Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:811

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
200.255.051/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemer vordert na plaatsing in lagere functie uitbetaling van maandelijkse prestatietoeslag. Ktr en hof oordelen dat werkgever niet gehouden is tot doorbetaling van toeslag die werknemer eerder ontving. Vgl. HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0482
JAR 2020/124
RAR 2020/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

afdeling civiel recht

zaaknummer: 200.255.051/01

zaaknummer rechtbank: 6925069 / CV EXPL 18-20808

arrest van 21 april 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. S. Karakaya-Pilavci te Leusden,

tegen

[naam] UNITED B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.N. Kampherbeek te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 18 februari 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 30 november 2018, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

Bij arrest van 30 april 2019 heeft het hof een comparitie van partijen bevolen.

Deze comparitie heeft plaatsgehad op 27 juni 2019. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Het proces-verbaal is op 21 oktober 2019 aan partijen verzonden.

[appellant] heeft een memorie van grieven tevens wijziging van eis, met producties, genomen.

[geïntimeerde] heeft vervolgens een memorie van antwoord, met producties, genomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis onder 2 (2.1 t/m 2.16) de feiten vastgesteld die bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[geïntimeerde] exploiteert een onderneming die zich bezig houdt met de productie en verwerking van groentenproducten.

[appellant] is met ingang van 1 oktober 2002 bij (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] voor onbepaalde tijd in dienst getreden in de functie van Logistiek Medewerker export. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor de Groenten- en Fruithandel van toepassing verklaard (hierna: de cao).

Met ingang van 1 augustus 2006 is aan [appellant] een maandelijkse toeslag toegekend van € 100,- bruto. Met ingang van 1 juli 2007 (dan wel met ingang van 1 augustus 2007) is deze maandelijkse toeslag verhoogd tot € 400,- bruto.

In 2011 heeft [appellant] promotie gemaakt naar de functie van Meewerkend Voorman. Een en ander is niet schriftelijk vastgelegd. De functie van Meewerkend Voorman is ingeschaald in loonschaal D van de cao. [appellant] behield de genoemde toeslag van € 400,- bruto per maand.

Op 4 januari 2016 hebben partijen een beoordelingsgesprek gevoerd. [geïntimeerde] heeft als conclusie getrokken dat het functioneren van [appellant] niet op het gewenste niveau was. In het schriftelijke, door beide partijen ondertekende verslag van dit gesprek is vermeld:

“Elke maand verbetertraject met ondersteuning vanuit HR met als doel Atadan weer naar tevredenheid te laten presteren. (…) Prestatietoeslag 400,- vervalt per 4-1-2016 Deze wordt in July 2016 opnieuw beoordeeld.”

Bij brief van [geïntimeerde] aan [appellant] van januari 2016 is onder meer vermeld:

“Huidige prestatietoeslag € 400

Prestatietoeslag per 1 januari 2016 € 0”

[appellant] heeft het verbetertraject succesvol afgerond. Bij brief van januari 2017 is aan [appellant] bericht dat zijn prestatietoeslag per 1 januari 2017 € 200,- bedraagt.

Bij brief van 9 februari 2017 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven:

“Ik wil graag stoppen als meewerkende voorman”

Bij brief van 20 februari 2017 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] bericht:

“Zoals reeds besproken, met [de Warehouse Manager] en door u bevestigd op 9 februari 2017, bevestigen wij u hierbij dat, op uw verzoek, uw functie van Meewerkend Voorman per 1 maart 2017 aangepast zal worden naar Logistiek Medewerker.

Uw prestatietoeslag van € 200,- zal hierdoor per 1 maart 2017 stop gezet worden. Uw salaris zal hierdoor niet veranderen.”

3 Beoordeling

3.1.

In deze procedure gaat het, na wijziging van eis in hoger beroep, om de vraag of [appellant] aanspraak heeft behouden op een maandelijkse toeslag van € 400,- bruto vanaf 1 januari 2016. De kantonrechter heeft geconcludeerd dat [appellant] in zijn huidige functie van Logistiek Medewerker geen recht heeft op de door hem gevorderde prestatietoeslag en de vorderingen van [appellant] - in eerste aanleg gericht op betaling van een prestatietoeslag van € 400,- bruto per maand vanaf januari 2017, met wettelijke verhoging en wettelijke rente en kosten - afgewezen.

3.2.

Naar aanleiding van de tegen deze beslissing gerichte grieven overweegt het hof als volgt.

3.3.

Het standpunt van [appellant] houdt kort gezegd in dat de door hem ontvangen maandelijkse toeslag van € 400,- bruto een arbeidsvoorwaarde was en dat zijn aanspraak daarop niet afhankelijk was van goed functioneren en evenmin afhankelijk was van de door hem verrichte functie en dat [geïntimeerde] niet gerechtigd was de hoogte van de toeslag te wijzigen. Partijen zijn het erover eens dat de beoordeling hiervan moet plaatshebben aan de hand van gezichtspunten zoals genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, onder 4.3.3.

3.4.

[geïntimeerde] heeft overgelegd een brief van 20 juli 2006 van haar (althans haar rechtsvoorganger) aan [appellant] , die het volgende inhoudt:

“Het verheugt ons u te kunnen mededelen dat met ingang van 1 augustus 2006 aan u een persoonlijke toeslag van € 100,00 bruto wordt toegekend. Dit in verband met de uw persoonlijke groei in uw functie. Gedurende de laatste maanden is gebleken dat u in staat bent te functioneren als vervangend halchef hal 2.

Deze persoonlijke toeslag is een variabele toeslag, bestemd voor die personeelsleden die boven gemiddeld presteren. Mocht blijken dat gedurende een jaar de prestaties achter blijven ten opzichte van het boven-gemiddelde, dat komt de persoonlijke toeslag in het volgende jaar te vervallen. Dit zal u dan ook worden medegedeeld. Het betreft hier dus geen vast, maar een variabel loonbestanddeel. Bij langdurige afwezigheid –langer dan 4 weken- zal deze persoonlijke toeslag eveneens komen te vervallen. (…)”.

Bij brief van 19 juli 2007 heeft [geïntimeerde] (althans haar rechtsvoorganger) het volgende bericht aan [appellant] :

“Naar aanleiding van de toezegging door de heer [naam 2] , met betrekking tot uw inzet en flexibiliteit voor de werkzaamheden voor BAMA, kunnen wij u mededelen dat met ingang van 1 juli 2007 uw persoonlijke toeslag wordt verhoogd van € 100,00 bruto naar € 400,00 bruto. Het betreft dus een verhoging van € 300,00 bruto.

Deze persoonlijke toeslag is een variabele toeslag, bestemd voor die personeelsleden die boven gemiddeld presteren. Mocht blijken dat de prestaties gedurende een langere periode -langer dan 3 maanden- achter blijven ten opzichte van het boven-gemiddelde, dat komt de persoonlijke toeslag te vervallen. Dit zal u dan ook worden medegedeeld in een persoonlijk gesprek. Het betreft hier dus geen vast, maar een variabel loonbestanddeel. Bij langdurige afwezigheid –langer dan 4 weken- zal deze persoonlijke toeslag eveneens komen te vervallen. (…)”.

In het licht van deze mededelingen kan niet als juist worden aanvaard het standpunt van [appellant] dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat de in het verleden door hem maandelijks ontvangen toeslag een vast loonbestanddeel was dat los stond van de waardering van zijn functioneren. [appellant] heeft weliswaar betwist dat hij de brief van 20 juli 2006 destijds heeft ontvangen, maar aan te nemen valt dat [appellant] dan wel anderszins op de hoogte is gekomen van de globale inhoud daarvan. In elk geval komt de inhoud van de brief op dit punt overeen met die van 19 juli 2007. Dat de toekenning van deze toeslag gedurende een aantal jaren geen onderwerp van gesprek is geweest tussen partijen brengt daarin geen verandering. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [appellant] eerst in januari 2016 werd meegedeeld dat de toeslag op nihil werd gezet omdat zijn functioneren als onvoldoende werd beoordeeld, hoewel zijn functioneren enkele jaren slechts als voldoende respectievelijk als matig werd beoordeeld. Met het voorgaande strookt overigens dat van de zijde van [appellant] zelf bij e-mail van 12 oktober 2017 aan [geïntimeerde] is meegedeeld dat [appellant] de toeslag ontving “omdat hij bovengemiddeld presteerde” en dat [appellant] aanvankelijk - tot en met de procedure in eerste aanleg - kennelijk ook aanvaardde dat hij in 2016 geen toeslag meer ontving. Ten slotte vindt het voorgaande bevestiging in het feit dat [appellant] in elk geval in 2016 t/m 2018 een brief heeft ontvangen van [geïntimeerde] betreffende de arbeidsvoorwaarden voor het desbetreffende jaar. In de brieven uit 2017 en 2018 is opgenomen dat de prestatietoeslag jaarlijks opnieuw wordt beoordeeld.

3.5.

Het hiervoor overwogene staat in de weg aan toewijzing van de vordering over de periode van 1 januari 2016 tot 1 januari 2017, welke vordering in de kern berust op het betoog van [appellant] dat zijn aanspraak op maandelijkse toeslag geheel los staat van de beoordeling door [geïntimeerde] van diens functioneren.

3.6.

Over de periode januari en februari 2017 heeft [appellant] weliswaar een toeslag ontvangen, maar niet een toeslag van € 400,- bruto per maand. Over deze periode bedroeg de toeslag € 200,- bruto per maand. Voor zover [appellant] zijn vordering over deze periode heeft gegrond op hetzelfde betoog als hiervoor besproken, verwijst het hof naar het eerder overwogene. [appellant] heeft ook gesteld dat [geïntimeerde] niet gerechtigd was verandering te brengen in de hoogte van de toeslag. Ook dit standpunt is ondeugdelijk. Partijen zijn het erover eens dat het beleid van [geïntimeerde] ten aanzien van de toekenning van een toeslag niet is vastgelegd. [appellant] heeft zelf ervaren dat zijn maandelijkse toeslag aanvankelijk € 100,- bruto bedroeg en daarna werd verhoogd tot € 400,- bruto. Hiervoor is geoordeeld dat [geïntimeerde] gerechtigd was de toekenning van toeslag afhankelijk te stellen van haar waardering van het functioneren van [appellant] . Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat [geïntimeerde] niet gerechtigd was vanaf 1 januari 2017 aan [appellant] een lager bedrag aan toeslag toe te kennen dan voorheen. De omstandigheid dat [appellant] gedurende een reeks van jaren een maandelijkse toeslag had ontvangen van € 400,- bruto is tegen de hiervoor beschreven achtergrond onvoldoende om aan te nemen dat [appellant] erop mocht vertrouwen dat hem na verbetering van zijn functioneren ook weer een toeslag van € 400,- zou worden toegekend. Bij memorie van grieven heeft [appellant] gesteld dat [geïntimeerde] hem begin 2016 en later medio 2016 heeft toegezegd dat hij na het verbetertraject zijn maandelijkse toeslag van € 400,- bruto zou ontvangen. In het licht van de ter comparitie door [appellant] aan de raadsheer-commissaris gegeven inlichting dat aan hem “was toegezegd dat na zes maanden na aanvang van mijn verbetertraject zou worden gekeken of ik mijn prestatietoeslag zou terug krijgen” begrijpt het hof deze stelling zoals weergegeven in het proces-verbaal en dus in die zin dat aan [appellant] is toegezegd dat hem weer toeslag zou kunnen worden toegekend na succesvolle afronding van het verbetertraject. Het laatste is ook in overeenstemming met de hierboven aangehaalde inhoud van het verslag van het beoordelingsgesprek van 4 januari 2016. Geconcludeerd moet worden dat [geïntimeerde] niet in strijd met zodanige toezegging heeft gehandeld door [appellant] met ingang van 1 januari 2017 een toeslag toe te kennen van € 200,- bruto per maand. Het bewijsaanbod van [appellant] is daarom niet ter zake dienend.

3.7.

Voor de periode vanaf 1 maart 2017 - met ingang van welke datum [appellant] weer werkzaam is als Medewerker Logistiek en zijn maandelijkse toeslag is beëindigd - stelt [appellant] zich op het standpunt dat zijn functiewijziging niet van invloed behoort te zijn op zijn aanspraak op toeslag. In de visie van [appellant] is de maandelijkse toeslag een verworven recht dat hij kan doen gelden ongeacht welke functie hij bij [geïntimeerde] bekleedt.

3.8.

Het is waar dat aan [appellant] nooit uitdrukkelijk is meegedeeld dat de toekenning van toeslag samenhing met een bepaalde door [appellant] uitgevoerde functie, terwijl [geïntimeerde] ook binnen haar onderneming niet uitdrukkelijk heeft kenbaar gemaakt welk beleid zij op dit punt voerde. Daartegenover staat dat [appellant] heeft erkend dat de toeslag destijds weliswaar aan hem is toegekend toen hij nog de functie van Logistiek Medewerker vervulde, maar dat hij in de desbetreffende periode (2006 tot zijn promotie tot Meewerkend Voorman in 2011) niet enkel de reguliere werkzaamheden behorend bij de functie van Medewerker Logistiek verrichtte. [appellant] heeft zich destijds kennelijk onderscheiden van zijn collega’s door zijn halchef te vervangen tijdens diens ziekte en door in het bijzonder werkzaam te zijn voor BAMA. Het hof begrijpt dat BAMA in die periode een grote klant was van [geïntimeerde] en dat de werkzaamheden van Logistiek Medewerker voor deze klant anders, complexer, waren dan de gebruikelijke werkzaamheden van een Logistiek Medewerker. Aangenomen moet worden dat de toekenning van toeslag in 2006, verhoging daarvan in 2007 en voortzetting tot de promotie in 2011 rechtstreeks verband hielden met de genoemde bijzondere, niet reguliere werkzaamheden van [appellant] . Dat volgt immers uit de eerder aangehaalde brieven van 20 juli 2006 en 19 juli 2007, waarbij het hof ervan uitgaat dat ook indien [appellant] de brief van 20 juli 2006 destijds niet heeft ontvangen, [appellant] bekend was met de aanleiding voor de toekenning van de toeslag.

3.9.

[appellant] heeft na zijn promotie in 2011 gedurende een aantal jaren als Meewerkend Voorman maandelijkse toeslag ontvangen. Het is niet in geschil dat deze functie ten opzichte van de (reguliere) functie van Logistiek Medewerker een complexere functie is en dat de (reguliere) functie van Logistiek Medewerker lichtere taken en minder verantwoordelijkheden meebrengt dan die van Meewerkend Voorman. [appellant] heeft bovendien naar voren gebracht dat hij als Meewerkend Voorman werd tewerkgesteld op een als lastig bekend staande afdeling bij [geïntimeerde] , dat zijn werk op de nieuwe afdeling veel zwaarder was en dat zijn salaris hetzelfde bleef. Onder deze omstandigheden zou het verbazing wekken als [appellant] bij zijn promotie zijn maandelijkse toeslag zou zijn kwijtgeraakt. Dezelfde omstandigheden brengen echter mee dat geen goede grond bestaat voor het standpunt van [appellant] dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat hij aanspraak zou behouden op een toeslag, onafhankelijk van de functie die hij bij [geïntimeerde] vervulde, laat staan dat [appellant] erop mocht vertrouwen dat hij na terugkeer in zijn vorige functie van Logistiek Medewerker (maar dan ontdaan van de bijzondere taken die hij in die functie laatstelijk vervulde) het recht op toeslag zou behouden.

3.10.

Het voorgaande zou anders kunnen zijn indien ook andere werknemers die de reguliere taken van Logistiek Medewerker verrichtten toeslag zouden ontvangen. Dat dit het geval is geweest, kan echter niet worden aangenomen. [appellant] betwist niet dat de huidige Logistiek Medewerkers geen toeslag ontvangen. [appellant] heeft gesteld dat zijn voormalige [collega] ook in de functie van Logistiek Medewerker een vaste maandelijkse toeslag heeft ontvangen. Die enkele stelling is niet voldoende om te kunnen aannemen dat [geïntimeerde] jegens werknemers in deze functie een gedragslijn volgde die steun kan bieden aan de stellingen van [appellant] . Waar het om gaat, is immers of het werknemers in deze functie betrof die reguliere taken verrichtten. Ook het door [appellant] als productie 3 bij memorie van grieven overgelegde vonnis van de kantonrechter van 28 juli 2017 kan [appellant] niet baten. Uit dat vonnis leidt het hof af dat ook deze werknemer niet een ‘reguliere’ Logistiek Medewerker was (2.4 en 3.3) en dat de omstandigheden ook overigens niet goed vergelijkbaar zijn. Het standpunt van [geïntimeerde] dat Logistiek Medewerkers in beginsel geen toeslag ontvingen, vindt steun in de door haar in eerste aanleg als productie 11 overgelegde brief aan een werknemer die ervoor koos te stoppen als Meewerkend Voorman om de functie van Logistiek Medewerker te gaan vervullen en aan wie om die reden niet langer toeslag werd toegekend.

3.11.

Op het voorgaande stuiten de grieven af. Bij verdere afzonderlijke bespreking van de grieven bestaat onvoldoende belang.

3.12.

Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd en de bij wege van wijziging van eis ingestelde vordering zal worden afgewezen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

wijst af hetgeen [appellant] bij wege van wijziging van eis heeft gevorderd;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten tot de datum van dit arrest aan de zijde van [geïntimeerde] op € 741,- wegens verschotten en € 2.148,- wegens salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Frikkee, R.J.F. Thiessen en M.T. Nijhuis en door de rolraadsheer uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.