Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:867

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
BK-19/00626
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:5110, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verwijzingszaak (HR 13 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1318). Het Hof oordeelt dat de Rechtbank ten onrechte de door de Heffingsambtenaar in de beroepsfase genomen beslissing heeft aangemerkt als uitspraak op bezwaar. Verder oordeelt het Hof dat belanghebbende geen recht heeft op een hogere dan de forfaitaire proceskostenvergoeding. Evenmin heeft belanghebbende recht op een extra punt voor het beroep tegen de beslissing in de zin van artikel 6:19 Awb aangezien de bijlage bij het Besluit hierin niet voorziet. Tot slot oordeelt het Hof dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn omdat van een zodanige overschrijding in dit geval geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-04-2020
V-N Vandaag 2020/1140
FutD 2020-1415
V-N 2020/27.35.33
Belastingblad 2020/269 met annotatie van J.A. MONSMA
NTFR 2020/1622
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00626

Uitspraak van 31 maart 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: [B] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (de Rechtbank) van 18 juli 2017, nummer AMS 17/197.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 57,30. Dit bedrag bestaat uit € 2,40 aan parkeerbelasting en € 54,90 aan kosten.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de Heffingsambtenaar opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen, de Heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden en de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 248.

1.4.

De Heffingsambtenaar heeft op 1 december 2016 opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij de Heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende is hiertegen in beroep gegaan bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46.

1.5.

De Heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift kenbaar gemaakt de naheffingsaanslag alsnog te vernietigen, hetgeen door de Rechtbank is aangemerkt als een (nieuwe) uitspraak op bezwaar. Voorts heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende aangemerkt als te zijn gericht tegen deze (nieuwe) uitspraak op bezwaar.

1.6.

De Rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar genoemd onder 1.4 niet‑ontvankelijk verklaard, het beroep tegen de uitspraak op bezwaar genoemd onder 1.5 gegrond verklaard, de onder 1.5 genoemde uitspraak op bezwaar vernietigd, de Heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden en de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende (in bezwaar en beroep) tot een bedrag van € 741.

1.7.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 115. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep ongegrond verklaard.

1.8.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van belanghebbende bij arrest van 13 september 2019, nr. 18/03451, ECLI:NL:HR:2019:1318 (het verwijzingsarrest), gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Den Haag, het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam opgedragen aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 126 en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

1.9.

Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een schriftelijke conclusie naar aanleiding van het verwijzingsarrest in te dienen, ingekomen op 2 oktober 2019.

1.10.

Voorafgaand aan de zitting heeft het gerechtshof Den Haag (het Hof) de volgende stukken ontvangen:

  • -

    op 16 januari 2019 van de zijde van de Heffingsambtenaar een reactie op de schriftelijke conclusie van belanghebbende;

  • -

    Op 17 januari 2020 van de zijde van belanghebbende een nader stuk.

Voornoemde stukken zijn in kopie aan de wederpartij gezonden.

1.11.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 11 februari 2020, alwaar de Heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende en/of zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden aan de gemachtigde van belanghebbende op 24 december 2019 naar het adres [C] , [D] onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Blijkens de informatie op de website van PostNL is de brief op 28 december 2019 op het voornoemde adres bezorgd. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1

Het Hof gaat na cassatie op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde uit van de volgende feiten.

2.2.

De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd, gedagtekend 31 juli 2015.

2.3.

In de (nieuwe) uitspraak op bezwaar van 1 december 2016 (zie 1.4) is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“(…)De controleurs hebben op voornoemde datum een melding van de scanauto, die alle voertuigkentekens al rijdend controleert, ontvangen dat er geen parkeerrecht was voor uw auto. Vervolgens hebben de controleurs enige tijd later geen onmiddellijke laad- en losactiviteiten waargenomen en geen personen zien in- of uitstappen.

Op basis van de door u beschreven situatie wordt onvoldoende aangetoond dat er geen parkeerbelasting zou hoeven te worden betaald.

(…)”

2.4.

In het verweerschrift van 2 mei 2017 van de Heffingsambtenaar (zie onder 1.5) is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“ Nader onderzoek is aanleiding voor mij tegemoet te komen aan de grieven van [belanghebbende].

[Belanghebbende] stelt dat er geen sprake was van parkeren, maar van kortstondig stilstaan.

Gezien de onvolledigheid van de scangegevens is de stelling van [belanghebbende] niet te weerleggen en neem ik deze stelling, mede in het licht van proceseconomie, over.

Op grond van het bovenstaande beslis ik het volgende: ik vernietig naheffingsaanslag Parkeerbelastingen 2015, aanslagnummer […] van de gemeente Amsterdam. Het betaalde bedrag voor deze naheffingsaanslag zal worden terugbetaald.

Daarmee is het beroep gegrond. De gemeente Amsterdam Belastingen zal het betaalde griffierecht aan [belanghebbende] vergoeden.

(…)

Als [belanghebbende] (ook nog) om proceskosten verzoekt dan moet ook daarvoor eerst een uitspraak van de rechter volgen, voordat ik tot uitbetaling mag/kan overgaan.”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen:

4. [ De Heffingsambtenaar] heeft in zijn verweerschrift de naheffingsaanslag alsnog vernietigd. [De Heffingsambtenaar] heeft dus in zijn verweerschrift een nieuw besluit genomen (de bestreden uitspraak II). [Belanghebbende] stelt dat geen sprake was van parkeren, maar dat hij slechts korte tijd heeft stil gestaan om goederen te laden en te lossen. Volgens [de Heffingsambtenaar] beschikt hij over onvolledige scangegevens, zodat deze stelling van [belanghebbende] niet kan worden weerlegd. [De Heffingsambtenaar] heeft toegezegd het bedrag van de aanslag en het griffierecht aan [belanghebbende] te zullen vergoeden, op voorwaarde dat [belanghebbende] zijn beroep intrekt. Voor zover [belanghebbende] verzoekt om vergoeding van de proceskosten, overweegt [de Heffingsambtenaar] dat hiervoor een uitspraak van de rechtbank is vereist.

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen de bestreden uitspraak I niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet langer is gebleken van een belang bij een beoordeling van dit beroep. Op grond van artikel 6:19 van de Awb wordt het beroep van [belanghebbende] mede geacht te zijn gericht tegen de bestreden uitspraak II.

6. [ Belanghebbende] heeft in zijn reactie van 9 mei 2017 aangegeven dat hij zijn beroep niet intrekt. [Belanghebbende] heeft verzocht om [de Heffingsambtenaar] te veroordelen in de proceskosten (in bezwaar en beroep) die hij heeft gemaakt.

7. Op grond van artikel 7:15 van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

8. De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag is vernietigd vanwege het ontbreken van volledige scangegevens. Gelet daarop is sprake van een aan [de Heffingsambtenaar] te wijten onrechtmatigheid, in de zin van artikel 7:15 van de Awb. [Belanghebbende] heeft daarom recht op vergoeding van de proceskosten in bezwaar. De rechtbank stelt vast dat [de Heffingsambtenaar] in de bestreden uitspraak II ten onrechte aan [belanghebbende] geen proceskosten in bezwaar heeft toegekend. Het beroep van [belanghebbende] tegen de bestreden uitspraak II is in zoverre gegrond. De rechtbank zal de bestreden uitspraak II daarom vernietigen en alsnog proceskosten in bezwaar toekennen aan [belanghebbende]. De rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak II kunnen evenwel in stand blijven. Dat betekent dat [de Heffingsambtenaar] de naheffingsaanslag terecht heeft vernietigd.

9. Omdat de rechtbank het beroep van [belanghebbende] tegen de bestreden uitspraak II gegrond verklaart, bepaalt zij dat [de Heffingsambtenaar] het door [belanghebbende] betaalde griffierecht aan hem vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt [de Heffingsambtenaar] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 741,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 246,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). [Belanghebbende] is uitgenodigd voor een hoorzitting in bezwaar, maar niet verschenen, zodat daarvoor geen proceskosten worden toegekend.

(…)”

Het verwijzingsarrest

4. De Hoge Raad heeft, voor zover van belang, overwogen:

2.2.2

Het Hof heeft partijen op grond van het bepaalde in artikel 8:57, lid 1, Awb gewezen op de mogelijkheid in hoger beroep te worden gehoord. Belanghebbende heeft bij fax van 19 mei 2018 verzocht om een behandeling ter zitting. Het Hof heeft mondeling uitspraak gedaan zonder partijen ter zitting te hebben gehoord.

2.3

Aangezien belanghebbende binnen de door het Hof gestelde termijn heeft verklaard gebruik te willen maken van zijn recht op een mondelinge behandeling, had het Hof die mondelinge behandeling niet achterwege mogen laten. De uitspraak van het Hof kan daarom niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

5.1.

Na verwijzing is in geschil de hoogte van de proceskostenvergoeding. Meer specifiek is in geschil of sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigen en of de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten een punt toe te kennen voor het beroep tegen de beslissing in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

5.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de beslissing omtrent de proceskosten betreft, tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de daadwerkelijk door belanghebbende gemaakte proceskosten en tot toekenning van een vergoeding van immateriële schade.

5.3.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Overwegingen vooraf

6.1.

De Heffingsambtenaar heeft – na op 1 december 2016 uitspraak op bezwaar te hebben gedaan – in zijn verweerschrift van 2 mei 2017 de naheffingsaanslag alsnog vernietigd. Deze beslissing is door de Rechtbank aangemerkt als een nieuwe uitspraak op bezwaar. De Rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 1 december 2016 niet-ontvankelijk verklaard omdat niet langer is gebleken van een belang bij een beoordeling van dit beroep en het beroep van belanghebbende aangemerkt als te zijn gericht tegen de – door de Rechtbank aangemerkte – uitspraak op bezwaar van 2 mei 2017. De Rechtbank heeft het beroep tegen deze uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vervolgens vernietigd.

6.2.

Het Hof stelt voorop dat het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, meebrengt dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt. Dit betekent dat een nadere beslissing die de heffingsambtenaar - zonder tussenkomst van de rechter - neemt met betrekking tot de belastingaanslag waartegen bezwaar is gemaakt, niet is aan te merken als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, lid 2, Awb beroep kan worden ingesteld (HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516). De beslissing van de Heffingsambtenaar in het verweerschrift van 2 mei 2017 is derhalve geen beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld. De uitspraak van de Rechtbank kan dan ook niet in stand blijven.

Behandeling beroepsgronden door de Rechtbank

6.3.

Belanghebbende klaagt dat de Rechtbank zijn stelling dat hij recht heeft op toekenning van een integrale proceskostenvergoeding ten onrechte niet heeft behandeld. De klacht faalt. In een weigering een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen ligt besloten dat de Rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die aanleiding geven gebruik te maken van de bevoegdheid af te wijken van artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (zie HR 4 februari 2011, nr. 10/01397, ECLI:NL:HR:2011:BP2995 en HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:4). De Rechtbank was daarom niet tot een nadere motivering van haar afwijzing verplicht.

Proceskostenvergoeding

6.4.

Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een hogere dan de forfaitaire proceskostenvergoeding aangezien de Heffingsambtenaar tegen beter weten in heeft gehandeld door de naheffingsaanslag bij het doen van uitspraak op bezwaar te handhaven, terwijl op dat moment duidelijk was dat deze in een daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden. De Heffingsambtenaar heeft immers in zijn verweerschrift van 2 mei 2017 (zie 1.5) de volgende reden gegeven voor het alsnog vernietigen van de naheffingsaanslag: “Gezien de onvolledigheid van de scangegevens is de stelling van [belanghebbende inhoudende dat er geen sprake was van parkeren] niet te weerleggen en neem ik deze stelling, mede in het licht van proceseconomie, over.”, terwijl in de periode tussen de uitspraak op bezwaar en deze mededeling zich geen nieuwe feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan, aldus belanghebbende.

6.5.

Het Hof stelt voorop dat voor toekenning van een integrale proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit slechts grond is indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking geeft of uitspraak doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:BA2802).

6.6.

In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd vindt het Hof geen grond voor het oordeel dat het de Heffingsambtenaar bij het doen van uitspraak op bezwaar duidelijk was dat die uitspraak in de beroepsprocedure geen stand zou houden. Niet uitgesloten is immers dat de belastingrechter op grond van de - door belanghebbende niet betwiste - stellingen van de Heffingsambtenaar dat op 28 juli 2015 op de [E] te [Z] tegenover huisnummer […] een groene Fiat Punto 1.2 met het kenteken […] in stilstaande toestand is aangetroffen, dat in die straat een regeling voor betaald parkeren geldt, dat belanghebbende de houder van deze auto is en dat geen parkeerbelasting was voldaan voor de auto, tezamen met de scanfoto, tot het oordeel zou komen dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat in het belastingrecht de vrij bewijsleer geldt.

6.7.

Belanghebbende voert verder als grond voor een integrale proceskostenvergoeding aan dat de Heffingsambtenaar in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975. Belanghebbende heeft deze stelling niet met feiten en omstandigheden onderbouwd, zodat hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Voor zover in de stelling van belanghebbende in eerste aanleg in het nadere stuk van 9 mei 2017, inhoudende “er zijn helemaal geen controleurs geweest die enige tijd later al dan niet iets hebben waargenomen. Verweerder liegt!”, besloten ligt dat sprake is van in vergaande mate onzorgvuldig handelen van de Heffingsambtenaar als bedoeld in voormeld arrest, faalt deze stelling. De Heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift van 2 mei 2017 vermeld dat hij heeft geconstateerd niet over de verklaringen van de controleurs dat sprake was van parkeren te beschikken. Dat de uitspraak op bezwaar van 1 december 2016 niettemin (mede) op die verklaringen is gebaseerd kan mogelijk als onzorgvuldig worden aangemerkt, echter van een vergaande mate van onzorgvuldig handelen van de Heffingsambtenaar als bedoeld in het voornoemde arrest is naar het oordeel van het Hof geen sprake. Dat de verklaringen niet voorhanden waren laat immers de mogelijkheid open dat controleurs op 28 juli 2015 weldegelijk ter plaatse hebben geconstateerd dat sprake was van parkeren, alsmede dat de verklaringen van de controleurs op een later moment in het ongerede zijn geraakt.

6.8.

Ook overigens vindt het Hof geen aanleiding om voor de proceskostenveroordeling af te wijken van de in de bijlage bij het Besluit vermelde bedragen.

6.9.

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank heeft nagelaten een proceskostenvergoeding van één extra punt toe te kennen voor het beroep tegen de beslissing in de zin van artikel 6:19 Awb. Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen aangezien de bijlage bij het Besluit hierin niet voorziet.

Immateriële schadevergoeding

6.10.

Belanghebbende verzoekt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hij voert daartoe aan dat meer dan vier jaren zijn verstreken sinds het indienen van het bezwaarschift (24 augustus 2015) tot de uitspraak van het Hof.

6.11.

De Heffingsambtenaar stelt dat het leerstuk van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn enkel van toepassing is indien wordt geprocedeerd over een materieel geschilpunt en niet indien het geschil zich verder toespitst op de hoogte van de proceskostenvergoeding; met de in het verweerschrift van 2 mei 2017 gedane toezegging de naheffingsaanslag te vernietigen, is het materiële geschil reeds per die datum beëindigd.

Het Hof oordeelt dat deze stelling onjuist is. Het leerstuk van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is van toepassing totdat de procedure betreffende een (rijks- of gemeentelijke-)belastingaanslag definitief tot een einde is gekomen, dus ook indien het geschil in hoger beroep – zoals in het onderhavige geval – enkel nog ziet op de hoogte van de proceskostenvergoeding.

6.12.1.

Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade af. Het Hof neemt hierbij het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, waarin de Hoge Raad de in aanmerking te nemen termijnen uiteenzet, tot uitgangspunt.

6.12.2.

Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. Tevens geldt dat als de bestuursrechter de zaak terugwijst naar de inspecteur om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen, voor het vaststellen van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg niet een nieuwe behandelingsfase start. In zulke zaken geldt als uitgangspunt dat de berechting in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden als het totale tijdsverloop in deze fase, dat is dus de optelsom van het tijdsverloop van die fase vóór terugwijzing en van die fase na terugwijzing, langer heeft geduurd dan twee jaren. Daarbij geldt dat de duur van de hervatte berechting in eerste aanleg aanvangt op de dag nadat de terugwijzingsuitspraak is gewezen (zie HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1818). Belanghebbende heeft op 24 augustus 2015 een bezwaarschrift ingediend. Op 30 september 2016 heeft de Rechtbank de zaak terugverwezen naar de Heffingsambtenaar ten einde een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen. Op het beroep tegen deze nieuwe uitspraak op bezwaar, heeft de Rechtbank op 18 juli 2017 uitspraak gedaan, zodat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden.

6.12.3.

Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. Nu het gerechtshof Amsterdam uitspraak heeft gedaan op 30 oktober 2018 is ook deze termijn niet overschreden.

6.12.4.

Voor de berechting van de zaak in cassatie heeft als uitgangspunt te gelden dat de Hoge Raad uitspraak doet binnen twee jaar nadat beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad heeft arrest gewezen op 13 september 2019, zijnde binnen de voornoemde termijn.

6.12.5.

Indien de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt en het geding verwijst naar een gerechtshof, zoals in dit geval, heeft als uitgangspunt te gelden dat de verwijzingsrechter uitspraak doet binnen een jaar na het arrest van de Hoge Raad. Het Hof doet uitspraak op 31 maart 2020, zijnde ruim binnen de termijn van een jaar.

Slotsom

6.13.

Nu het Hof de uitspraak van de Rechtbank op grond van het genoemde onder 6.2 zal vernietigen, is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Proceskosten en griffierecht

7.1.

Het Hof zal de Heffingsambtenaar veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, die, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit en de daarbij behorende bijlage, worden vastgesteld op € 788 (ter zake van de behandeling bij het gerechtshof Amsterdam: 1 punt voor het hoger beroepschrift; ter zake van de behandeling bij het gerechtshof Den Haag: 0,5 punt voor de schriftelijke conclusie naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad, met een bedrag per punt van € 525 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1). Voor een hogere proceskostenvergoeding ziet het Hof geen aanleiding.

7.2.

Voorts dient de Heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht ten bedrage van € 115 te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen inzake de proceskostenvergoeding en het griffierecht,

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 788, en,

- gelast de Heffingsambtenaar aan belanghebbende een bedrag van € 115 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door W.M.G. Visser, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier J. de Vormer. De beslissing is op 31 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.

Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door Chr.Th.P.M. Zandhuis.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.