Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:923

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2020
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
BK-19/00559 t/m BK-19/00561
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:8016, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of [de Inspecteur] het communautair verdedigingsbeginsel heeft geschonden. Subsidiair is in geschil of de naheffingsaanslag voor de jaren 2012-2013 op het juiste bedrag is vastgesteld. Hoezeer belanghebbende in zijn geschrift in hoger beroep aanvoert dat de door hem aangevoerde gronden de beslissing van de Rechtbank niet rechtvaardigen, hij vervolgens in de motivering van het hoger beroep aangeeft dat het hoger beroep is gericht tegen de onderdelen van de uitspraak van de Rechtbank waarin hij in het ongelijk is gesteld en hij vervolgens in de motivering en in zijn pleitnota op de zitting inhoudelijk enkel gronden aanvoert ter bestrijding van de beslissing van de Rechtbank op de door hem gestelde schending door de Inspecteur van het verdedigingsbeginsel, begrijpt het Hof dat belanghebbende in hoger beroep het geschil heeft willen beperken tot dat onderdeel van de beslissing van de Rechtbank. De Inspecteur stelt dat geen sprake is van een dergelijke schending

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-05-2020
V-N Vandaag 2020/1371
FutD 2020-1654
V-N 2020/27.1.5
NTFR 2020/2060
NLF 2020/1249 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-19/00559 t/m BK-19/00561

Uitspraak van 24 januari 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 1 augustus 2019, nummers SGR 18/4428, SGR 18/4429 en SGR 18/4430.

Procesverloop

1. Belanghebbende zijn, gedagtekend 24 december 2014, over het jaar 2009 en, gedagtekend 25 maart 2015, over de jaren 2010 en 2011 en de jaren 2012 en 2013, naheffingsaanslagen in de omzetbelasting van € 23.428, € 170.026 en € 167.116 opgelegd en zijn bij beschikkingen bedragen van € 3.360, € 19.364 en € 9.860 aan heffings-/belastingrente in rekening gebracht. Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar van 25 mei 2018 (inzake 2010 en 2011 en 2012 en 2013) en bij gezamenlijke uitspraak van 5 juni 2018 (inzake 2009) heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen gehandhaafd.

2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 170 is geheven. De Rechtbank heeft de beroepen voor 2009 en voor 2010 en 2011 ongegrond verklaard, het beroep voor 2012 en 2013 gegrond verklaard, de op die jaren betrekking hebbende uitspraak op bezwaar vernietigd, de bijbehorende naheffingsaanslag verlaagd naar € 155.021 en de bijbehorende rentebeschikking dienovereenkomstig aangepast, de Inspecteur veroordeeld in aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 1.532 en de Inspecteur opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 259 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 17 januari 2020. Partijen zijn verschenen.

Feiten

5. Belanghebbende exploiteert een transportonderneming in de vorm van een eenmanszaak en is als zodanig ondernemer voor de omzetbelasting. Per 1 oktober 2013 is de onderneming ingebracht in [A] B.V.

6.1.

In 2014 is een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld, dat blijkens de aankondiging van de Inspecteur van 27 augustus 2014 is beperkt tot de balansposten omzetbelasting per 31 december 2011. De vooraf door belanghebbende overgelegde administratie en de door belanghebbende in eerdere jaren ingediende onjuiste aangiften voor de omzetbelasting zijn voor de Inspecteur aanleiding ook de jaren 2009 tot en met 2013 te bezien, wat bij de start van het onderzoek aan belanghebbende is meegedeeld. Specifiek worden de in de administratie van belanghebbende opgenomen verschuldigde en aftrekbare omzetbelasting vergeleken met de bedragen die belanghebbende in die jaren in de aangiften heeft begrepen. Een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de volgens de administratie verschuldigde en aftrekbare omzetbelasting heeft niet plaatsgevonden.

6.2.

Op 20 oktober 2014, de eerste dag van het onderzoek, heeft ten kantore van belanghebbende een (inleidend) gesprek plaats tussen twee controlerend ambtenaren en, namens belanghebbende, [B] , administrateur in loondienst bij belanghebbende, en mevrouw [C] , de externe boekhouder van belanghebbende. Het gespreksverslag vermeldt:

"(…) Op de specifieke vragen over de balansschuld en aansluitingen konden de heer [B] en mevrouw [C] geen duidelijke antwoorden geven. Zij konden niet aangeven hoe de verschillen tussen hetgeen op jaarbasis volgens de boekhouding afgedragen diende te worden en het op jaarbasis aangegeven bedrag sterk verschilde. Hiervoor kan men geen verklaring geven. (…) Met de correctie van +/- 377.000 euro gaan zij niet zo maar akkoord. Zij weten niet hoe zulke grote verschillen ontstaan zijn en willen dat graag uitzoeken. Afgesproken is, dat zij één maand de tijd krijgen om dat samen met de accountant uit te zoeken en ons schriftelijk hun bevindingen uiterlijk op 20 november te berichten. Op 27 november 2014 om 13:00 uur komen wij nog een keer langs voor de 2e bespreking (datum wordt mogelijk gewijzigd). Voor eventuele nadere vragen geeft de heer [B] aan dat wij contact met hem op kunnen nemen."

6.3.

Op 1 december 2014 zijn de gevolgen van het boekenonderzoek ten kantore van belanghebbende besproken tussen de twee controlerend ambtenaren en, namens belanghebbende, [B] en de gemachtigde van belanghebbende. Het verslag van het gesprek ("Verslag 2e bespreking balanspost [X] ") vermeldt:

"Na het voorstelrondje en een korte omschrijving van het doel van het gesprek zijn we overgegaan naar de inhoudelijke vragen. De heer [B] heeft een aantal maanden de tijd gekregen om de verschillen zelf uit te zoeken en te verklaren, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt. Hij gaf aan dat hij het veel te druk heeft met andere zaken. De heer [B] gaf aan dat hij niet weet hoe zulke grote verschillen tot stand zijn gekomen. Hij beweert de aangiften omzetbelasting aan de hand van het overzicht Omzet en Omzetbelasting uit het boekhoudprogramma KING in te vullen. Naar eigen zeggen draait de heer [B] maandelijks cijfers omzetbelasting vanuit het system en vult aan de hand hiervan aangiften omzetbelasting in. Waarom het niet aansluit en waarom er in de aangiften omzetbelasting hogere voorbelasting wordt geclaimd dan wat er in het overzicht uit het systeem staat, weet de administrateur ook niet. Wij hebben aangegeven dat de aanslag 2009 op zeer korte termijn opgelegd wordt. Dit in verband met verjaring. (…) Reactie van de heer [B] op het opleggen van alle aanslagen aan de hand van door ons geconstateerde verschillen: 'als het moet, dan moet het'. De heer [B] gevraagd om kopieën van de specificaties aan de hand waarvan de aangiftes omzetbelasting 2009 of een ander jaar zijn ingevuld. Dat kon hij niet overhandigen, omdat het ergens anders ligt en waarschijnlijk kan hij het niet meer terug vinden. Hierop reageerde zijn advocaat met de vraag of wij deze kopieën voor de berekening van het belastingbedrag nodig hebben en of wij aan de hand van de aan ons inmiddels bekende cijfers het belastingbedrag niet kunnen berekenen. Het was een zeer kort gesprek, omdat de heer [B] geen verklaring voor de verschillen had."

7. Op 2 december 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende schriftelijk meegedeeld dat ter behoud van rechten een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2009 zal worden opgelegd van € 23.428. Met dagtekening 24 december 2014 is deze naheffingsaanslag opgelegd.

8. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een controlerapport van 25 maart 2015, dat vermeldt:

"3.1 Aangifte

(…)

Voor de jaren 2009 tot en met 2013 zijn de volgende aansluitingsverschillen geconstateerd aan de hand van de auditfile:

Jaar Op de aangifte aangegeven Aan te geven Naheffen

2009 € 182.227 € 205.655 € 23.428

2010 € 173.886 € 251.007 € 77.121

2011 € 181.156 € 274.061 € 92.905

2012 € 185.606 € 301.642 € 116.036

2013 € 138.348 € 189.428 € 51.080

€ 861.223 € 1.221.793 € 360.570

Na te heffen € 360.570

(…)

4.1

Omzetbelasting

De naheffingsaanslagen hebben betrekking op de aansluitingsverschillen omzetbelasting. Uit de door de administrateur de heer [B] ter beschikking gestelde administratie is vastgesteld dat over de jaren 2009 tot en met 2013 onjuiste maandaangiften omzetbelasting zijn ingediend. De geclaimde voorbelasting volgens de ingediende aangiften is hoger dan de voorbelasting volgens de financiële administratie. Deze verschillen kunnen door de heer [B] niet verklaard worden.

(…)

In de auditfile 2013 zijn de bedragen aan verschuldigde omzetbelasting en voorbelasting geboekt tot en met oktober en in de aangiften aangegeven tot en met september 2013. Het gaat over de maand oktober 2013 om de volgende bedragen: Verschuldigde omzetbelasting van € 59.723,80 en voorbelasting van € 47.628,78. Onbekend is of deze bedragen in de administratie van [A] B.V. geboekt zijn. Omdat de aansluitingsberekeningen gebaseerd zijn op de cijfers uit de grootboekadministratie, is de omzetbelasting over oktober 2013 in de berekening meegenomen.

(…)"

9. Op 13 juli 2015 is op naam van [D] BV, [E] BV c.s." een suppletieaangifte omzetbelasting ingediend over het tijdvak van 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 van te betalen € 59.820.

10. Op 19 augustus 2015 is door de Belastingdienst/FIOD een "Overzichtsproces-verbaal Formeel Onderzoek", met proces-verbaalnummer 0-OPV-1, opgemaakt, van het strafrechtelijk onderzoek tegen, onder anderen, belanghebbende en [B] met betrekking tot (de verdenking van) het opzettelijk onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften.

Het overzichts-PV vermeldt:

"(…)

5.1

Korte weergave aanleiding onderzoek

Door de controleambtenaren [F] en [G] van de Belastingdienst kantoor Den Haag is op 20 oktober 2014 een boekenonderzoek ingesteld bij [A] om de aanvaardbaarheid te toetsen van de op 31 december 2011 op de balans voorkomende schuld omzetbelasting. Tijdens dit boekenonderzoek is het onderzoek uitgebreid naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over 2009 tot en met september 2013. Bij dit boekenonderzoek zijn de gegevens van de financiële administratie vergeleken met de ingediende aangiften omzetbelasting. Hierbij is door de controleambtenaren vastgesteld dat de ingediende aangiften omzetbelasting niet aansloten bij de financiële administratie van de onderneming. De op de aangiften omzetbelasting in aftrek gebrachte voorbelasting is vaak hoger aangegeven dan uit de financiële administratie blijkt. Ten gevolge hiervan zijn de aangiften omzetbelasting vermoedelijk onjuist gedaan en is te weinig omzetbelasting afgedragen aan de Belastingdienst. Van de controleambtenaar [G] werden overzichten ontvangen van de verschillen tussen de aangiften omzetbelasting en de financiële administratie van [A] over de periode januari 2009 tot en met september 2013. Deze overzichten zijn als D-007 tot en met D-011 bij het dossierproces-verbaal gevoegd. (…) Tijdens de controle is [B] gevraagd naar een verklaring voor de verschillen tussen de aangiften omzetbelasting en de financiële administratie. [B] kon de door de controleambtenaren geconstateerde verschillen niet verklaren. (…)

(….)

5.2

Besluit tripartiete overleg

Op 30 april 2015 is het onderzoek geaccepteerd in het tripartiete overleg waarna het onderzoek is overgedragen aan de FIOD opsporing. Hierna is door de FIOD opsporing het volgende onderzoek verricht.

(…)"

11. Bij het verweerschrift in eerste aanleg is een afschrift gevoegd van het proces-verbaal van 27 mei 2015 van het verhoor van getuige [F] , een van de controlerend ambtenaren. In dat proces-verbaal staat:

"(…) Voorafgaand aan de controle heeft mijn collega mevrouw [G] bij de heer [B] onder meer de auditfiles opgevraagd van de jaren 2011, 2012 en 2013 en de jaarstukken van 2011. Auditfiles zijn een weergave van de digitale boekhouding die vanuit een boekhoudprogramma geëxporteerd kunnen worden. Bij de voorbereiding van de controle hier op kantoor zagen wij dat de jaarstukken van 2011 overeenkwamen met de auditfiles van 2011, maar dat er verschillen bestonden tussen de auditfiles van 2011 enerzijds en de ingediende aangiften omzetbelasting van 2011 anderzijds. Ook bestonden er verschillen tussen de auditfiles van 2012 en 2013 enerzijds en de ingediende aangiften omzetbelasting van 2012 en 2013 anderzijds. De op de aangiften omzetbelasting vermelde bedragen aan voorbelasting waren vaak hoger dan de bedragen aan voorbelasting volgens de auditfiles. (…) Wij hadden in Excel al een overzicht gemaakt van onze geconstateerde verschillen. Deze hebben wij ook aan de heer [B] overhandigd tijdens ons inleidend gesprek. De heer [B] hebben wij om een verklaring gevraagd van onze geconstateerde afwijkingen. De heer [B] verklaarde heel verbaasd te zijn over de geconstateerde verschillen. De heer [B] hebben wij toen tot 27 november 2014 de tijd gegeven om de geconstateerde verschillen tussen de financiële administratie en de aangiften omzetbelasting te verklaren. (…) Tot 1 december 2014 hebben wij geen reactie ontvangen van de heer [B] . Bij het tweede gesprek op 1 december 2014 was naast de heer [B] ook de heer [H] van [I] aanwezig. Tijdens het tweede gesprek op 1 december 2014 had de heer [B] echter nog steeds geen verklaring voor de door ons geconstateerde verschillen. Ook daarna, tot op heden, is door [B] geen verklaring gegeven voor de door ons geconstateerde verschillen. (…)"

De Rechtbank

12. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

13. In geschil is of [de Inspecteur] het communautair verdedigingsbeginsel heeft geschonden. Subsidiair is in geschil of de naheffingsaanslag voor de jaren 2012-2013 op het juiste bedrag is vastgesteld.

14. [ Belanghebbende] stelt dat [de Inspecteur] niet alle stukken van het geding heeft ingebracht en dat hij daardoor in zijn verdedigingsmogelijkheden wordt geschaad. Verder heeft [de Inspecteur] de wel ingediende stukken te laat ingediend. Volgens [belanghebbende] is sprake van een zodanige schending van de goede procesorde en de fundamentele rechtsbeginselen, in het bijzonder het beginsel van hoor en wederhoor en het inzagerecht, dat artikel 6 van het EVRM is geschonden. Verder heeft [de Inspecteur] artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden. [Belanghebbende] verbindt daaraan de conclusie dat de door [de Inspecteur] na indiening van het verweerschrift ingediende stukken buiten beschouwing dienen te blijven. [Belanghebbende] stelt dat [de Inspecteur] het communautair verdedigingsbeginsel heeft geschonden omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt kenbaar te maken voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslagen. De naheffingsaanslag voor de jaren 2012-2013 is volgens [belanghebbende] op een te hoog bedrag vastgesteld omdat [de Inspecteur] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door de FE ingediende suppletieaangifte. [Belanghebbende] concludeert primair tot vernietiging van de naheffingsaanslagen en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag voor de jaren 2012-2013 met een bedrag van € 12.095.

15. [ De Inspecteur] stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd en dat [belanghebbende] het bewijs voor de voorbelasting niet heeft geleverd. Daarnaast is [de Inspecteur] van mening dat geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM, artikel 8:42 Awb of van het communautair verdedigingsbeginsel. [De Inspecteur] concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken

16. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb dient [de Inspecteur] alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan [belanghebbende] en aan de rechter te overleggen. In het geval [de Inspecteur] verzuimt te voldoen aan de verplichting om (tijdig) stukken te overleggen, kan de rechter op grond van artikel 8:31 van de Awb daaruit de gevolgtrekking maken die hem geraden voorkomt.

17. De rechtbank heeft [de Inspecteur] bij brief van 26 juni 2018 verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken binnen vier weken in te dienen. De rechtbank stelt vast dat [de Inspecteur] een deel van de stukken pas op 24 oktober 2018 heeft toegestuurd. De rechtbank ziet daarin echter geen aanleiding die nadere stukken buiten beschouwing te laten. [Belanghebbende] is door die late indiening van de stukken niet in zijn procesbelang geschaad omdat hij in ieder geval vanaf 24 oktober 2018 ruim voldoende gelegenheid heeft gehad die stukken te bestuderen.

18. [ Belanghebbende] stelt verder dat [de Inspecteur], ondanks de aanvulling van 24 oktober 2018, niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Hij mist in het bijzonder het volledige dossier inclusief bijlagen van de Belastingdienst/FIOD, alle correspondentie over het compromis, de suppletieaangifte omzetbelasting van de BV, het boeteadvies en een beschikking van de ontvanger over uitstel van betaling. [Belanghebbende] heeft niet gemotiveerd waarom de door hem genoemde stukken van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming van [de Inspecteur] bij het opleggen van de naheffingsaanslagen en dat aldus sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat vaststaat dat de gesprekken in de bezwaarfase over een compromis niet hebben geleid tot verlaging van de naheffingsaanslagen, dat er geen boetes zijn opgelegd, dat een kopie van de suppletieaangifte zich wel in het dossier bevindt en dat uitstel van betaling pas aan de orde komt nadat aanslagen zijn opgelegd. Verder blijkt uit het overzichts-PV dat het onderzoek door Belastingdienst/FIOD pas is gestart nadat onderhavige naheffingsaanslagen zijn opgelegd zodat de resultaten van dat onderzoek daarbij geen rol gespeeld kunnen hebben. De rechtbank verbindt daarom geen gevolgen aan de omstandigheid dat de door [belanghebbende] genoemde stukken niet zijn overgelegd (vgl. Hoge Raad, 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3041). Ten overvloede merkt de rechtbank op dat [belanghebbende] zelf reeds beschikt over (een aanzienlijk deel van) de stukken, dat de gemachtigde al ten tijde van het boekenonderzoek bij de zaak betrokken is en dat de gemachtigde ook in de strafzaak tegen [belanghebbende] als raadsman van [belanghebbende] optreedt. [Belanghebbende] had de voor hem van belang zijnde informatie dus ook zelf aan de rechtbank kunnen verstrekken. Uit het voorgaande volgt tevens dat [belanghebbende] zijn stelling dat artikel 6 van het EVRM is geschonden, niet aannemelijk heeft gemaakt nu hij die stellingen uitsluitend heeft gebaseerd op het volgens hem niet tijdig dan wel onvolledig overleggen van de stukken.

Het verdedigingsbeginsel

19. Tussen partijen is niet in geschil dat het communautair verdedigingsbeginsel van toepassing is wanneer naheffingsaanslagen omzetbelasting worden opgelegd. Het verdedigingsbeginsel brengt mee dat degene aan wie een naheffingsaanslag omzetbelasting wordt opgelegd, de gelegenheid moet krijgen voorafgaand aan die naheffingsaanslag zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop [de Inspecteur] de aanslagen wil baseren.

20. Uit het controlerapport en het proces-verbaal van het getuigenverhoor van [F] volgt dat verweerder op 20 oktober 2014 aan [belanghebbende] excel-bestanden heeft verstrekt waarin per jaar gespecificeerd de verschillen tussen de door [belanghebbende] verstrekte auditfiles en de aangiften omzetbelasting en de daaruit voortvloeiende na te heffen bedragen zijn vermeld. Het moet voor [belanghebbende] daarom op 20 oktober 2014 duidelijk zijn geweest dat, zonder een sluitende verklaring voor de geconstateerde verschillen, de hiermee samenhangende naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd zouden worden. Uit de stukken blijkt verder dat tijdens het gesprek van 20 oktober 2014 is meegedeeld dat de correcties die in de excel-bestanden zijn vermeld volledig voortvloeien uit de administratie van [belanghebbende], dat een inhoudelijke controle van de juistheid van die gegevens uit de administratie niet heeft plaatsgevonden en dat de correcties in hoofdzaak betrekking hebben op te veel afgetrokken voorbelasting. Er is dan ook geen sprake van een ingewikkeld feitencomplex of van een specifieke juridisch duiding van die feiten. De elementen waarop [de Inspecteur] de naheffingsaanslagen wilde baseren waren zodoende ook reeds bij [belanghebbende] bekend. Met betrekking tot het jaar 2009 is verder op 2 december 2014 expliciet aangekondigd dat, vanwege de dreigende verjaring, een naheffingsaanslag zal worden opgelegd ter grootte van het geconstateerde aansluitingsverschil. Gelet op het voorgaande vormen de op 20 oktober 2014 overgelegde overzichten met de geconstateerde aansluitingsverschillen in combinatie met het op 20 oktober 2014 gevoerde gesprek, een voldoende geconcretiseerd voornemen van [de Inspecteur] tot het opleggen van de naheffingsaanslagen.

21. [ Belanghebbende] is tijdens het gesprek van 20 oktober 2014 expliciet in de gelegenheid gesteld om vóór het vervolggesprek van 27 november 2014, later gewijzigd naar 1 december 2014, een verklaring te geven voor de aansluitingsverschillen en aldus [de Inspecteur] te wijzen op eventuele vergissingen dan wel argumenten aan te voeren op grond waarvan de naheffingsaanslagen geheel of gedeeltelijk achterwege zouden moeten blijven. Uit het verslag van het gesprek van 1 december 2014, waarbij ook de gemachtigde aanwezig was, blijkt dat [ [B] ] geen gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheid omdat hij het daarvoor te druk had en dat hij zich ervan bewust was dat de naheffingsaanslagen zouden worden opgelegd. Aangezien de naheffingsaanslagen pas eind december 2014 respectievelijk eind maart 2015 zijn opgelegd, heeft [belanghebbende] materieel ook na het gesprek van 1 december 2014 nog ruim de gelegenheid gehad zich alsnog over het voornemen van [de Inspecteur] uit te laten. Daarmee is [belanghebbende] voldoende in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslagen zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken over de naheffingsaanslagen en de elementen waarop [de Inspecteur] deze wilde baseren. Dat [belanghebbende] niet zelf bij de verschillende gesprekken aanwezig was, leidt niet tot een ander oordeel omdat het de keuze van [belanghebbende] is geweest zich bij de gesprekken te laten vertegenwoordigen door [ [B] ], [ [C] ] en later ook de gemachtigde.

22. Uit het voorgaande volgt dat [belanghebbende] vooraf op de hoogte is gesteld van de reden en de omvang van de naheffingsaanslagen die [de Inspecteur] van plan was op te leggen en dat hij voldoende gelegenheid heeft gehad zich over dat voornemen uit te laten. Van schending van het verdedigingsbeginsel is daarom geen sprake. Wat partijen daarover verder hebben aangevoerd, behoeft daarom geen behandeling.

Zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd?

23. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wet kan de ondernemer de omzetbelasting die aan hem ter zake van de levering van goederen of diensten in rekening is gebracht onder voorwaarden in aftrek brengen.

24. De bewijslast dat en in hoeverre recht bestaat op aftrek van voorbelasting, rust op de ondernemer. Uit de door [belanghebbende] overgelegde administratie blijkt dat hij meer voorbelasting heeft afgetrokken op de aangiften omzetbelasting dan waarop hij volgens die administratie recht had. [Belanghebbende] heeft geen feiten gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat en in hoeverre de door hem verstrekte auditfiles onjuist waren en dat dient te worden uitgegaan van de bedragen die hij op zijn aangiften heeft vermeld. [Belanghebbende] is dan ook niet in zijn bewijslast geslaagd en [de Inspecteur] heeft de verschillen in voorbelasting van totaal € 300.601 dan ook terecht nageheven.

25. Ten aanzien van de correctie van de aangegeven verschuldigde omzetbelasting rust de bewijslast op [de Inspecteur]. Aangezien [de Inspecteur] zich ook hiervoor volledig heeft gebaseerd op de door [belanghebbende] verstrekte administratie, ligt het echter op de weg van [belanghebbende] om aannemelijk te maken dat die informatie onjuist is. [Belanghebbende] heeft daartoe, behalve voor de maand oktober 2013, niets aangevoerd.

26. Met betrekking tot het jaar 2013 stelt [belanghebbende] dat [de Inspecteur] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de suppletieaangifte van de FE. Niet in geschil is dat [belanghebbende] geen onderdeel uitmaakt van deze fiscale eenheid. De suppletieaangifte is dan ook niet relevant voor de vraag of de naheffingsaanslag die aan [belanghebbende] is opgelegd voor de periode 2012 tot en met 2013 op het juiste bedrag is vastgesteld.

27. De omzetbelasting die betrekking heeft op de maand oktober 2013 maakte deel uit van de door [belanghebbende] verstrekte auditfiles en is daarom ook in de naheffingsaanslag voor de jaren 2012-2013 begrepen. Het gaat hierbij per saldo om een bedrag van € 12.095 (verschuldigd € 59.723 minus € 47.628 aan voorbelasting). Ter zitting heeft [de Inspecteur] verklaard dat onduidelijk was of en door wie deze belasting was voldaan en dat daarom zekerheidshalve het bedrag van € 12.095 bij [belanghebbende] is nageheven. Vaststaat dat de transportonderneming van [belanghebbende] met ingang van 1 oktober 2013 is ingebracht in de BV. Vanaf dat moment is de BV degene die de ondernemingsactiviteiten uitoefent en de daarmee samenhangende omzetbelasting moet aangeven en betalen. De over de maand oktober 2013 verschuldigde omzetbelasting is daarom ten onrechte van [belanghebbende] nageheven. Dit heeft tot gevolg dat het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslag over de jaren 2012-2013 in zoverre gegrond is.

Belastingrente

28. [ Belanghebbende] heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd die verband houden met belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de belastingrente overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag over de jaren 2012-2013 te worden verminderd.

Slotsom

29. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen tegen de naheffingsaanslagen over de jaren 2009 (zaaknummer SGR 18/4428) en 2010-2011 (zaaknummer SGR 18/4429) ongegrond te worden verklaard en dient het beroep tegen de naheffingsaanslag over de jaren 2012-2013 (zaaknummer SGR 18/4430) gegrond te worden verklaard.

(…)"

Geschil en standpunten

13. Hoezeer belanghebbende in zijn geschrift in hoger beroep aanvoert dat de door hem aangevoerde gronden de beslissing van de Rechtbank niet rechtvaardigen, hij vervolgens in de motivering van het hoger beroep aangeeft dat het hoger beroep is gericht tegen de onderdelen van de uitspraak van de Rechtbank waarin hij in het ongelijk is gesteld en hij vervolgens in de motivering en in zijn pleitnota op de zitting inhoudelijk enkel gronden aanvoert ter bestrijding van de beslissing van de Rechtbank op de door hem gestelde schending door de Inspecteur van het verdedigingsbeginsel, begrijpt het Hof dat belanghebbende in hoger beroep het geschil heeft willen beperken tot dat onderdeel van de beslissing van de Rechtbank. De Inspecteur stelt dat geen sprake is van een dergelijke schending. Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het Hof verder naar de stukken van het geding.

Beoordeling

14. Met belanghebbende is het Hof van oordeel dat het verdedigingsbeginsel in het bijzonder meebrengt dat belanghebbende het recht heeft te worden gehoord, in de zin dat hem de gelegenheid wordt geboden zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken, alvorens, zoals in dit geval, besluiten worden genomen die zijn belangen op nadelige wijze kunnen beïnvloeden. Kijkend naar de voorhanden zijnde gegevens en in het bijzonder naar wat de Rechtbank overweegt in de punten 20, 21 en 22 van haar uitspraak, komt het Hof evenwel niet tot een ander oordeel dan de Rechtbank heeft gegeven. Het Hof neemt in aanmerking dat belanghebbende tijdig de redenen kende dat de Inspecteur een controle wilde instellen naar de juistheid van de aangiften voor de omzetbelasting, dat hij eveneens tijdig op de hoogte is gesteld van de precieze feiten die tot de naheffingsaanslagen hebben geleid en dat hij expliciet en ook tijdig is uitgenodigd te worden gehoord of anderszins in de gelegenheid is gesteld te reageren op de bevindingen van de Inspecteur alvorens de naheffingsaanslagen zijn opgelegd. Belanghebbende heeft de hem uitdrukkelijk geboden gelegenheid laten voorbijgaan voor het aanvoeren van bepaalde feiten die de Inspecteur aan zijn besluiten niet ten grondslag heeft gelegd, althans niet in aanmerking heeft genomen, dan wel met het oog op het corrigeren van (kennelijke) vergissingen of het aanvoeren van individuele omstandigheden die pleiten dat zekere besluiten worden genomen, niet worden genomen of anderszins in een bepaalde zin wordt besloten. Daarbij komt dat de Inspecteur, mede lettend op de weergegeven inhoud van genoemde verslagleggingen, overtuigend heeft uiteengezet en toegelicht dat belanghebbende al voorafgaande aan het opleggen van de naheffingsaanslagen de inhoudelijke gevolgen voor de heffing van omzetbelasting zijn voorgehouden. Wat dat laatste betreft heeft de Inspecteur op de zitting onweersproken - de gemachtigde van belanghebbende gaf enkel te kennen het niet te weten - en in het licht van de feiten aannemelijk te achten gesteld dat bij het inleidende gesprek van 20 oktober 2014 een Excelbestand met een overzicht van de geconstateerde verschillen, overeenkomend met de op te leggen naheffingsaanslagen, aan belanghebbende is overhandigd.

15. Het hoger beroep is ongegrond.

16. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 24 januari 2020 in het openbaar uitgesproken.

wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer Visser

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.