Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:918

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2020
Datum publicatie
18-05-2020
Zaaknummer
22-003159-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt onder meer ter zake omkoping van een douaneambtenaar, medeplegen invoer van verdovende middelen en voorbereidingshandelingen daartoe, alsmede het witwassen van grote geldbedragen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003159-17

Parketnummers: 10-750083-14,

10-993113-07 (TUL) en 22-003362-13 (TUL)

Datum uitspraak: 18 mei 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2017 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

thans gedetineerd in PI Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

26 maart 2018, 29 januari 2019, 21 februari 2019, 19 november 2019, 9, 11, 13 en 16 maart 2020, 8 april 2020 en 18 mei 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake het onder 4 impliciet cumulatief ten laste gelegde verwijt betreffende de contant aangetroffen bedragen ter hoogte van respectievelijk € 348.125 en € 460.140 ontslagen van alle rechtsvervolging. Ter zake van het onder 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent in beslaggenomen voorwerpen en vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

Aan het betoog dat de advocaat-generaal niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging is door de verdediging in essentie het volgende ten grondslag gelegd:

  1. Het Openbaar Ministerie maakt een kunstmatige scheiding tussen de moordonderzoeken en de drugsonderzoeken, waardoor het hof en de verdediging het zicht op het geheel onthouden wordt. De voornaamste reden hiervoor is de inzet van verdachten als informant en het zelf kunnen bepalen welke stukken de rechtbank, het hof en de verdediging krijgen. Doordat het Openbaar Ministerie zelf het volledige overzicht had, maar de andere procespartijen niet, is sprake van schending van de interne openbaarheid, een voorwaarde voor een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM.

  2. De verschillende getuigen, afkomstig uit de sfeer van de overheid, die later bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris zijn gehoord, zijn al dan niet bewust beïnvloed, wat hun verklaringsvrijheid kan hebben beïnvloed. Beïnvloeding van getuigen raakt het recht op een eerlijk proces in de kern.

  3. De medeverdachte [medeverdachte 5] is zonder dat daarvoor verantwoording wordt afgelegd in het dossier ingezet als criminele burgerinfiltrant, dan wel in ieder geval gerund als informant, terwijl hij die status officieel niet had. Er hebben oriënterende gesprekken bij hem thuis plaats gevonden. Er is een telefoon aan hem verstrekt. Hij is verzocht naar Libanon te gaan en daar belastende informatie over een ander dan de verdachte te verzamelen. Hij heeft, terwijl hij in Libanon was, zes keer contact gehad met TCI en er is door hem ook daadwerkelijk informatie verschaft. Verantwoording over de wijze waarop bewijs via [medeverdachte 5] is vergaard, ontbreekt volledig. De verdachte heeft hier ook persoonlijk nadeel van ondervonden. Uit de als proces-verbaal van bevindingen geverbaliseerde fluistergesprekken blijkt immers dat [medeverdachte 5] ook over de verdachte belastende informatie heeft verstrekt. Hiermee is het recht van de verdachte op een eerlijk proces en het recht op privéleven geschonden. Verder is sprake van strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, te weten détournement de pouvoir. [Medeverdachte 5] had gewoon door de tactiek moeten worden verhoord. Het TCI heeft haar positie misbruikt door informatie aan te nemen van iemand die niet als informant wilde worden ingeschreven en ook niet als informant is ingeschreven. Het kan niet anders dan dat [medeverdachte 5] ook informatie over de verdachte met TCI heeft gedeeld. Dit blijkt ook uit de door [medeverdachte 5] geschreven brief, die in het dossier is gevoegd. Doordat de inzet van [medeverdachte 5] niet in processen-verbaal is vastgelegd, heeft het Openbaar Ministerie ervoor gezorgd dat de bewijsvergaring niet getoetst kan worden. Dit levert een schending van art. 6 EVRM op (EHRM 12 februari 2000, NJ 2002, 180).

  4. Het ontdekken van de 300 kilo cocaïne kwam voort uit een gerichte actie. Door het achterhouden van stukken door het Openbaar Ministerie en het tijdsverloop is het voor de verdediging nagenoeg onmogelijk geworden om de gang van zaken omtrent het aantreffen van de 300 kilo nog op te helderen. Het Openbaar Ministerie is hiervoor verantwoordelijk. Gelet op Gerechtshof Den Bosch 29 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:242, dient de advocaat-generaal niet ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair geldt het volgende: Het Openbaar Ministerie was bekend met het onderzoek Touw, was ermee bekend dat er in België veroordeelden waren voor exact dezelfde 300 kilo cocaïne waar de verdachte onder feit 1 van wordt verdacht en heeft deze informatie doelbewust niet met de verdediging en de rechtbank gedeeld. Hiermee is het beginsel van interne openbaarheid geschonden en is het recht op een eerlijk proces voor de verdachte geschonden.

Daarnaast geldt het volgende. Uit het onderzoek Diepvries blijkt dat er geen enkele aanwijzing te vinden is dat de mislukte 300 kilo cocaïne in verband staat met de mislukte liquidatie op de verdachte. De officieren van justitie in eerste aanleg hebben desondanks de rechtbank voorgehouden dat de 300 kilo hier wel aan gekoppeld kon worden.

Dit dient tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te leiden.

In de toegevoegde OVC gesprekken uit het onderzoek Diepvries zitten gesprekken van 5 november 2014. Op die datum was er geen machtiging in Doussie of Diepvries om OVC gesprekken in de woning van de verdachte op te nemen. Uit het dossier blijkt niet op grond van welke machtiging in de periode 29 oktober 2014 tot en met 5 november 2014 vertrouwelijke informatie is opgenomen. In september 2014 wordt in het onderzoek Diepvries gestart met het opnemen van OVC-gesprekken in de woning van de verdachte. Pas in november 2014 worden OVC-gesprekken in het onderzoek Doussie opgenomen in de woning van de verdachte. Er zijn aanwijzingen dat de OVC-apparatuur zelfs in de slaapkamer aanwezig is geweest (verhoor [medeverdachte 13] van 22 juli 2015, genummerd 1507221418.V14). Gezien de opsporingsmiddelen die op dat moment al ingezet waren in het onderzoek Doussie, stelselmatige observatie, tappen telefoons, mobiele OVC, OVC in auto’s verdachte en de inzet van twee politieel informanten voldoet de machtiging van de rechter-commissaris tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie van november 2014 niet aan het beginsel van proportionaliteit. In redelijkheid had de rechter-commissaris niet tot deze beslissing kunnen komen.

Het voorgaande brengt de verdediging tot de conclusie dat de rechten van de verdachte door toedoen van het Openbaar Ministerie op een flagrante en niet te herstellen wijze zijn geschonden. Dit heeft effect gehad op de eerlijkheid van de berechting. Er is sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekortgedaan.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben de stellingen van de verdediging gemotiveerd betwist en geconcludeerd dat zij wel ontvankelijk zijn in de vervolging.

Oordeel van het hof

Ad a) Kunstmatige scheiding moordonderzoeken en drugsonderzoeken

Hoofdregel is dat de officier van justitie alle stukken die van invloed kunnen zijn voor het bewijs, in belastende en ontlastende zin, dient toe te voegen aan het dossier.

Het hof stelt vast dat geen levensdelicten vermeld staan op de tenlastelegging. Hieruit volgt in beginsel dat het onderzoek Diepvries, dat een onderzoek naar een of meer levensdelicten betreft, niet relevant is in deze zaak van de verdachte. Voorts stelt het hof vast dat de advocaat generaal op 21 februari 2019 heeft toegezegd aan de verdediging inzage te verlenen in het onderzoek Diepvries zodra dat onderzoek het toeliet en voorts de verdediging heeft uitgenodigd aan te geven welke stukken uit die zaak voor deze zaak relevant zijn, zodat die in deze zaak gevoegd kunnen worden (proces-verbaal zitting 21 februari 2019, blz. 7). Hieraan is uitvoering gegeven. Hiermee is de feitelijke grondslag aan dit verweer ontvallen.

Wat betreft de drugsonderzoeken Fichte en Merseburg stelt het hof vast dat in het loopproces-verbaal van de zaak Hulst uitvoerig is verantwoord wat de onderzoeksbevindingen in die zaken waren, zie de blz. 4, 32-34 en 43-56. Het hof stelt vast dat [getuige 1] op

4 mei 2015 in aanwezigheid van mr Schuurman is gehoord door de rechter-commissaris en dat nadien, op 16 januari 2019 en 29 april 2019, tevergeefs getracht is hem te horen door de raadsheer-commissaris. [getuige 2] is door de raadsheer-commissaris op 24 januari 2020 als getuige gehoord in aanwezigheid van de verdediging, nadat hij zich eerder tegenover de rechter-commissaris had beroepen op een hem toekomend verschoningsrecht. In het licht van de concrete en specifieke informatie vermeld in de genoemde bladzijden van het loopproces-verbaal en de toegewezen getuigenverzoeken is het hof van oordeel dat onvoldoende concreet onderbouwd is waarom jegens de verdachte sprake zou zijn van schending van de interne openbaarheid.

Ter zitting in hoger beroep hebben de advocaten van zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] aangegeven dat [medeverdachte 1] en [verdachte] gevraagd zijn door TCI informatie te verschaffen en dat beiden dit geweigerd hebben. Hiermee is ten aanzien van deze verdachten de feitelijke grondslag aan dit verweer ontvallen. Op de positie van [medeverdachte 5] wordt hierna onder c) ingegaan.

Ad b) Beïnvloeding getuigen

Het hof stelt voorop dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat het Openbaar Ministerie, evenals de verdediging, tijdens de loop van het opsporingsonderzoek en de behandeling ter zitting intern overleg voert. Behoudens bijzondere omstandigheden bestaat er geen noodzaak de aanwezigen bij deze overleggen als (rechtmatigheids)getuige, zie nr. 18 pleitnota, te horen, terwijl toepassing van het zogeheten verdedigingscriterium niet tot een andere uitkomst leidt. De hiertoe strekkende verzoeken worden afgewezen. Het gegeven dat er een onderzoek loopt naar betrokkenen bij ambtelijke corruptie en daarmee samenhangende feiten, alsmede een onderzoek naar levensdelicten kan in dit geval niet worden aangemerkt als een zodanige bijzondere omstandigheid. Het hof heeft hierbij mede gelet op de omstandigheid dat aan de verdediging inmiddels volledige inzage is verschaft in het onderzoek Diepvries en de verdediging heeft kunnen aangeven welke stukken uit Diepvries gevoegd dienen te worden in deze zaak. Er bestaat dan ook geen gehoudenheid de verdediging bekend te maken met de namen van de aanwezigen bij deze overleggen. De hiertoe strekkende verzoeken van de verdediging worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat [verbalisant 2], voormalig medewerker van het HARC-team, die door de raadsheer-commissaris op 14 september 2019 als getuige is gehoord, op enig moment de coördinatie-overleggen van het Openbaar Ministerie heeft bijgewoond. Hetgeen over zijn opstelling en gedrag is aangevoerd, zoals dat blijkt uit de inhoud van het proces-verbaal van dat verhoor, is derhalve bij de beoordeling van de vraag of sprake is van beïnvloeding van getuigen door het Openbaar Ministerie niet relevant.

In deze zaak is in zoverre sprake van bijzondere omstandigheden dat de officier van justitie [officier van justitie 1], na het bijwonen van een coördinatie-overleg op 26 augustus 2019, als getuige door de raadsheer-commissaris is gehoord op 8 januari 2020. [Officier van justitie 1] is echter eerst op 12 en 19 september 2019 door de verdediging als getuige gevraagd en pas op 19 november 2019 als getuige toegewezen.1 [Officier van justitie 2] is op 10 juli 2019 als getuige gehoord door de raadsheer-commissaris. Er is geen afstand gedaan van deze getuige door de verdediging. Nadien heeft hij op 26 augustus 2019 een coördinatieoverleg bijgewoond.

Gelet op de chronologie van deze gebeurtenissen is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat [officier van justitie 1] het overleg van 26 augustus 2019 heeft bijgewoond, niet in het kader van een niet-ontvankelijkheidsverweer aan het Openbaar Ministerie kan worden tegengeworpen.

Voorafgaand aan het verhoor van 8 januari 2020 is

[officier van justitie 1] door de raadsheer-commissaris onder meer op het hart gedrukt niet met anderen over het komende verhoor te spreken. Nadat hem dit op het hart was gedrukt door de raadsheer-commissaris en voorafgaand aan het verhoor heeft [officier van justitie 1] contact gehad met zijn collega officier van justitie, [officier van justitie 2], en met hem over het verhoor gesproken. [Officier van justitie 2] was op dat moment al als getuige gehoord door de raadsheer-commissaris, te weten op 10 juli 2019.

Mede gelet op hetgeen later in het verhoor van [officier van justitie 1] blijkt over dit contact met [officier van justitie 2], is dit gedrag van de officieren van justitie [officier van justitie 1] en [officier van justitie 2] naar het oordeel van het hof in ieder geval niet zoals het hoort. Er is duidelijk meer uitgewisseld dan de enkele mededeling dat een oproep om als getuige te verschijnen ontvangen was. Vanwege de omstandigheid dat [officier van justitie 1] door de raadsheer-commissaris op het hart gedrukt was niet met anderen over het komende verhoor te spreken merkt het hof het gesprek tussen [officier van justitie 1] en [officier van justitie 2] aan als een vormverzuim van [officier van justitie 1] in de zin van het niet naleven van het ongeschreven strafvorderlijk voorschrift dat aanwijzingen van de raadsheer-commissaris aan een getuige met betrekking tot een correct verloop van een getuigenverhoor door die getuige opgevolgd dienen te worden. Dat aan [officier van justitie 2] gevraagd is geheimhouding te betrachten ten aanzien van hetgeen besproken is tijdens diens getuigenverhoor, blijkt niet uit het proces-verbaal van dat verhoor en is ook overigens niet aannemelijk geworden. De enkele omstandigheid dat door de verdediging geen afstand was gedaan van deze getuige is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat deze getuige tegenover collegae gehouden was tot geheimhouding over hetgeen voorgevallen was tijdens het verhoor. Op gelijke gronden kan niet worden aangenomen dat de omstandigheid dat geen afstand was gedaan van [officier van justitie 2] als getuige eraan in de weg stond dat hij later deelnam aan een coördinatie-overleg.

Gelet op het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van dit verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, volstaat het hof met het constateren van het verzuim zonder daaraan enig rechtsgevolg te verbinden. Niet is komen vast te staan dat de verklaringsvrijheid van de getuige [officier van justitie 1] in negatieve zin is beïnvloed. Officier van justitie [officier van justitie 1] is een zogeheten rechtmatigheidsgetuige; hij kan niet uit eigen wetenschap dan wel op basis van eigen waarnemingen verklaren over het strafbare feit zelf. Zijn verklaring zal niet gebruikt worden als bewijsmiddel. Het recht van de verdachte op een eerlijk proces is niet in de kern geraakt door de ietwat rommelige en onjuiste gang van zaken voorafgaand aan het verhoor. Van strijd met artikel 6 EVRM is geen sprake. Er is geen sprake van een ernstige inbreuk door deze officier van justitie op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Voor niet ontvankelijkheid van de advocaat-generaal op basis van dit vormverzuim is geen plaats.

Ad c) Rol [medeverdachte 5]

Het hof neemt de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 10 februari 2020 hier over en acht de inhoud daarvan ingelast. Dit proces-verbaal van bevindingen is gebaseerd op een eigen onderzoek door de raadsheer-commissaris in de registers van het TCI naar aanleiding van vragen van de verdediging.

Het hof maakt onderscheid tussen de informatie verstrekt door [medeverdachte 5] tijdens de zogenoemde fluistergesprekken, waarvan een proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt, en gesprekken met medewerkers van TCI, waarvan de inhoud is vastgelegd in de zogeheten bruto’s.

Het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt ter zake van de fluistergesprekken bevindt zich bij de stukken. Verbalisant [verbalisant 1] is op 24 oktober 2016 door de rechter-commissaris gehoord in aanwezigheid van de verdediging, terwijl ook [medeverdachte 5] zelf herhaaldelijk als getuige is gehoord in aanwezigheid van de verdediging. Het hof stelt vast dat van de contacten met [medeverdachte 5] in het kader van de fluistergesprekken verantwoording is afgelegd in het dossier en tegenover de rechter. Dat sprake is geweest van détournement de pouvoir vermag het hof niet in te zien. Evenmin vermag het hof in te zien dat het recht op een eerlijk proces en het recht op privéleven van de verdachte door deze gesprekken geschonden is.

Gezien de bevindingen van de raadsheer-commissaris, die de registers van TCI heeft geraadpleegd, acht het hof de stelling van de verdediging dat [medeverdachte 5] is ingezet als criminele burgerinfiltrant en is gerund als informant feitelijk ongegrond. Ook de stelling dat via [medeverdachte 5] bewijs of informatie is vergaard in Libanon dan wel elders mist feitelijke grond gezien de bevindingen van de raadsheer-commissaris. De omstandigheid dat aan [medeverdachte 5] voorafgaand aan zijn vertrek naar Libanon een eenvoudige telefoon voor één-op-één contact is verstrekt en dat zes keer telefonisch contact is geweest tussen [medeverdachte 5] en TCI maakt dit niet anders. Op basis van de bevindingen van de raadsheer-commissaris stelt het hof vast dat [medeverdachte 5] geen verdachte was op het moment dat hij informatie verschafte. Voorts stelt het hof vast op grond van deze bevindingen dat de door [medeverdachte 5] verstrekte informatie op geen enkele wijze is gedeeld buiten TCI. Al hetgeen de verdediging aanvoert als incongruenties stuit af op de bevindingen van de raadsheer-commissaris die gebaseerd zijn op het raadplegen van de TCI registers.

Gegeven het feit dat de door [medeverdachte 5] aan TCI verschafte informatie op geen enkele wijze is gedeeld buiten TCI is jegens de verdachte geen sprake van een schending van het recht op privacy en het recht op een eerlijk proces, art 6 en 8 EVRM, dan wel de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dat [medeverdachte 5] daarnaast anderszins, los van de fluistergesprekken en de gesprekken/contacten met TCI, informatie over de verdachte heeft verschaft is niet aannemelijk geworden. Evenmin is aannemelijk geworden dat verbalisant [verbalisant 1] fungeerde als boodschapper tussen medeverdachte [medeverdachte 1], die toen vastzat, en [medeverdachte 5]. De enkele verklaring van [medeverdachte 5] is onvoldoende om dit aan te kunnen nemen. Niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 5] aldus de inhoud van het dossier heeft kunnen beïnvloeden ten gunste van zichzelf.

De verzoeken tot het verstrekken van de bruto’s inzake de contacten tussen [medeverdachte 5] en het TCI worden afgewezen. De noodzaak hiertoe is niet gebleken gelet op de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 10 februari 2020.

De verzoeken tot het horen van alle bij [medeverdachte 5] betrokken TCI medewerkers worden afgewezen. De noodzaak hiertoe is niet gebleken gezien het door de raadsheer-commissaris uitgevoerde onderzoek in de registers van TCI.

Ook de verzoeken tot het horen van “mensen van de tactiek” met betrekking tot de vraag of [medeverdachte 5] verdachte was op het moment dat hij de informatie verschafte wordt afgewezen. De noodzaak hiertoe is niet gebleken gezien het door de raadsheer-commissaris uitgevoerde onderzoek in de registers van TCI.

Waar de door de verdediging gestelde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden, komt het hof niet toe aan de vraag of deze tot niet-ontvankelijkheid van de advocaat-generaal kunnen leiden. Enige strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde is niet komen vast te staan.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht alle bij de contacten met [medeverdachte 5] betrokken TCI-medewerkers als getuige te horen en daarnaast in het bezit te worden gesteld van alle bruto’s. Voorts wenst de verdediging de betrokken medewerkers van de tactiek te horen over de vraag of [medeverdachte 5] verdachte was op het moment dat hij informatie verschafte.

De verzoeken alle betrokken TCI-medewerkers en de betrokken medewerkers van de tactiek te horen wordt door het hof getoetst aan het zogeheten noodzaakcriterium. Het hof stelt vast dat de gevraagde getuigen zogeheten rechtmatigheidsgetuigen zijn, zie nr. 137 van het pleidooi. Naar het oordeel van het hof is het horen van deze personen als getuige niet noodzakelijk gezien het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris, dat tot stand gekomen is na raadpleging van de registers van TCI. Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op de verhoren van de TCI-officieren van justitie [officier van justitie 1] en [officier van justitie 2] ter terechtzitting in eerste aanleg op 14 november 2016, het verhoor van officier van justitie [officier van justitie 2] op 10 juli 2019 door de raadsheer-commissaris, alsmede de operationeel expert bij TCI ter zitting van de rechtbank op 14 november 2016 en [verbalisant 5] bij de rechter-commissaris op 25 augustus 2016. Deze verzoeken worden afgewezen.

Ook het verzoek in het bezit te worden gesteld van alle bruto’s wordt afgewezen bij gebreke van enige noodzaak. Vaststaat dat de raadsheer-commissaris de registers heeft kunnen raadplegen en daarvan verslag heeft gedaan. Dat [medeverdachte 5] zelf heeft aangegeven dat de bruto’s verstrekt mogen worden, leidt niet tot een ander oordeel.

Ad d) Achterhouden stukken

Vast staat dat op 9 december 2013 300 kilo cocaïne is gevonden in de Rotterdamse haven. Dat dit het gevolg is van een gerichte controle, waarvan geen verantwoording is afgelegd, is niet aannemelijk geworden.

  • -

    Het hof neemt over en verenigt zich met de door de rechtbank in het vonnis op de bladzijdes 6 tot en met 8 vastgestelde feiten en omstandigheden inzake de start van het onderzoek en het Belgische onderzoek Touw. Het onderzoek in hoger beroep, in het bijzonder de verhoren door de raadsheer-commissaris van de getuigen [verbalisant 3] en [verbalisant 4], heeft geen ander licht op deze door de rechtbank vastgestelde feiten geworpen.

  • -

    De door “[naam]” afgelegde verklaringen en geproduceerde stukken worden door het hof terzijde geschoven gelet op het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris Smits d.d. 23 januari 2017. Ten overvloede merkt het hof op dat ook uit de verklaring van [getuige 3] tegenover de rechter-commissaris van 24 februari 2017 blijkt dat hij weinig tot geen geloof hecht aan de verklaringen van “[naam]”.

  • -

    De stelling dat “[naam]” eind 2013 aan de Colombiaanse autoriteiten de zending van 300 kilo heeft gemeld en dat dit is doorgegeven aan de Nederlandse autoriteiten is niet aannemelijk geworden gelet op de bevindingen van de rechtbank, vermeld in het vonnis op bladzijde 8, alsmede de verklaring van [getuige 3] van 24 februari 2017 tegenover de rechter-commissaris voor zover inhoudend dat “[naam]” niet één drugshandelaar in Zuid-Amerika kent en dat hij geconcludeerd heeft dat “[naam]” niets met drugshandel te maken heeft.

Aangezien de door de verdediging gestelde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden, komt het hof niet toe aan de vraag of deze tot niet-ontvankelijkheid van de advocaat-generaal kunnen leiden.

Dit brengt mee dat de voorwaarde voor het verzoek getuigen te horen is voldaan. Verzocht wordt de getuigen [getuige 4] (hof: onder meer aangeduid als “[naam]”), [getuige 6] en [getuige 5] te doen horen over de start van het onderzoek. Deze verzoeken worden getoetst aan het zogeheten noodzaakcriterium.

Het hof wijst af het verzoek tot het horen van “[naam]” dan wel [getuige 4] dan wel [getuige 4] als getuige omdat de noodzaak daartoe niet is gebleken. Gelet op de inhoud en de conclusie neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen aangaande contacten TCI-“[naam]” van de rechter-commissaris d.d. 23 januari 2017, alsmede de verklaring van [getuige 3] tegenover de rechter-commissaris op 4 november 2016 en tegenover de rechter-commissaris van 24 februari 2017, is het horen van deze persoon niet van belang voor enige in deze strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.

Het hof wijst af het verzoek tot het horen van [getuige 5] en [getuige 6] als getuigen. Gelet op de (onderbouwing van de) afwijzende beslissing aangaande het verzoek om “[naam]” als getuige te horen is niet gebleken waarom het horen van deze personen als getuige over de betrouwbaarheid van “[naam]” van belang is voor enige in deze strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.

Ad e) OVC-gesprekken

Vast staat dat in de zaak van de verdachte op 29 oktober 2014 een aanvraag voor een bevel opnemen vertrouwelijke informatie in de woning aan de [adres 5] ten behoeve van het onderzoek Doussie is ingediend. Op 6 november 2014 is het daartoe strekkende bevel in het onderzoek Doussie gegeven.

Aan deze aanvraag ligt het volgende ten grondslag: op dat moment zijn reeds meerdere tapbevelen, bevelen tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel voor een voertuig en een openbare plaats/gelegenheid afgegeven, alsmede een bevel observatie en een bevel stelselmatige informatie-inwinning. Op dat moment bestaat jegens de verdachte de verdenking van betrokkenheid bij verdovende middelen handel met gebruikmaking van corrupte contacten in de haven en/of de douane. Vastgesteld is dat de verdachte contact heeft [medeverdachte 1], werkzaam bij de douane en beschikkend over veel geld. De verdachte vertoont een zeer gedisciplineerd belgedrag, hij heeft alleen telefonische contacten met een privékarakter. Hij heeft een vrijstaande woning gekocht en daaraan kostbare verbouwingen laten verrichten. De woning is zeer goed beveiligd, onder meer met kogelwerend glas, een panic room, detectielussen in de grond buiten de woning en camerabewaking. De verdachte verricht geen legale werkzaamheden. Tijdens een drieweekse vakantie op Curaçao is veel geld uitgegeven. Hij heeft een nieuwe BMW voor

€ 137.000,-- gekocht en koopt ook regelmatig dure horloges. Hij is veel thuis. Zijn boekhouder [medeverdachte 10] komt in de woning op bezoek. Ook in het traject met betrekking tot de stelselmatige informatie-inwinning is sprake van uitnodigingen in de woning. Het rapport vermeldt nog: [verdachte] is bekend met het feit dat op 1 januari 2014 [slachtoffer] per vergissing is geliquideerd, terwijl dit zijn persoon had moeten zijn.

Het hof stelt vast dat op de feiten waarvan de verdachte verdacht wordt naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld. Mede vanwege het gebruik van corrupte contacten in de haven en/of douane leveren deze feiten zonder meer een ernstige inbreuk op de rechtsorde op. Gegeven de omstandigheid dat andere opsporingsmiddelen niet tot enig resultaat leidden, terwijl de verdachte kennelijk wel gedurende langere tijd beschikte over zeer veel geld zonder legale inkomstenbron is het hof van oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid kon besluiten deze machtiging af te geven. De omstandigheid dat dit opsporingsmiddel tevens diep ingrijpt op het privéleven van

[medeverdachte 13] en haar zoon, maakt dit niet anders. Blijkens de verslagen van [politieel informant 2] en [politieel informant 1] waren [medeverdachte 13] en haar zoon er op dat moment al van op de hoogte dat de verdachte niet op legale wijze in zijn levensonderhoud voorzag.

Vast staat dat in de zaak Doussie vanaf 6 november 2014 gesprekken in de woning van de verdachte zijn afgeluisterd. Voorts staat vast dat in de zaak Diepvries een machtiging is gegeven voor de periode 29 september tot en met 28 oktober 2014 om gesprekken af te luisteren in de woning van de verdachte. Deze machtiging is aansluitend één keer verlengd in de zaak Diepvries, blijkens de repliek van de advocaten-generaal. Dit brengt mee dat niet is komen vast te staan dat zonder daartoe strekkende machtiging gesprekken in de woning zijn afgeluisterd.

Dat in de slaapkamer van de verdachte en [medeverdachte 13] afgeluisterd zou zijn, is niet aannemelijk geworden. Het hof heeft op basis van de transcripties in het dossier vastgesteld dat diverse gesprekken plaatsvinden met op de achtergrond keukengeluiden, dan wel de stem van de zoon of bezoek. Uit de verhoren van [begeleider politieel informanten 1], [politieel informant 1] en [politieel informant 2] bij de rechter-commissaris op 18 en 19 oktober 2016 blijkt dat zij respectievelijk de keuken of woonkamer of in die buurt, de woonkamer dan wel het woongedeelte beneden noemen als locatie van de apparatuur. Indien en voor zover met het verhoor van 22 juli 2015 het verhoor, genummerd 1507220957.V14, van 22 juli 2015 te 9:57 uur bedoeld wordt2, heeft het hof niets kunnen vaststellen waaruit volgt dat in slaapkamer zou zijn afgeluisterd. De tekst van het verhoor geeft geen aanleiding dit te veronderstellen. De raadsman heeft op geen enkel moment verzocht het door hem bedoelde verhoor ter zitting te beluisteren en dit verhoor is dan ook niet beluisterd door het hof. Het staat het hof niet vrij, zonder dat dit ter zitting aan de orde is geweest en de opname becommentarieerd is kunnen worden door de verdediging en de advocaat-generaal, bij verrassing de opname te beluisteren en de bevindingen ter zake aan een beslissing ten grondslag te leggen (HR 17 oktober 2017, NJ 2018/35, m.nt. N. Rozemond). Ook in de rapporten die ten grondslag liggen aan de machtigingen heeft het hof niet kunnen vaststellen dat in de slaapkamer apparatuur geplaatst zou zijn. In de aanvragen wordt alleen gesproken over het plaatsen van apparatuur in de woning. Deze door de verdediging gestelde omstandigheid kan derhalve niet toe- of afdoen aan enig oordeel over de machtiging.

De stelling van de verdediging dat in de periode tussen 28 oktober 2014 en 6 november 2014 geen machtiging voorhanden was op basis waarvan OVC-gesprekken in de woning van de verdachte mochten worden opgenomen, is niet komen vast te staan. Dat sprake is van détournement de pouvoir in de zin dat bevoegdheden uit het onderzoek Diepvries misbruikt zijn en gebruikt ten gunste van het onderzoek Doussie, waar die bevoegdheden (nog) niet aanwezig zijn, is niet aannemelijk geworden. Het rapport van 29 oktober 2014 bevat voldoende gegevens ter onderbouwing van de aanvraag. Op basis van dit rapport heeft de rechter-commissaris in redelijkheid kunnen besluiten de machtiging af te geven. Er is geen sprake van een vormverzuim. Er bestaat geen grond de OVC-gesprekken van het bewijs uit te sluiten.

Voor het overige stelt het hof vast dat niet is komen vast te staan dat het Openbaar Ministerie via TCI “[naam]” heeft gefaciliteerd bij een of meer pogingen tot afpersing gelet op het proces-verbaal van rechter-commissaris Smits d.d. 23 januari 2017. Evenmin is komen vast te staan dat sprake is van doelbewuste misleiding van de rechtbank door het Openbaar Ministerie voor wat betreft de koppeling tussen het onderscheppen van 300 kilo cocaïne en de mislukte liquidatie op de verdachte. Ten tijde van de behandeling in eerste aanleg was het onderzoek in de zaak Diepvries nog in volle gang. Pas op 21 februari 2019 kon de advocaat-generaal de toezegging doen aan de raadsman dat hij, zodra het onderzoek het toeliet, inzage zou krijgen in de stukken van Diepvries. Ten tijde van de behandeling van de zaak Doussie in hoger beroep vonden in de zaak Diepvries de verhoren van getuigen bij de rechter-commissaris plaats. Het zou vreemd zijn indien al deze onderzoeksinspanningen niet geleid zouden hebben tot voortschrijdend inzicht. Voortschrijdend inzicht is echter geen bewuste misleiding.

De verweren worden verworpen. De advocaten-generaal zijn ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Resterende verzoeken

Het hof wijst af het verzoek van 19 november 2019 dat ertoe strekt het Openbaar Ministerie opdracht te geven om alle bruto-informatie en proces-verbalen omtrent de inbeslagname van de 300 kilo en de samenwerking met de Belgische collega’s inzake onderzoek Touw aan de raadsheer-commissaris te verstrekken en de raadsheer-commissaris te verzoeken om de informatie te bestuderen en hier een proces-verbaal van bevindingen van op te maken. Dit is niet noodzakelijk met het oog op de volledigheid van het onderzoek ter terechtzitting, terwijl deze informatie evenmin van belang is voor de beantwoording van enige vraag in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv.

Het hof wijst af het verzoek van 29 januari 2019 tot het doen horen van informatiemakelaar [getuige 8]. Het hof toetst dit verzoek aan het zogeheten verdedigingscriterium. Naar het oordeel van het hof is de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad door het niet doen horen van deze getuige, aangezien de verdediging inmiddels inzage heeft verkregen in de BOB-middelen tegen [medeverdachte 5] en het onderzoek Diepvries.

Het verzoek van 29 januari 2019 tot het doen horen van TCI-chef [verbalisant 5] wordt afgewezen, aangezien de noodzaak daartoe niet is gebleken. Deze persoon is op 25 augustus 2016 door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord, terwijl de raadsheer-commissaris nadien ook zelf een onderzoek in de registers van het TCI heeft verricht en de TCI-officieren van justitie [officier van justitie 1] en [officier van justitie 2] zijn gehoord als getuige in aanwezigheid van de verdediging.

Ter zitting van 21 februari 2019 is onder meer [getuige 7] als getuige toegewezen. Het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 2 maart 2020, bezien in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2019, houdt onder meer in dat er geen uitzicht is op uitvoering van het rechtshulpverzoek door Turkije om [getuige 7] als getuige te horen. Naar het oordeel van het hof is het onaannemelijk dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn gehoord kan worden.

Ter zitting van 26 maart 2018 is [getuige 1] als getuige toegewezen. Deze persoon is op 4 mei 2015 bij de rechter-commissaris gehoord. Gelet op het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 29 april 2019 valt niet te verwachten dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn als getuige gehoord kan worden.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1 Zaak Hulst

hij

in of omstreeks de periode van 6 december 2013 tot en met 9 december 2013 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 301,53 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2 Zaak Hulst voorbereidingshandelingen

hij

in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 9 december 2013 te Rotterdam en/of 's-Gravenzande en/of Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland), althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 301,53 kilogram cocaïne, althans een of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

  • -

    zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit;

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk (telkens)

- één of meer telefoongesprek(ken) in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of één of meer smsbericht(en) en/of pingbericht(en) verstuurd en/of ontvangen met betrekking tot het importeren en/of het vervoeren van een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of de vracht(en) waarin die cocaïne was verborgen en/of

- een of meer ontmoeting(en) en/of bespreking(en) gehad met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) en/of

- een of meer (met het beveiligingsprogramma PGP beveiligde) telefoons voorhanden gehad en/of communicatie gevoerd middels die PGP telefoons met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) geld betaald en/of in het vooruitzicht gesteld om te zorgen dat (een) container(s) niet gecontroleerd wordt met betrekking tot de invoer van die cocaïne;

3 Zaak Voorbereidingshandelingen

hij

in of omstreeks de periode van 31 oktober 2014 tot en met 09 juni 2015, te Rotterdam en/of Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland), althans (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1500 kilogram, althans een of meerdere (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

  • -

    zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit;

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk (telkens)

- een of meer telefoongesprek(ken) (via zogenaamde PGP- telefoons) gevoerd met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- een of meer ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- contact onderhouden en/of afspraken gemaakt met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) en/of

- een of meer zogenaamde sms en/of ping berichten (via zogenaamde PGP- telefoons) verstuurd met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- een of meerdere bedrijf/bedrijven gezocht en/of een of meerdere bedrijf/bedrijven bij zijn medeverdachte(n) aangedragen die als dekmantel konden fungeren/dienen voor het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen van die cocaïne en/of

- het (voor vervoer) klaar (laten) zetten van 1500 kilogram, althans een (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne in Ecuador, althans Zuid-Amerika;

4 Witwassen

hij

op diverse tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 juni 2015, te Rotterdam en/of Dordrecht en/of Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland) en/of Rotterdam en/of Barendrecht en/of Etten-Leur althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,

immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een goed, te weten een of meerdere grote geldbedrag(en) en/of (een) personenauto('s) en/of business seats

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet,

althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een goed, te weten een of meerdere grote geldbedrag(en) en/of (een) personenauto('s) en/of business seats, was of wie voornoemd geldbedrag, althans enig geldbedrag en/of een personenauto's en/of business seats, voorhanden had,

te weten:

  • -

    op of omstreeks 9 juni 2015 een (contant) geldbedrag van EUR 348.125 en/of

  • -

    in of omstreeks de periode van 8 maart 2013 tot en met 9 juni 2015 een personenauto te weten een BMW X6, kenteken [kenteken 1] ( ZD BMW X6) en/of

  • -

    op of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 januari 2015, een (giraal) geldbedrag van in totaal EUR 307.561,- (bestaande uit 'winst uit onderneming' een bedrag van EUR 118.875 en 'loon uit arbeid' een bedrag à EUR 188.686) (ZD Witwassen via Belastingdienst) en/of

  • -

    in of omstreeks de periode 01 januari 2010 tot en met 12 juni 2015 een geldbedrag van in totaal EUR 460.140,- (ZD [medeverdachte 11]) en/of

  • -

    in of omstreeks de periode 8 december 2014 tot en met 09 juni 2015 een geldbedrag van in totaal EUR 1.000.000,- (ZD [medeverdachte 12]) en/of

  • -

    op of omstreeks 11 december 2013 een personenauto te weten een Jaguar, kenteken [kenteken 2] (ZD [medeverdachte 12]) en/of

  • -

    in of omstreeks de periode 12 oktober 2013 tot en met 31 juli 2015, business seats Feyenoord, althans (meerdere) (een) geldbedrag(en) voor de seizoenen 2013-2014 en/of 2014-2015 en/of 2015-2016 (ZD [medeverdachte 12]) en/of

  • -

    in of omstreeks de periode van 09 augustus 2014 tot en met 30 september 2014 een geldbedrag van in totaal EUR 100.000,- (ZD [medeverdachte 12]);

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemde geldbedrag(en), althans enig geldbedrag en/of een personenauto,- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

5 Zaak Glock

hij in of omstreeks de periode van 08 december 2014 tot en met 09 juni 2015 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 17, serienummer VKG695, kaliber 9 x 19 SR

en/of

munitie in de zin van artikel 1, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, Categorie III van die wet, te weten

  • -

    2, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en) 9 x 19 met bodemstempel FN 52

  • -

    14, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en) 9 x 19 SR, met bodemstempel WEN03D0503 voorhanden heeft gehad;

6
6. Zaak Vuurwapens WOD - deel A

hij

in of omstreeks de periode van 8 december 2014 tot en met 9 juni 2015 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Norinco (North China Industries), model NP 30, kaliber .45 ACP, serienummer BF 01017,

voorhanden heeft gehad en/of (vervolgens) heeft overgedragen aan [medeverdachte 12];

7 Zaak Corruptie

hij

op een of meer tijdstippen in de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 december 2014 te Rotterdam, en/of

's-Gravenzande, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijke een ambtenaar, te weten

[medeverdachte 1], in de functie van douaneambtenaar in dienst van de Belastingdienst te Rotterdam, één of meer gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) heeft gedaan,

te weten

  1. (een gift van) EUR 650.000 en/of

  2. (een gift van) EUR 900.000 en/of

  3. (de belofte van) EUR 3.000.000 en/of

  4. (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van (ongeveer) 300 kilo cocaïne in container TRLU1838232 althans een geldbedrag en/of

  5. (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van (ongeveer) 3000 kilo cocaïne in container CPSU45171570 althans een geldbedrag en/of

  6. (de belofte van) betaling(en) van (een) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en),

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door [medeverdachte 2] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer andere perso(o)n(en), althans enige gift en/of belofte heeft gedaan en/of enige dienst heeft verleend en/of aangeboden, zulks

(telkens) met het oogmerk om die [medeverdachte 1] te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door [medeverdachte 1], in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan en/of nagelaten (sub 2),

te weten het (telkens) – zakelijk weergegeven -:

- geven van advies aan verdachte en/of zijn mededader(s) omtrent het organiseren van transporten van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- geven van advies omtrent welke bedrijven het best gebruikt kunnen worden voor de transport van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- het geven van inzicht aan verdachte en/of zijn mededader(s) in de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) inloggen in de douanesystemen Prisma en/of Douanemanifest om te bekijken wanneer de selectieopdracht voor (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, zichtbaar werd(en) en/of als selecteur in behandeling nemen van deze selectieopdracht(en) en/of

- opzoeken van informatie met betrekking tot (de controle en/of markering van) (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570 en/of

- doorgeven of (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s) al dan niet gecontroleerd zou gaan worden en/of

- zodanig markeren van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, dat deze container(s) zonder controle doorgezet wordt/worden en/of

- buiten de controle houden van (een) binnenkomende container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570 en/of

- verkrijgen en/of hebben en/of behouden van sturende invloed op de manier van controleren van (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570 en/of

- ongedaan maken van de markering(en) van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, waardoor die container(s) zonder controle werd(en) vrijgegeven en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) de systemen van de Douane Rotterdam raadplegen met een ander doel dan waarvoor deze bestemd zijn en/of (vervolgens) aan verdachte en/of zijn mededader(s) inzicht geven in en informatie verstrekken over de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) terwijl dat inzicht en die informatie daarvoor niet zijn bedoeld;

en (wetgeving na 1 januari 2015)

hij

op een of meer tijdstippen in de periode van 01 januari 2015 tot en met 17 april 2015 te Rotterdam, en/of

's-Gravenzande, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk een ambtenaar, te weten

[medeverdachte 1], in de functie van douaneambtenaar in dienst van de Belastingdienst te Rotterdam, één of meer gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) heeft gedaan,

te weten

  1. (een gift van) EUR 1.000.000 (zoals op 17 april 2015 contant in de woning van verdachte aan [adres 1] werd aangetroffen) en/of

  2. (een gift van) EUR 29.987,70 (zoals op 27 februari 2015 en 9 maart 2015 door [bedrijf 1] is overgemaakt aan [medeverdachte 1] BV) en/of

  3. (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van (ongeveer) 400 kilo cocaïne in container ECMU921971 althans een geldbedrag en/of

  4. (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van (ongeveer) 220 kilo cocaïne in (een) container(s) afkomstig uit Panama vervoerd op het schip Hammonia Antofagasta althans een geldbedrag en/of

  5. (de belofte van) betaling(en) van (een) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en),

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door [medeverdachte 2] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer andere perso(o)n(en), althans enige gift en/of belofte heeft gedaan en/of enige dienst heeft verleend en/of aangeboden, zulks

(telkens) met het oogmerk om die [medeverdachte 1] te bewegen in zijn bediening iets te doen en/of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door [medeverdachte 1], in zijn bediening is gedaan en/of nagelaten (sub 2),

te weten het (telkens) – zakelijk weergegeven -:

- geven van advies aan verdachte en/of zijn mededader(s) omtrent het organiseren van transporten van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- geven van advies omtrent welke bedrijven het best gebruikt kunnen worden voor d transport van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) inloggen in de douanesystemen Prisma en/of Douanemanifest om te bekijken wanneer de selectieopdracht voor (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta, zichtbaar werd(en) en/of als selecteur in behandeling nemen van deze selectieopdracht(en) en/of

- opzoeken van informatie met betrekking tot (de controle en/of markering van) (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta en/of

- doorgeven of (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s) al dan niet gecontroleerd zou gaan worden en/of

- zodanig markeren van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta, dat deze container(s) zonder controle doorgezet wordt/worden en/of

- buiten de controle houden van (een) binnenkomende container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta en/of

- verkrijgen en/of hebben en/of behouden van sturende invloed op de manier van controleren van (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta en/of

- ongedaan maken van markering(en) van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta, waardoor die container(s) zonder controle werd(en) vrijgegeven en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) de systemen van de Douane Rotterdam raadplegen met een ander doel dan waarvoor deze bestemd zijn en/of (vervolgens) aan verdachte en/of zijn mededader(s) inzicht geven in en informatie verstrekken over de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) terwijl dat inzicht en die informatie daarvoor niet zijn bedoeld;

8
8. Zaak Bedreiging

hij

op diverse tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 mei 2015 tot en met 26 mei 2015 te Rotterdam althans (elders) in Nederland,

[aangever] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte aan voornoemde [aangever] en/of aan de ouders van voornoemde [aangever] opzettelijk dreigend meermalen een bericht verzonden met als inhoud:

  • -

    op of omstreeks 12 mei 2015: "En nu moet ik stoppen met je? Lul je moet me nog geven waar ik recht op heb en dat voor het weekend. Zo niet dan zoek ik je op. Of je nu op school staat te wachten of thuis of het golfcentrum of schaatsbaan. Ik zal je spreken. Ja ja heb mijn huiswerk gedaan. Jij hebt aan mijn gezin gezeten dus heb ik nu alle recht om aan jouw gezin te zitten" en/of

  • -

    op of omstreeks 14 mei 2015: "Ik vergeet je niet hoor. Zie je heel snel en onverwachts. Zal je net zo lang achtervolgen waar dan ook naar toe tot ik mijn centen heb van je. Al moet ik naar [familielid 1 aangever] toe of je ouders." en/of

  • -

    op of omstreeks 18 mei 2015: "Korte vraag. Betaal je of niet want dan weet ik of ik het uit handen geef ja of nee? Hoop dat je de goede kiest, scheelt een hoop ellende." en/of

  • -

    op 26 mei 2015 opzettelijk dreigend een e-mailbericht verzonden gericht met als inhoud: "Als je zoon en die zwager van hem niet reageren dan zal ik wel langs jou moeten gaan. Kortom [aangever] laat heel zijn familie zijn problemen oplossen. Het is heel simpel [aangever] gaat betalen of [familielid 2 aangever] die stond immers borg die slappe zak. Zo niet dan maak ik zijn leven tot een hel tot zijn kinderen toe en dat geldt ook voor [familielid 2 aangever]!

Zij hebben aan mijn familie gezeten en nu ga ik aan zijn familie zitten. Hoor ik niets van [aangever] of [familielid 2 aangever] dan kom ik langs moet even alleen kijken bij wie ik begin [adres 3] of aan de overkant daarvan ? Of [adres 4]? Of golfbaan ? Of op school? Of ja jammer had ik eerder moeten doen op de ijsbaan ? Zal ook even kijken waar die ingeschreven staat dan kunnen we wellicht daar beginnen? Hoop dat je zoon slim is en anders tot snel!."

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Vordering van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren, met aftrek van voorarrest. De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de verdachte van het onder 4 impliciet cumulatief ten laste gelegde verwijt betreffende de aangetroffen bedragen ter hoogte van € 348.000 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Feit 2: Hulst voorbereidingshandelingen

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof is hiertoe onvoldoende bewijs voorhanden.

Feit 4: Witwassen

€460.140

Aangezien [medeverdachte 11], toenmalige echtgenote van de verdachte, geen legaal inkomen had en zij heeft verklaard dat als zij wat nodig heeft dit krijgt van de verdachte en dat hij alles regelde met betrekking tot de bankrekeningen, gaat het hof ervan uit de verdachte over het geld op haar rekening en de en/of rekening kon beschikken. In totaal is het bedrag van €460.140 gestort. De raadsman heeft bij pleidooi bevestigd dat de verdachte de contante stortingen heeft verricht.3 Deze hebben plaatsgevonden in de periode dat de verdachte zich – kort gezegd – in de drugshandel begaf.

Op grond daarvan is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.4

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte de contante stortingen heeft verricht nadat hij contant geld verkreeg uit investeringen in drie juwelierszaken van [aangever] te Rotterdam. Na aftrek van een dubbeltelling5 bedraagt het gestorte bedrag € 341.265. Voor 2011 heeft de verdachte € 250.000 à 300.000 contant terug ontvangen en erna nog € 100.000 contant. Het gehele bedrag van

€ 341.265 is dus verklaarbaar uit de terugbetalingen door [aangever], aldus de raadsman.

Uit het verhoor bij de rechter-commissaris van [aangever] volgt dat de verdachte in 2007 – voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode met betrekking tot drugshandel – het bedrag van € 625.000 had geïnvesteerd in de winkels van [aangever]. In totaal heeft [aangever] € 233.000 terugbetaald telkens wanneer de verdachte met iemand naar de winkel kwam.

Het hof is van oordeel dat de verdachte daarmee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat deze stortingen van in totaal € 341.265 niet van misdrijf afkomstig zijn en dat het openbaar ministerie nader onderzoek naar die verklaring had kunnen verrichten. Daarbij had het Openbaar Ministerie tevens kunnen onderzoeken of de verklaring van [aangever] (€ 233.000 terugbetaald) of die van de verdachte (€ 341.265 terugbetaald) juist is.

Echter, nu een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het Openbaar Ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat deze stortingen uit enig misdrijf afkomstig zijn (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352).

Dat betekent dat niet is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde voorwerp heeft witgewassen, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Bij die stand van zaken kunnen de overige verweren van de raadsman onbesproken blijven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 Zaak Hulst

hij

in of omstreeks de periode van 6 december 2013 tot en met 9 december 2013 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 301,53 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3 Zaak Voorbereidingshandelingen

hij

in of omstreeks de periode van 31 oktober 2014 tot en met 09 juni 2015, te Rotterdam en/of Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland), althans (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1500 kilogram, althans een of meerdere (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

  • -

    zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit;

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk (telkens)

- een of meer telefoongesprek(ken) (via zogenaamde PGP- telefoons) gevoerd met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- een of meer ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- contact onderhouden en/of afspraken gemaakt met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) en/of

- een of meer zogenaamde sms en/of ping berichten (via zogenaamde PGP- telefoons) verstuurd met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- een of meerdere bedrijf/bedrijven gezocht en/of een of meerdere bedrijf/bedrijven bij zijn medeverdachte(n) aangedragen die als dekmantel konden fungeren/dienen voor het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen van die cocaïne en/of

- het (voor vervoer) klaar (laten) zetten van 1500 kilogram, althans een (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne in Ecuador, althans Zuid-Amerika;

4 Witwassen

hij

op diverse tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 juni 2015, te Rotterdam en/of Dordrecht en/of Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland) en/of Rotterdam en/of Barendrecht en/of Etten-Leur althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een goed, te weten een of meerdere grote geldbedrag(en) en/of (een) personenauto('s) en/of business seats

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of,

althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een goed, te weten een of meerdere grote geldbedrag(en) en/of (een) personenauto('s) en/of business seats, was of wie voornoemd geldbedrag, althans enig geldbedrag en/of een personenauto's en/of business seats, voorhanden had,

te weten:

  • -

    op of omstreeks 9 juni 2015 een (contant) geldbedrag van EUR 348.125 en/of

  • -

    in of omstreeks de periode van 8 maart 2013 tot en met 9 juni 2015 een personenauto te weten een BMW X6, kenteken [kenteken 1] ( ZD BMW X6) en/of

  • -

    op of omstreeks in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 januari 2015, een (giraal) geldbedrag van in totaal EUR 307.561,- (bestaande uit 'winst uit onderneming' een bedrag van EUR 118.875 en 'loon uit arbeid' een bedrag à EUR 188.686) (ZD Witwassen via Belastingdienst) en/of

  • -

    in of omstreeks de periode 01 januari 2010 tot en met 12 juni 2015 een geldbedrag van in totaal EUR 460.140,- (ZD [medeverdachte 11]) en/of

  • -

    in of omstreeks de periode 8 december 2014 tot en met 09 juni 2015 een geldbedrag van in totaal EUR 1.000.000,- (ZD [medeverdachte 12]) en/of

  • -

    op of omstreeks 11 december 2013 een personenauto te weten een Jaguar, kenteken [kenteken 2] (ZD [medeverdachte 12]) en/of

  • -

    in of omstreeks de periode 12 oktober 2013 tot en met 31 juli 2015, business seats Feyenoord, althans (meerdere) (een) geldbedrag(en) voor de seizoenen 2013-2014 en/of 2014-2015 en/of 2015-2016 (ZD [medeverdachte 12]) en/of

  • -

    in of omstreeks de periode van 09 augustus 2014 tot en met 30 september 2014 een geldbedrag van in totaal EUR 100.000,- (ZD [medeverdachte 12]);

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemde geldbedrag(en), althans enig geldbedrag en/of een personenauto’s, - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

5 Zaak Glock

hij in of omstreeks de periode van 08 december 2014 tot en met 09 juni 2015 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 17, serienummer VKG695, kaliber 9 x 19 SR

en/of

munitie in de zin van artikel 1, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, Categorie III van die wet, te weten

  • -

    2, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en) 9 x 19 met bodemstempel FN 52

  • -

    14, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en) 9 x 19 SR, met bodemstempel WEN03D0503 voorhanden heeft gehad;

6
6. Zaak Vuurwapens WOD - deel A

hij

in of omstreeks de periode van 8 december 2014 tot en met 9 juni 2015 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Norinco (North China Industries), model NP 30, kaliber .45 ACP, serienummer BF 01017,

voorhanden heeft gehad en/of (vervolgens) heeft overgedragen aan [medeverdachte 12];

7 Zaak Corruptie

hij

op een of meer tijdstippen in de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 december 2014 te Rotterdam, en/of

's-Gravenzande, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijke een ambtenaar, te weten

[medeverdachte 1], in de functie van douaneambtenaar in dienst van de Belastingdienst te Rotterdam, één of meer gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) heeft gedaan,

te weten

  1. (een gift van) EUR 650.000 en/of

  2. (een gift van) EUR 900.000 en/of

  3. (de belofte van) EUR 3.000.000 en/of

  4. (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van (ongeveer) 300 kilo cocaïne in container TRLU1838232 althans een geldbedrag en/of

  5. (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van (ongeveer) 3000 kilo cocaïne in container CPSU45171570 althans een geldbedrag en/of

  6. (de belofte van) betaling(en) van (een) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en),

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door [medeverdachte 2] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer andere perso(o)n(en), althans enige gift en/of belofte heeft gedaan en/of enige dienst heeft verleend en/of aangeboden, zulks

(telkens) met het oogmerk om die [medeverdachte 1] te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door [medeverdachte 1], in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan en/of nagelaten (sub 2),

te weten het (telkens) – zakelijk weergegeven -:

- geven van advies aan verdachte en/of zijn mededader(s) omtrent het organiseren van transporten van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- geven van advies omtrent welke bedrijven het best gebruikt kunnen worden voor de het transport van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- het geven van inzicht aan verdachte en/of zijn mededader(s) in de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) inloggen in de douanesystemen Prisma en/of Douanemanifest om te bekijken wanneer de selectieopdracht voor (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, zichtbaar werd(en) en/of als selecteur in behandeling nemen van deze selectieopdracht(en) en/of

- opzoeken van informatie met betrekking tot (de controle en/of markering van) (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570 en/of

- doorgeven of (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s) al dan niet gecontroleerd zou gaan worden en/of

- zodanig markeren van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, dat deze container(s) zonder controle doorgezet wordt/worden en/of

- buiten de controle houden van (een) binnenkomende container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570 en/of

- verkrijgen en/of hebben en/of behouden van sturende invloed op de manier van controleren van (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570 en/of

- ongedaan maken van de markering(en) van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, waardoor die container(s) zonder controle werd(en) vrijgegeven en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) de systemen van de Douane Rotterdam raadplegen met een ander doel dan waarvoor deze bestemd zijn en/of (vervolgens) aan verdachte en/of zijn mededader(s) inzicht geven in en informatie verstrekken over de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) terwijl dat inzicht en die informatie daarvoor niet zijn bedoeld;

en (wetgeving na 1 januari 2015)

hij

op een of meer tijdstippen in de periode van 01 januari 2015 tot en met 17 april 2015 te Rotterdam, en/of

's-Gravenzande, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk een ambtenaar, te weten

[medeverdachte 1], in de functie van douaneambtenaar in dienst van de Belastingdienst te Rotterdam, één of meer gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) heeft gedaan,

te weten

  1. (een gift van) EUR 1.000.000 (zoals op 17 april 2015 contant in de woning van verdachte aan [adres 1] werd aangetroffen) en/of

  2. (een gift van) EUR 29.987,70 (zoals op 27 februari 2015 en 9 maart 2015 door [bedrijf 1] is overgemaakt aan [medeverdachte 1] BV) en/of

  3. (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van (ongeveer) 400 kilo cocaïne in container ECMU921971 althans een geldbedrag en/of

  4. (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van (ongeveer) 220 kilo cocaïne in (een) container(s) afkomstig uit Panama vervoerd op het schip Hammonia Antofagasta althans een geldbedrag en/of

  5. (de belofte van) betaling(en) van (een) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en),

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door [medeverdachte 2] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer andere perso(o)n(en), althans enige gift en/of belofte heeft gedaan en/of enige dienst heeft verleend en/of aangeboden, zulks

(telkens) met het oogmerk om die [medeverdachte 1] te bewegen in zijn bediening iets te doen en/of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door [medeverdachte 1], in zijn bediening is gedaan en/of nagelaten (sub 2),

te weten het (telkens) – zakelijk weergegeven -:

- geven van advies aan verdachte en/of zijn mededader(s) omtrent het organiseren van transporten van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- geven van advies omtrent welke bedrijven het best gebruikt kunnen worden voor d het transport van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) inloggen in de douanesystemen Prisma en/of Douanemanifest om te bekijken wanneer de selectieopdracht voor (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta, zichtbaar werd(en) en/of als selecteur in behandeling nemen van deze selectieopdracht(en) en/of

- opzoeken van informatie met betrekking tot (de controle en/of markering van) (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta en/of

- doorgeven of (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s) al dan niet gecontroleerd zou gaan worden en/of

- zodanig markeren van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta, dat deze container(s) zonder controle doorgezet wordt/worden en/of

- buiten de controle houden van (een) binnenkomende container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta en/of

- verkrijgen en/of hebben en/of behouden van sturende invloed op de manier van controleren van (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta en/of

- ongedaan maken van markering(en) van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta, waardoor die container(s) zonder controle werd(en) vrijgegeven en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) de systemen van de Douane Rotterdam raadplegen met een ander doel dan waarvoor deze bestemd zijn en/of (vervolgens) aan verdachte en/of zijn mededader(s) inzicht geven in en informatie verstrekken over de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) terwijl dat inzicht en die informatie daarvoor niet zijn bedoeld;

8 Zaak Bedreiging

hij

op diverse tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 mei 2015 tot en met 26 mei 2015 te Rotterdam althans (elders) in Nederland,

[aangever] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte aan voornoemde [aangever] en/of aan de ouders van voornoemde [aangever] opzettelijk dreigend meermalen een bericht verzonden met als inhoud:

  • -

    op of omstreeks 12 mei 2015: "En nu moet ik stoppen met je? Lul je moet me nog geven waar ik recht op heb en dat voor het weekend. Zo niet dan zoek ik je op. Of je nu op school staat te wachten of thuis of het golfcentrum of schaatsbaan. Ik zal je spreken. Ja ja heb mijn huiswerk gedaan. Jij hebt aan mijn gezin gezeten dus heb ik nu alle recht om aan jouw gezin te zitten" en/of

  • -

    op of omstreeks 14 mei 2015: "Ik vergeet je niet hoor. Zie je heel snel en onverwachts. Zal je net zo lang achtervolgen waar dan ook naar toe tot ik mijn centen heb van je. Al moet ik naar [familielid 1 aangever] toe of je ouders." en/of

  • -

    op of omstreeks 18 mei 2015: "Korte vraag. Betaal je of niet want dan weet ik of ik het uit handen geef ja of nee? Hoop dat je de goede kiest, scheelt een hoop ellende." en/of

  • -

    op 26 mei 2015 opzettelijk dreigend een e-mailbericht verzonden gericht met als inhoud: "Als je zoon en die zwager van hem niet reageren dan zal ik wel langs jou moeten gaan. Kortom [aangever] laat heel zijn familie zijn problemen oplossen. Het is heel simpel [aangever] gaat betalen of [familielid 2 aangever] die stond immers borg die slappe zak. Zo niet dan maak ik zijn leven tot een hel tot zijn kinderen toe en dat geldt ook voor [familielid 2 aangever]!

Zij hebben aan mijn familie gezeten en nu ga ik aan zijn familie zitten. Hoor ik niets van [aangever] of [familielid 2 aangever] dan kom ik langs moet even alleen kijken bij wie ik begin [adres 3] of aan de overkant daarvan ? Of [adres 4]? Of golfbaan ? Of op school? Of ja jammer had ik eerder moeten doen op de ijsbaan ? Zal ook even kijken waar die ingeschreven staat dan kunnen we wellicht daar beginnen? Hoop dat je zoon slim is en anders tot snel!."

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Feit 1: Hulst

De betrokkenheid van de verdachte bij het medeplegen van - kort gezegd – de import van 300 kilo cocaïne omstreeks 9 december 2013 in het dossier Hulst volgt uit de bewijsmiddelen, die in onderlinge samenhang en verband dienen te worden gelezen. Dit laatste verliest de verdediging in hoger beroep uit het oog waar zij aandacht vraagt voor afzonderlijke door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals OVC gesprekken, en dan telkens per bewijsmiddel concludeert dat verdachtes betrokkenheid bij dit feit niet kan worden vastgesteld.

Op 27 januari 2015 werd in het televisieprogramma “Opsporing Verzocht” aandacht besteed aan een moord die – aldus dit programma – waarschijnlijk verband houdt met een drugsvangst van de Douane op maandag 9 december 2013 in de haven van Rotterdam, waarbij in een lading verse ananassen 300 kilo cocaïne werd aangetroffen. Het hof stelt vast dat de avond ervoor een gesprek in de woning van de verdachte is opgenomen waarin hij zegt: “weet je waarover dit gaat morgen? Over een partij coke die gepakt is.” De opmerking van de verdachte de volgende dag – tijdens de uitzending van dit televisieprogramma –: “d’r was wel ehh, zat een deel van mij in”, is een sterke aanwijzing dat de verdachte bij de import van de cocaïne betrokken was. Ruim een week later, op 4 februari 2015, sprak de verdachte met een politie-informant over deze uitzending en zei: “ik zat ook in die partij.” De verdachte heeft dan in twee afzonderlijke gesprekken gezegd dat hij in die partij zat. Tegen de achtergrond van deze gesprekken – 27 januari en 4 februari 2015 – valt een eerder OVC gesprek van 20 december 2014 op, waarin het eerst gaat om de grootste vangst van het jaar in Hamburg. Dan zegt de verdachte: “…die partij van mij die gepakt is…”.

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat de 300 kilo cocaïne die omstreeks 9 december 2013 in Rotterdam is ingevoerd geheel of gedeeltelijk van de verdachte was, althans dat hij deze partij had voorgefinancierd.6 Die vaststelling wijst er al op dat hij de invoer (mede)georganiseerd heeft. Het is niet aannemelijk – en in deze zaak ook niet aangevoerd – dat de verdachte zijn cocaïne door een onbekende derde liet importeren. Integendeel, de verdachte had gedetailleerde kennis van de import van de 300 kilo cocaïne. Hij verklaarde immers op 4 februari 2015 dat [medeverdachte 14] de partij verkeerd besteld had en aankwam op 9 december, terwijl de douaneman [[medeverdachte 1]] er na 15 december weer zou zijn.7 Bij gebreke aan een verklaring van de verdachte hierover – hij wilde ter terechtzitting in hoger beroep niets zeggen – concludeert het hof dat de verdachte dit wist omdat hij het transport zelf (mede)georganiseerd had. Deze conclusie strook met de opmerking van de verdachte tegen een politie-informant op 26 februari 2015 – als zij praten over import van drugs – dat hij het altijd super goed regelde.8

Daar komt nog het volgende bij. De verdediging heeft gesteld dat, nadat [medeverdachte 14] was geliquideerd wegens het mislukken van dit transport, de verdachte 1,3 miljoen euro heeft geclaimd bij diens broer [getuige 2] (pleitnota nrs. 318 en 319).9 Deze stelling vindt steun in een tapgesprek van 8 juli 2014 waarin [getuige 2] tegen een derde zegt dat de verdachte hem heeft bericht dat hij 1,1 miljoen moet betalen.10 Het hof verwerpt de stelling van de verdediging dat dit een “fictieve vordering” betreft. Op 4 en 26 februari 2015 heeft de verdachte tegen een politie-informant gezegd dat hij nog 1,3 miljoen van [medeverdachte 14] kreeg. In een OVC gesprek van 10 februari 2015 heeft de verdachte tegen zijn vriendin gezegd dat [medeverdachte 14] “sowieso” een schuld bij hem had van 1,1 miljoen. De verdachte waande zich onbespied en er is geen reden aan te nemen dat hij toen een niet bestaande vordering met zijn gesprekspartners besprak. Daarvoor is in de overige OVC gesprekken, taps en processen-verbaal van politie-informanten evenmin steun te vinden. Het is de verdachte zelf die de schuld van [medeverdachte 14] in de gesprekking met de politie-informant van 4 en 25 februari 2015 telkens verbindt aan het mislukken van het transport (“werd deze partij gepakt” respectievelijk “na wat er allemaal is gebeurd”). De verdachte heeft geen goede reden gegeven waarom hij een “fictieve vordering” met een veronderstelde kennis (de politie-informant) zou bespreken, die niets met het mislukte transport te maken had. De vordering is dus ontstaan uit het mislukken van het transport en niet omdat de verdachte daarna het idee had opgevat11 om 1,3 miljoen te claimen. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep hierover geen enkele vraag heeft willen beantwoorden, terwijl de opgevoerde “fictieve vordering” in het licht van de genoemde gesprekken bepaald vragen bij het hof opriep.

Hetgeen hiervoor is vastgesteld met betrekking tot de schuld van [medeverdachte 14] en de incasso ervan bij [getuige 2] draagt bij aan het oordeel van het hof dat de verdachte het transport (mede)georganiseerd heeft. De verdachte kocht (“die partij was van mij”) of financierde (“ik zat ook in die partij”) de cocaïne vooraf – een onmisbare schakel voor de import van cocaïne – en [medeverdachte 14] bestelde deze, maar maakte daarbij een cruciale fout waardoor er geen gezamenlijke opbrengst was. In de visie van de verdachte ging deze schuld (uit de investering van de verdachte) over op [getuige 2] nadat [medeverdachte 14] was geliquideerd. Zo nauw achtte de verdachte zijn investering met de bestelling van cocaïne door [medeverdachte 14] verbonden.

Uit voorgaande vaststellingen dat: i) de geïmporteerde cocaïne geheel of gedeeltelijk van de verdachte was (hij had voor 1,3 miljoen euro voorgefinancierd), ii) de verdachte het naar eigen zeggen allemaal super goed regelde, iii) de verdachte gedetailleerde kennis had van de wijze waarop [medeverdachte 14] de partij heeft besteld, en iv) de investering van de verdachte zo nauw met de bestelling van de cocaïne door [medeverdachte 14] was verbonden dat deze na de dood van [medeverdachte 14] overging op zijn broer [getuige 2], leidt het hof af dat de bijdrage van de verdachte aan het invoeren van de 300 kilo cocaïne van voldoende gewicht is, zodat medeplegen bewezen kan worden verklaard.

Feit 3: Voorbereidingshandelingen

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet daadwerkelijk met [medeverdachte 1] wilde gaan werken. Hij heeft voorgewend dat hij bezig was met de invoer van drugs via [medeverdachte 1]. In werkelijkheid heeft hij contact gezocht met [medeverdachte 1] omdat hij op zoek was naar de antwoorden op de vraag wie [medeverdachte 14] had vermoord en op de vraag waarom hij zelf kennelijk vermoord diende te worden. De verdediging voert aan dat deze verklaring van de verdachte ongeloofwaardig lijkt, maar wijst dan op een uitlating van [medeverdachte 1] waarin hij de verdachte een “flapdrol” noemt en leidt daaruit af dat de verdachte niet serieus met de voorbereiding van drugsimport bezig was.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de import van verdovende middelen voorbereidde. In de OVC gesprekken of gesprekken met politieel informanten noch overigens in het dossier is steun te vinden te vinden voor de stelling van de verdediging dat de voorbereiding voorgewend was. Dat [medeverdachte 1] de verdachte een “flapdrol” noemt is blijkens zijn verklaring terug te voeren op zijn beoordeling dat de verdachte weliswaar in een hele grote witte BMW reed, maar altijd met bedrijven bij [medeverdachte 1] kwam waar hij niets mee kon. Dit laatste is ook door de [medeverdachte 7] verklaard in zijn politieverhoor: de verdachte kwam met bedrijven die ongeschikt waren om drugs vanuit Zuid Amerika te importeren. De diskwalificatie van verdachtes vermogen (“flapdrol”) om voor drugsimport geschikte bedrijven bij [medeverdachte 1] aan te leveren, ondersteunt in geen enkel opzicht de – ook volgens de verdediging voorshands ongeloofwaardige12 – stelling van de verdachte dat hij slechts onderzocht wie [medeverdachte 14] had vermoord en wie een aanslag op hemzelf heeft willen plegen.

Het hof volgt de rechtbank niet in haar overweging dat [medeverdachte 1] de verdachte tegenover de politie heeft willen ontzien door hem een “flapdrol” te noemen. De voorwaarde waaronder de verdediging heeft verzocht [medeverdachte 1] en “[naam]” hierover als getuige te bevragen13 is derhalve niet vervuld. Het hof wijst dat verzoek af.

Inzet politieel informanten

De verdediging heeft onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1982 en 1983 (‘Mr. Big’-methode) aangevoerd dat de verklaringen van de verdachte tegenover de politie-informanten [politieel informant 1] en [politieel informant 2] uitgesloten dienen te worden van het bewijs, wegens schending van de verklaringsvrijheid van de verdachte en de wijze waarop het langdurige traject is vastgelegd.

In de genoemde arresten heeft de Hoge Raad uiteengezet dat het bij de ‘Mr Big-methode’ in het algemeen gaat om een operatie die hierdoor wordt gekenmerkt dat door een of meer opsporingsambtenaren, zonder dat kenbaar is dat zij als zodanig optreden, binnen het verband van een gefingeerde criminele organisatie het vertrouwen van een niet-gedetineerde verdachte wordt gewonnen, waarna hem in het kader van die organisatie voordelen in het vooruitzicht worden gesteld als hij een (bekennende) verklaring aflegt omtrent zijn betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit. Beoordeeld moet worden of de in het kader van zo een operatie door de verdachte afgelegde verklaring niet is verkregen in strijd met zijn verklaringsvrijheid.

Het hof stelt vast dat de politie-informanten [politieel informant 1] en [politieel informant 2] en hun begeleiders [begeleider politieel informanten 1] en [begeleider politieel informanten 2] werkzaam waren bij het team Werken Onder Dekmantel van de politie. De politie-informanten zijn ingezet om informatie van de verdachte en zijn partner [medeverdachte 13] te verkrijgen. Deze inzet heeft plaatsgevonden op grond van een bevel ex art. 126j Sv. Na afloop van de inzet zijn de vier politie-informanten als getuige bij de rechter-commissaris gehoord in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte. Uit deze verhoren blijkt dat de politie-informanten informatie probeerden te verkrijgen over onder meer: de vergismoord op [slachtoffer] (waarvan de verdachte volgens twee TCI verstrekkingen14 het beoogd slachtoffer zou zijn), corruptieve contacten van de verdachte, het criminele vermogen van de verdachte en opiumwetdelicten. De politie-informanten hebben daartoe zich als stel gepresenteerd bij de verdachte en zijn vriendin en zij zijn na verloop van tijd “vrienden” geworden. Zij zijn bijvoorbeeld over en weer bij elkaar thuis op bezoek geweest, gingen gezamenlijk uit eten en waren samen op Curaçao geweest. Daarbij zijn gesprekken gevoerd, die de informanten hebben teruggekoppeld aan hun begeleiders en die vervolgens – over het algemeen – binnen 48 uur zijn geverbaliseerd. De informanten hebben geen gesprekken opgenomen, maar in hun geheugen opgeslagen (waarvoor zij in hun opleiding een specifieke training gekregen) waarna tijdens de debriefing met de begeleiders schriftelijke aantekeningen zijn gemaakt. Deze debriefing vond binnen één uur na de voltooiing van de opdracht plaats.15 Op grond van de herinnering en de aantekeningen maakte de politie-informanten het proces-verbaal op. Deze gang van zaken leiden er niet toe dat het hof de processen-verbaal van de politie-informanten “met een hele grote korrel zout neemt” zoals door de verdediging is verzocht.16

Uit de verhoren van de politie-informanten bij de rechter-commissaris blijkt niet dat zij uit waren op de verkrijging van een bekentenis van betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit. De verdachte is niet – onder voorwaarde van een positief vooruitzicht – aangezet om opheldering over bepaalde zaken te geven. Reeds in zoverre gaat de vergelijking met de ‘Mr Big-methode’ mank. Zij waren uit op het vergaren van informatie over een moord waarvan de verdachte niet verdacht werd, maar mogelijk het beoogde slachtoffer was, alsmede over – kort gezegd – druggerelateerde activiteiten van de verdachte. Ook overigens hebben zij de verdachte niet misleid anders dan dat zij in werkelijkheid politieambtenaren waren en vanuit hun rol als bevriend stel gedeelde interesses – waaronder ook criminele activiteiten – ter sprake brachten. Het hof heeft niet vastgesteld dat hierbij enige psychische druk op de verdachte is uitgeoefend. Gesprekken vonden veelal plaats wanneer de verdachte in de tuin een sigaretje wilde roken of tijdens het gezamenlijk uitlaten van de hond [naam hond]. Er zijn geen aanwijzingen in het dossier of in de stellingen van de verdediging te vinden op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat de verdachte zich onder druk gesteld voelde om deze gesprekken te voeren dan wel de opgebrachte onderwerpen met de informant te bespreken. Samengevat hebben de politie-informanten het vertrouwen van de verdachte gewonnen en de gesprekken geleid naar onderwerpen waarover zij informatie wilden hebben, maar daarbij is de verklaringsvrijheid van de verdachte niet in het gedrang gekomen. Dit gewonnen vertrouwen hebben de politieel informanten geschonden, maar daarvoor biedt HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9195, voldoende juridische grondslag.

Het hof bezigt de processen verbaal onder nummer van de twee politie-infiltranten ([politieel informant 1] en [politieel informant 2]) tot het bewijs.17 De begeleiders ([begeleider politieel informanten 1] en [begeleider politieel informanten 2]) hebben over de inzet van [politieel informant 1] en [politieel informant 2] processen-verbaal onder nummer opgemaakt. De twee politie-informanten zijn evenals hun begeleiders als getuige gehoord bij de rechter-commissaris.

Het hof overweegt dat het team Werken Onder Dekmantel alleen effectief en veilig kan functioneren als zijn politiemedewerkers – waaronder ook de begeleiders – onder codenummer verbaliseren en hun identiteit tijdens een getuigenverhoor alleen bij de rechter-commissaris bekend wordt. Naar het oordeel van het hof vloeit de reden van de beperkte anonimiteit ([begeleider politieel informanten 1] en [begeleider politieel informanten 2]) respectievelijk van de status van bedreigde getuige

([politieel informant 1] en [politieel informant 2]) voort uit de aard van de werkzaamheden van de politie-informanten.

Bij het verhoor van de twee begeleiders ([begeleider politieel informanten 1] en [begeleider politieel informanten 2]) van de politie-informanten heeft de rechter-commissaris op grond van art. 190 lid 3 Sv bepaald dat het vragen naar persoonsgegevens achterwege blijft en dat zij geschminkt via videoverbinding worden gehoord. Naar het oordeel van het hof heeft de beperkte anonimiteit van de begeleiders geen afbreuk gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging, nu de verdediging deze begeleiders heeft kunnen ondervragen over de grondslag voor de inzet van de twee politie-informanten, hun opdrachten en (met name) de totstandkoming van hun processen-verbaal.

Voorafgaand aan het verhoor van de twee politie-informanten ([politieel informant 1] en [politieel informant 2]) heeft de rechter-commissaris de identiteit van de getuigen vastgesteld en bepaald dat de persoonsgegevens van de getuigen op grond van art. 226a Sv alleen bekend zijn bij de rechter-commissaris en de griffier. Deze getuigen zijn voor het begin van hun verhoor beëdigd. Het hof acht de processen-verbaal van [politieel informant 1] en [politieel informant 2] bruikbaar voor het bewijs. Naast de reeds vermelde omstandigheid dat zij als (bedreigde) getuige zijn gehoord in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte, overweegt het hof daartoe dat de processen-verbaal van deze politieel informanten steun vinden in OVC gesprekken, telefoontaps, observaties, schriftelijke stukken en – ten aanzien van de vuurwapens – in verklaringen van de verdachte zelf.

Feit 4: Witwassen

Algemeen

Uit de in dit arrest gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich bezig hield met import van verdovende middelen. De verdachte bevond zich al geruime tijd in het drugscircuit en was daarin succesvol, getuige zijn uitlating op 26 februari 2015 tegenover een politioneel informant die vroeg naar hoe het met zijn handel stond: “Het gaat goed(…). We doen binnenkort eerst een dummy en als dat allemaal goed gaat en het papier werk klopt dan kunnen we gaan draaien. Weet je, twee jaar geleden kende niemand mij, kon ik gewoon mijn gang gaan. Ik regelde het altijd super goed, er is van mij nog nooit een container geopend, nog nooit. Maar na wat er allemaal gebeurd is, weet je het niet.”18

In die wereld gaan grote contante geldbedragen om. Ook uit gesprekken met de politie-informanten blijkt dat verdachte grote geldbedragen beschikbaar had voor luxe goederen. Op 21 januari 2015 zei de verdachte tegen een politie-informant dat hij inmiddels door modeontwerper Philipp Plein persoonlijk was uitgenodigd om een modeshow in Milaan bij te wonen. Een hotelkamer was ook al geregeld. Dit was volgens de verdachte omdat hij voor zoveel geld op de site had besteld van dit kledingmerk.19 Verder laat de verdachte op 16 februari 2015 een politie-informant een foto op zijn telefoon zien van een krokodillenlerenjas (merk Philipp Plein) van € 69.998 en zegt daarover dat als de handel een beetje normaal was doorgelopen hij die jas zo had besteld en dat het toch mooi is om zo exclusief te zijn.20 Verder verklaarde de vriendin van de verdachte op 9 april 2015 – twee maanden voor het aantreffen van het contant geld in de woning van de verdachte en zijn vriendin21 – tegenover een politieel informant dat de verdachte geen inkomen op papier heeft.22

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420ter, eerste lid, onder a en b Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Geldbedrag € 348.125

In de woning van de verdachte en zijn vriendin is een contant geldbedrag van € 348.125 aangetroffen. De verdachte had aldus feitelijke zeggenschap over het bedrag.

Op grond daarvan acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd23 dat het voorwerp in de tenlastelegging (feit 4, eerste gedachtestreepje) uit enig misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Het hof is van oordeel dat de verklaring die de verdachte daarover heeft gegeven niet als zo'n verklaring kan worden aangemerkt.

De gestelde erfenis van de moeder van de vriendin van de verdachte is in het geheel niet onderbouwd en ten aanzien van de gestelde erfenis van de overleden echtgenoot slechts door een handgeschreven briefje. De officier van justitie heeft om het origineel gevraagd maar dit niet gekregen, zodat dit niet kon worden onderzocht op echtheid.

Verder heeft de verdediging erop gewezen dat de belastingdienst dit bedrag als inkomen van de vriendin van de verdachte heeft aangemerkt.24 Volgens de kennisgeving navorderingsaanslag heeft zij dit bedrag ontvangen als vergoeding voor het misdrijf witwassen.25 De verdediging betoogt dat dit bedrag niet zowel als inkomen kan worden bestempeld van de vriendin van de verdachte als door de verdachte witgewassen kan zijn. Naar het oordeel van het hof staat de stelling van de belastingdienst – het bedrag is een vergoeding voor het misdrijf witwassen – niet in de weg aan de bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen door de verdachte, die het bedrag tezamen met zijn vriendin in hun woning voorhanden heeft gehad.

Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder feit 4, eerste gedachtestreepje, ten laste gelegde.

Geldbedrag €307.561

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de jaren 2011 tot en met 2014 inkomen had uit winst uit onderneming (€ 118.875) en loon uit arbeid (€ 188.686), tezamen € 307.561. Het hof verwijst voorts naar de bewijsmiddelen voor de opgezette constructie voor de betalingen aan de verdachte.

De verklaring van verdachte dat hij inkomen (aanvankelijk als ZZP’er en later in loondienst) heeft verkregen uit investeringen en werkzaamheden in de zonnepanelenbranche is niet onderbouwd met verifieerbare gegevens. Illustratief is dat de ex-vrouw van de verdachte in een tapgesprek heeft verklaard dat de verdachte heeft gezegd dat zijn geld vaststaat in Rusland, dat hij een dekmanteltje heeft en “de ballen verstand” heeft van zonnepanelen.26 Ook heeft zij in een telefoongesprek in 2014 gezegd dat de verdachte niet echt aan het werk was.27 Evenmin blijkt van een daadwerkelijk bestaande arbeidsrelatie met Uitzend- en Detacheringsbureau [bedrijf 3] Weliswaar kreeg de verdachte vierwekelijks € 5.000 door [bedrijf 3] uitbetaald, maar als zijn vriendin Rusland in een OVC gesprek opbrengt zegt de verdachte: “Nee dat moet ook gauw terug (…) Ander kanaal, dan ga ik gewoon ergens in loondienst of wat. Kijk, om het op te lossen moet er eerst geld binnenkomen. Ik betaal € 20.000 per maand om die € 5.000 terug te krijgen (…) Met al die constructies”28

Uit niets blijkt dat de verdachte daadwerkelijk werkte in de zonnepanelenbranche of via [bedrijf 3] Ook is niet gebleken van reële winst uit onderneming. Sprake is geweest van schijnconstructies om crimineel geld – het hof heeft reeds vastgesteld dat de verdachte hierover beschikte – in het betalingsverkeer te brengen als legaal verdiend. Het hof wijst op de opmerking van de vriendin van de verdachte op 11 juni 2015 tegenover een politieel informant – als zij bespreken dat de verdachte veel verdiend heeft en het niet logisch was dat alles op haar naam stond terwijl ze dat op papier nooit had kunnen betalen – dat [verdachte] natuurlijk tot vorig jaar nog via [medeverdachte 10] ergens op een loonlijst gestaan heeft. Deze loonlijst betrof [bedrijf 3] waarvan de bankrekening werd gevoed met betalingen van een bankrekening in Liechtenstein van de Panamese rechtspersoon [bedrijf 2], waarover [medeverdachte 10] werd geïnformeerd.

BMW X6

In de gebezigde bewijsmiddelen en de voorgaande overwegingen ligt de verwerping besloten van het verweer dat de verdachte het geld waarmee deze auto is gekocht als bonus heeft ontvangen voor zijn werkzaamheden.

Feit 6: vuurwapen Norinco

Uit de bewijsvoering volgt dat [medeverdachte 12], de vader van de vriendin van de verdachte, nadat de verdachte was aangehouden en vastgezet op het politiebureau op 9 juni 2015 ’s middags tegen een politie-informant heeft gezegd dat hij “nog zo’n pistool van [verdachte]” bij zich had liggen. Verder heeft [medeverdachte 12] op 10 juni 2015 tegen een politie-infiltrant gezegd dat als hij nog iets voor het pistool kon krijgen dat dit meegenomen was.29 Nadat de politie-informant dit pistool – na later bleek een Norinco kaliber .45 – op 10 juni 2015 van [medeverdachte 12] overhandigd had gekregen en had weggebracht naar het begeleidingsteam, heeft de politie informant € 600 aan de vriendin van de verdachte gegeven en gezegd dat het wapen van de verdachte dat nu waard is.30

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim aangezien een politie-informant, zonder dat hij daartoe gerechtigd was, voor

€ 600 een vuurwapen heeft gekocht dat aan de verdachte toebehoorde. Aldus is volgens de verdediging sprake geweest van pseudokoop zonder bevel in de zin van art. 126i Sv.

Het hof overweegt dat de bevoegdheid tot pseudokoop is geregeld in art. 126i Sv. Hiervan is sprake wanneer een opsporingsambtenaar i) goederen afneemt van de verdachte of ii) voorwendt goederen te willen afnemen, en daarbij tot afspraken komt met de verdachte strekkende tot aankoop en aflevering van goederen, terwijl deze handelingen plaatsvinden met de bedoeling in te grijpen op het moment dat de verdachte tot aflevering overgaat (HR 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7331 en HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:298). Uit de hierboven weergegeven gang van zaken volgt dat de politie-informant het wapen op initiatief van [medeverdachte 12] van hem overhandigd heeft gekregen en de vriendin van de verdachte daarvoor heeft betaald. De verdachte stond buiten deze aflevering, hij was daarvoor al op 9 juni 2015 aangehouden en in verzekering gesteld. Aldus heeft de politie-informant geen goed afgenomen van de verdachte maar van [medeverdachte 12]. Voor deze koop kon art. 3 Politiewet 2012 als wettelijke basis dienen. Daarbij is niet of nauwelijks inbreuk gemaakt op de privacy van de verdachte en deze is niet zeer risicovol geweest voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. Van pseudokoop in de zin van art. 126i Sv is geen sprake geweest. Er is geen vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, zodat de vraag of en zo ja welk gevolg daaraan verbonden dient te worden, niet aan de orde is.

Feit 7: Corruptie

Het hof verwijst in de eerste plaats naar de bewijsvoering voor de feiten 1 en 3 (het medeplegen van import van cocaïne en van voorbereidingshandelingen). De verweren van de raadsman zijn daarmee en met de gebezigde bewijsmiddelen voor het ten laste gelegde medeplegen van omkoping van [medeverdachte 1] (feit 7) weerlegd.

In aanvulling hierop wordt het volgende overwogen. Het hof verwerpt het betoog van de verdediging dat de verdachte al voor oktober 2013 uit de groep [medeverdachte 5] is verstoten wegens problemen met [medeverdachte 5]. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 20 april 2015 verklaard dat hij de verdachte al 2,5 a 3 jaar kent en dat zij in het begin geen bonje hadden.31 Verder heeft hij verklaard dat [medeverdachte 5] en de verdachte nu onderling bonje hebben, maar ook: “ze zijn een groep (…). Ze houden mij nog een beetje te vriend omdat ik nog een beetje gebruikt of liever gezegd misbruikt moest worden”.32 De verdachte is een tijd uit beeld geweest, maar toen is hij volgens [medeverdachte 1] weer verschenen. Het is in zijn ogen één groep.33 Het hof leidt hieruit af dat de groep – inclusief de verdachte – toen nog bestond, maar dat zij onenigheid hadden. Ook de stelling van de verdediging dat de verdachte een ondergeschikte rol in het corruptiedossier speelde wordt verworpen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft juist de substantiële rol van de verdachte bij de import van harddrugs bevestigd met zijn verklaring dat ze (waaronder de verdachte) altijd samen waren, de verdachte af en toe langs kwam34, hij “ook in het wereldje” zit en hij wel eens een bedrijfje stuurde.35 Het sturen van een bedrijfje betekent dat de verdachte door [medeverdachte 1] wilde laten controleren of een bepaald bedrijf bij de douane als onverdacht zou gelden en dus geschikt was als importeur van drugs onder een deklading. Verder wijst het hof op de verklaring van [medeverdachte 1] dat ze een groep zijn maar dat ook de verdachte “een eigen partijtje” wilde binnen halen.36

Feit 8: Bedreiging

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht althans zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen althans zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte heeft [aangever] [aangever] berichten gestuurd waarin hij schrijft dat hij (terug)betaald wil worden. Daarbij heeft de verdachte [aangever] – samengevat weergegeven – te verstaan gegeven dat hij [aangever] opzoekt, hem “heel snel en onverwachts” ziet en hem net zo lang zal achtervolgen totdat hij zijn centen van hem heeft.

Het hof acht de ten laste gelegde uitlatingen van de verdachte op zichzelf genomen niet van dien aard om als bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen worden aangemerkt. Het hof beziet echter tevens de context waarin de uitlatingen zijn gedaan. Daarbij neemt het hof eerst de gebeurtenissen vanaf 2006 in aanmerking, toen de verdachte geld had geïnvesteerd in de juwelierswinkels van [aangever]. In 2008 begon de verdachte [aangever] onder druk te zetten om terug te betalen. In 2009 kwam de verdachte daartoe naar de winkel van [aangever]. De verdachte nam grote brede mannen mee met tatoeages. Ongure types. De verdachte gaf [aangever] daarbij te kennen dat hij “die jongens rustig moest houden” en dat het met mensen die aangifte deden niet goed af liep.37 Vervolgens heeft [aangever] bedragen aan de verdachte (terug)betaald.

Aangezien de verdachte tegen die achtergrond tevens verwees naar de school of sportlocatie van [aangever]’ kinderen om hem daar op te zoeken en schrijft “dat hij alle recht heeft om aan jouw gezin te zitten” en dreigt “het uit handen te geven” waarbij de verdachte “hoopt” dat [aangever] het goede kiest omdat dat een hoop ellende scheelt, is het hof van oordeel dat daardoor bij [aangever] de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen althans zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 8 ten laste gelegde.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geldbedrag € 348.125

Het hof stelt voorop dat noch de tekst van art. 420ter Sr noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in art. 420ter, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.


Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter.

De verdachte had tezamen met zijn vriendin in hun woning het bedrag van € 348.125 in contanten voorhanden. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt – kort gezegd – dat de verdachte zich bezig houdt met de import van cocaïne.


Dit geldbedrag is aldus onmiddellijk afkomstig uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Bewezen is verklaard dat verdachte het geldbedrag heeft witgewassen door dit voorhanden te hebben gehad.

Het hof heeft echter niet kunnen vaststellen dat de verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag, nu uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden enkel kan worden afgeleid dat de verdachte het geldbedrag voorhanden heeft gehad.

Dit betekent dat het in feit 4 eerste gedachtestreepje bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. De verdachte dient derhalve ter zake van dit onderdeel te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid en inlichtingen te verschaffen.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

en

aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

Het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Vuurwapen Glock

Tijdens een doorzoeking van een pand van de verdachte aan de [adres 6] werd op 9 juni 2015 een geladen vuurwapen, merk Glock, aangetroffen en inbeslaggenomen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat de Glock zijn wapen was en dat hij dit voorhanden heeft gehad. Hij heeft het aan zijn vriendin gegeven en gezegd dat zij het moest verstoppen.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte na de vergismoord op [slachtoffer] op 1 januari 2014 de angst had alsnog vermoord te worden. Hij kon niet anders dan een wapen en munitie aanschaffen. Op grond daarvan stelt de verdediging dat de verdachte een succesvol beroep kan doen op psychische overmacht en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden.

Het hof stelt vast dat de verdachte op 3 september 2014 een Glock toonde aan de politie-informanten. Dit pistool lag toen in een woning aan de [adres 5] in een kledingkast onder een stapel kleding. De verdachte zegt, terwijl hij het met patronen gevulde magazijn eruit haalde: “Tja je moet toch wat” en “ik heb nog een hele tas vol”.38 Ook op 17 december 2014 heeft de verdachte tegen een politie-informant verklaard dat hij “tassen vol” heeft. Verder heeft hij toen aangegeven dat hij nog M-16’s en een hele berg van die kleine pistolen heeft. Een Glock is echt zijn favoriete wapen.39 De verdachte wilde deze wapens niet kwijt, hij spaarde ze. “Ik heb een tas vol Kalasjnikovs, een M-16, kleinere, echt van alles”, aldus de verdachte op 4 februari 2015. Ook vertelde de verdachte aan een politie-informant dat hij een keer iets aan de hand had gehad met “een gozer van het kamp in Maastricht” en dat hij daarheen reed, het kamp was opgelopen en die gozer een vuurwapen op zijn kop had gezet en hij toen precies deed wat hij wilde.40 Ten slotte wijst het hof de uitlating van de verdachte naar aanleiding van de vraag van een politie-informant op 26 februari 2015 of hij bang was alsnog omgelegd te worden: “Nee, niet echt, voor wat ik heb begrepen, gaat er niets meer mee gebeuren. Die Colombianen nemen liever hun verlies dan dat ze nog jaren ermee bezig zijn”.41

Deze uitlatingen van de verdachte roepen bij het hof niet het beeld op van een verdachte die – in de woorden van de raadsman – in de “grootst mogelijke angst leefde” en die redelijkerwijs geen weerstand kon bieden aan de van buiten komende drang om een pistool aan te schaffen en voorhanden te hebben.

Verder overweegt het hof dat het weinig aannemelijk is dat, indien de verdachte zich na 1 januari 2014 (de vergismoord op [slachtoffer]) ernstig bedreigd voelde, hij dan aan zijn vriendin vraagt de – naar zijn zeggen uit angst het leven te verliezen en onder buitennormale psychische druk aangeschafte – Glock te verstoppen, die later achter de wasmachine is aangetroffen in een woning van de verdachte waar hij zelf niet verbleef.

Alles afwegende wordt het beroep op psychische overmacht verworpen omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof met de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van invoer van een grote hoeveelheid cocaïne. Ook heeft de verdachte voorbereidingshandelingen gepleegd tot de invoer van een handelshoeveelheid cocaïne. De invoer van grote partijen cocaïne en de voorbereidingshandelingen daarop dragen bij aan de verspreiding en het gebruik van harddrugs. Dit vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en bevordert de toename van vermogenscriminaliteit. Het is algemeen bekend dat gebruikers van verdovende middelen veelvuldig strafbare feiten plegen om aan geld voor drugs te komen. Dit is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten veel geld opleveren aan alle personen die zitten in de lijn van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruiker.

De verdachte heeft zich bovendien, teneinde de hiervoor omschreven invoer en voorbereiding tot invoer van harddrugs mogelijk te maken, schuldig gemaakt aan omkoping van een douane ambtenaar. Door hem de belofte van betaling van aanzienlijke geldbedragen te doen, zorgde deze douaneambtenaar ervoor dat containers waarin de verdovende middelen zich bevonden na aankomst en bij afhandeling in de haven van Rotterdam niet werden gecontroleerd. Met deze omkoping heeft de verdachte de geregelde werking van een orgaan van het staatsgezag, de Douane Nederland, belemmerd. Dit is een ernstig feit. Het was de omgekochte douaneambtenaar die door analyse van relevante gegevens de controles op de aanwezigheid van onder meer verdovende middelen in gang kon zetten of kon voorkomen. De verdachte heeft door zijn handelen, louter om er zelf financieel beter van te worden, de integriteit van een overheidsorgaan aangetast en daarmee het vertrouwen dat de burger in het optreden van de douane moet kunnen stellen geschaad.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving.

Daarnaast heeft de verdachte twee vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Vuurwapens worden steeds vaker gebruikt bij het plegen van ernstige misdrijven, hetgeen het gevoel van onveiligheid binnen de samenleving doet toenemen. Daarnaast brengt de ongecontroleerde aanwezigheid van wapens en munitie in de samenleving een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee. Daartegen dient derhalve streng te worden opgetreden.

Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging door het sturen van WhatsApp-berichten aan een persoon van wie hij zegt dat hij nog geld van hem tegoed heeft. Hij heeft ook diens ouders via een e-mailbericht bedreigd. De verdachte heeft door zijn handelen bij deze persoon gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.

Naar het oordeel van het hof kan gezien de ernst van de feiten niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof ziet geen aanleiding om een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan gezien de grote hoeveelheden verdovende middelen die op deze wijze getracht werden ongecontroleerd het land in te brengen. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 februari 2020 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Tot slot constateert het hof dat de zaak in hoger beroep niet is afgedaan binnen zestien maanden nadat een rechtsmiddel is ingesteld. Het hof stelt vast dat namens de gedetineerde verdachte en de officier van justitie op respectievelijk 14 en 18 juli 2017 hoger beroep is ingesteld en dat het hof eindarrest zal wijzen op 18 mei 2020. Het hof overweegt dat de behandeling van de zaak in hoger beroep weliswaar langer dan zestien maanden heeft geduurd, maar stelt vast dat dit mede het gevolg is geweest van de door de verdediging gedane onderzoekswensen. Ter behandeling van deze onderzoekswensen heeft tot driemaal toe een regiezitting plaatsgevonden, waarbij het hof na toewijzing van (een deel van) de verzoeken de zaak meermalen naar het kabinet raadsheer-commissaris heeft verwezen. Bovendien betreft het een ingewikkelde zaak. Ook dat heeft bijgedragen aan de duur van het proces. Tot slot heeft ook de uitbraak van wat is gaan heten de corona crisis tot vertraging geleid. Dit leidt naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat geen sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Verbeurdverklaring

Het hof zal de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen 28.860 euro, 8.400 Marokkaanse dirham, 140 Zwitserse frank, 304.060 euro, 560 euro, 4.570 euro, 9.115 euro, 510 euro, 8.080 euro, 690 euro en 3.390 euro verbeurd verklaren. De geldbedragen behoren aan de verdachte toe, hij kan deze ten eigen bate aanwenden en deze zijn geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten verkregen.

Voorts zal het hof twee PGP-telefoons van het merk Blackberry verbeurd verklaren nu geldt dat meerdere bewezen verklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan of voorbereid.

Onttrekking aan het verkeer

Het hof zal de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven medicijnen, munitie, zakjes drugs, stroomstootwapens en spuitbussen met pepperspray, zoals hierna vermeld, onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten. Het ongecontroleerde bezit hiervan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

Teruggave aan de verdachte

Het hof gelast van de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven bankpas, kalender, vliegticket, simkaart, aankoopbon en een bill of lading, zoals hierna vermeld, de teruggave aan de verdachte, nu hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en de voorwerpen onder hem in beslag zijn genomen.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2012 onder parketnummer 10-993113-07 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaten-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij arrest van het hof Den Haag van 16 april 2014 onder parketnummer 22-003362-13 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaten-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, de artikelen 47, 57, 63, 177, 285 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

Voorwaardelijk verzoek tot schorsing

Ter zitting van 8 april 2020 heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen indien het hof een tussenarrest zou wijzen en het onderzoek ter terechtzitting zou heropenen. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Het hof komt niet toe aan de beoordeling van het verzoek tot schorsing.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Stelt vast dat het onder 4 onder het eerste gedachtestreepje bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1, 3, 5, 6, 7, 8 en overige onder 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

3. 28.860 euro

4. 8.400 Marokkaanse dirham

5. 140 Zwitserse frank

6. 304.060 euro

7. 560 euro

8. 4.570 euro

9. 9.115 euro

10. 510 euro

11. 8.080 euro

12. 690 euro

85. 3.390 euro

103. 1.00 STK GSM zaktelefoon (Blackberry PGP)

104. 1.00 STK GSM zaktelefoon (Blackberry PGP)

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

87. 1.00 STK medicijn (strippen medicijnen)

88. 48.00 STK munitie (LAWMAN)

89. 10.31 STK drugs (doorzichtig zakje wit poeder 10,31

gram)

90. 1.00 STK drugs (zakje wit poeder en buisje groene vloeistof)

99. 1.00 STK stroomstootwapen (O.01.04.002)

100. 1.00 STK stroomstootwapen (taser)

101. 1.00 STK spuitbus (pepperspray)

102. 1.00 STK spuitbus (pepperspray Nato)

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

92. 1.00 STK bankpas (ING - o.n.v. [verdachte])

93. 1.00 STK papier (kalender met data erop en gegevens)

94. 1.00 STK vliegticket naar Beiroet

95. 1.00 STK simkaart

96. 3.00 STK aankoopbon

97. 1.00 STK papier (bill of lading)

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2012, parketnummer 10-993113-07, te weten van:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het hof Den Haag van 16 april 2014, parketnummer 22-003362-13, te weten van:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz,

mr. H.C. Wiersinga en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffier mr. K. Elema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 mei 2020.

1 Brief advocaat-generaal aan raadsheer-commissaris d.d. 3 februari 2020.

2 Zaaksdossier Witwassen BMW, blz. 22 e.v.

3 Pleitnota nr. 507.

4 Zo ook de verdediging, pleitnota nr. 509.

5 Erkend door het Openbaar Ministerie bij repliek ter terechtzitting in hoger beroep, blz. 11 bovenaan.

6 [Getuige 2] verklaarde als getuige bij de raadsheer-commissaris op 24 januari 2020 dat de verdachte tegen hem had gezegd dat hij geld in [medeverdachte 14] had geïnvesteerd ter zake van transacties die met [medeverdachte 14] tot stand waren gekomen.

7 Medeverdachte douanier [medeverdachte 1] heeft verklaard dat “er een keer een zending gedaan is en die wilden ze mij laten doen, maar ik was op vakantie. Daar hadden ze geen rekening mee gehouden. Dat ging helaas voor hen mis. (…) Ik zei altijd wanneer ik op vakantie was en of ik niet thuis was.”

8 Algemeen Dossier (Doussie), blz. 139.

9 Hoewel ook van 1,1, miljoen euro wordt gesproken, zal het hof in navolging van de verdediging (pleitnota nr. 319) van 1,3 miljoen spreken, welk bedrag ook steun vindt in de bewijsmiddelen.

10 [getuige 2] verklaarde als getuige bij de raadsheer-commissaris op 24 januari 2020 dat de verdachte van hem een groot geld bedrag wilde omdat zijn broer [medeverdachte 14] niet meer leefde. De ene keer 1,2 dan weer 1,1 miljoen.

11 Pleitnota, nr. 319.

12 Pleitnota nr. 425.

13 Pleitnota nr. 432.

14 Startproces-verbaal onderzoek Doussie, blz. 1-2. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte het idee had dat de aanslag op hem gericht was (AD Doussie, blz. 633).

15 Politieel informant [politieel informant 1] heeft als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat te allen tijde binnen één uur na voltooiing van de opdracht wordt teruggekoppeld aan de begeleiders; proces-verbaal verhoor getuige d.d. 18 oktober 2016, blz. 2.

16 Pleitnota nr. 290.

17 Zie HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230 en HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:722.

18 Algemeen Dossier (Doussie), blz. 138-139.

19 Dat geen grootspraak was volgt uit de grote hoeveelheden (ongeveer 75 stuks) T-shirts van minimaal € 250 per stuk en (ongeveer 50). spijkerbroeken vanaf € 600 per stuk van Philipp Plein die in de kleding kast van de verdachte lagen; Algemeen Dossier (Doussie), blz. 207.

20 Algemeen Dossier (Doussie) blz. 129.

21 Algemeen Dossier (Doussie) blz. 1000-1003.

22 Algemeen Dossier (Doussie) blz. 154.

23 Zo ook de verdediging, pleitnota nr. 477.

24 Pleitnota nr. 479 met bijlage 2 aangehecht.

25 Brief Belastingdienst van 27 november 2019, blz. 2.

26 Zaaksdossier Witwassen [medeverdachte 11], blz. 149-150.

27 Zaaksdossier Witwassen [medeverdachte 11], blz. 151.

28 Zaaksdossier Witwasssen Belastingdienst, blz. 314.

29 Algemeen Dossier (Doussie), blz. 206.

30 Algemeen Dossier (Doussie), blz. 207.

31 Algemeen Dossier (Doussie), blz. 630.

32 Algemeen Dossier (Doussie), blz. 872.

33 Algemeen Dossier (Doussie), blz. 631-632.

34 Algemeen Dossier (Doussie) blz. 630.

35 Algemeen Dossier (Doussie) blz. 684.

36 Algemeen Dossier (Doussie) blz. 871.

37 ZD Bedreiging, blz. 2. [Aangever] heeft eerder geen aangifte heeft gedaan omdat de verdachte volgens [aangever] uit een bepaald wereldje komt en hij bang is dat zijn kinderen iets wordt aangedaan (blz. 6).

38 Algemeen Dossier (Doussie), blz. 38.

39 Algemeen Dossier (Doussie), blz. 94.

40 Algemeen Dossier (Doussie), blz. 115-116.

41 Algemeen Dossier (Doussie), blz. 139.