Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:901

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2020
Datum publicatie
22-05-2020
Zaaknummer
BK-18/01084
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:13510, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Ontvanger heeft de beschikking aansprakelijkstelling ex art. 34 IW 1990 voor aan A BV opgelegde naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting terecht genomen. Belanghebbende is doorlener. Arbeidskrachten in dienst van belastingschuldige A BV worden door belanghebbende X BV ingeleend en ter beschikking gesteld aan hoofdopdrachtgevers in de kabel en telecombranche. A BV deed wel aangifte loonheffing en omzetbelasting maar heeft deze niet afgedragen. X BV voldeed de facturen van A BV met de kosten van de ingeleende arbeidskrachten niet aan A BV. Er is geen sprake van aanneming van werk of het verrichten enkele diensten. De klacht dat de naheffingsaanslagen niet zouden zijn bekendgemaakt aan A BV is ongegrond. A BV was ten tijde van de aansprakelijkstelling in gebreke. De Ontvanger heeft niet te lang gewacht met aansprakelijk stellen. De klacht over de hoogte van de belastingschuld is ongegrond. X BV heeft de vordering van de Belastingdienst op X BV uit hoofde van het onder X BV ten laste van A BV gelegde executoriale derdenbeslag voldaan door betaling van €350.000 en daarmee niet (een deel van) de naheffingsaanslagen betaald waarvoor zij aansprakelijk is gesteld. Het bedrag van € 350.000 is voor het merendeel ook afgeboekt op andere (naheffings)aanslagen. De aansprakelijkstelling wordt met deze betaling niet verminderd. De Ontvanger heeft niet het vertrouwen gewekt dat X BV met de betaling van € 350.000 aansprakelijkstelling zou voorkomen. De hoogte van de beschikking is juist vastgesteld ex art 34.8.1 en 35.1 Leidraad IW 2008 jo. art. 9 UR inleners-, keten- en opdrachtgevers-aansprakelijkheid 2004 op basis van methode 1 over 2014, omdat de uitkomst van die methode een lager bedrag aan aansprakelijkheid oplevert dan de uitkomst van methode 2 en belanghebbende aansprakelijk is gesteld voor het laagste bedrag van deze methoden. Welk bedrag van de belastingschuld door middel van invordering bij derden is voldaan is niet van belang voor deze procedure die gaat over de beschikking aansprakelijkstelling en niet over de uitwinning van deze beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-05-2020
V-N Vandaag 2020/1405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/01084

Uitspraak van 19 mei 2020

in het geding tussen:

[X] B.V., te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de Ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Den Haag. de Ontvanger,

(vertegenwoordigers: [B] , [C] en [D] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 april 2011, nummer SGR 17/4935.

Procesverloop

1.1.

De Ontvanger heeft bij beschikking van 9 februari 2017 belanghebbende voor een bedrag van € 660.489 aansprakelijk gesteld voor de door [Y] BV (hierna: [Y] BV) onbetaald gelaten naheffingsaanslagen in de loonheffing over de tijdvakken augustus 2014 tot en met januari 2016 en naheffingsaanslagen omzetbelasting over de tijdvakken maart, juni, september en december 2015.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 7 juni 2017 heeft de Ontvanger de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband hiermee is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 519. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft het Hof op 20 november 2019 van belanghebbende een nadere motivering van het hoger beroep ontvangen. Het Hof dit aangemerkt als nader stuk. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 december 2019. Van het verhandelde tijdens de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden.

1.6.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 3 december 2019 heeft tussen partijen en het Hof een briefwisseling plaatsgevonden waarbij het Hof van de Ontvanger op 19 december 2019 nadere stukken heeft ontvangen en van belanghebbende een reactie daarop op 23 december 2019 alsmede een nadere reactie op 8 januari 2020. Het Hof heeft partijen een afschrift van elkaars stukken gezonden. Een nadere mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 18 februari 2020. Partijen zijn verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is opgericht op 1 november 2013. Volgens het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) is de bedrijfsomschrijving:

“Management activiteiten. [Y] van telecommunicatie, kabeltelevisie en elektriciteitsnetten (o.a. verkeerslichtinstallaties, openbare verlichting e.d.). Ontwerpen, [Y] en site-survey. Het vervaardigen van tekeningen voor het in kaart brengen van alle disciplines van de ondergrondse infrastructuur. Het detacheren van personeel”.

2.2.

[E] ( [E] ) is vanaf 1 november 2013 enig aandeelhouder van belanghebbende. Vanaf 5 november 2013 is [F] ( [F] ), de zoon van [E] , de (enig) bestuurder van belanghebbende. Belanghebbende heeft behalve de bestuurder geen personeelsleden.

2.3.

Belanghebbende heeft een g-rekening, als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Invorderingswet 1990 (IW 1990).

2.4.

Op 4 april 2013 is [Y] BV opgericht. De bedrijfsomschrijving volgens het uittreksel van de KvK is:

“Het ter beschikking stellen van personeel op het gebied van techniek, informatie- en communicatietechnologie, traffic en alle infrastructurele projecten”.

2.5.

[Y] BV heeft als vestigingsadres volgens de KvK:

- van 4 april 2013 tot 1 maart 2015: [G] te [Z] ( […] ).

- van 1 maart 2015 tot 1 januari 2016: [I] te [Z] ( […] ).

- van 1 januari 2016 tot heden: [H] Unit […] te [Z] ( […] ).

2.6.

In de periode 4 april 2013 tot 20 juni 2014 is [E] (middellijk) aandeelhouder en bestuurder van [Y] BV. Vanaf 20 juni 2014 is [J] , de fiscaal partner van [F] , de enig aandeelhouder van [Y] BV. Bij [Y] BV zijn personeelsleden in dienst tot maart 2016. Vervolgens zijn zij in dienst van Advies- en ingenieursbureau [X] B.V., een nieuw opgerichte B.V.

2.7.

[Y] BV heeft een g-rekening als bedoeld in artikel 34, derde lid, IW 1990. Verder een WAADI (Wet Allocatie Arbeidskrachten door Intermediairs) g-rekening. Deze wordt verstrekt aan een uitlener die in zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend eigen werknemers tegen vergoeding ter beschikking stelt aan derden of een doorlener als bedoeld in artikel 34, tweede lid, IW 1990.

2.8.

Belanghebbende is opdrachten aangegaan met derden (de hoofdopdrachtgevers). Bij de uitvoering van de opdrachten voor de hoofdopdrachtgevers heeft belanghebbende [Y] BV ingeschakeld.

2.9.

De Belastingdienst heeft in 2016 bij de hoofdopdrachtgevers een derdenonderzoek ingesteld naar mogelijke aansprakelijkheid van opdrachtgevers van [Y] BV op grond van de artikelen 34 en 35 IW (het WKA-onderzoek). Tijdens dat onderzoek zijn (mantel/raam/deel)overeenkomsten, die zijn gesloten tussen belanghebbende en de hoofdopdrachtgevers, overgelegd. Deze behoren tot de gedingstukken en luiden als hierna vermeld.

2.9.1.

Belanghebbende heeft op 11 februari 2014 met [K] B.V, Aannemingsbedrijf [Q] B.V., [M] B.V., [N] B.V., [O] B.V. en [P] B.V. (hierna: [Q] ) een overeenkomst gesloten met de titel “Mantelovereenkomst tussen [Q] en [X] B.V. inzake onderaanneming werkzaamheden” waarbij belanghebbende is aangeduid als Leverancier:

“overwegende dat:

[Q] verantwoordelijk is voor de uitvoering van door eigenaren en beheerders van communicatienetwerken verstrekte opdrachten;

o [Q] aan Leverancier door middel van af te sluiten Deelovereenkomsten opdrachten wenst te kunnen verstrekken met betrekking tot het uitvoeren van opdrachten;

o Leverancier bereid is voornoemde opdrachten van [Q] te aanvaarden;

o Partijen in deze Mantelovereenkomst de voorwaarden en bedingen wensen vast te leggen op basis waarvan [Q] en Leverancier Deelovereenkomsten kunnen aangaan;

o Deze Mantelovereenkomst niet zal leiden tot enige vorm van verplichting van [Q] tot het aangaan van dergelijke Deelovereenkomsten met Leverancier,

o Leverancier staat garant voor eventuele claims en verplichtingen vanuit de Mantelovereenkomst gesloten met [R] B.V. met kenmerk 1317006.

De Mantelovereenkomst verplicht Partijen zich naar beste vermogen in te zetten voor de ontwikkeling en verbetering van de relatie tussen de partijen, met als doel minimale TCO (Total Cost of Ownership) en maximale ontzorging.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In de Mantelovereenkomst en de Deelovereenkomsten wordt bedoeld

[Q] ;

De in de aanhef genoemde [Q] B.V.’s) waarop de Mantelovereenkomst van toepassing is.

Leverancier:

De in de aanhef genoemde onderneming(en) waarmee [Q] deze Mantelovereenkomst heeft gesloten.

(…)

Artikel 3. Looptijd, ontbinding en beëindiging

1. De Mantelovereenkomst treedt in werking op 01-02-2014 en heeft een looptijd van zesendertig (36) maanden. Zij eindigt van rechtswege op 31-01-2017.

Artikel 4. Prijzen, tarieven, toeslagen

1. De door [Q] ter zake van de uitvoering van de verplichtingen uit hoofde van deze Mantelovereenkomst en/of Deelovereenkomst(en) aan leverancier verschuldigde prijzen, tarieven en toeslagen worden vooraf gespecificeerd en schriftelijk vastgelegd in de Deelovereenkomst(en).

2. [Q] behoudt-zich ten aanzien van projecten het recht voor om van de Deelovereenkomst(en) afwijkende prijsafspraken met de leverancier te maken.

Artikel 5. Facturering en betaling

1. Leverancier zal aan [Q] na afloop van iedere afgesproken periode een door [Q] reeds voor akkoord gegeven productiestaat/tijdsregistratie doen toekomen, inclusief de staat zoals omschreven in artikel 22 lid f van de Algemene inkoopvoorwaarden

2. [Q] zal voorafgaande schriftelijk bevestigen, waarop leverancier een factuur kan versturen.

3. Leverancier dient facturen achteraf en over de afgesproken periode bij [Q] in te dienen.

4. De door leverancier bij [Q] In te dienen facturen moeten de volgende gegevens bevatten:

o Inkoopordernummer [Q] ;-

o Het aantal werkelijk bestelde eenheden met overeengekomen tarief;

o Het totaalbedrag van de factuur;

o Per ordernummer 1 factuur, verzamelfacturen zijn niet toegestaan

Indien de facturen hieraan niet voldoen, dan heeft [Q] het recht de facturen aan Leverancier te retourneren.

5. Betaling van de facturen door [Q] zal plaatsvinden 60 dagen na ontvangst van de facturen en na goedkeuring van de geleverde zaken en/of diensten door [Q] .

(…)

Artikel 6. Certificering

1. De ingeschakelde (natuurlijke) personen en de gebruikte hulpmiddelen dienen te voldoen aan de eisen volgens NEN 3140 indien het elektrotechnische werkzaamheden betreft. De Leverancier dient VGA- gecertificeerd te zijn, bij voorkeur VGA** .

2. Leverancier zal [Q] in het bezit stellen en houden van actuele kopieën van de aanwezige certificeringen. Leverancier dient de kopieën te mailen naar […] .

Artikel 7. Kwaliteit Werkzaamheden

1. Bij de uitvoering van de werkzaamheden gaat [Q] er vanuit dat door het uitvoeren van interne kwaliteitscontroles Leverancier de kwaliteit van de werkzaamheden voldoende waarborgt in de eigen organisatie en dat de werkzaamheden op het gevraagde moment conform het bepaalde in de Deel- en of Projectovereenkomst en/of hetgeen dat Is aangestuurd vanuit [Q] zullen worden uitgevoerd.

2. Om de kwaliteit van de werkzaamheden te waarborgen kan [Q] gedurende de looptijd van de Mantelovereenkomst steekproefsgewijs controles en/of audits uitvoeren op de werkzaamheden en/of alle gegevens en bescheiden van Leverancier met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden.

3. Leverancier zal haar medewerking aan de audit en/of controle verlenen en zal de auditeur toegang geven tot haar bedrijfsruimten, systemen, informatie en personeel voor zover nodig voor een effectieve en efficiënte uitvoering van de audit.

4. Indien uit de controle en/of audit blijkt dat er afwijkingen van de gestelde specificaties zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden en/of onvolkomenheden worden geconstateerd met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden, zijn Ii dat geval de kosten van de (alle) controle(s) en/of audit(s) voor rekening leverancier en is [Q] gerechtigd alle werkzaamheden af te keuren en kan [Q] de vereenkomst ontbinden zonder dat de leverancier enig recht heeft op compensatie.

Artikel 8. Beoordeling en oplevering

1. Beoordeling van de uitvoering van de werkzaamheden en acceptatie van de resultaten vindt binnen redelijke termijn namens [Q] plaats door de daartoe aangewezen personen en/of afdelingen. Indien de werkzaamheden niet verricht zijn conform hetgeen is overeengekomen, indien de resultaten niet overeenstemmen met de specificaties of indien de eventueel overeengekomen Service Levels niet worden gehaald, heeft [Q] het recht de productie staten af te keuren.

(…)

Artikel 12. Intellectuele eigendomsrechten

1. Elk der Partijen behoudt het exclusieve eigendom van de Intellectuele Eigendomsrechten, kennis en methoden waarvan deze Partij voorafgaand aan deze Overeenkomst reeds de eigendom bezat ("Pre-Existing IPR"). De bewijslast van wat wel of niet Pre-Existing IPR is, rust op de Partij die de Pre-Existing IPR claimt.

Leverancier behoudt het intellectuele eigendomsrecht met betrekking tot door leverancier ontwikkelde oplossingen, zijnde werkwijzen of producten of een samenspel van beiden, welke tot stand zijn gekomen buiten enige overeenkomst, samenwerking of opdracht met of van [Q] , welke geschikt zijn voor de algemene toepasbaarheid en geen specifieke toepasbaarheid op werkzaamheden van of verbondenheid met [Q] vertoont ("Onafhankelijke Oplossingen"). De bewijslast van wat wel of niet Onafhankelijke Oplossingen zijn, rust op de Leverancier.

2. Alle resultaten van de werkzaamheden die Leverancier voor [Q] verricht worden eigendom van [Q] . Leverancier draagt hierbij de volledige eigendomsrechten daarop over aan [Q] . Leverancier geeft [Q] hierbij een onherroepelijke volmacht om alle voor deze overdracht benodigde rechtshandelingen uit te voeren namens Leverancier, leverancier doet hierbij afstand van haar rechten voortvloeiend

3. Leverancier zal er voor zorg dragen dat elk Intellectueel eigendomsrecht anders dan Pre-Existing IPR, dat berust bij een werknemer van Leverancier of een van haar onderaannemers wordt overgedragen aan [Q] zonder kosten voor [Q] op of voor de datum van levering van de betreffende werkzaamheden resultaat.

(…)

Artikel 14. Uitvoering

1. De Leverancier is verplicht de orders en aanwijzingen van [Q] ten aanzien van de werkzaamheden op te volgen. Deze verplichting laat de zelfstandigheid van de Leverancier en diens eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de werkzaamheden onverlet.

2. Direct na het verstrekken van de opdracht door [Q] , en voordat met de uitvoering wordt begonnen, beoordeeld de Leverancier deze op eventuele klaarblijkelijke onduidelijkheden of onvolkomenheden. Indien de door [Q] verstrekte Informatie naar het professionele oordeel van de Leverancier onvolkomenheden bevatten of gebreken vertonen waardoor de beoogde kwaliteit en/of tijdigheid van uitvoering In het geding komt, legt zij direct contact met [Q] en doet zij een voorstel om de zaken te verhelderen/corrigeren; bij verzuim waarvan de Leverancier voor de schadelijke gevolgen aansprakelijk is. Dit geldt ook voor onvolkomenheden en/of gebreken welke aan het licht komen, of zouden moeten komen, tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Indien partijen van inzicht verschillen en niet tot een gezamenlijke oplossing kunnen komen neemt [Q] een besluit waaraan de Leverancier zich conformeert, binnen de wettelijke kaders en in redelijkheid en billijkheid. In dit laatste geval zal Leverancier niet aansprakelijk worden gehouden voor mogelijke schade die zij ten tijde van het nemen van het besluit door [Q] specifiek aanmerkt als gevolg van het besluit van [Q] .

3. De Leverancier dient de werkzaamheden zodanig uit te voeren dat het gereedkomen daarvan binnen de overeengekomen termijn verzekerd is.

4. Het overeengekomen tijdstip van oplevering is een fatale termijn. Bij niet tijdige oplevering is Leverancier zonder nadere ingebrekestelling in verzuim.

5. Bij overschrijding van het overeengekomen tijdstip van oplevering is Leverancier aan [Q] een boete verschuldigd van tien procent van het door Leverancier te factureren bedrag voor het desbetreffende project. en zaken

6. Leverancier zal [Q] terstond schriftelijk informeren over alle situaties en zaken die mogelijk consequenties voor de kwaliteit en/of de tijdige uitvoering van de werkzaamheden kunnen hebben. Deze melding laat de eventuele gevolgen van deze overschrijding ingevolge de Mantel-, Deel-, en/of Projectovereenkomst(en) of wettelijke bepaling onverlet.

7. De wijze van uitvoering van de werkzaamheden moet zodanig zijn dat voor [Q] en/of haar Opdrachtgever(s) dan wel derden geen nodeloze hinder is te duchten. De Leverancier dient de werkzaamheden zodanig uit te voeren dat daardoor schade aan persoon, goed of milieu zoveel mogelijk wordt vermeden. Indien er toch schade is veroorzaakt zal de Leverancier betrokkenen direct informeren en direct voor herstel (doen) zorgdragen. Het herstel van de schade maakt deel uit van de opleveringseisen.

Indien er toch schade is veroorzaakt zal de Leverancier betrokkenen direct informeren en direct voor herstel (doen) zorgdragen. Het herstel van de schade maakt deel uit van de opleveringseisen.

8. De Leverancier draagt het risico voor schade veroorzaakt door fouten of gebreken in de door hem verstrekte tekeningen, berekeningen, constructies, bestek en uitvoeringsvoorschriften.

9. Leverancier aanvaardt het uitvoeren van handelingen/werkzaamheden conform daartoe gespecificeerde opdracht(en) middels opdrachtbonnen en/of werktekeningen. 10. Eventuele openstaande boetes zullen per kwartaal worden verrekend met de door [Q] aan onderaannemer te betalen vergoeding.

11. Leverancier dient voorafgaand aan en tijdens de werkzaamheden [Q] middels een personeelsstaat op de hoogte te houden van het aanwezige personeel.

12. Leverancier dient ervoor te zorgen dat minimaal één continue aanwezige persoon op de werklocatie de Nederlandse taal beheerst

13. Het verrekenen van de toeslag overwerk is alleen van toepassing als er uitdrukkelijk op verzoek van [Q] bulten de normale werkuren werkzaamheden moeten worden verricht. Tenzij anders wordt overeengekomen zal verrekening plaatsvinden middels de [Q] overwerk tarieven staffel met daarnaast de geldende toeslag voor personele kosten exclusief materieel of equipment.

14. Leverancier zal haar volledige medewerking verlenen aan controles van [Q] op a) de geleverde en gerapporteerde hoeveelheid verleende diensten voor wat betreft de kwaliteit en b) de omvang en de verwerking van de beschikbaar gestelde materialen.

15. Leverancier zal voor de uitvoering van de werkzaamheden alleen werknemers inzetten die in dienst zijn of anderszins onder de verantwoordelijkheid en het beheer van Leverancier vallen. Leverancier zal slechts gekwalificeerde medewerkers,

onderaannemers en/of andere ingeleende arbeidskrachten inzetten die zijn opgeleid en over kennis en ervaring beschikken die noodzakelijk Is voor de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden. Indien [Q] gerechtvaardigde twijfel heeft omtrent de geschiktheid van de betrokken werknemer(-s), dan zal Leverancier deze werknemer(-s) zo spoedig mogelijk en op eigen kosten vervangen.

16. Leverancier zal er zoveel mogelijk voor zorgen en moeite doen om de werkzaamheden zoveel mogelijk met hetzelfde team van medewerkers uit te voeren.

17. Leverancier zorgt ervoor dat werknemers op sleutelposities geen vergelijkbaar Werk en/of activiteiten voor concurrenten van [Q] zal uitvoeren. Deze verplichting eindigt bij de uitdiensttreding van de werknemer.

18. Leverancier zal medewerkers op sleutelposities niet frequent wisselen. Indien -Leverancier werknemers op sleutelposities wenst te vervangen of terug te trekken verplicht Leverancier zich om [Q] hiervan schriftelijk in kennis te stellen, bijvoorbeeld door e-mail, zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs noodzakelijk Is voor een voorgenomen vervanging of terugtrekking van dergelijke belangrijke werknemers.

[Q] behoudt zich het recht voor om Leverancier aan te spreken als werknemers op sleutelposities frequent gewisseld worden. Partijen komen overeen dat een vervanging of het terug trekken van werknemers op sleutelposities in geen geval afbreuk zal doen aan de verplichtingen van Leverancier op grond van deze Mantelovereenkomst of de desbetreffende Deel en/of Projectovereenkomst(en).

19. Indien [Q] besluit tot een collectieve bedrijfssluiting in de vakantie periode, zullen hieraan geen kosten voor [Q] zijn verbonden. In voorkomend geval wordt leverancier tijdig geïnformeerd.”

[Q] heeft met belanghebbende de volgende projectovereenkomst gesloten:

“Algemeen

Deze Projectovereenkomst (hierna: "Projectovereenkomst") is aangegaan door:

Aannemingsbedrijf [L] B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudend te

[S] , hierbij rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [T] , Directeur,

(hierna te noemen: " [Q] ")

en

[X] B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudend te [Z] , hierbij

rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [F] , Directeur (hierna te

noemen: "Leverancier")

Artikel 2 Onderwerp

1. Deze Projectovereenkomst maakt onderdeel uit van de Mantelovereenkomst 144000 welke tussen [Q] en Leverancier is overeengekomen.

2. Deze Projectovereenkomst regelt de voorwaarden die van toepassing zijn op alle overeenkomsten die tussen [Q] en Leverancier worden gesloten met betrekking tot het uitvoeren van engineering werkzaamheden ten behoeve van het project verlaten […] .

3. In geval van tegenstrijdigheid tussen het gestelde in de Projectovereenkomst, de Mantelovereenkomst en de Algemene Inkoopvoorwaarden prevaleert het gestelde in de Projectovereenkomst.

Artikel! 3. Contactpersonen

Voor deze Projectovereenkomst zijn namens Partijen de volgende contactpersonen aangewezen. Indien gedurende de looptijd van de Projectovereenkomst de contactpersonen wijzigen, dient dit schriftelijk aan Partijen te worden meegedeeld.

Contactpersonen [Q] :

Naam Functie Telefoon E-mail

[U] Manager […]

[V] Inkoper […]

Contactpersonen Leverancier:

Naam Functie Telefoon E-mail

[W]

(…)

Artikel 5. Kwaliteit Werkzaamheden

1. Bij de uitvoering van de werkzaamheden gaat [Q] er vanuit dat door het uitvoeren van interne kwaliteitscontroles Leverancier de kwaliteit van de werkzaamheden voldoende waarborgt in de eigen organisatie en dat de werkzaamheden op het gevraagde moment conform het bepaalde in de Projectovereenkomst zullen worden uitgevoerd.

2. Om de kwaliteit van de werkzaamheden te waarborgen kan [Q] gedurende de looptijd van de Projectovereenkomst steekproefsgewijs controles uitvoeren op de werkzaamheden. (…)

(…)

Artikel 9 Schades

1. Schades veroorzaakt door leverancier dienen door leverancier zelf te worden gemeld bij en afgehandeld met de betreffende beheerder(s). De schade dient echter wel te allen tijde te worden gemeld bij [Q] .”

2.9.2

Belanghebbende heeft met [A1] BV op 18 november 2013 een overeenkomst gesloten:

“RAAMOVEREENKOMST BETREFFENDE INHUUR PERSONEN

DE ONDERGETEKENDEN:

I. [A1] B.V, statutair gevestigd en kantoorhoudende aan de [B1] ,

( [C1] , te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [D1] , CEO en de heer [E1] , Managing Director, hierna te noemen: ‘ [A1] ”’ ;

en

2. [Y] , statutair gevestigd en kantoorhoudende te [Z] aan de [G] ( […] ), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar statutair directeur, [E] , hierna te noemen ‘ [X] ’; gezamenlijk ook ’Partijen’ en elk voor zich de ’Partij’;

OVERWEGENDE:

i. dat [A1] behoefte heeft aan advies, ervaring en kennis op bepaalde werkgebieden, systemen, systematiek en of anderszins door [A1] te bepalen capaciteiten (waaronder begrepen de inzet van personen);

ii. dat ‘ [X] ’ hierover beschikt en bereid is om [A1] gedurende een bepaalde tijd van deze diensten gebruik te laten maken;

iv. dat tussen Partijen overeenstemming is bereikt omtrent de voorwaarden en bedingen waaronder Partijen nadere individuele overeenkomsten aan kunnen gaan met elkaar;

VERKLAREN ALS VOLGT TE ZUN OVEREENGEKOMEN:

1. Aanvang, duur en einde van deze raamovereenkomst

1.1 ‘

[X] ’ aanvaardt hierbij de opdracht van [A1] voor het verlenen van de werkzaamheden en verplicht zich jegens [A1] tot het verrichten van de uitvoering hiervan. De onderhavige overeenkomst vangt aan op 6 Januari 2014 en eindigt van rechtsweg op 6 Januari 2016, zonder dat hiervoor enige voorafgaande opzegging van [A1] is vereist.

1.2

De raamovereenkomst, dan wel een individuele overeenkomst kan tussentijds beëindigd worden zonder dat een nadere ingebrekestelling nodig Is en zonder dat een schadevergoeding uit welke hoofde dan ook is verschuldigd aan de andere Partij, door middel van een aangetekende brief aan de andere Partij, indien:

a. de andere Partij tekort schiet in de nakoming van één van haar verbintenissen uit hoofde van deze raamovereenkomst respectievelijk een individuele overeenkomst, tenzij deze tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, ontbinding niet rechtvaardigt;

b. door of ten behoeve van de andere Partij surseance van betaling of faillissement is aangevraagd of een verzoek daartoe is ingediend;

c de andere Partij in staat van surséance of faillissement is verklaard;

d. executoriaal beslag wordt gelegd op een substantieel gedeelte van de roerende en/of onroerende zaken van de andere Partij.

e. Indien de ter beschikking gestelde persoon als bedoeld in de individuele overeenkomst (ook wel inzet bevestiging genoemd) is overleden, of ziek is, danwel door een andere reden gedurende een periode van drie maanden niet langer in staat is de werkzaamheden als vermeld in de inzet bevestiging te verrichten;

f. Indien de ter beschikking gestelde persoon binnen 1 maand na aanstelling niet voldoet aan de door [A1] gestelde eisen en deze persoon niet kan worden vervangen door een persoon die aan alle gestelde criteria van [A1] voldoet.

1.3

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.1 en 1.2 hebben partijen het recht de overeenkomst tussentijds te beëindigen door opzegging bij aangetekende brief welke de redenen voor de opzegging vermeldt en met inachtneming van een opzegtermijn van een maand zonder dat enige vorm van schadevergoeding uit welke hoofde dan ook verschuldigd is aan de andere Partij.

2. De werkzaamheden

2.1

Partijen zullen op projectbasis een individuele overeenkomst aangaan waarin de inhoud en omvang van de werkzaamheden nader omschreven zullen worden.

2.2

Medewerkers van ‘ [X] ’ dienen in goed overleg en tijdig met [A1] en ‘ [X] ’ af te stemmen wanneer men verlof op wil nemen.

2.3

Medewerkers van ’ [X] ’ hebben recht op 200 uur vakantieverlof en 40 uur ATV per jaar gebaseerd op een fulltime dienstverband.

3. De vergoeding voor de werkzaamheden en onkostenvergoeding

3.1

De werkzaamheden (nader vastgelegd in een individuele overeenkomst tussen Partijen) zullen door [A1] worden vergoed door middel van een bruto vergoeding (exclusief BTW) per uur welke maandelijks na ontvangst door [A1] van een factuur van ‘ [X] ’ wordt uitbetaald. Dit bedrag wordt verondersteld ook de gemaakte woonwerk kilometers te vergoeden.

3.2

Aanspraak op de op basis van artikel 3.1 vastgestelde vergoeding bestaat uitsluitend over enige periode, waarin feitelijk werkzaamheden voor [A1] worden verricht. Daartoe zal ‘ [X] ’ binnen vijf (5) werkdagen na afloop van een maand een gespecificeerde declaratie voor de in die maand feitelijk verrichte werkzaamheden indienen bij [A1] . [A1] voldoet de declaratie binnen dertig (30) dagen na ontvangst van de gespecificeerde declaratie(s).

3.3

De tarieven voor het ter beschikking stellen voor het verrichten van de werkzaamheden betreffende [F1] zijn in onderstaande staffel vastgelegd;

• Voor de inzet van 3 Designers (of meer) is het tarief €38,- per designer (inclusief reiskosten.

• Voor de inzet van 2 Designers is het tarief €39,- per designer (inclusief reiskosten)

• Voor de Inzet van 1 Designer is het tarief €41,- per designer (inclusief reiskosten)

stellen voor alle vorderingen van de door ‘ [X] ’ in het kader van de raamovereenkomst ter beschikking gestelde personen op [A1] in verband met de uitoefening van de werkzaamheden door ‘ [X] ’ in het kader van de raamovereenkomst.

Wanneer [A1] binnen twee jaar de benodigde uren van de ingehuurde designers verlaagd ofwel verhoogd, dan wordt het uurtarief aangepast van de overige designers op basis van bovenstaande staffel.

3.4

Buiten de in dit artikel genoemde vergoedingen, heeft ‘ [X] ’ geen aanspraak jegens [A1] en/of de aan haar gelieerde ondernemingen op enige andere vorm van vergoeding.

6. Aansprakelijkheid

6.1

[A1] is niet gehouden tot vergoeding van enige materiële of immateriële schade, geleden door of vanwege ‘ [X] ' of de door ‘ [X] ’ ter beschikking gestelde personen tijdens of als gevolg van de ten behoeve :werkzaamheden. ‘ [X] ’ vrijwaart [A1] en zal [A1] volledig schadeloos te stellen voor alle vorderingen van de door ‘ [X] '' in het kader van de raamovereenkomst ter beschikking gestelde personen op [A1] in verband met de uitoefening van de werkzaamheden door ‘ [X] ’ in het kader van de raamovereenkomst.

6.2 ‘

[X] ’ sluit ten behoeve van zichzelf een afdoende aansprakelijkheidsverzekering af ter dekking van materiële en immateriële schade ontstaan door werkzaamheden uitgevoerd op basis van deze raamovereenkomst.

7. Teruggave bedrijfsmiddelen en documenten bij einde individuele overeenkomst

Alle zaken en gegevensdragers, daaronder begrepen de laptop, schriftelijke stukken en fotokopieën daarvan die toebehoren aan [A1] , die ‘ [X] ’ tijdens de duur van de individuele overeenkomst onder zich krijgt, zijn en blijven eigendom van [A1] . ‘ [X] ’ is gehouden deze zaken aan [A1] ter beschikking te stellen op de dag waarop de individuele overeenkomst eindigt.

8. Facturatie

8.2

Indien ingehuurde personen deelnemen aan de bedrijfslunch van [A1] , wordt hiervoor 20,00 euro netto per maand, op basis van een 40-urige werkweek, berekend. Indien de ter beschikking gestelde personen deel wensen te nemen aan de lunch, zal ‘ [X] ’ het genoemde bedrag naar rato van de omvang van de inhuur, zoals genoemd in de individuele overeenkomst, inhouden op de factuur.

9. Belastingen en sociale premies

9.1

Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat de vergoedingen zoals genoemd in artikel 3 te allen tijde bruto bedragen betreffen en dat ‘ [X] ’ verantwoordelijk is voor een correcte aangifte en verwerking van deze vergoedingen bij de fiscale en sociale verzekeringsinstanties en/of soortgelijke Instellingen.

9.2 ‘

[X] ’ vrijwaart [A1] en zal [A1] en de aan haar gelieerde ondernemingen volledig schadeloos stellen voor alle vorderingen van fiscale en/of sociale verzekeringsinstanties op [A1] ter zake van belastingen, sociale verzekeringspremies (zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel), kosten, opgelegde boetes en rente welke verband houden met de relatie in de breedste zin des woord tussen ‘ [X] ’ en [A1] . Wanneer [A1] niettegenstaande het voorgaande verplicht kan worden loonbelasting en sociale premies en/of premies werknemersverzekeringen te betalen ten aanzien van ‘ [X] ’ en/of de door hem verrichte werkzaamheden, kan [A1] zulke belastingen en/of premies inhouden op bedragen die zij aan ‘ [X] ’ uit welke hoofde dan ook verschuldigd is.

9.3

Indien de relatie tussen [A1] en ‘ [X] ’' of tussen [A1] en enige in te huren persoon op basis van deze raamovereenkomst wordt aangemerkt als fictieve dienstbetrekking zoals bedoeld in de fiscale en/of sociale wetgeving, verklaren Partijen hierbij uitdrukkelijk dat deze relatie onder geen enkel beding kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in Boek 7, titel 10 e.v.”

2.9.3.

Belanghebbende heeft op 6 mei 2015 een overeenkomst “INHUUR PERSONEEL” gesloten met [G1] B.V. (hierna: [G1] ) waarbij belanghebbende is aangeduid als opdrachtnemer en [G1] als opdrachtgever met als onderwerp “Inhuren van de heer B. van [M2] t.b.v. werkvoorbereiding op de afdeling VTI en de heer [I1] als tekenaar bij [G1] bv te [J1] .”

“Omschrijving van de leverantie

De werkzaamheden zullen omvatten het op inleenbasis verlenen van diverse werkzaamheden t.b.v. [G1] :

Uitgangspunten:

1. Het betreft hier het door Opdrachtgever inlenen van de heer B. van [M2] en de heer [I1] voor projectondersteuning op de werklocatie conform de besproken planning qua tijdsduur.

2. De werkzaamheden gaan in per 1 april 2015 en worden naar verwachting aangegaan tot 31 december 2015, met inachtneming van de wettelijke bepalingen betreffende de duur van de werkzaamheden. Indien aan het einde van deze periode door Opdrachtgever wordt besloten nog langer gebruik te maken van de werkzaamheden van de ingeleende medewerker via Opdrachtnemer, zal hier een addendum overeenkomst voor worden afgesloten.

3. Eventuele scholingsuren komen ten laste van Opdrachtnemer.

4. Tussentijdse opzegging kan door beide partijen alleen geschieden indien een opzegtermijn van minimaal 2 (twee) weken in acht wordt genomen. Een kortere opzegtermijn is alleen mogelijk indien daar dringende en noodzakelijke redenen voor zijn, hetgeen in onderling overleg nader is af te stemmen.

5. Ingeleende medewerker zal de werkzaamheden naar eigen inzicht vakkundig, voortvarend en zorgvuldig alsmede volgens de ontvangen specificaties en/of tekeningen uitvoeren.

6. Ingeleende medewerker dient ten minste 18 jaar te zijn.

7. In geval van arbeidsongeschiktheid van de ingeleende medewerker is Opdrachtnemer verplicht om dit onverwijld bij de vertegenwoordiger van Opdrachtgever te melden.

8. Het is Opdrachtgever niet toegestaan de werkzaamheden geheel of gedeeltelijk aan een derde uit te besteden.

2.1

Opdrachtnemer:

a. houdt bij de uitvoering van de werkzaamheden door de ingeleende medewerker rekening met de arbeidstijden, zoals deze ten aanzien van het project of het werk gelden;

b. dient de vakantieperiodes van de ingeleende medewerker te laten overeenstemmen met de vakantieperiodes en collectieve ADV dagen van de door opdrachtgever voor het project ingezette arbeidskrachten;

c. verleent zijn/haar volledige medewerking aan de realisering c.q. de uitvoering van het betreffende (project) kwaliteitsplan en de toepasselijke regels ter zake de procesbeheersing overeenkomstig NEN-ISO 9001;

d. neemt (samen met de ingeleende medewerker) door Opdrachtgever desgewenst deel aan een Toolboxmeeting en aan andere veiligheidsbijeenkomsten;

e. neemt desgewenst deel aan werkoverleg;

f. zorgt ervoor dat de ingeleende medewerker zich op en rond de werkplek te alten tijde deugdelijk kan legitimeren (= identiteitsbewijs met nationaliteitsaanduiding).

4 Lonen en prijzen

4.1

Prijs:

De door partijen overeengekomen vergoeding bedraagt voor de heer B. van [M2] €43.75 per uur exclusief btw. Reiskosten woon - werkverkeer worden per gewerkte dag vergoed voor maximaal 15 km a €0.19/km. Het uurtarief is vast voor de duur van de overeenkomst en wordt enkel gefactureerd voor de daadwerkelijk gewerkte uren.

De door partijen overeengekomen vergoeding bedraagt voor de heer [I1] €37.50 per uur exclusief btw. Reiskosten woon -werkverkeer worden per gewerkte dag vergoed voor maximaal 60 km a €0.19/km. Het uurtarief is vast voor de duur van de overeenkomst en wordt enkel gefactureerd voor de daadwerkelijk gewerkte uren. Uitgangspunt is maximaal 40 uur per week beschikbaarheid waarin de werktijden tussen 07.00 en 18.00 als normale werktijden kunnen worden beschouwd. In geval van meer- en minderwerk op verzoek van de Opdrachtgever wordt de hoeveelheid daarvan tussen partijen vastgesteld en verrekend tegen hetzelfde tarief.

4.2

Onkostendeclaraties en hoogte vergoeding

Opdrachtgever zal door de ingeleende medewerker gemaakte zakelijke onkosten (met privéauto gereden kilometers en eventueel andere onkosten) in redelijkheid en billijkheid vergoeden, indien en voor zover deze onkosten als separate post in de weekfactuur zijn opgenomen, onder bijvoeging van de instructie, een specificatie en eventueel bewijsstukken zoals bijvoorbeeld nota's.

4.3

Opdrachtgever zal de in lid 4.2 bedoelde onkosten vergoeden conform daartoe door partijen overeen gekomen tarieven.

4.4

Opdrachtgever is geen vergoeding verschuldigd gedurende bedrijfssluiting als gevolg van erkende feestdagen, door voor het personeel van Opdrachtgever geldende ADV-dagen of vorstverletdagen, in geval van stakingen, werkonderbrekingen en calamiteiten op grond waarvan in redelijkheid geen werkzaamheden verricht kunnen worden.

5. Levering, levertijd

5.1

Levering, levertijd:

De werkzaamheden zullen geschieden in overleg.

5.2

Contactpersoon Opdrachtgever:

Contactpersoon van Opdrachtgever is:

De heer [K1] , Manager VTI, tel. […] .

5.3

Contactpersoon Opdrachtnemer:

Contactpersoon van Opdrachtgever is:

De heer [F] , functie Directeur, tel. […] .

6. Manurenstaat, facturen en betaling

6.1

Opdrachtnemer dient verantwoording af te leggen over de door ingeleende medewerker gewerkte uren aan contactpersoon of een ander door hem/haar of Opdrachtgever aan gewezen persoon.

6.2

De facturen inzake de ingeleende medewerker worden uitsluitend gebaseerd op een door Opdrachtgever voor akkoord getekende manurenstaat.

7. Eigendommen, tekeningen, gereedschappen e.d.

7.1

Alle specificaties, tekeningen, berekeningen, informatie, modellen, gereedschappen, (werk)materiaal e.d. in verband met de inhuur van medewerker, door Opdrachtgever ter beschikking gesteld aan, dan wel voor Opdrachtgever vervaardigd door de ingehuurde medewerker, blijven respectievelijk worden eigendom van Opdrachtgever en dienen op verzoek van Opdrachtgever op ieder moment tijdens of na afloop van de werkzaamheden van de ingehuurde medewerker aan Opdrachtgever te worden geretourneerd respectievelijk afgegeven.

7.2

Alle rechten op goederen en werkwijzen die de ingehuurde medewerker In samenwerking met of in opdracht van Opdrachtgever heeft ontwikkeld, komen uitsluitend aan Opdrachtgever toe.

8. Door Opdrachtgever ter beschikking te stellen faciliteiten

8.1

De ingehuurde medewerker zal kosteloos gebruik kunnen maken van de kleed-, was- en kantinefaciliteiten van Opdrachtgever. In de kantine te verkrijgen etenswaren en dranken komen voor eigen rekening van de ingehuurde medewerker.

9. Persoonlijke beschermingsmiddelen

9.1

Opdrachtnemer verplicht zich om zelf voor de ingehuurde medewerker te voorzien in de behoefte van de persoonlijke beschermingsmiddelen (o.a. veiligheidsvest, veiligheidshelm, veiligheidshandschoenen en gehoorbescherming) welke nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden.

(…)

11. Verzekeringen

11.1

Opdrachtnemer is verplicht zich genoegzaam te verzekeren tegen wettelijke aansprakelijkheid op basis van in de bouw gebruikelijke voorwaarden. Op verzoek van Opdrachtgever dient Opdrachtnemer dit aan te tonen.

11.2

Opdrachtnemer heeft ten behoeve van het uitvoeren van werkzaamheden op bovengenoemd project een aansprakelijkheidsverzekering, een ziektekostenverzekering, een arbeidsongeschiktheidsverzekering en een overlijdensrisicoverzekering waarin Opdrachtgever wordt gevrijwaard van enige schade en/of aansprakelijkheid.

11.3

Opdrachtnemer is aansprakelijk voor schade of letsel door de ingehuurde medewerker toegebracht aan de eigendommen van Opdrachtgever, zijn personeel of personen waarvoor deze verantwoordelijk is. Voorts vrijwaart Opdrachtnemer Opdrachtgever voor aanspraken ter zake van derden op grond van handelen of nalaten van Opdrachtnemer en/of de ingehuurde medewerker.

11.4

In geval Opdrachtgever een aansprakelijkheidverzekering heeft dan wel een CAR verzekering waarop Opdrachtnemer is meeverzekerd, komt het eigen risico ten laste van Opdrachtnemer.

11.5

Opdrachtgever is gerechtigd, maar is daartoe niet verplicht, alle door Opdrachtnemer en/of de ingehuurde medewerker veroorzaakte schade direct en voor rekening en risico van Opdrachtnemer te vergoeden en/of te herstellen. Onder schade mede te verstaan eventuele proceskosten van. Opdrachtgever. Vorengenoemde kosten worden door Opdrachtgever verhaald.

12. Veiligheidseisen:

Opdrachtnemer dient verder die veiligheid- en voorzorgsmaatregelen te nemen die redelijkerwijs met betrekking tot werkzaamheden van Opdrachtnemer dienen te worden getroffen, een en ander in overeenstemming met de eisen van de Arbeidsinspectie, de relevante wetgeving en Opdrachtgever.

13. Wet Ketenaansprakelijkheid

De Wet Ketenaansprakelijkheid is niet van toepassing op deze overeenkomst.

(…)”

2.9.4.

Belanghebbende heeft met [L1] in augustus 2015 de volgende overeenkomst gesloten:

“ALGEMENE OVEREENKOMST VAN INLENING VAN PERSONEEL

Projectnaam: [Y] van [A1] projecten

De ondergetekenden:

[M1] bv [M1] bv gevestigd te ( [N1] aan de [O1] , ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [P1]

KvK nummer. […] - Statutair gevestigd te [N1]

hierna te noemen de [G1]

en

[X] bv gevestigd te [Z] aan [I] , ten deze rechtsgeldig

vertegenwoordigd door de heer [F]

KvK nummer […]

hierna te noemen de Detacheerder

gezamenlijk te noemen Partijen

Verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Artikel 1. De personeel en prijs

Detacheerder zal voor de diensten voor het Werk de volgende werknemers bij [G1] detacheren met het bijbehorende uurtarief.

Naam BSN nummer Uurtarief

1 [Q1] […] €38,00

Hierna te noemen Gedetacheerde

Tenzij schriftelijk anders overeengekomen zijn de genoemde uurtarieven “all-in” (zoals bijvoorbeeld verblijfkosten). Het tarief dat Detacheerder in rekening brengt, is het bruto uurloon vermenigvuldigd met de factor 2.1.

Indien voor werkzaamheden (bijvoorbeeld site surveys) reiskilometers dienen te worden gemaakt waarbij gebruik wordt gemaakt van de auto van [X] , zullen deze kilometers worden vergoed tegen een tarief van €0,30 cent per kilometer. Woon-werk kilometers worden vergoed tegen € 0,19 cent per kilometer.

De eerste twee uren overwerk (aansluitend op acht gewerkte uren) worden vergoed tegen het uurtarief zonder opslag. Voor alle opvolgende uren alsmede de uren gewerkt op zaterdag kan op het uurtarief een toeslag van 25% in rekening worden gebracht Indien er door omstandigheden op zon- en/of feestdagen moet worden gewerkt kan een opslag van 75% op het tarief in rekening worden gebracht

Premies sociale verzekeringen en loonbelasting, € 8,00 per gewerkt uur en het op de factuur genoemde btw bedrag zullen worden overgemaakt op de G-rekening van de Detacheerder. Indien de Detacheerder niet over een G-rekening beschikt, zullen premies sociale verzekeringen en belastingen rechtstreeks worden overgemaakt aan de betrokken bedrijfsvereniging respectievelijk de Ontvanger der Belastingen na goedkeuring van de factuur door [G1] .

Artikel 2. Omschrijving project

Gedetacheerde zal de volgende werkzaamheden voor [G1] uitvoeren:

1) Engineering.

hierna te noemen Werk.

Artikel 3. Aanvang, duur

Deze overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde Bid met inachtneming van een proefperiode van één maand. In deze proefperiode kan deze overeenkomst direct (zonder opzegtermijn) worden beëindigd.

In tegenstelling tot artikel 6.1 van algemene voorwaarden van [G1] voor het inlenen van Personeel, kunnen Partijen de overeenkomst beëindigen door middel van een aangetekend schrijven, waarbij een opzegtermijn van vier weken in acht wordt genomen.

Artikel 4. Voorwaarden

Op deze “Algemene Overeenkomst van inlening van Personeel” en derhalve op de uitvoering van de omschreven werken c.q. later opgedragen werken, zijn de Algemene Voorwaarden van [G1] voor het inlenen van Personeel van toepassing. Daar waar Raamovereenkomst staat genoemd, dient “deze Overeenkomst” te worden gelezen. Deze Algemene Voorwaarden zijn als bijlage I bij deze Overeenkomst gevoegd.

Detacheerder verklaart op de hoogte te zijn van de inhoud van deze voorwaarden en daarvan een exemplaar te hebben ontvangen. [G1] wijst de toepasselijkheid van de verkoop-, leverings- en aannemingsvoorwaarden van Detacheerder uitdrukkelijk van de hand.

Artikel 5. Veiligheid

Detacheerder (alsmede de Gedetacheerde) is zich bewust van de risico's welke horen bij de te verrichten werkzaamheden en zal ervoor zorg dragen dat haar personeel zich gedraagt, zodat de veiligheid van haar personeel alsmede van op de werkplek aanwezige derden wordt geborgd. Indien Detacheerder een onveilige situatie constateert, zal dit terstond worden gemeld aan [G1] . Gedetacheerde dient zich ten minste te houden aan de door [G1] opgedragen regels welke staan genoemd in het “Groene boekje voor veilig werken” (indien deze niet in het bezit is van de Gedetacheerde, zal deze voorafgaande aan de werkzaamheden door [G1] aan Gedetacheerde worden verstrekt) alsmede eventuele aanvullingen zoals bijvoorbeeld Toolboxen. Op eerste verzoek van [G1] levert Detacheerder rapportages welke staan omschreven in de VGA, bijvoorbeeld incidentenfrequentie en aard van incident.

Artikel 6. Materiaal/Materieel

Verlies, diefstal en/of beschadigingen van materiaal/materieel welke door [G1] aan de Gedetacheerde ter beschikking wordt gesteld, dient direct door de Gedetacheerde aan [G1] te worden gemeld. De kosten voor het vervangen en/of herstellen zullen door [G1] bij Detacheerder in rekening worden gebracht.

Artikel 7. Betaling

De betaling zal binnen 45 dagen na factuurdatum geschieden aan de hand van de factuur die gebaseerd is op de door of namens [G1] ondertekende bonnen, bevattende de verklaring dat de in rekening gebrachte werkzaamheden zijn uitgevoerd. De verleggingsregeling met betrekking tot de btw is van toepassing.

Artikel 8. Verplichtingen Detacheerder

1. Detacheerder dient bij aanvang en tijdens de duur van de overeenkomst geregistreerd te zijn in het kader van WAADI. Detacheerder is verantwoordelijk voor deze registratie en moet derhalve ook zelf controleren op de website van de Kamer van Koophandel (www.kvk.nl/waadi) of deze registratie goed is. [G1] zal deze registratie controleren.

2. Detacheerder draagt zorg voor de volgende documenten:

a. kopie van de G-rekening;

b. verklaring belastingdienst omtrent betalingsgedrag (per kwartaal);

c. uittreksel van de Kamer van Koophandel (niet ouder dan één jaar);

d. VGA van de gedetacheerde (niveau afhankelijk van de te verrichten werkzaamheden);

e. legitimatiebewijs van de gedetacheerde;

f. up-to-date CV van de gedetacheerde.

Indien Detacheerder niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in Artikel 8 (onder andere het ontbreken van één van deze bovengenoemde documenten), is [G1] gerechtigd betalingen op te schorten tot de Detacheerder voldoet aan hetgeen gesteld in Artikel 8. Aanvullend op het opschorten van de betalingen, heeft [G1] het recht deze Overeenkomst geheel of gedeeltelijk - zonder dat enige ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst is vereist - te ontbinden.

(…) “

2.9.5.

Belanghebbende heeft op 20 januari 2014 met [R1] Projekt Engineering BV de volgende overeenkomst gesloten:

“Overeenkomst inleen

[R1] Projekt Engineering B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudende te [S1] , tevens kantoorhoudende te [T1] , hierna te noemen Opdrachtgever,

en

[X] BV, statutair gevestigd te [Z] , hierbij rechtsgeldig vertegenwoordigd door [U1] , hierna te noemen Opdrachtnemer,

IN OVERWEGING NEMENDE:

• Dat Opdrachtgever en Opdrachtnemer een overeenkomst aangaan voor de duur van het hieronder omschreven project;

• Dat niet bekend is hoe lang het project of Opdrachtnemers aandeel hierin zal gaan duren;

• Dat de overeenkomst van rechtswege eindigt op het moment dat het project althans Opdrachtnemers aandeel daarin voltooid is;

• Dat de overeenkomst van rechtswege eindigt op het moment dat het project door de opdrachtgever van Opdrachtgever wordt ingetrokken;

• Dat Opdrachtnemer zich hiermee akkoord heeft verklaard.

VERKLAREN HIERBIJ TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

1. Opdrachtgever verklaart te hebben opgedragen aan Opdrachtnemer de uitvoering van het hierna omschreven project

Projectomschrijving […] projecten

Opdrachtgever van Opdrachtgever [V1] - vestiging [W1]

Aanvangsdatum 22 januari 2014

(…)

Projectduur (prognose 4 maanden (640 uur)

Uurtarief €32,00

Projectcoördinator Opdrachtgever De heer [A2]

Veiligheidsdiploma VGA nvt

2. opdrachtnemer verbindt zich ter uitvoering van het hiervoor vermelde project in te zetten als […] projecten

3. Belde partijen kunnen de overeenkomst tussentijds opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van vier weken.

4. Opdrachtnemer dient te allen tijde urenverantwoordingen van Opdrachtgever, getekend voor akkoord door opdrachtgever van Opdrachtgever, bij factuur van Opdrachtnemer te voegen.

5. Opdrachtgever hanteert een betalingstermijn van 60 dagen na ontvangst van correcte factuur van Opdrachtnemer met vermelding van bovengenoemd projectnummer.

6. Het is Opdrachtnemer en in te zetten medewerker van Opdrachtnemer niet toegestaan tijdens of binnen twee jaar na einddatum van het uitgevoerde project met opdrachtgever van Opdrachtgever, in dit geval [V1] - vestiging [W1] , een overeenkomst of ander zakelijk contact aan te gaan of te onderhouden.

7. Opdrachtnemer en in te zetten medewerker van Opdrachtnemer erkennen geheimhouding die hem/haar ten aanzien van alle bijzonderheden de Opdrachtgever en zijn opdrachtgever betreffende zijn opgelegd. Het is Opdrachtnemer en in te zetten medewerker van Opdrachtnemer verboden, hetzij gedurende de overeenkomst, hetzij na beëindiging hiervan, op enigerlei wijze aan derden direct of indirect, in welke vorm dan ook, enige mededeling te doen aan of aangaande van bijzonderheden de Opdrachtgever en zijn opdrachtgever betreffende, of daarmede verband houdende. Voorts is het Opdrachtnemer en in te zetten medewerker van Opdrachtnemer verboden om afschriften van, of aantekeningen over, correspondentie en andere bescheiden en materialen in de ruimste zin in zijn/haar particulier bezit te houden of zonder schriftelijke toestemming van Opdrachtgever en zijn opdrachtgever aan derden te tonen respectievelijk te verstrekken of buiten de beschikkingsmacht van de organisatie te brengen. Al dergelijke correspondentie en (aan)tekeningen, ook ai zijn ze gesteld of getekend op papier, aan Opdrachtgever of zijn opdrachtgever toebehorend, zijn en blijven eigendom van de vennootschap en moeten in ieder geval bij het einde van de dienstbetrekking ongevraagd en onverwijld aan Opdrachtgever ter hand worden gesteld.

8. Bij overtreding van enig verbod, zoals genoemd onder artikel 6 en 7 verbeurt Opdrachtnemer ten gunste van Opdrachtgever zonder voorafgaande sommatie of rechterlijke tussenkomst een niet voor rechterlijke matiging vatbaar zijnde opeisbare boete gelijk aan een bedrag ten belope van het uurtarief maal 2000 uren per overtreding en € 500,- voor elke dag dat die overtreding zal voortduren, zonder dat Opdrachtgever gehouden is of schade of enig verlies ten gevolge van de overtreding door Opdrachtnemer aan te tonen en onverminderd het recht van Opdrachtgever op volledige schadevergoeding, indien deze meer mocht belopen dan Opdrachtnemer verschuldigde boete.

9. Opdrachtnemer is aansprakelijk voor alle directe en indirecte schade en kosten van Opdrachtgever, inclusief bedrijfsschade, veroorzaakt door het niet naleven van zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst of de wet c.q. voor aanwezigheid van verborgen gebreken in de zaken of het werk. Opdrachtnemer vrijwaart Opdrachtgever voor aanspraken van derden ter zake.

(…)”

2.10.

De door de werknemers van [Y] BV verrichte werkzaamheden betroffen onder meer engineering, technisch tekenwerk en werkvoorbereiding (verzamelen van alle relevante projectgegevens en het verwerken hiervan in werkmappen) in de telecom infrabranche en de glasvezelkabelbranche. Van het derdenonderzoek bij de opdrachtgevers is een WKA-rapport opgesteld. Hierin is vermeld met betrekking tot de werkzaamheden van [Y] BV:

“Bij [M1] BV (hierna: [G1] IT) bleek

Er was een "Algemene overeenkomst van inlening van personeel". De werkzaamheden bestonden uit het voorbereiden en het aanvragen van de benodigde vergunningen voor klantaansluitingen. Hierbij werd ingelogd en gewerkt binnen het computersysteem van de (hoofd)opdrachtgever. Eén werknemer van belastingschuldige was gedetacheerd bij [G1] IT op de locatie [N1] voor engineeringswerkzaamheden onder leiding van de projectleider aldaar. De overige werknemers werkten in [Z] bij belanghebbende/doorlener. Via periodiek werkoverleg op kantoor van [G1] IT werd door [G1] IT kwaliteit en voortgang van de gehele opdracht in de gaten gehouden,

Bij [A1] B.V. (hierna: [A1] ) bleek:

Er was een "Raamovereenkomst betreffende inhuur personen". Er zijn geen nadere overeenkomsten gemaakt. Er werd een inzetbevestiging gegeven van de betreffende werknemer onder verwijzing naar de raamovereenkomst

De werkzaamheden werden deels op kantoor bij [A1] en deels op kantoor bij belanghebbende/doorlener gedaan. Bij [A1] op kantoor wordt het design van de uiteindelijke netwerken gedaan op contractbasis. De voorplanning van hoe het netwerk moet worden opgezet gebeurt bij belanghebbende. De doorgeleende werknemers waren onderdeel van de designergroep, onder leiding van een afdelingsmanager van [A1] . De afdelingsmanager controleerde de voortgang en kwaliteit.

Bij Aann.bedr. [Q] B.V. (hierna: [Q] ) bleek:

Er was een "Mantelovereenkomst inzake onderaanneming". Er zijn verder geen onderliggende overeenkomsten opgemaakt in de gevallen van inhuur van arbeidskrachten. Er waren twee arbeidskrachten van belanghebbende/doorlener voor engineerswerkzaamheden, zoals tekenwerk en werkmappen voorbereiden. Er was behoefte aan extra capaciteit. Ze draaiden mee in een team. De projectleider van [Q] , als eindverantwoordelijke, bepaalde wat er moest gebeuren aan werkzaamheden. Er werkten ook (ingehuurde) mensen op locatie bij belanghebbende/doorlener. Hier werd engineeringswerk, ontwerpwerk en quick scans gedaan tegen zowel uurtarieven als stuk tarieven. Dit werk wordt ook wel door eigen mensen gedaan maar het was praktischer om het bij belanghebbende/doorlener op locatie te laten doen. Op de werkzaamheden op locatie bij belanghebbende/doorlener was van de kant van [Q] toezicht (steekproefsgewijs) op kwaliteit en voortgang.

Bij [R1] B.V. (hierna: [R1] ) bleek:

Er was een “overeenkomst van inleen” afgesloten De werkzaamheden betroffen engineerswerk aan het […] project [W1] . Het ging om werkvoorbereiding (verzamelen van alle relevante projectgegevens en het verwerken hiervan in werkmappen) en tekenwerk. De werkzaamheden werden ook door het eigen personeel van [R1] gedaan. De inlening was in verband met een capaciteitsprobleem. Het tussentijds toezicht verliep via de heer [B2] van hoofdopdrachtgever [V1] . De heer [C2] (directeur van [R1] ) hield zelf ook regelmatig toezicht op de voortgang en kwaliteit van het werk. “

2.11.

In de periode augustus 2014 tot en met januari 2016 heeft [Y] BV per kwartaal (met berekening van omzetbelasting) aan belanghebbende gefactureerd ter zake van het door belanghebbende van [Y] BV betrokken personeel. Het ging om ongeveer vier keer per jaar en de bedragen variëren van € 250.000 tot € 350.000 per kwartaal. De omzet is verantwoord in de aangiften voor de omzetbelasting. Op de facturen wordt verzocht deze te voldoen door betaling op de zakelijke bankrekening van [Y] BV. Geen van de facturen bevat het verzoek deze gedeeltelijk te voldoen middels een storting op de g-rekening. Het g‑rekeningnummer van [Y] BV is op de facturen niet vermeld. Voor zover bedragen door belanghebbende zijn overgemaakt op de reguliere zakelijke bankrekening van [Y] BV, betrof dit bedragen ongeveer gelijk aan de door [Y] BV uit te betalen nettolonen.

2.12.

Door de hoofdopdrachtgevers is in de jaren 2014, 2015 en 2016 een deel van de door hen aan belanghebbende verschuldigde vergoeding gestort op de g-rekening van belanghebbende, voor het overige is betaald op de reguliere bankrekening van belanghebbende.

Uit de administratie van de Belastingdienst blijkt dat in 2014 drie keer vanaf de g-rekening van belanghebbende een bedrag is gestort naar de g-rekening van [Y] BV, voor een totaalbedrag van (afgerond) € 46.787. In de omschrijving is “doorbelasting” vermeld en niet is vermeld op welke specifieke facturen deze stortingen betrekking hebben. In 2015 en 2016 zijn geen stortingen bekend van belanghebbende op de g-rekening van [Y] BV. Evenmin is in de jaren 2014 tot en met 2016 sprake van rechtstreekse stortingen naar het zogenoemde wka-depot bij de Belastingdienst ten behoeve van [Y] BV.

2.13.

[Y] BV heeft in de periode augustus 2014 tot en met januari 2016 aangiften loonheffing ingediend en de volgens die aangiften verschuldigde bedragen niet afgedragen. In verband daarmee zijn, aldus de Ontvanger, aan [Y] BV de volgende naheffingsaanslagen loonheffing opgelegd en boetebeschikkingen gegeven:

Aanslagnummer

Dagtekening

Bedrag

Belasting

Boete

[…]

A01.4080

24-okt-14

€ 27.178

€ 26.390

€ 788

A01.4090

24-nov-14

€ 28.586

€ 27.762

€ 824

A01.4100

24-dec-14

€ 29.429

€ 28.604

€ 825

A01.4110

23-jan-15

€ 28.276

€ 27.453

€ 823

A01.4120

25-feb-15

€ 26.617

€ 25.842

€ 775

A01.5010

24-mrt-15

€ 25.820

€ 25.068

€ 752

A01.5020

24-apr-15

€ 25.046

€ 24.317

€ 729

A01.5030

26-mei-15

€ 24.954

€ 24.228

€ 726

A01.5040

24-jun-15

€ 25.448

€ 24.707

€ 741

A01.5050

24-jul-15

€ 58.549

€ 56.844

€ 1.705

A01.5060

24-aug-15

€ 25.321

€ 24.584

€ 737

A01.5070

24-sep-15

€ 26.458

€ 25.713

€ 745

A01.5080

23-okt-15

€ 26.751

€ 25.975

€ 776

A01.5090

24-nov-15

€ 27.810

€ 27.000

€ 810

A01.5100

29-jan-16

€ 27.816

€ 27.055

€ 761

A01.5110

17-mrt-16

€ 26.385

€ 25.665

€ 720

A01.5120

15-apr-16

€ 50.227

€ 48.765

€ 1.462

A01.6010

24-mrt-16

€ 22.764

€ 22.101

€ 663

Totaal

€ 533.435

€ 518.073

€ 15.362

2.14.

[Y] BV heeft over de tijdvakken maart, juni, september en december 2015 aangiften omzetbelasting ingediend en heeft de volgens die aangiften verschuldigde bedragen niet voldaan. In verband daarmee zijn, aldus de Ontvanger, aan [Y] BV de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd en boetebeschikkingen gegeven:

Aanslagnummer

Dagtekening

Bedrag

Belasting

Boete

[…]

F01.5031

25-jun-15

€ 4.304

€ 4.179

€ 125

F01.5060

27-8-2015

€ 59.095

€ 57.374

€ 1.721

F01.5090

26-nov-15

€ 36.487

€ 35.425

€ 1.062

F01.5120

25-feb-16

€ 56.082

€ 54.449

€ 1.633

Totaal

€ 155.968

€ 151.427

€ 4.541

2.15.

[Y] heeft tegen de onder 2.13. en 2.14. genoemde naheffingsaanslagen (de naheffingsaanslagen) en boetebeschikkingen geen bezwaar gemaakt of beroep ingesteld. De naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen staan onherroepelijk vast.

2.16.

Op de naheffingsaanslag loonheffing met aanslagnummer […] (oorspronkelijk belastingbedrag € 26.390) is een bedrag afgeboekt van € 9.011, zodat daarop een te betalen belastingbedrag resteert van € 17.379. De overige naheffingsaanslagen zijn geheel onbetaald gebleven.

2.17.

In 2016 heeft de Belastingdienst een onderzoek ingesteld naar de mogelijke aansprakelijkheid van opdrachtgevers van [Y] BV op grond van de artikelen 34 en 35 IW voor de openstaande loonheffing- en omzetbelastingschuld van [Y] BV over de jaren 2014 tot en met 2016. Op 30 mei 2016 heeft de Ontvanger schriftelijk bericht bij belanghebbende een derdenonderzoek in te stellen. In de aankondigingsbrief werd verzocht om kopieën te maken van de aanwezige administratie met betrekking tot de werkzaamheden die verricht zijn voor belanghebbende door arbeidskrachten van [Y] BV in de jaren 2014 tot en met 2016. Vooraf is, op verzoek van belanghebbende, een vragenformulier toegestuurd met betrekking tot de werkzaamheden die [Y] BV verricht had voor belanghebbende. Een bedrijfsbezoek van 17 juni 2016 is op verzoek van belanghebbende verplaatst naar 23 juni 2016. Tijdens het bezoek op 23 juni 2016 heeft de gemachtigde van belanghebbende meegedeeld op grond van artikel 58 IW niet gehouden te zijn medewerking te verlenen aan het derdenonderzoek, omdat belanghebbende nog niet aansprakelijk is gesteld. Bij brief van 15 juli 2016 is belanghebbende verzocht haar medewerking te verlenen aan het WKA-onderzoek en is belanghebbende gewezen op de in artikel 62 IW opgenomen informatieverplichting. De bestuurder van [Y] BV, [E] , heeft namens belanghebbende op 19 juli 2016 per e-mail bericht dat in de tweede helft van augustus een nieuwe afspraak gepland zou kunnen worden. Op 5 augustus 2016 heeft gemachtigde bericht dat belanghebbende niet gehouden is mee te werken aan een 'fishing expedition'. Op 26 september 2016 is contact gezocht met belanghebbende om alsnog tot een afspraak te komen. De bestuurder van [Y] BV, [E] , deelde namens belanghebbende mee dat alle contacten verder via gemachtigde dienden te verlopen. Vervolgens is contact gezocht met gemachtigde en die heeft telefonisch bericht en per e-mail 26 september 2016 bevestigd dat belanghebbende eerst de beschikking aansprakelijkheid afwacht voordat medewerking wordt verleend aan het onderzoek. Belanghebbende heeft uiteindelijk geen medewerking aan het WKA-onderzoek verleend.

2.18.

In het kader van het WKA-onderzoek zijn tevens de hiervoor onder 2.8 vermelde derdenonderzoeken ingesteld bij vijf van de hoofdopdrachtgevers bij wie de arbeidskrachten van [Y] BV hebben gewerkt dan wel voor wie zij werkzaamheden hebben verricht, te weten:

- [G1] B.V., thans [D2] B.V., (hoofdopdrachtgever I);

- [M1] B.V. (hoofdopdrachtgever II);

- [A1] Holding B.V. (hoofdopdrachtgever III);

- Aannemingsbedrijf [Q] B.V., thans [E2] B.V., (hoofdopdrachtgever IV);

- [R1] BV h/o [R1] (hoofdopdrachtgever V).

Van elk van de derdenonderzoeken is een ‘deelrapportage derdenonderzoek WKA’ opgesteld (de deelrapportages). Van de deelrapportages behoort een afschrift tot de stukken van het geding.

2.19.

Het rapport dat van de bevindingen van het WKA-onderzoek is opgesteld, vermeldt nog:

“3.2. Relatie [belanghebbende] – [ [Y] BV]

[Belanghebbende] is gelieerd aan [ [Y] BV]. De bestuurder van [belanghebbende], [ [F] ], is de zoon van de bestuurder van [ [Y] BV], [ [E] ]. Laatstgenoemde is behalve bestuurder van [ [Y] BV] tevens enig aandeelhouder van [belanghebbende]. Bestuurder van [ [Y] BV] voert ook gesprekken namens [belanghebbende]. (…).

[Belanghebbende] contracteerde met (hoofd-)opdrachtgevers. De arbeidsbehoefte die daarmee was gemoeid kon niet worden ingevuld door de enige werknemer van [belanghebbende] (zie punt 3.3). Daartoe schakelde [belanghebbende] personeel in van [ [Y] BV].

3 3.Personeel

Nu [belanghebbende] zich beroept op artikel 58 IW 1990 zijn haar personeelsgegevens niet beschikbaar gesteld. Wel is uit het digitale loonaangiftesysteem gebleken dat de enige werknemer die is opgenomen in de loonaangifte van [belanghebbende] de heer [ [F] ] (bestuurder) betreft.

[Belanghebbende] heeft onderstaande omzetten (exclusief omzetbelasting) behaald:

€ 1.366.080 in 2014

€ 1.369.646 in 2015

€ 398.803 in het 1e kwartaal van 2016

Er zijn geen aanwijzingen dat [belanghebbende] arbeidskrachten heeft aangetrokken anders dan van [ [Y] BV]. Derhalve wordt vooralsnog gesteld dat [belanghebbende] zich alleen heeft bediend van de arbeidskrachten van [ [Y] BV] om voornoemde omzetten te behalen. Arbeidskrachten van [ [Y] BV] hebben, voor zover bekend, slechts werkzaamheden verricht voor (hoofd-) opdrachtgevers van [belanghebbende]. Uit de beschikbare bankgegevens is ook niet gebleken dat er naast [belanghebbende] nog andere opdrachtgevers voor [ [Y] BV] waren.

Bij de 5 bezochte grote (hoofd-)opdrachtgevers van [belanghebbende] is 72% van het personeel van [ [Y] BV] aangetroffen op de urenstaten. De 4 overige opdrachtgevers zijn niet bezocht in het kader van deze rapportage.

3.4

Aard van de werkzaamheden

Uit de overgelegde inleen/huurovereenkomsten met (hoofd-)opdrachtgevers en de bij de (hoofd-) opdrachtgevers uitgevoerde derdenonderzoeken komt naar voren dat de activiteiten in 2014 tot en met 2016 engineering, technisch tekenwerk en werkvoorbereiding (verzamelen van alle relevante projectgegevens en het verwerken hiervan in werkmappen) betroffen in de telecom infrabranche en de glasvezelkabelbranche. De werkzaamheden werden deels op kantoor bij de (hoofd-)opdrachtgevers uitgevoerd en uit praktische overweging deels op kantoor bij [belanghebbende].

De betreffende werkzaamheden worden ook door het eigen personeel van de opdrachtgevers uitgevoerd maar door capaciteitsgebrek werden extra mensen ingeschakeld (zie ook de bijgevoegde deelrapportages van derdenonderzoeken).

3.5

Toezicht en leiding

Gezien het feit dat [belanghebbende] geen medewerking heeft verleend aan het aansprakelijkheidsonderzoek is er geen informatie beschikbaar met betrekking tot toezicht en leiding bij [belanghebbende].

De arbeidskrachten van [ [Y] BV] hebben werkzaamheden verricht voor en bij de (hoofd-) opdrachtgevers van [belanghebbende].

In november 2015 zijn onder diverse (hoofd-)opdrachtgevers derdenbeslagen gelegd voor door [ [Y] BV] verschuldigde naheffingsaanslagen. Het betreft naheffingsaanslagen voortvloeiend uit door [ [Y] BV] ingediende aangiften loonheffing en omzetbelasting waarop echter geen afdracht heeft plaatsgevonden.

Bij de vervolgens verstrekte verklaringen zijn overeenkomsten overgelegd met betrekking tot inhuur c.q. inlening van personeel.

Uit deze overeenkomsten en uit de uitgevoerde 5 derdenonderzoeken bij de opdrachtgevers blijkt dat in alle gevallen de (hoofd-)opdrachtgever leiding en toezicht heeft gehouden op de werkzaamheden van de -door tussenkomst van [belanghebbende]- ingeschakelde arbeidskrachten van [ [Y] BV].

(…)

3.6

Conclusie aansprakelijkheid

Primair is [belanghebbende] aansprakelijk voor de nog verschuldigde loonheffing en omzetbelasting op grond van artikel 34 Invorderingswet 1990.

Subsidiair is [belanghebbende] aansprakelijk voor de nog verschuldigde loonheffing op grond van artikel 35 Invorderingswet 1990.”

2.20.

De Ontvanger heeft bij de onderhavige beschikking belanghebbende op grond van de bevindingen van het onderzoek als inlener/aannemer aansprakelijk gesteld ingevolge artikel 34 respectievelijk artikel 35 IW 1990, artikel 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen en premiebesluiten en artikel 51 van de Zorgverzekeringswet voor de in 2.13 en 2.14 vermelde naheffingsaanslagen voor zover deze onbetaald zijn gebleven. De omvang van de aansprakelijkheid van belanghebbende heeft de Ontvanger op grond van artikel 34 IW 1990 vastgesteld op € 660.489:

2014 LH

€ 127.040

2014 OB

€ 0

2015 OB

€ 151.427

2015 LH

€ 359.921

2016 LH

€ 22.101

De omvang van de aansprakelijkheid van belanghebbende op grond van artikel 35 IW 1990 is vastgesteld op € 509.062. Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor de nageheven loonheffing en omzetbelasting. Belanghebbende is niet aansprakelijk gesteld voor de bij de naheffingsaanslagen opgelegde boetes. De in de beschikking opgenomen aansprakelijkstelling voor rente (p.m.) heeft de Ontvanger in het verweerschrift bij de Rechtbank teruggenomen.

2.21.

De berekening van de Ontvanger ex artikel 34.8.1 en 35.1 van de Leidraad Invordering 2008 jo. artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 (hierna: UR IKO) van het bedrag voor de loonheffing en omzetbelasting waarvoor de inlener/aannemer aansprakelijk kan worden gesteld houdt in:

“5.2 Aansprakelijkstelling loonheffing

Berekening loonheffing 2014

Primaire aansprakelijkheid:

De primaire aansprakelijkheid loonheffing over 2014 bedraagt € 341.870 (zie bijlage 1 van dit rapport).

Methode 1:

Het totaal van de toe te rekenen afboekingen bedraagt € 214.830. Derhalve resteert bij deze berekening een aansprakelijkheid van € 127.040.

Methode 2:

Door belanghebbende is over 2014 een totaal bedrag van € 46.787 op de g-rekening ten name van de inhoudingsplichtige gestort ten behoeve van de loonheffing (zie bijlage 4). Deze stortingen voldoen echter niet aan de vereisten om voor vrijwaring in aanmerking te komen. De aansprakelijkheid die dan resteert is € 341.870.

De aansprakelijkheid loonheffing wordt vastgesteld op de laagste van de berekeningen, per saldo € 127.040.

Berekening loonheffing 2015

Primaire aansprakelijkheid:

De primaire aansprakelijkheid loonheffing over 2015 bedraagt € 359.921 (zie bijlage 1 van dit rapport).

Methode 1:

Het totaal van de toe te rekenen afboekingen bedraagt € 0. Derhalve resteert bij deze berekening een aansprakelijkheid van € 359.921.

Methode 2:

Door belanghebbende is over 2015 géén bedrag op de g-rekening ten name van de inhoudingsplichtige gestort ten behoeve van de loonheffing (zie bijlage 4). De aansprakelijkheid die dan resteert is € 359.921.

De aansprakelijkheid loonheffing wordt vastgesteld op de laagste van de berekeningen, per saldo €359.921.

Berekening loonheffing 2016

Primaire aansprakelijkheid:

De primaire aansprakelijkheid loonheffing over 2016 bedraagt € 22.101 (zie bijlage 1 van dit rapport).

Methode 1:

Het totaal van de toe te rekenen afboekingen bedraagt € 0. Derhalve resteert bij deze berekening een aansprakelijkheid van € 22.101.

Methode 2:

Door belanghebbende is over 2016 géén bedrag op de g-rekening ten name van de inhoudingsplichtige gestort ten behoeve van de loonheffing (zie bijlage 4). De aansprakelijkheid die dan resteert is € 22.101.

De aansprakelijkheid loonheffing wordt vastgesteld op de laagste van de berekeningen, per saldo €22.101.

5.3

Aansprakelijkstelling omzetbelasting

Berekening omzetbelasting 2015

Primaire aansprakelijkheid:

De primaire aansprakelijkheid omzetbelasting over 2015 bedraagt € 151.427 (zie bijlage 1 van dit rapport).

Methode 1:

Het totaal van de toe te rekenen afboekingen bedraagt € 0. Derhalve resteert bij deze berekening een aansprakelijkheid van € 151.427.

Methode 2:

Door belanghebbende is over 2015 géén bedrag op de g-rekening ten name van belastingschuldige gestort ten behoeve van de omzetbelasting (zie bijlage 4). De aansprakelijkheid die dan resteert is €151.427.

De aansprakelijkheid omzetbelasting wondt vastgesteld op de laagste van de berekeningen, per saldo €151.427.”

2.22.

Op 5 november 2015 heeft de Ontvanger executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van belanghebbende ter zake van de vordering die [Y] BV zou hebben op belanghebbende. De vordering van [Y] BV op belanghebbende betreft facturen die [Y] BV aan belanghebbende heeft uitgereikt voor de arbeidskrachten die belanghebbende aan de (hoofd)opdrachtgevers ter beschikking heeft gesteld en die belanghebbende niet zou hebben betaald. Daaraan voorafgaand heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 3 november 2015 aan de Ontvanger verlof verleend om ten laste van [Y] BV beslag te leggen onder (hoofd)opdrachtgevers van belanghebbende. De vordering van de Ontvanger is door de voorzieningenrechter begroot op € 500.000. Belanghebbende en de Ontvanger zijn met elkaar in overleg getreden over de afwikkeling van het derdenbeslag. Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende aan de Ontvanger een bedrag van € 350.000 voldaan. In een e-mailbericht van 11 december 2015 heeft mr. [F2] namens belanghebbende aan de Ontvanger bericht:

“Van: [G2] Namens [F2]

—Verzonden: donderdag 10 december 20t5 16:18 -— - -

Aan: ' [H2] @belastingdienst.nr < [H2] @belastingdienst.nl>

Onderwerp: Inzake: [X] / [Y]

Geachte heer [H2] ,

Ik heb uw voorstel met cliënte besproken en zij begrijpt dat er voor haar geen andere opties zijn dan dit voorstel te aanvaarden of de gerechtelijke procedure te voeren, waarbij de derdenbeslagen worden gehandhaafd. Op grond hiervan heeft cliënte besloten het aanbod te aanvaarden.

Dit houdt in dat cliënte de Belastingdienst een bedrag zal betalen van € 350.000,00. Betaling zal geschieden vanaf de G-rekening van cliënte en rechtstreeks door de debiteuren waaronder beslag is gelegd. Zowel de betaling vanaf de G-rekening als door de debiteuren zal in overleg moeten geschieden, waarbij ik voorstel dat zowel u als cliënte aan de debiteur bericht dat - en welk bedrag rechtstreeks aan de Belastingdienst kan worden betaald. Betaling van de G-rekening zal in overleg met de bank moeten gebeuren. Door de betaling van € 350.000,00 is cliënte dan jegens de Belastingdienst gekweten voor het bedrag waarvoor de Belastingdienst een vordering meent te hebben op cliënte, zoals omschreven in het verzoekschrift ex artikel 718 Rv d.d. 3 november 2015 waarop door de voorzieningenrechter op 3 november 2015 verlof is verleend voor het leggen van beslag voor een totaalbedrag van € 500.000,00. Wilt u mij nog even bevestigen dat conform het bovenstaande kan worden afgewikkeld? Cliënte of mijn kantoorgenoot mr [I2] zal dan voor de verdere afwikkeling zorgdragen met de debiteuren en de G-rekening.”

[H2] heeft vervolgen aan [F2] bericht:

“Op vrijdag 11 december 2015 09:48

[F2]

Re: Inzake : [X] / [Y]

Categorieën: afspraak zitting spoed

Geachte heer [F2] ,

Hierbij bevestig ik dat de Belastingdienst akkoord gaat met de door u beschreven afwikkeling. U krijgt van mij nog de naam door van de collega die e.e.a. zal begeleiden.

Met vriendelijke groet, Belastingdienst/Den Haag, [H2] ”

2.22.

Bij verzoekschrift van 22 november 2016 heeft de Ontvanger nogmaals verzocht conservatoir derdenbeslag te mogen leggen ten laste van belanghebbende, welk verlof diezelfde dag is verleend door de voorzieningenrechter van de Rechtbank. Aan zijn verzoek heeft de Ontvanger, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat hij een vordering heeft op belanghebbende op grond van artikel 34, leden 1 en 2, IW 1990, aangezien belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting die [Y] BV verschuldigd is in verband met het verrichten van werkzaamheden door de gedetacheerde medewerkers en voor de omzetbelasting die [Y] verschuldigd is in verband met het ter beschikking stellen van medewerkers. De voorzieningenrechter heeft de vordering die belanghebbende vervolgens tegen de Ontvanger heeft ingesteld op 23 december 2016 afgewezen na - voor zover van belang - te hebben geoordeeld:

“ [X] heeft betoogd dat slechts voor zeven van de in totaal eenendertig medewerkers van [Y] voldaan is aan het criterium van artikel 34 Iw en zij terzake aansprakelijk is voor de afdracht van loon- en omzetbelasting voor zover die door [Y] niet is voldaan. [X] stelt dat deze aansprakelijkheid niet geldt voor de overige medewerkers van [Y] . De Ontvanger heeft dit uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist (Hof: hierna volgt citaat uit het WKA-rapport hiervoor onder 2.19 vermeld)

Gelet op de uitkomsten zoals vermeld in het Rapport en hiervoor weergegeven, dient aangenomen te worden dat [X] aansprakelijk is voor de nog verschuldigde loonheffing en omzetbelasting op grond van artikel 34 Iw. [X] heeft weliswaar aangevoerd dat er ten aanzien van de medewerkers die werkzaamheden verrichten op het kantoor van [Y] geen sprake was van ter beschikking stellen in de zin van feitelijk bij de inlener gaan werken. Zoals de Ontvanger terecht aanvoert had het echter. gelet op voormelde onderzoeksresultaten, op de weg van [X] gelegen aan te tonen dat het betreffende personeel daadwerkelijk bij [Y] , en onder diens leiding en toezicht, werkte. Nu [X] dit heeft nagelaten is in zoverre de door haar gestelde ondeugdelijkheid van de vordering van de Ontvanger niet aangetoond.”

2.23.

De Ontvanger heeft (bijlage 7 bij verweerschrift Rechtbank) een overzicht verstrekt van de afboeking van het door belanghebbende betaalde bedrag van € 350.000 op belasting, rente en kosten van aan [Y] BV opgelegde naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting die [Y] BV onbetaald heeft gelaten.

Aanslagnr.

Tijdvak

Belasting

Kosten

Rente

A:loonheffingen

F omzetbelasting

A.01.4050

mei 2014

€ 49.218

€ 3.330

€ 2.726

A.01.4060

juni 2014

€ 23.538

e 1:620

€ 1.234

A.01.4070

juli 2014

€ 42.024

€ 2.850

€ 2.062

A.01.4080

augustus 2014

€ 9.011

€ 1.860

€ 401

F.01.4501

2e kwartaal 2014

€ 52.493

€ 3.634

€ 2.006

F.01.4100

oktober 2014

€ 61

€ 54

F.01.4110

november 2014

€ 61

€ 54

F.01.4270

3e kwartaal 2014

€ 92.040

€ 6.186

€ 3.862

F.01.4502

4e kwartaal 2014

€ 46.560

€ 3.153

€ 1.298

F.01.5010

januari 2015

€ 65

€ 54

F.01.5020

februari 2015

€ 65

€ 54

F.01.5030

maart 2015

€ 3.605

€ 291

€ 75

F.01.5031

maart 2015

€ 88

Totaal

€ 318.741

€ 23.228

€ 13.664

2.24.

In de uitspraak op bezwaar van 7 juni 2017 heeft de Ontvanger vermeld:

“Het bedrag van € 350.000 is afgeboekt op de openstaande naheffingsaanslagen van belastingschuldige over 2014. Belanghebbende is uiteindelijk niet aansprakelijk gesteld voor de naheffingsaanslagen waarop deze betaling is afgeboekt. Deze naheffingsaanslagen staan immers niet meer open en belanghebbende kan maximaal aansprakelijk worden gesteld voor het openstaande bedrag.

Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor de openstaande naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting over 2014, 2015 en 2016.

Op grond van artikel 34.8.3 Leidraad Invordering 2008 had het getroffen bedrag van € 350.000 uit het derdenbeslag wel meegenomen moeten worden in de berekening van de aansprakelijkheid (tijdvak 2014) in methode 2. Hierdoor verandert er echter niets aan de hoogte van de totale aansprakelijkstelling nu de toepassing van methode 1 tot het laagste aansprakelijkheidsbedrag in het betreffende tijdvak leidt (zie bijlage 2 voor de herberekeningen).”

2.25.

De in 2.24 vermelde herberekeningen van de Ontvanger luiden als volgt:

Totale aansprakelijk-

stelling was

was

de totale aansprakelijkstelling. wordt

vermindering i.v.m

opbrengst

derdenbeslag

2014 LH

127.040

127.040

165.598

2014 OB

0

0

184.402

2015 OB

151.427

151.427

0

2015 LH

359.921

359.921

0

2016 LH

22.101

22.101

0

Totaal

660.489

660.489

350.000

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe overwogen:

“De ontbrekende gedingstukken

22. [Belanghebbende] heeft bij brief van 31 augustus 2018 gesteld dat [de Ontvanger] diverse op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten onrechte niet heeft overgelegd. Dit betreft volgens [belanghebbende] in ieder geval de volgende stukken:

-naheffingsaanslagen omzetbelasting;

-naheffingsaanslagen loonbelasting;

-informatie over de invordering hiervan (o.a. aanmaningen/dwangbevelen);

-informatie ten aanzien van de bekendmaking van de belastingaanslagen;

-melding betalingsonmacht van 14 juli 2014 door [Y] BV;

-informatie betreffende verhaalonderzoek [Y] BV;

-informatie omtrent verhaalonderzoek bestuurder;

-financiële informatie [Y] BV;

-deelovereenkomsten opdrachtgevers;

-kopieën van de originele (ondertekende) deelrapportages;

-brief van 26 september 2016 van de Ontvanger inzake de omstandigheid dat geen sprake is van uitvoeren van een werk van stoffelijke aard.

23. Ter zitting heeft [belanghebbende], nadat [de Ontvanger] hierop in zijn pleitnota heeft gereageerd, haar stelling dat [de Ontvanger] de genoemde stukken ten onrechte niet heeft overgelegd, gehandhaafd behoudens voor zover het betreft de ‘deelovereenkomsten opdrachtgevers’, omdat deze laatste wel al door [de Ontvanger] waren overgelegd. Voor wat betreft de brief van 26 september 2016 heeft [belanghebbende] erkend dat deze brief op de zitting alsnog is overgelegd, maar stelt zij dat deze buiten beschouwing dient te blijven omdat deze niet eerder, volledig, is overgelegd.

24. Voor wat betreft de melding betalingsonmacht door [Y] BV is geen sprake van een op deze zaak betrekking hebbend stuk omdat een dergelijke melding niet relevant is voor de vraag of een inlener/aannemer op grond van artikel 34 dan wel 35 van de IW aansprakelijk gesteld kan worden. Dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd na die melding betalingsonmacht maakt niet dat, zoals [belanghebbende] stelt, het oplopen van de belastingschuld van [Y] BV (mede) is te wijten aan de ontvanger. Vast staat immers dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd overeenkomstig de bedragen die [Y] BV volgens haar eigen aangiften daadwerkelijk verschuldigd was.

25. Met betrekking tot de ‘kopieën van de originele (ondertekende) deelrapportages’ heeft [de Ontvanger] ter zitting verklaard alleen te beschikken over een schriftelijk ondertekende deelrapportage van hoofdopdrachtgever I en dat de overige deelrapportages alleen digitaal voor akkoord getekend zijn. Daarmee is niet komen vast te staan dat [de Ontvanger] beschikt of heeft beschikt over schriftelijk ondertekende versies daarvan, behoudens het schriftelijk ondertekende exemplaar dat [de Ontvanger] ter zitting alsnog heeft overgelegd. Voor de overige vier deelrapportages kan derhalve niet worden vastgesteld dat dit gedingstukken zijn die (ten onrechte) niet zijn overgelegd.

26. [De Ontvanger] heeft verklaard dat er geen verslaglegging is van het verhaalsonderzoek bij de bestuurder van [Y] BV. Dienaangaande kan dan ook niet worden gesteld dat [de Ontvanger] in strijd heeft gehandeld met het gestelde in artikel 8:42 van de Awb. Verder heeft [de Ontvanger] verklaard dat alle informatie daarover en over de invordering van de naheffingsaanslagen, de verhaalsonderzoeken bij [Y] BV en de financiële informatie over [Y] BV waarover hij beschikt, is vermeld in het rapport van het WKA-onderzoek dan wel in het verweerschrift en de bijlagen daarbij dat hij op
25 augustus 2017 aan de rechtbank heeft gezonden. Gesteld noch gebleken is dat deze verklaring onjuist is. Kopieën van hierop betrekking hebbende stukken en van de naheffingsaanslagen en de aanmaningen en dwangbevelen zijn echter niet overgelegd.

27. Het vorenstaande betekent dat [de Ontvanger] niet heeft voldaan aan zijn verplichting alle stukken van het geding te overleggen. Voor dat geval bepaalt artikel 8:31 van de Awb dat de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die hem geraden voorkomen.

28. In het onderwerpelijke geval vindt de rechtbank geen aanleiding enige consequentie te verbinden aan het niet overleggen van de stukken door [de Ontvanger]. De overige gedingstukken verschaffen voldoende duidelijkheid over het bestaan dan wel de inhoud en strekking van de niet overgelegde stukken. Er bestaat daarom ook geen aanleiding het onderzoek te heropenen om de stukken alsnog bij [de Ontvanger] op te vragen. Ook verwerpt de rechtbank om die reden de stelling van [belanghebbende] dat zij door het ontbreken van de stukken niet in staat is haar verweren nader te concretiseren en daardoor is geschaad in haar procespositie. De rechtbank neemt bij dit alles in aanmerking dat de gemachtigde, die toch al vanaf 16 november 2017 als zodanig bij deze zaak betrokken is, pas voor het eerst in de pleitnota betwist dat de naheffingsaanslagen zijn vastgesteld en bekend gemaakt en de stelling dat de stukken ten onrechte niet zijn overgelegd pas op een zeer laat moment heeft ingenomen. Er zijn reeds meerdere, civielrechtelijke, procedures gevoerd over de aansprakelijkstelling van [belanghebbende], waarbij nimmer is gewezen op het ontbreken van de bewuste stukken en ook niet om overlegging daarvan is verzocht. In die procedures is verder ook niet gesteld dat er geen aanslagen zijn waarvoor aansprakelijk gesteld kon worden. De voormalige gemachtigde van [belanghebbende] heeft in het beroepschrift hier evenmin melding van gemaakt. Het schorsen van de behandeling teneinde [de Ontvanger] alsnog in de gelegenheid te stellen stukken te overleggen, is onder die omstandigheden in strijd met de goede procesorde. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [belanghebbende] noch in haar brief van 31 augustus 2018 noch ter zitting heeft verzocht om overlegging van de ontbrekende stukken. De rechtbank ziet verder ook geen aanleiding om in twijfel te trekken dat de in het WKA-rapport genoemde belastingaanslagen daadwerkelijk zijn vastgesteld en bekendgemaakt en tot de genoemde bedragen onbetaald zijn gebleven of dat de in het WKA-rapport genoemde invorderingsmaatregelen hebben plaatsgevonden.

De aansprakelijkstelling

29. [De Ontvanger] stelt zich primair op het standpunt dat [belanghebbende] op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste en tweede lid, IW, als doorlener aansprakelijk is voor de naheffingsaanslagen voor zover deze onbetaald zijn gebleven. Daarbij stelt [de Ontvanger] dat [belanghebbende] de door [Y] BV aan haar ter beschikking gestelde werknemers op haar beurt ter beschikking heeft gesteld aan derden (de hoofdopdrachtgevers) om onder toezicht of leiding van de hoofdopdrachtgevers werkzaam te zijn. [De Ontvanger] wijst daarbij ter ondersteuning onder meer op:

-het WKA-rapport;

-de deelrapportages met daarin weergegeven verklaringen van de hoofdopdrachtgevers;

-de mantel/raamovereenkomsten en deelovereenkomsten die zijn gesloten tussen [belanghebbende] en de opdrachtgevers;

-de facturen die door [belanghebbende] zijn verstrekt aan de opdrachtgevers;

-het feit dat de opdrachtgevers enkel betalingen aan [belanghebbende] hebben verricht.

30. De weergave in onderdeel 3.5 van het WKA-rapport sluit aan op hetgeen is vermeld in de deelrapportages en de rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de waarheidsgetrouwheid van de deelrapportages. Het enkele feit dat op vier van de vijf deelrapportages niet een schriftelijke handtekening staat, is daartoe onvoldoende omdat bij drie van die vier deelrapportages op de laatste pagina staat vermeld door wie en op welke datum die rapportages zijn getekend. Dat [belanghebbende], zoals zij voor het eerst in de pleitnota stelt, de vragen en antwoorden in de deelrapportages onduidelijk vindt, is evenmin een omstandigheid die de rechtbank aanleiding geeft aan de waarheidsgetrouwheid van de deelrapportages te twijfelen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [belanghebbende] kennelijk zelf bij het opstellen van het beroepschrift daaraan nog niet twijfelde. In haar beroepschrift verwijst zij immers ter onderbouwing van haar standpunten naar de deelrapportages.

31. Voor de beoordeling of sprake is van leiding of toezicht over de ter beschikking gestelde werknemers in de zin van artikel 34, eerste en tweede lid, IW, is niet relevant of [belanghebbende] als doorlener ook zelf enige vorm van toezicht op of leiding over de werknemers is blijven uitoefenen (zie ook HR 8 oktober 2010, nr. 08/03331, ECLI:NL:HR:2010:BN9780). Dat in de “Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders” (de Instructie) onder punt 46.2.3 onder meer is vermeld: “De doorlener is hoofdelijk aansprakelijk naast degene die de betreffende werknemers uiteindelijk onder zijn leiding of toezicht laat werken. Voor de aansprakelijkheid van de doorlener moet hij wel leiding of toezicht uitoefenen over de werknemers”, maakt dat niet anders. Direct aansluitend staat immers ook in de Instructie: “Dit gebeurt als de doorlener zelf de door hem ingeleende arbeidskrachten verdeelt over de bedrijven en ook de soorten werkzaamheden die voor die bedrijven moeten worden verricht.” Uit het feit dat [belanghebbende] de overeenkomsten sluit met de hoofdopdrachtgevers waarin onder meer is bepaald welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd en [belanghebbende] in het kader van die overeenkomsten werknemers inhuurt van [Y] BV volgt reeds dat van dat laatste sprake is. Zo al gesteld zou kunnen worden dat de Instructie, van voornoemd arrest afwijkend, goedkeurend beleid bevat op grond waarvan de aansprakelijkstelling van een doorlener achterwege blijft indien geen sprake is van leiding of toezicht door de inlener, is aan de voorwaarden van dat beleid in onderhavig geval niet voldaan.

32. [De Ontvanger] heeft met wat hij heeft aangevoerd en overgelegd bewijs geleverd voor zijn stellingen dat:

1. de door [Y] BV via [belanghebbende] aan de hoofdopdrachtgevers ter beschikking gestelde werknemers de werkzaamheden rechtstreeks in opdracht van de opdrachtgevers hebben verricht, zodat sprake is van ‘ter beschikking stellen van werknemers’ in de zin van artikel 34 IW; en

2. sprake is van leiding of toezicht over de ter beschikking gestelde werknemers door de hoofdopdrachtgevers (de inleners) in de zin van artikel 34 IW.

Dat geldt zowel voor de werknemers die op locatie bij de hoofdopdrachtgevers hebben gewerkt als voor de werknemers die op een andere locatie de werkzaamheden voor de hoofdopdrachtgevers hebben verricht. Op grond van het WKA-rapport en de mede daaraan ten grondslag liggende deelrapportages kan met voldoende zekerheid worden geconcludeerd dat in meer of mindere mate sprake is geweest van leiding óf toezicht op de werknemers van [Y] BV door de hoofdopdrachtgevers, ook voor zover het de werknemers betreft die op een andere locatie hebben gewerkt. Of deze andere locatie, zoals [belanghebbende] stelt, louter en alleen bij [Y] BV was of, zoals [de Ontvanger] stelt, (ook) bij [belanghebbende] laat de rechtbank daarom in het midden. Uit de door [de Ontvanger] overgelegde stukken volgt dat de werkzaamheden die door de werknemers van [Y] BV voor de hoofdopdrachtgevers werden verricht, steeds ook werden verricht door eigen werknemers van de hoofdopdrachtgevers en dat de werknemers van [Y] BV veelal verplicht waren gebruik te maken van de computersystemen van de opdrachtgevers.

33. Het is aan [belanghebbende] om het door [de Ontvanger] geleverde bewijs te ontkrachten dat 1) met betrekking tot al de via [belanghebbende] ingezette werknemers van [Y] BV sprake is geweest van het ter beschikking stellen van de werknemers van [Y] BV aan de hoofdopdrachtgevers en 2) sprake is geweest van leiding of toezicht over de ter beschikking gestelde werknemers door de hoofdopdrachtgevers. [Belanghebbende] is daarin niet geslaagd.

34. In wat [belanghebbende] heeft aangevoerd en overgelegd, vindt de rechtbank, afgezet tegen wat [de Ontvanger] heeft aangevoerd en overgelegd, onvoldoende bewijs voor de stelling van [belanghebbende] dat geen sprake is geweest van het ter beschikking stellen van de werknemers aan de hoofdopdrachtgevers. [Belanghebbende] heeft dit onvoldoende geconcretiseerd en, wat meer wringt, niet met voldoende (schriftelijke) bewijsmiddelen onderbouwd.

35. Hetzelfde geldt voor de stelling van [belanghebbende] dat, anders dan de hoofdopdrachtgevers hebben verklaard, leiding en toezicht over de werknemers niet door de hoofdopdrachtgevers maar door [Y] BV werd uitgeoefend. [Belanghebbende] stelt weliswaar dat het betreffende personeel, zeker voor zover het de werknemers die op een andere locatie dan bij de hoofdopdrachtgevers werkten betreft, onder leiding en toezicht van [Y] BV werkten, maar de rechtbank vindt in wat [belanghebbende] heeft aangevoerd en overgelegd hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. Daarbij klemt temeer dat [belanghebbende] geen stukken heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat leiding en toezicht bij [Y] BV lagen en door haar zijn uitgeoefend. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat [belanghebbende], behoudens het overleggen van enkele (deel)overeenkomsten tussen haar en de hoofdopdrachtgevers, die overigens ook reeds eerder in de procedure door [de Ontvanger] zijn ingebracht, geen stukken heeft verstrekt op grond waarvan enige duidelijkheid kan worden verkregen over de precieze onderlinge rechtsverhoudingen tussen [belanghebbende], [Y] BV en de hoofdopdrachtgevers. In ieder geval heeft zij niets overlegd dat betrekking heeft op de rechtsverhouding en afspraken tussen [belanghebbende] en [Y] BV. Dit terwijl [belanghebbende] daartoe wel de meest gerede partij is. Immers, van [belanghebbende] mag worden verwacht dat zij als contractspartij beschikt over alle relevante informatie, overeenkomsten en stukken.

36. De rechtbank volgt [belanghebbende] ook niet in haar stelling dat de werknemers van [Y] BV werkzaamheden hebben verricht die van een dusdanige specialistische aard zijn dat de opdrachtgever geen inhoudelijke aanwijzingen kon geven over de wijze waarop die werkzaamheden moesten worden verricht. Immers, zoals blijkt uit het WKA-rapport en de deelrapportages, werden de bewuste werkzaamheden steeds ook door eigen werknemers van de hoofdopdrachtgevers verricht. Daaruit volgt dat bij de hoofdopdrachtgevers de voor leiding of toezicht benodigde kennis aanwezig was.

37. Ook in alles wat [belanghebbende] overigens heeft aangevoerd, vindt de rechtbank, afgezet tegen het door [de Ontvanger] aangedragen bewijs, onvoldoende steun voor de conclusie dat [de Ontvanger] ten onrechte ervan is uitgegaan dat is voldaan aan de vereisten voor de aansprakelijkstelling op grond van artikel 34, eerste en tweede lid, IW.

38. Het vorenstaande betekent dat [de Ontvanger] terecht er van is uitgegaan dat met betrekking tot alle werknemers sprake is van inlening van personeel in de zin van artikel 34 IW, waarbij [belanghebbende] kwalificeert als doorlener in de zin van artikel 34, tweede lid, onder a, IW. [De Ontvanger] heeft [belanghebbende] daarom aansprakelijk mogen stellen voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen. Anders dan [belanghebbende] acht de rechtbank daarbij, gelet ook op alles wat hiervoor is overwogen, niet van belang dat [de Ontvanger] de aansprakelijkstelling niet per werknemer heeft uitgesplitst, onder meer voor wat betreft de locatie van het werk en de gebruikte tarieven. De rechtbank volgt [belanghebbende] verder niet in haar in de pleitnota opgenomen stelling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de naheffingsaanslagen uitsluitend betrekking hebben op de werknemers die voor de hoofdopdrachtgevers werkzaamheden hebben verricht. Uit het WKA-rapport blijkt dat [Y] BV uitsluitend bankbetalingen ontving van [belanghebbende], zodat niet aannemelijk is dat de verschuldigde belasting betrekking heeft op andere werknemers dan door [belanghebbende] zijn ingehuurd ten behoeve van de werkzaamheden bij de hoofdopdrachtgevers. [Belanghebbende] heeft verder niet gesteld noch aannemelijk gemaakt dat zij voor de werkzaamheden bij de hoofdopdrachtgevers ook bij anderen arbeidskrachten heeft ingehuurd. De deelrapportages kunnen dan ook uitsluitend betrekking hebben op de arbeidskrachten die [belanghebbende] heeft ingehuurd bij [Y] BV. Het voorgaande brengt mee dat hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd over artikel 35 IW en de daarmee samenhangende brief van 26 september 2016 geen behandeling behoeft.

39. De rechtbank acht het bedrag van de aansprakelijkstelling op grond van artikel 34 IW juist. Het bedrag van € 660.489 is met het WKA-rapport voldoende onderbouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan wat in dit verband is weergegeven in het WKA-rapport, daaronder mede begrepen de bij het WKA-rapport gevoegde berekeningen van de aansprakelijkheid (bijlagen 1a en 1b bij het WKA-rapport) en acht deze berekeningen ook voldoende duidelijk. De rechtbank volgt [belanghebbende] dus niet in haar stelling dat de berekeningen onvoldoende duidelijk zijn en daarmee onvoldoende zijn gemotiveerd, nog daargelaten dat [belanghebbende] deze stelling te laat, namelijk pas ter zitting, heeft ingenomen. Evenmin bieden de gedingstukken aanleiding er aan te twijfelen dat met eventuele stortingen op de g-rekeningen van [belanghebbende] of [Y] BV voldoende rekening is gehouden. Dat sprake zou zijn van overige stortingen op de g-rekeningen dan waar [de Ontvanger] reeds rekening mee heeft gehouden, is gesteld noch gebleken.

40. [Belanghebbende] heeft ter zitting ook nog gesteld dat de beschikking onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank volgt [belanghebbende] hierin niet, reeds omdat bij de beschikking een afschrift van het WKA-rapport is overgelegd waarop de aansprakelijkstelling en de berekening daarvan zijn gebaseerd.

41. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

42. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep, standpunten en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de aan [Y] BV opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting en de omzetbelasting die in 2.13 en 2.14 zijn vermeld. Meer in het bijzonder zijn de antwoorden op volgende vragen in geschil:

a. a) Heeft de Ontvanger alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

b) Zijn de naheffingsaanslagen, waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, vastgesteld en bekendgemaakt aan [Y] BV (de belastingschuldige)?

c) Was [Y] BV ten tijde van de aansprakelijkstelling in gebreke met de betaling van de naheffingsaanslagen?

d) Is aan de vereisten voor inlening, met name het houden van toezicht en/of het geven van leiding voldaan? Zo, nee is aan de vereisten voor aanneming van werk voldaan?

e) Zijn de naheffingsaanslagen te hoog vastgesteld?

f) Heeft belanghebbende door betaling van € 350.000 (een deel van) de aansprakelijkstelling voldaan?

g) Heeft de Belastingdienst bij belanghebbende vertrouwen gewekt dat met de betaling van het bedrag van € 350.000 aansprakelijkstelling achterwege zou blijven?

h) Zijn de uitgewonnen WKA-tegoeden op de juiste wijze afgeboekt op de belastingschulden?

i. i) Heeft de Ontvanger te lang gewacht met aansprakelijk stellen?

j) Is een bedrag van de belastingschuld middels invordering door derden voldaan? Hoeveel bedraagt de belastingschuld thans en dient in verband daarmee de aansprakelijkstelling te worden verminderd?

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de vragen a) tot en met d) ontkennend, e) tot en met g) bevestigend en de vragen onder h) en i) ontkennend en de Ontvanger in tegenovergestelde zin. Met betrekking tot de vraag onder j): In het geval door derden belastingschulden zijn voldaan, stelt belanghebbende dat daarmee de belastingschuld is verminderd en dat daarom de aansprakelijkstelling met die bedragen dient te worden verminderd. De Ontvanger stelt dat de beschikking aansprakelijkstelling daardoor niet wordt verminderd.

4.3.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling. Subsidiair concludeert belanghebbende tot vermindering van de beschikking aansprakelijkstelling tot € 178.035 voor de aanslagen die, naar belanghebbende stelt, wel bekend zijn gemaakt. Verder verzoekt belanghebbende vergoeding van de proceskosten en vergoeding van het griffierecht, alsmede vergoeding van geleden en te lijden schade op grond van artikel 8:73 Awb, eventueel op te maken bij Staat.

4.4.

De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank alsmede tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

Beoordeling van het hoger beroep

a) Het overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken

5.1.

Het Hof stelt voorop dat de Ontvanger op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht is alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Op grond van artikel 8:31 van de Awb kan het Hof aan het niet voldoen aan de verplichting als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb, de gevolgtrekkingen verbinden die hem geraden voorkomen. Stukken die niet meer bestaan dan wel niet meer te traceren zijn, kunnen uiteraard niet worden overgelegd. Het niet overleggen van die stukken kan dan ook niet worden aangemerkt als het niet voldoen aan de verplichting van artikel 8:42 van de Awb. Dit neemt niet weg dat het bestuursorgaan verplicht is de van belang zijnde stukken te bewaren. Het niet voldoen daaraan kan gevolgen hebben voor de bewijsvoering dan wel de waardering van de bewijsmiddelen.

5.2.

In hoger beroep stelt belanghebbende dat de oorspronkelijke aangifte- en aanslagbiljetten ontbreken. De Ontvanger heeft de gegevens die daarop zijn vermeld weergegeven zoals die in de ontvangersadministratie zijn opgenomen. In de pleitnota van de zitting van 3 december 2019 heeft de Ontvanger daarop een toelichting verstrekt. Na de mondelinge behandeling van 3 december 2019 heeft de Ontvanger ‘afschriften’ (prints uit het loonheffingensysteem) verstrekt en voor de omzetbelasting ‘duplicaten’ van de naheffingsaanslagen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan deze gegevens. Het Hof verwerpt de stelling dat de digitale aangiftegegevens, afschriften en de duplicaten niet zouden voldoen om in het kader van de aansprakelijkstelling kennis te nemen van de aan [Y] BV opgelegde naheffingsaanslagen.

5.3.

Voor zover belanghebbende stelt dat van de deelrapportages geen afschriften van de originele versie zijn overgelegd, verwijst het Hof naar het in overweging 25 door de Rechtbank gegeven oordeel dat erop neerkomt dat niet is komen vast te staan dat de Ontvanger andere versies heeft dan hij heeft overgelegd. Ook is niet komen vast te staan dat de Ontvanger beschikt over meer gegevens en correspondentie van en met de hoofdopdrachtgevers dan die zijn overgelegd. Ook in hoger beroep is dat niet komen vast te staan..

Het Hof komt tot het oordeel dat de Ontvanger niet heeft gehandeld in strijd met artikel 8:42 van de Awb. Het Hof ziet met de Rechtbank geen aanleiding om ten aanzien van de bewijsvoering gevolgen te verbinden.

b) Zijn de naheffingsaanslagen vastgesteld en bekend gemaakt aan [Y] BV (de belastingschuldige)?

5.4.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur de in 2.13 en 2.14 vermelde naheffingsaanslagen niet heeft vastgesteld en niet heeft bekendgemaakt aan [Y] BV. Deze stelling heeft betrekking op de naheffingsaanslagen over de tijdvakken tot 1 januari 2016. Belanghebbende stelt met betrekking tot laatstgenoemde aanslagen dat deze niet zijn bekendgemaakt omdat zij niet aan het juiste adres zijn gezonden.

5.5.

Artikel 8, lid 1, IW 1990 bepaalt dat de Ontvanger de belastingaanslag bekendmaakt door verzending van het door de Inspecteur opgemaakte aanslagbiljet.

De Ontvanger heeft in hoger beroep voor elk van de naheffingsaanslagen een verzendrapportage overgelegd van de Centrale Administratie van de Belastingdienst waaruit naar voren komt dat de door [Y] BV niet op aangifte afgedragen loonheffing en omzetbelasting van haar is nageheven door middel van het opleggen van naheffingsaanslagen. Op basis hiervan is aannemelijk dat de belastingschuld is geformaliseerd door middel van het vaststellen van naheffingsaanslagen.

5.6.

De Ontvanger dient aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslagen zijn verzonden naar het juiste adres (vgl. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416). Indien het stukken betreft die, zoals in dit geval, niet aangetekend zijn verzonden, kan de Ontvanger dat bewijs leveren door een administratie over te leggen waaruit blijkt dat en op welke datum het stuk is/de stukken zijn verzonden (vgl. HR 12 juli 2019, nr. 18/03304, ECLI:NL HR:2019:1175 en ABRvS 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3338). Uit de door de Ontvanger voor elke naheffingsaanslag overlegde rapportage en de daarbij gevoegde bewijsstukken blijkt niet alleen dat de naheffingsaanslagen zijn vastgesteld, maar ook dat zij op papier geprint deel uitmaken van zendingen die zijn aangeboden aan Post NL en door Post NL op de in de rapportages genoemde data in ontvangst zijn genomen. De Ontvanger heeft als bewijs van laatstgenoemde twee handelingen een print van het SAP ZP05 (SAP Dispositielijst) en het SAP VA03 (SAP Verkooporderoverzicht) overgelegd waaruit van deze handelingen blijkt. Naar het oordeel van het Hof heeft de Ontvanger hiermee aannemelijk gemaakt dat het geheel van handelingen is verricht dat noodzakelijk is om de poststukken door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken.

5.7.

Gelet op deze verzendrapportages is voorts aannemelijk dat de naheffingsaanslagen zijn verzonden aan de adressen waar [Y] BV was gevestigd volgens de gegevens die zijn opgeslagen in het systeem Beheer van Relaties (BvR), welk systeem wordt gevoed met de gegevens afkomstig van de Kamers van Koophandel (KvK). Niet gebleken is dat het BvR en/of de gegevens van de KvK onjuistheden bevatte. De adressen waren van 3 april 2013 tot 1 maart 2015 [G] te [Z] , van 1 maart 2015 tot 1 januari 2016 [J2] en na 1 januari 2016 [H] Unit […] .

5.8.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (Vgl. HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102 BNB 2019/142 en HR BNB 2004/200*) kan, in gevallen waarin een of meer besluiten zijn bekendgemaakt door toezending van een aanslagbiljet aan de belanghebbende, in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de daarin vervatte besluiten zijn bekendgemaakt. Indien de belanghebbende de verzending van het aanslagbiljet betwist, moet de inspecteur – bij aansprakelijkstelling zoals te dezen is het de ontvanger - die verzending aannemelijk maken. Indien de belanghebbende stelt dat een schriftelijk besluit hem niet heeft bereikt, ligt in die stelling een betwisting van de verzending van dat besluit begrepen. De verzending van een stuk per post rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van dit stuk op het daarop vermelde adres. De belanghebbende die de ontvangst van een door de Belastingdienst verzonden stuk ontkent, dient dit vermoeden te ontzenuwen. Hij hoeft daartoe niet aannemelijk te maken dat het stuk niet op dat adres is ontvangen of aangeboden, maar kan volstaan met het aannemelijk maken dat de ontvangst van het stuk redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

5.9.

De Ontvanger heeft gelet op het in 5.6 en 5.7 overwogene aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslagen aan Post NL ter verzending zijn aangeboden naar de juiste adressen. Belanghebbende heeft daar tegenover niets gesteld op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

c) Was [Y] BV ten tijde van de aansprakelijkstelling in gebreke?

5.10

Op grond van artikel 49, eerste lid, IW 1990 vindt aansprakelijkstelling niet plaats vóór het tijdstip waarop de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld. Dit is het geval wanneer de betaling nog niet heeft plaatsgevonden op het moment dat de belastingaanslag invorderbaar wordt.

5.11.

De naheffingsaanslagen die zijn opgelegd, zijn ingevolge artikel 9, tweede lid, van de IW 1990 invorderbaar veertien dagen na dagtekening van de aanslagbiljetten,. Uit de digitale legenda van de Ontvanger, (bijlage 5 Invorderingsparagraaf bij het WKA onderzoeksrapport, blz. 22 ) aan de juistheid waarvan het Hof geen reden heeft te twijfelen, volgt dat aanmaningen zijn verzonden en dwangbevelen zijn uitgevaardigd. Vervolgens is op 22 november 2016 conservatoir derdenbeslag gelegd op goederen van belastingschuldige. Als bewijs dat dit heeft plaatsgevonden, heeft de Ontvanger kopieën verstrekt van gegevens uit het zogenoemde COA-systeem waarin voormelde data zijn aangetekend. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de vastleggingen. Op grond hiervan acht het Hof aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de naheffingsaanslagen de belastingschuldige [Y] BV in gebreke was op het moment dat belanghebbende aansprakelijk is gesteld. Het Hof overweegt daarbij in het kader van de aansprakelijkstelling nog het volgende. Uit de Invorderingswet 1990 vloeit niet voort dat voor het antwoord op de vraag of aansprakelijk kan worden gesteld op basis van die wet bepalend is of de belastingplichtige ook reeds vóór de betekening van de dwangbevelen in staat is geweest om kennis te nemen van de hem opgelegde aanslagen en zijn belastingschulden te voldoen. (vgl. HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN9567, BNB 2004/89).

d) Inlening of aanneming van werk?

5.12.

Belanghebbende betwist de juistheid van de rapportages en deelrapportages die voortkomen uit het WKA-onderzoek. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van inlening van personeel, omdat zij geen toezicht of leiding heeft uitgeoefend op de ingezette personen en dat ook geen sprake is geweest van doorlenen. Zij stelt dat de werkzaamheden op het kantoor van [Y] BV werden verricht en dat [Y] BV de leiding over de ingezette personen had.

5.13.

Het Hof stelt het volgende voorop. Belanghebbende heeft geen medewerking verleend aan het WKA-onderzoek door de Belastingdienst. Verder heeft belanghebbende in beroep geen stukken verstrekt op grond waarvan enige duidelijkheid kan worden verkregen over de precieze onderlinge rechtsverhoudingen tussen belanghebbende, [Y] BV en de hoofdopdrachtgevers. In ieder geval heeft zij niets overgelegd dat betrekking heeft op de rechtsverhouding en afspraken tussen belanghebbende en [Y] BV, terwijl belanghebbende daartoe wel de meest gerede partij is. Immers, van belanghebbende mag worden verwacht dat zij als contractspartij beschikt over alle relevante informatie, overeenkomsten en stukken. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende die informatie, waarmee zij had kunnen onderbouwen dat de (deel-)rapportages die voortkomen uit het WKA-onderzoek, onjuist zijn en dat de feitelijke verhoudingen tussen belanghebbende, [Y] BV en de hoofdopdrachtgevers anders zijn dan uit de overgelegde overeenkomsten met de (hoofd)opdrachtgevers blijkt, niet verstrekt. Dat belanghebbende dit niet heeft onderbouwd, moet voor haar rekening blijven. Het Hof heeft ook anderszins geen reden om de (deel-)rapportages van het WKA-onderzoek en de overgelegde overeenkomsten met de (hoofd)opdrachtgevers niet (mede) aan haar oordeel ten grondslag te leggen.

5.14.

De ondernemer die personeel inleent en vervolgens bij een opdrachtgever van hem ter beschikking stelt, is een doorlener. Op grond van artikel 34, lid 2, IW 1990 is iemand als doorlener aansprakelijk, indien hij een aan hem ter beschikking gestelde werknemer ter beschikking stelt aan een derde om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn. Daarbij geldt niet de eis dat de doorlener ook zelf enige vorm van toezicht op of leiding over deze werknemer blijft uitoefenen. (Vgl. HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9780, NJ 2010, 666, r.o. 4.6.2).

5.15.

Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de Ontvanger, met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd, aannemelijk heeft gemaakt dat in de naheffingstijdvakken van doorlening sprake was. Belanghebbende contracteerde met de opdrachtgevers. Uit de door de Ontvanger overgelegde overeenkomsten, die door belanghebbende zijn gesloten met de (hoofd)opdrachtgevers, en de informatie die in het WKA-onderzoek is verkregen, komt naar voren dat belanghebbende zich tegenover de opdrachtgevers heeft verbonden om personeel met een bepaalde vorm van kennis ter beschikking te stellen aan de hoofdopdrachtgevers, personeel dat zij van [Y] BV inleende. Belanghebbende heeft zich ten aanzien van de opdrachtgevers niet verbonden tot een bepaald resultaat dat het personeel tot stand moest brengen. Er is daarom geen sprake van aanneming van werk. Aan het personeel dat belanghebbende aan de opdrachtgevers ter beschikking stelde (doorleende), gaf belanghebbende zelf geen aanwijzingen. Ook was dat niet het geval van de kant van [Y] BV. Er werd gewerkt met en in de specifieke systemen van de opdrachtgevers en de opdrachtgevers konden hen aanwijzingen geven hoe dat moest. Als het personeel op het kantoor van [Y] BV werkte, werkten zij in opdracht van de opdrachtgevers met gebruik making van de specifieke computersystemen van de opdrachtgevers en werd de kwaliteit van het werk (steekproefsgewijs) gecontroleerd door de opdrachtgevers. Uit het WKA-rapport en de deelrapportages van het onderzoek bij de opdrachtgevers kan worden afgeleid dat de opdrachtgevers in meer of mindere mate leiding of digitaal toezicht hielden op het ingeleende personeel.

5.16.

Belanghebbende heeft gesteld dat slechts zeven werknemers zijn ingeleend/gedetacheerd en dat de overige werknemers van [Y] BV niet ter beschikking zijn gesteld omdat zij op kantoor van [Y] BV bleven werken. Die omstandigheid staat niet aan inlening c.q. ter beschikkingstelling in de weg. Zowel de werknemers die op een andere locatie dan bij [Y] BV voor de hoofdopdrachtgevers werkten, als degenen die bij [Y] werkten, verrichten hun werkzaamheden direct voor de hoofdopdrachtgevers en niet voor belanghebbende en ook niet voor [Y] BV zelf. De omstandigheid dat gewerkt werd op kantoor van [Y] BV maakt niet dat deze de leiding had over de ingezette werknemers. Als zij op kantoor van [Y] BV werkten, werkten zij in de systemen van de hoofdopdrachtgevers - dat waren zij verplicht - of maakten zij gebruik van de door de hoofdopdrachtgever verplicht gestelde systemen. Ook als zij op kantoor van [Y] BV werkten, waren de ingeleende werknemers aan leiding of toezicht van de hoofdopdrachtgevers onderworpen. Belanghebbende betwist dat en doet een beroep op verklaringen afgelegd door o.a. [K2] , [L2] en [M2] , Deze verklaringen brengen het Hof echter niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat een werknemer werd ingeleend omdat hij goed overweg kon met, kennis had van en daardoor kon werken met bepaalde software staat er niet aan in de weg dat sprake is van inlenen of doorlenen. Niet aannemelijk is dat een vorm van intellectuele arbeid of geestelijke arbeid werd verricht waardoor geen sprake zou kunnen zijn van inlening. Evenmin is dat het geval wanneer iemand optreedt als ploegleider en zelf leiding geeft namens de hoofdopdrachtgever aangezien dat niet uitsluit dat hij zelf geen aanwijzingen kon ontvangen vanuit de hoofdopdrachtgever, bijvoorbeeld door de projectmanager. Dat deze de voortgang bewaakte op basis van cijfers en slechts enige sturing gaf, maakt dat niet anders. Uit de verklaringen blijkt verder dat het ingeleende personeel zich op een bepaalde tijd op de door de opdrachtgever vastgestelde werkplek diende te melden. De verklaringen laten verder niet zien dat niet gewerkt moest worden volgens de specificaties en tekeningen van de opdrachtgever en ook niet dat de rechten op goederen en werkwijzen die de ingehuurde medewerker in samenwerking met of in opdracht van de opdrachtgevers hebben ontwikkeld niet aan de opdrachtgever toekwamen. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van het verrichten van enkele diensten omdat zoals hiervoor is overwogen het geven van leiding/houden van toezicht kon plaatsvinden. Belanghebbende heeft gedurende de twee mondelinge behandelingen die het Hof heeft gehouden geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om getuigen te horen zoals zij kon doen op grond van de uitnodiging en op welke mogelijkheid zij nog is gewezen tijdens de eerste mondelinge behandeling. Het Hof ziet geen aanleiding meer op het voorwaardelijk getuigenaanbod van belanghebbende in te gaan.

5.17.

Belanghebbende heeft met hetgeen zij verder heeft aangevoerd de juistheid van de stelling dat niet alle werknemers van [Y] BV voor derden werkzaamheden hebben verricht, maar een klein gedeelte van 7 werknemers, niet aannemelijk gemaakt. Uit het WKA-rapport blijkt dat [Y] BV uitsluitend bankbetalingen ontving van belanghebbende. Belanghebbende heeft geen concrete feiten en of omstandigheden gesteld, die – indien aannemelijk bevonden – zouden kunnen leiden tot het oordeel dat [Y] BV ook van anderen dan belanghebbende betalingen ontving. Het Hof volgt dan ook het oordeel van de Rechtbank dat in beginsel niet aannemelijk is dat de verschuldigde belasting betrekking heeft op andere werknemers dan degenen die door belanghebbende zijn ingehuurd ten behoeve van de werkzaamheden bij de hoofdopdrachtgevers.

5.18.

Verder stelt belanghebbende dat geen sprake is van aanneming van werk omdat sprake is van intellectuele arbeid en dat om die reden de aansprakelijkstelling, voor zover er geen inlening is, dient te vervallen. Deze stelling behoeft gelet op het vorenstaande, waar is geoordeeld dat sprake is van inlening en geen aanneming van werk, geen bespreking. Om dezelfde reden is er geen plaats voor een beroep op disculpatie op grond van artikel 35, lid 4, IW 1990 .

e) Hoogte van de belastingschuld

5.19.

Belanghebbende heeft in het nader stuk dat is toegezonden voor de mondelinge behandeling van 3 december 2019 gesteld dat de belastingschuld van [Y] BV lager is dan waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld omdat op de verzamelloonstaat 2014 € 201.768, 41 is vermeld, op die van 2015 € 223.960,68 en op die van 2016 € 27.710,95, in totaal € 453.440,07 terwijl de aansprakelijkstelling voor de loonheffing € 509.062 bedraagt. De Ontvanger heeft ter zitting uiteengezet dat het verschil is terug te voeren tot de bedragen aan premie Zorgverzekeringswet die nog moeten worden geteld bij de bedragen die belanghebbende noemt afkomstig uit de verzamelloonstaat. Deze verklaring, die belanghebbende niet heeft bestreden, komt het Hof aannemelijk voor. Belanghebbende heeft de hiervoor genoemde stelling niet aannemelijk gemaakt.

f) Heeft belanghebbende door betaling van € 350.000 (een deel van) de naheffingsaanslagen waarvoor zij aansprakelijk is gesteld voldaan?

5.20.

Op 5 november 2015 heeft de Ontvanger executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van belanghebbende op de vordering die [Y] BV zou hebben op belanghebbende ter zake van facturen die [Y] BV aan belanghebbende heeft uitgereikt voor de arbeidskrachten die belanghebbende van [Y] heeft ingeleend en aan de (hoofd)opdrachtgevers ter beschikking heeft gesteld en welke facturen belanghebbende niet zou hebben betaald. Daaraan voorafgaand heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 3 november 2015 aan de Ontvanger verlof verleend om ten laste van belastingschuldige beslag te leggen onder (hoofd)opdrachtgevers van belanghebbende. De vordering van de Ontvanger is door de voorzieningenrechter begroot op een bedrag van € 500.000. Belanghebbende en de Ontvanger zijn nadien met elkaar in overleg getreden over de afwikkeling van het gelegde derdenbeslag. Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende aan de Ontvanger een bedrag van € 350.000 betaald. Hiermee heeft belanghebbende de vordering van de Belastingdienst op belanghebbende uit hoofde van het onder belanghebbende ten laste van [Y] BV gelegde executoriale derdenbeslag voldaan en derhalve niet (een deel van) de naheffingsaanslagen waarvoor zij aansprakelijk is gesteld..

g) Heeft de Belastingdienst bij belanghebbende vertrouwen gewekt dat met de betaling van een bedrag van € 350.000 aansprakelijkstelling van haar in het geheel achterwege zou blijven?

5.21.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat de Belastingdienst bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat de betaling van een bedrag van € 350.000 aan [Y] BV haar zou vrijwaren van aansprakelijkstelling voor door [Y] BV onbetaald gelaten naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting, geen feiten gesteld die, indien aannemelijk bevonden, dit standpunt zouden kunnen dragen. Hierbij neemt het Hof het volgende in aanmerking. In het e-mailbericht van de advocaat van belanghebbende van 11 december 2015 is duidelijk omschreven ten titel waarvan de betaling van € 350.000 geschiedt, te weten de uitwinning bij belanghebbende van de vordering die [Y] BV op belanghebbende heeft voor welke vordering beslag is gelegd onder belanghebbende. Wanneer daarop volgend de heer [H2] van de Belastingdienst in zijn e-mailbericht van 11 december 2015 bevestigt dat de zaak is afgewikkeld, heeft die uitlating betrekking op de uitwinning van de vordering die [Y] BV had op belanghebbende en kan een dergelijke uitlating redelijkerwijs niet bij belanghebbende of haar procesvertegenwoordiger de indruk wekken of hebben gewekt dat belanghebbende het bedrag zou betalen ter voorkoming van aansprakelijkstelling voor door [Y] BV onbetaald gelaten naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting.

h) Zijn de uitgewonnen WKA-tegoeden op de juiste wijze afgeboekt op de belasting-schulden?

5.22.

De Ontvanger heeft in het verweerschrift in hoger beroep bevestigd dat op grond van artikel 34.8.3 Leidraad Invordering 2008 het betaalde bedrag van € 350.000 uit het derdenbeslag meegenomen had moeten worden in de berekening van de aansprakelijkheid (tijdvak 2014) indien methode 2 wordt gehanteerd. De Ontvanger heeft in bijlage 2 bij de uitspraak op bezwaar uiteengezet dat de aansprakelijkstelling loonheffing van belanghebbende ingevolge artikel 34.8.1 en 35.1 van de Leidraad Invordering 2008 jo. artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 is vastgesteld op basis van methode 1 over 2014 (zie 2.21 hiervoor), omdat de uitkomst van die methode een lager bedrag aan aansprakelijkheid oplevert dan de uitkomst van methode 2 en belanghebbende aansprakelijk is gesteld voor het laagste bedrag van deze methoden. Voor de omzetbelasting over 2014 is belanghebbende in het geheel niet aansprakelijk gesteld. Met het bedrag van € 46.787 dat in 2014 is gestort op de G-rekening is bij methode 2 rekening gehouden, maar zoals reeds gezegd, levert methode 1 een lagere uitkomst op. Belanghebbende heeft in 2015 en 2016 geen bedragen op de G-rekening van [Y] BV gestort.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar opgeworpen stelling tot een lagere aansprakelijkstelling kan leiden.

i) Aansprakelijkstelling in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur? Heeft de Ontvanger te lang gewacht met aansprakelijk stellen?

5.23.

Belanghebbende stelt voorts dat de Ontvanger te lang heeft gewacht met het aansprakelijk stellen van belanghebbende omdat het tot november 2015 heeft het geduurd voor er beslag werd gelegd bij derden terwijl er vanaf augustus 2014 al niet werd betaald en in mei 2016 het WKA onderzoek was gestart. De omstandigheid dat de Ontvanger door middel van het leggen van derdenbeslagen bij de hoofdopdrachtgevers en bij belanghebbende heeft getracht de belastingschulden te innen alvorens tot aansprakelijkstelling over te gaan acht het Hof redelijk en niet in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het Hof wijst er nog op dat belanghebbende in 2016 steeds heeft getalmd met en uiteindelijk geen medewerking heeft verleend aan het WKA-onderzoek. Voor zover dat een vertraging heeft meegebracht voordat belanghebbende aansprakelijk werd gesteld, kan die vertraging niet voor rekening van de Ontvanger komen. Het geven van een beschikking aansprakelijkstelling is bovendien niet aan een termijn gebonden. Belanghebbende heeft niet gesteld dat zij in haar procespositie is geschaad en dat is het Hof ook niet gebleken.

j) Is een bedrag van de belastingschuld middels invordering door derden voldaan? Hoeveel bedraagt de belastingschuld thans en dient in verband daarmee de aansprakelijkstelling te worden verminderd?

5.24.

De Ontvanger heeft een afboekingsoverzicht overgelegd waarin is vermeld voor welke naheffingsaanslagen belanghebbende aansprakelijk is gesteld en welke bedragen aan belasting, rente en kosten door middel van de betaling van € 350.000 zijn afgeboekt. Daaruit blijkt dat belanghebbende, met uitzondering van een bedrag aan belasting van € 9.011 dat is afgeboekt op de naheffingsaanslag A.01.4080 inzake loonheffingen over augustus 2014, niet aansprakelijk is gesteld voor naheffingsaanslagen waarop het bedrag van € 350.000 is afgeboekt. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat de toerekening van de betalingen in strijd met artikel 7 van de IW 1990 heeft plaatsgevonden.

5.25.

Welk bedrag van de belastingschuld door middel van invordering bij derden is voldaan is niet van belang voor de onderhavige procedure waarbij het vaststellen van de beschikking aansprakelijkstelling in geding is en niet de uitwinning van deze beschikking.

De omvang van de aansprakelijkheid van een inlener en doorlener is de maximale verschuldigde loonbelasting en sociale verzekeringspremies ter zake van het werk. Op grond van artikel 27 van de Wet op de loonbelasting 1964 is de werkgever verplicht om op het tijdstip waarop het loon aan de werknemer wordt uitbetaald de verschuldigde toonheffingen in te houden. De aansprakelijkheid voor de loonheffingen van de inlener en doorlener ontstaat op datzelfde tijdstip en primair ook tot hetzelfde bedrag. Op grond van artikel 13 van de Wet op omzetbelasting 1968 wordt omzetbelasting verschuldigd in gevallen waarin ingevolge de artikelen 34b tot en met 35 van die wet een factuur moet worden uitgereikt. Dit is op het tijdstip van de uitreiking of, indien deze niet tijdig plaatsvindt het tijdstip waarop zij uiterlijk had moeten geschieden. In andere gevallen op het tijdstip waarop de levering of dienst wordt verricht. De aansprakelijkheid voor de omzetbelasting van de inlener ontstaat op datzelfde tijdstip en primair ook tot hetzelfde bedrag. Op grond van de in artikel 34.8.1 en 35.1 Leidraad Invordering 2008 jo. artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 neergelegde regeling wordt de aansprakelijkstelling berekend. De invordering van een beschikking aansprakelijkstelling zelf wordt beperkt tot de hoogte van de openstaande loonbelasting en sociale verzekeringspremieschuld van de uitlener. De inlener, in dit geval de doorlener, kan dus wel aansprakelijk worden gesteld voor een bedrag dat hoger is dan de nog openstaande schuld van de uitlener, maar de inlener kan op basis van de aansprakelijkheid niet voor meer worden uitgewonnen. dan de openstaande schuld van de uitlener. Voor het hiervoor in 5.24 vermelde bedrag van € 9.011 kan de aansprakelijkstelling bij belanghebbende niet worden uitgewonnen omdat deze niet meer behoort tot de openstaande schuld van uitlener [Y] BV maar dat heeft geen gevolgen voor de hoogte van de beschikking aansprakelijkstelling zelf.

Slotsom

5.26.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten, griffierecht en schadevergoeding

6.1.

Het Gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is er aanleiding de vergoeding van het griffierecht te gelasten.

6.2.

Belanghebbende heeft een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb gedaan, maar heeft dat verzoek niet met feiten en/of omstandigheden onderbouwd. Het verzoek is niet gesubstantieerd zodat het reeds daarom wordt verworpen.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door B.G. van Zadelhoff, H.A.J. Kroon en G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 19 mei 2020 in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is bij afwezigheid van mr. Zadelhoff ondertekend door mr. Kroon.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.