Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:821

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
200.251.235/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:8307, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alleen partijen die betrokken zijn geweest in de hoofdzaak, kunnen als partij worden gedagvaard in de schadestaatprocedure ex artikel 613 Rv. Het uitgaan van een andere (en dus onjuiste) wetsinterpretatie levert nog geen misbruik van procesrecht op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.251.235/01

Rolnummer rechtbank : C/09/548892 / HA ZA 18-244

arrest van 14 april 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. M. Ellens te Amsterdam,

tegen

1. CBR Fashion GmbH,

gevestigd te Celle, Duitsland,

2. CBR Fashion Holding GmbH,

gevestigd te Celle, Duitsland,

geïntimeerden in het principaal appel

appellanten in het incidenteel appel,

hierna gezamenlijk te noemen: CBR Fashion c.s.,

advocaat: mr. P. van der Velden te Rotterdam.

Het geding

Bij dagvaarding van 9 oktober 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het incidenteel vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2018, voor zover gewezen tussen partijen. [appellant] heeft bij memorie van grieven (met producties) zes grieven tegen het vonnis aangevoerd. CBR Fashion c.s. hebben de grieven in hun memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met producties) bestreden. Tevens hebben zij één incidentele grief tegen het vonnis aangevoerd. [appellant] heeft de incidentele grief bestreden bij memorie van antwoord in incidenteel appel (met productie). CBR Fashion c.s. hebben daarop een akte ex artikel 2.19 Landelijk Procesreglement genomen (met productie), waarop [appellant] heeft gereageerd met een antwoordakte. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

In het principaal en incidenteel appel:

1. Het hof gaat in dit geding uit van de volgende feiten:

1.1

Het vonnis van de rechtbank dat in dit hoger beroep aan de orde is, is gewezen in een schadestaatprocedure als bedoeld in artikel 613 Rv. Deze schadestaatprocedure is een vervolg op een door [appellant] tegen Street-One Modehandel B.V. (hierna: Street-One) gevoerde hoofdprocedure, waarin [appellant] Street-One heeft aangesproken op grond van dwaling/onrechtmatig handelen/wanprestatie met betrekking tot twee franchise-overeenkomsten. In de hoofdprocedure is Street-One onder meer veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan [appellant] , op te maken bij staat (ECLI:NL:GHDHA:2015:1707 en ECLI:NL:HR:2017:311).

1.2

In deze schadestaatprocedure heeft [appellant] , naast Street-One, ook CBR Fashion c.s. gedagvaard. De rechtbank heeft in haar vonnis van 11 juli 2018, waarvan beroep, [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen jegens CBR Fashion c.s. [appellant] is hiervan in hoger beroep gekomen.

1.3

De schadestaatprocedure tussen [appellant] en Street-One is voortgezet bij de rechtbank. Dit heeft geresulteerd in een eindvonnis van 3 oktober 2018, waarbij Street-One is veroordeeld tot betaling van € 301.745,28. Street-One is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft incidenteel appel ingesteld.

Ontvankelijkheid in hoger beroep:

2. CBR Fashion c.s. hebben aangevoerd dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit hoger beroep, aangezien hij hierbij geen rechtens te respecteren belang heeft. De door de rechtbank bij vonnis van 3 oktober 2018 aan [appellant] toegewezen schadevergoeding is immers inmiddels volledig door Street-One betaald. Het hof verwerpt dit verweer. [appellant] wijst er terecht op dat van het vonnis van de rechtbank van 3 oktober 2018 hoger beroep is ingesteld, en dat niet kan worden uitgesloten dat in hoger beroep een hoger bedrag aan schadevergoeding zal worden toegewezen dan in eerste aanleg. Evenmin kan worden uitgesloten dat Street-One ten tijde van de uitspraak in hoger beroep financieel niet meer in staat zal zijn om het aanvullende bedrag aan schadevergoeding aan [appellant] te betalen, terwijl CBR Fashion c.s. dan mogelijk nog wel verhaal bieden.


In het principaal appel voorts:

3. In het principaal hoger beroep is de vraag aan de orde of [appellant] in deze schadestaatprocedure als bedoeld in artikel 613 Rv gerechtigd is om tevens CBR Fashion c.s. te dagvaarden, hoewel CBR Fashion c.s. geen partij zijn geweest in de hoofdzaak. [appellant] stelt zich op het standpunt dat deze mogelijkheid bestaat. Naar zijn mening kunnen CBR Fashion c.s. als vennootschappen worden vereenzelvigd met Street-One. Verder zijn CBR Fashion c.s. volgens [appellant] actief betrokken geweest bij het onrechtmatig handelen van Street-One en is er sprake van hoofdelijke (mede)aansprakelijkheid van CBR Fashion c.s. voor de door [appellant] geleden schade op grond van artikel 6:166 lid 1 BW/6:102 lid 1 BW. Tot slot beroept [appellant] zich op de zorgplicht en bewijslastverdeling overeenkomstig de Wet Acquisitiefraude. Volgens [appellant] is de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding in de hoofdprocedure reeds vastgesteld, en is hij in deze schadestaatprocedure ook gerechtigd om andere partijen te betrekken die (hoofdelijk) mede aansprakelijk zijn voor de schade. [appellant] wijst er daarbij op dat hij bij een hoofdelijke verplichting tot het betalen van schadevergoeding niet verplicht is om alle hoofdelijk aansprakelijke partijen aan te spreken, maar dat hij zich tot één mag beperken, hetgeen hij in de hoofdzaak heeft gedaan door alleen Street-One te dagvaarden. Dit laat de verplichting van de andere hoofdelijke schuldenaren tot het vergoeden van zijn schade en daarmee zijn recht om ook hen in deze schadestaatprocedure te betrekken onverlet, aldus nog steeds [appellant] .

4. Het hof verwerpt dit betoog. Zoals reeds blijkt uit de tekst van artikel 613 Rv betreft de schadestaatprocedure de tenuitvoerlegging van een (in de hoofdprocedure uitgesproken) veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat. Een vonnis kan slechts worden tenuitvoergelegd jegens de partij(en) die in het vonnis is/zijn veroordeeld. Hieruit vloeit voort dat in de schadestaatprocedure geen partijen kunnen worden betrokken die geen partij zijn geweest in de hoofdprocedure.

5.
Anders dan [appellant] meent, is in de hoofdprocedure uitsluitend de grondslag van de aansprakelijkheid van Street-One beoordeeld en vastgesteld, en niet tevens die van eventuele andere schuldenaren zoals mogelijk CBR Fashion c.s.. Mogelijke andere schuldenaren waren immers geen partij in die procedure omdat [appellant] hen niet in rechte had betrokken.

Voor vereenzelviging van CBR Fashion c.s. met Street-One is geen grond. Street-One is een andere vennootschap dan CBR Fashion c.s. en het enkele feit dat Street-One mogelijk nauwe banden heeft met CBR Fashion c.s. en dat CBR Fashion c.s. nauw betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de franchise-overeenkomsten tussen [appellant] en Street-One maakt nog niet dat zij met elkaar kunnen worden vereenzelvigd. Street-One is in de hoofdprocedure veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [appellant] , de veroordeling ziet niet op CBR Fashion c.s.

6. Het hof overweegt verder dat het feit dat [appellant] ervoor mag kiezen om, ingeval van een hoofdelijke aansprakelijkheid van meerdere schuldenaren, slechts één partij aan te spreken, nog niet betekent dat hij zijn schade vervolgens in de schadestaatprocedure ook kan verhalen op de andere partijen die hij voor zijn schade aansprakelijk houdt. De uitspraak in de hoofdprocedure heeft immers geen gezag van gewijsde ten opzichte van deze andere partijen, die in de hoofdprocedure niet betrokken zijn geweest en die zich met betrekking tot hun mogelijke aansprakelijkheid dus ook niet hebben kunnen verdedigen. Voor een inhoudelijke beoordeling van hun (mede)aansprakelijkheid is in de schadestaatprocedure geen plaats. De schadestaatprocedure dient er toe om de schade vast te stellen, en hierin kunnen slechts onderwerpen aan de orde komen die van invloed zijn op de omvang van de schade. Het beroep van [appellant] op de Wet Acquisitiefraude wordt eveneens verworpen, omdat deze wet – wat hiervan verder ook zij – het bovenstaande oordeel van het hof niet anders maakt.

7. Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vorderingen tegen CBR Fashion c.s.. De rechtbank heeft niet een – zoals [appellant] dat aanduidt – zeer beperkte toepassing aan artikel 613 Rv gegeven, maar de enig juiste: partijen die niet in de hoofdzaak in rechte zijn betrokken, kunnen niet betrokken worden in de daarop voortbouwende schadestaatprocedure. De overige grieven die dat uitgangspunt miskennen leiden, wat daar van verder ook zij, niet tot een andere beslissing en hoeven daarom niet verder te worden besproken.

In het incidenteel appel voorts:

8. CBR Fashion c.s. hebben een incidentele grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is om [appellant] te veroordelen in de werkelijke proceskosten van CBR Fashion c.s., die zij voor de eerste aanleg hebben begroot op € 57.121,26 en voor het hoger beroep (na vermindering van eis) op € 5.837,50. CBR Fashion c.s. stellen dat sprake is van misbruik van procesrecht door [appellant] , aangezien hij zijn vordering heeft gebaseerd op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. [appellant] had redelijkerwijs moeten weten dat het niet mogelijk was om CBR Fashion c.s. in de schadestaatprocedure te betrekken. Ook simpele logica had hem tot deze conclusie moeten brengen. Dit is zo evident dat überhaupt geen jurisprudentie nodig zou zijn om dit in te zien. Ook het ontbreken van enig gerechtvaardigd belang van [appellant] in zijn vorderingen jegens CBR Fashion c.s. – zeker in hoger beroep – duidt op misbruik van procesrecht. Bovendien is iedere mogelijke vordering van [appellant] jegens CBR c.s. inmiddels verjaard.

9. Het hof verwerpt de incidentele grief. Dat [appellant] uitgaat van een onjuiste wetsinterpretatie – kort gezegd: dat ook partijen die niet in de hoofdzaak zijn betrokken wel betrokken kunnen worden in de daarop voortbouwende schadestaatprocedure – en CBR Fashion c.s. daarom zonder goede rechtsgrond in deze procedure heeft gedagvaard, levert nog geen misbruik van procesrecht op. Dat geldt ook voor dit hoger beroep, gelet op het feit dat de rechtbank erop heeft gewezen dat gesteld noch gebleken is dat er (vaste) jurisprudentie of literatuur bestaat over die mogelijkheid. Gelet op die overweging van de rechtbank hoefde [appellant] niet te begrijpen dat het instellen van hoger beroep evident kansloos was. Wat betreft het verder ontbreken van enig gerechtvaardigd belang van [appellant] bij het instellen van dit hoger beroep verwijst het hof naar r.o. 2 van dit arrest. Dat een eventuele vordering van [appellant] op CBR Fashion c.s. evident verjaard is, hetgeen [appellant] betwist, staat in deze procedure niet vast.

Conclusie in het principaal en incidenteel appel:

10. Uit het bovenstaande volgt dat het principaal en het incidenteel appel falen. Voor bewijslevering is geen aanleiding, nu geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die, indien bewezen, leiden tot een andere beslissing. Het hof zal het bestreden vonnis van de rechtbank bekrachtigen.

11. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal appel, CBR Fashion c.s. in de kosten in het incidenteel appel (met inbegrip van de door [appellant] gevorderde nakosten). Aangezien de aktes die zijn genomen na de memoriewisseling hoofdzakelijk betrekking hebben op de vraag of [appellant] in zijn memorie van antwoord in incidenteel appel – in strijd met de tweeconclusieregel – aanvullende argumenten heeft aangevoerd die betrekking hebben op zijn principale grieven, zal het hof deze aktes uitsluitend toerekenen aan het principaal appel.

Beslissing

Het hof:
In het principaal en incidenteel appel:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen incidenteel vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2018, voor zover gewezen tussen partijen;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in het principaal hoger beroep, aan de zijde van CBR Fashion c.s. tot op heden begroot op € 726,- aan griffierecht en € 1.611,- aan salaris advocaat (1,5 punt tarief II);

  • -

    veroordeelt CBR Fashion c.s. in de kosten van het geding in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 537,- aan salaris advocaat (0,5 punt tarief II) en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, C.A. Joustra en G. Tangenberg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.