Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:780

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
2200375919
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging veroordeling mishandeling met aanvulling bewijsmiddel en wijziging straf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003759-19

Parketnummer: 09-109583-19

Datum uitspraak: 24 maart 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 1 augustus 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1976,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 10 maart 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met de algemene en bijzondere voorwaarden als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven. De opgelegde bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 6 mei 2019 te Delft zijn levensgezel, [slachtoffer 1], heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] op/tegen het gezicht te slaan;

2.
hij op of omstreeks 6 mei 2019 te Delft zijn kind, [slachtoffer 2], heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] op/tegen haar wang, in elk geval het hoofd, te slaan.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met de algemene en bijzondere voorwaarden als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven, met bevel dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan. In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Overigens zal het hof het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van gronden bevestigen.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige echtgenote en zijn dochter. Door zijn handelingen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Daarnaast veroorzaken misdrijven als de onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Doorslaggevend daarbij is dat de verdachte niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld en dat het contact tussen hem en zijn ex-vrouw inmiddels definitief is verbroken. Hij heeft ter zitting aangegeven dat hij sinds het incident van 6 mei 2019 geen contact meer heeft gehad met zijn vrouw en dochter; hij woont inmiddels bij zijn broer. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring. Niet is gebleken dat de verdachte de hem ter zake opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarde heeft overtreden.

Deze omstandigheden maken dat het hof de kans op recidive laag inschat. Om die reden zal aan de op te leggen voorwaardelijke straf geen contact- en locatieverbod worden verbonden.

Wel acht het hof toezicht door de reclassering noodzakelijk om de verdachte te ondersteunen en waar nodig aan hem hulp te bieden om op de ingeslagen weg door te gaan.

Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvulling aanbrengt.

Bewijsmiddel

Het hof vult de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met het volgende bewijsmiddel:

Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 mei 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. [registratienummer].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – ([vindplaats]):

als relaas van de desbetreffende verbalisant:

Op 6 mei 2019 zag ik, verbalisant [naam verbalisant], in de woonkamer van de woning aan de [adres] te Delft een man op de bank zitten. Op mijn vraag wat zijn naam is hoorde ik de man zeggen: “ik heet [voornaam]”. Nadat ik [verdachte] vertelde dat hij niet verplicht was om te antwoorden op mijn vragen vroeg ik hem wat zich zojuist had afgespeeld. Vervolgens vertelde [verdachte] dat er onenigheid was ontstaan tussen zijn vrouw en zijn dochter, waarna hij zijn dochter met de vlakke hand een klap op haar rechterwang gaf. Kort daarna was [slachtoffer 1], de vrouw van [verdachte], tussenbeide gekomen waarna [verdachte] haar met gebalde vuist op haar mond sloeg.

Het vonnis waarvan beroep dient - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A. Pit, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. F.W. van Lottum, in bijzijn van de griffier mr. S. Hartog-Zamani.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 maart 2020.

Mrs. C.G.M. van Rijnberk, F.W. van Lottum en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.