

- de waardering van de auto’s, te weten Jeep Cherokee en Mercedes Benz CLS 500, vast te stellen, met dien verstande dat deze gewaardeerd dienen te worden per datum verdeling en bij de verdeling van de rekening bij de bank Emirates met rekeningnummer [rekeningnummer] , te bepalen dat de vrouw aan de gemeenschap, althans op die rekening dient terug te vergoeden een bedrag van 80.000,- AED, althans een beslissing te nemen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

4.4.

De vrouw voert verweer en verzoek het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

Primair: de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel de verzoeken af te wijzen;

Subsidiair: de verzoeken van de man af te wijzen, en

- een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarige een weekend per veertien dagen van vrijdag 10.00 uur tot zaterdag 18.00 uur, alsmede 50% van de feestdagen en 25% van de vakantiedagen bij de man zullen zijn;

- de waarde van de Mercedes te bepalen op AED 250.000 met als peildatum 21 april 2017, althans een onafhankelijke deskundige te benoemen die de auto’s taxeert per peildatum.

5 De motivering van de beslissing

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken:

5.1.

De man heeft in hoger beroep een grief gericht tegen de onbevoegdverklaring van de rechtbank ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de waarde miskent van het feit dat de minderjarigen de Nederlandse nationaliteit hebben, veelvuldig Nederland bezoeken, vloeiend Nederlands spreken, naar een internationale school gaan, de sociale contacten in [plaats] Nederlands georiënteerd zijn en er sprake is van een expatsituatie waarbij de band met de Nederlandse rechtssfeer in stand wordt gehouden. Derhalve is er naar de mening van de man sprake van voldoende verbondenheid met Nederland. Verder stelt de man dat partijen nagenoeg overeenstemming hebben over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zodat de regeling kan worden vastgelegd. Daarbij komt dat het feit dat er thans geen contactregeling is vastgesteld leidt tot onrust en strijdigheid met de belangen van de minderjarigen.

5.2.

De vrouw betwist de stelling van de man. Zij is van mening dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid heeft ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, nu iedere verbondenheid met Nederland ontbreekt. De expatsituatie maakt niet dat er per definitie een band is met Nederland. Daarnaast kan het hof, in de visie van de vrouw, de leefomstandigheden van de minderjarigen in [plaats] niet voldoende beoordelen. Verder kan de man in de Verenigde Arabische Emiraten een zorgregeling verzoeken.

5.3.

Het hof dient allereerst te beoordelen of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid heeft ten aanzien van het verzoek tot verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Vast staat dat de minderjarigen, zowel ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift als heden, hun gewone verblijfplaats hebben in [plaats] , de Verenigde Arabische Emiraten.

5.4.

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet kan worden ontleend aan de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna te noemen: Brussel II bis), nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats niet in Nederland hebben, en eveneens niet is voldaan aan de in artikel 12, eerste lid, van de Verordening gestelde voorwaarden voor prorogatie van rechtsmacht.

5.5.

Vervolgens is het hof van oordeel dat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter evenmin kan worden ontleend aan het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, nu de minderjarigen niet in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben, en het hof evenmin aan de aanvullende bepalingen van de artikelen 5 tot en met 14 van dit Verdrag bevoegdheid kan ontlenen.

5.6.

Het voorgaande brengt met zich dat, nu het hof zijn bevoegdheid niet kan ontlenen aan een van de hierboven genoemde regelingen, de bevoegdheid van de Nederlandse rechter dient te worden beoordeeld op grond van artikel 4, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit artikellid bepaalt, voor zover van belang, dat indien de Nederlandse rechter rechtsmacht met betrekking tot de echtscheiding heeft, hij buiten de toepassing van Verordening Brussel II bis, tevens rechtsmacht heeft ten aanzien van de met de echtscheiding verband houdende nevenvoorzieningen, met dien verstande dat met betrekking tot de verzoeken betreffende het gezag en omgangsrecht geldt, dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart indien hij zich, wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, niet in staat acht de belangen van de kinderen naar behoren te beoordelen (forum non conveniens).

5.7.

Het hof overweegt als volgt. Ter zitting heeft het hof kunnen vaststellen dat partijen reeds voor de zitting in onderling overleg overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot de inhoud van de zorgregeling. Bij de uitvoering van de zorgregeling doen zich alleen misverstanden en problemen voor. De advocaat van de vrouw heeft bevestigd dat als weekendregeling geldt dat de man en de minderjarigen gerechtigd zijn tot contact met elkaar van vrijdag 10.00 uur tot zaterdag 19.30 uur. Verder zijn partijen het er over eens dat het de man vrij staat om de minderjarigen van zondag tot en met donderdag op te halen van school en dat de man de minderjarigen na het eten terug brengt naar de vrouw. Ook is ter zitting gebleken dat niet langer in geschil is dat de feestdagen bij helfte (50%) worden gedeeld en dat de minderjarigen gedurende 25% van de vakantiedagen bij de man verblijven. Nu partijen zelf tot overeenstemming zijn gekomen met betrekking tot de zorgregeling en partijen de echtscheidingsprocedure in Nederland hebben gevoerd, acht het hof voldoende gronden aanwezig om zich ook bevoegd te achten met betrekking tot de zorgregeling. Het hof is door de man en door beide advocaten goed voorgelicht met betrekking tot de kinderen van partijen. Uit de verstrekte informatie ter zitting volgt dat de man volledig in staat is de overeengekomen zorgregeling na te komen. Nu er geen procedure met betrekking tot de zorgregeling aanhangig is in de Verenigde Arabische Emiraten bestaat er geen risico op tegenstrijdige uitspraken. Het voorgaande brengt met zich dat de grief van de man slaagt en de bestreden beschikking op dit punt zal worden vernietigd.

5.8.

Overeenkomstig de bepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlandse recht van toepassing als zijnde het interne recht van de Nederlandse rechter.

5.9.

Het hof zal de hierboven in rechtsoverweging 5.7. vermelde zorgregeling, welke tussen partijen niet langer in geschil is, vaststellen.

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

5.10.

Nu de Nederlandse rechter op grond van de Verordening Brussel II bis rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen.

5.11.

In hoger beroep is geen grief gericht tegen het door de rechtbank vastgestelde toepasselijke recht, zodat het hof evenals de rechtbank Nederlands recht zal toepassen op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen.

5.12.

De man heeft ter zitting zijn grief ten aanzien van de verdeling van de bankrekening bij Emirates met als rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van partijen ingetrokken, zodat deze grief geen bespreking meer behoeft.

5.13.

De man heeft zijn grieven ten aanzien van de auto’s (Mercedes Benz CLS500, bouwjaar 2016, en Jeep Cherokee) gehandhaafd. De man stelt dat hij de auto van het merk Mercedes Benz destijds heeft aangeschaft voor een bedrag van AED 225.000,-. Dat bedrag is al lager dan de waarde die de rechtbank aan de auto heeft toegekend. De man is verder van mening dat de waarde van de auto moet worden vastgesteld op de datum van de feitelijke verdeling, en stelt dat de waarde van de Mercedes Benz op 1 juni 2019 AED 125.000,- bedroeg.

5.14.

De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij stelt dat beide auto’s op het moment van de peildatum (21 april 2017) feitelijk waren verdeeld. Naar de mening van de vrouw is de door de rechtbank ten aanzien van de Mercedes Benz gehanteerde waarde van AED 250.000,- reëel, gelet op het gegeven dat auto’s in [het emiraat] door import in waarde stijgen.

5.15.

Het hof overweegt als volgt. Met betrekking tot de peildatum voor de waardering geldt de datum van de feitelijke verdeling tenzij partijen anders met elkaar zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid zich tegen de peildatum verzet. In het onderhavige geval is er geen grief gericht tegen de door rechtbank vastgestelde wijze van verdeling, hetgeen impliceert dat voor de waarde van de auto`s in beginsel uitgegaan moet worden van de datum van de bestreden beschikking van 6 maart 2019 (Hoge Raad 22 september 2000 NJ 2000/643 en Hoge Raad 23 november 2007 NJ 2007/624). Door de man is als productie 14 bij verweerschrift tevens houdend incidenteel appel een taxatie d.d. 1 juni 2019 van de Mercedes Benz, verricht door [taxateur] te [plaats] , in het geding gebracht. Door de vrouw is niet gesteld dat zij een contra-expertise in het geding wenst te brengen. Gelet op de korte periode die is verstreken tussen de datum van de bestreden beschikking en de datum van het taxatierapport, neemt het hof het taxatierapport als uitgangspunt. De vrouw heeft de getaxeerde waarde niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof de Mercedes Benz CLS500 zal waarderen op AED 125.000,-. De man is verplicht de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden.

5.16

De rechtbank heeft de waarde van de Jeep Cherokee, met inachtneming van de stellingen van partijen, in redelijkheid vastgesteld op AED 80.000,- en de auto tegen deze waarde aan de vrouw toegedeeld onder de verplichting de helft aan de man te vergoeden. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de datum van de feitelijke verdeling – dus de datum van de beschikking - als uitgangspunt voor de waardering genomen. Het hof volgt de man niet in zijn standpunt dat voor de waardering van de Jeep Cherokee van de waarde per heden moet worden uitgegaan. De man heeft de door de rechtbank gehanteerde waarde voor het overige niet gemotiveerd betwist, zodat zijn grief ten aanzien van de Jeep faalt.

5.17.

Het voorgaande brengt met zich dat de grief van de man ten aanzien van de auto merk Mercedes Benz, type CLS500, slaagt, hetgeen met zich brengt dat de bestreden beschikking op dit punt zal worden vernietigd.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard met betrekking tot de zorgregeling alsmede met betrekking tot de waardering van de Mercedes Benz CLS 500 en hetgeen de man ter zake deze auto aan de vrouw dient te voldoen;

stelt tussen de man en de minderjarigen de volgende zorgregeling vast:

- één weekend per veertien dagen van vrijdag 10.00 uur tot zaterdag 19.30 uur,

- indien gewenst van zondag tot donderdag uit school tot na het avondeten,

- de helft (50%) van de feestdagen en 25% van de vakantiedagen;

stelt de waarde van de Mercedes Benz CLS500 vast op een bedrag van AED 125.000 onder gehoudenheid om de helft van de waarde uit te keren aan de vrouw;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, A.N. Labohm en R.A.J.C. de Haas, bijgestaan door mr. A.J. Nederveen als griffier en is op 22 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.