Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:758

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
200.253.772/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bij voortijdige beëindiging huur bedrijfsruimte afspraak teruggave waarborgsom? bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.253.772/01

Zaaknummer rechtbank : 5803170 \ CV EXPL 17-9211

Arrest d.d. 31 maart 2020

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.V. van Blitterswijk te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.C. de Jong te Rotterdam.

Het geding

Het hof heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    het procesdossier van eerste aanleg, waaronder het bestreden eindvonnis van 26 oktober 2018;

  • -

    de appeldagvaarding (met productie) van 24 januari 2019, houdende één grief;

  • -

    de memorie van antwoord.

Bij tussenarrest van 2 april 2019 is een comparitie gelast, maar deze heeft niet plaatsgevonden. Vervolgens is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak, voor zover thans van belang, om het volgende.

1.1.

[geïntimeerde] heeft in maart 2016 van [appellant] een bedrijfsruimte in Rotterdam gehuurd, voor de duur van twee jaar met ingang van 1 april 2016. De huur bedroeg € 1.700,- per maand. [geïntimeerde] heeft bij aanvang van de huur een waarborgsom van € 5.100,- aan [appellant] betaald.

1.2.

Eind juni 2016 hebben partijen de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd.

1.3.

Binnen enkele weken daarna vond [appellant] een nieuwe huurder.

2. [geïntimeerde] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd (kort samengevat en voor zover in appel nog relevant): de veroordeling van [appellant], bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van de waarborgsom van € 5.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 19 december 2016, en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. [geïntimeerde] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [appellant] tot terugbetaling is verplicht op grond van de tussen hen gesloten huurovereenkomst en op grond van de tussen hen beiden bij het beëindigen van de huurovereenkomst in juni 2016 gemaakte afspraak. [geïntimeerde] stelt dat hij en [appellant] in aanwezigheid van getuigen in de door hem van [appellant] gehuurde winkel hebben afgesproken dat [geïntimeerde] een boete zou betalen van € 1.500,- in verband met de voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst en dat [appellant] op zijn beurt de waarborgsom aan [geïntimeerde] zou terugbetalen als hij een nieuwe huurder voor de winkel had gevonden.

3. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [appellant] betwist dat het door [geïntimeerde] gestelde gesprek in de winkel heeft plaatsgevonden. Volgens [appellant] heeft er wel een gesprek plaatsgevonden in de garage van [appellant], nadat [geïntimeerde] ineens uit de winkel was vertrokken zonder de huur op te zeggen. Tijdens dat gesprek, waar getuigen bij waren, is afgesproken dat [appellant] de waarborgsom mocht houden in verband met de voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst, aldus [appellant].

4. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat bij de beëindiging van de huurovereenkomst is afgesproken dat [appellant] de waarborgsom aan [geïntimeerde] zou terugbetalen, zodra [appellant] een nieuwe huurder had gevonden voor de winkel.

5. Hierna zijn aan de zijde van [geïntimeerde] gehoord: de getuigen [getuige 4] (hierna: [getuige 1]), [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) en [getuige 4] (hierna: [getuige 4]). Deze vier getuigen, die ieder al een schriftelijke verklaring hadden afgelegd (bijlagen bij dagvaarding), hebben bevestigd dat [geïntimeerde] een boete van € 1.500,- aan [appellant] heeft betaald en dat [appellant] heeft toegezegd de waarborgsom aan [geïntimeerde] terug te betalen zodra [appellant] een nieuwe huurder zou hebben gevonden. Deze afspraak is volgens hen in de winkel gemaakt.

6. Aan de zijde van [appellant] zijn in contra-enquête gehoord: de getuigen [getuige 5] (hierna [getuige 5]) en [getuige 6] (hierna: [getuige 6]). Deze getuigen hebben verklaard dat [geïntimeerde] in de garage van [appellant] tegen [appellant] heeft gezegd dat hij de waarborgsom niet terug hoefde te hebben. Van [getuige 5] had [appellant] bij conclusie van antwoord al een schriftelijke verklaring overgelegd. Ook van Youssef Tahtahi (hierna: Tahtahi) bevindt zich een schriftelijke verklaring in het dossier die het verweer van [appellant] ondersteunt, maar deze persoon is niet als getuige gehoord.

7. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter, voor zover thans van belang, overwogen dat [geïntimeerde] geslaagd is in zijn bewijsopdracht. [appellant] is veroordeeld tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van de waarborgsom van € 5.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 19 december 2016. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

8. In appel vordert [appellant] vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog afwijzing van het gevorderde, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [geïntimeerde] in de proceskosten. De grief van [appellant] houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] is geslaagd in zijn bewijsopdracht. [appellant] voert daar verschillende argumenten voor aan, waar het hof hieronder op in zal gaan. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

9. De grief faalt. De stelling van [geïntimeerde] dat is afgesproken dat [appellant] de waarborgsom zou terugbetalen als hij een nieuwe huurder had gevonden, is door vier getuigen onder ede bevestigd. De getuigenverklaringen komen op de relevante onderdelen met elkaar overeen en corresponderen bovendien met de eerder door deze getuigen opgestelde schriftelijke verklaringen uit januari 2017 (ca 7 maanden na de beëindigingsafspraak).

10. Naar het oordeel van het hof zijn deze getuigenverklaringen dan ook overtuigend en is [geïntimeerde] aldus erin geslaagd zijn stelling te bewijzen. Hetgeen [appellant] tegen deze getuigenverklaringen als bezwaren heeft ingebracht, doet daaraan om de volgende redenen niet af.

10.1.

Het hof ziet in de eerste plaats geen aanleiding om aan te nemen dat de door [geïntimeerde] voorgebrachte getuigen – zoals [appellant] stelt - bewust en in strijd met de waarheid hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, of om de verklaringen als ongeloofwaardig ter zijde te schuiven. Het feit dat de verklaringen op hoofdpunten overeenstemmen maar dat er op details en overige punten verschillen zijn, is daarvoor niet voldoende. De verschillen zijn naar het oordeel van het hof immers niet zo opvallend dat aan de geloofwaardigheid van de verklaringen moet worden getwijfeld. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat de getuigen moesten verklaren over een gebeurtenis van ongeveer anderhalf jaar daarvóór, zodat niet vreemd is dat zij zich niet alles tot in detail konden herinneren. [appellant] heeft bijvoorbeeld ook niet gesteld dat het weer die dag dermate opvallend/afwijkend was dat de getuigen zich dat redelijkerwijs hadden moeten herinneren. [appellant] wijst voorts nog op het feit dat [getuige 4] het in zijn schriftelijke verklaring heeft over een gesprek “eind juni”, terwijl hij als getuige heeft verklaard dat het om een gesprek op 16 juni 2016 ging, maar (ook) dat is geen wezenlijk verschil dat meebrengt dat de hele verklaring niet meer geloofwaardig is.

10.2.

Aan [appellant] kan worden toegegeven dat opvallend is dat afroepkracht/stagiair [getuige 3] € 500,- op zak had, maar dat enkele feit maakt niet dat helemaal geen geloof meer kan worden gehecht aan zijn verklaring. [appellant] plaatst ook nog vraagtekens bij het feit dat [getuige 4] heeft verklaard dat hij door [geïntimeerde] is gebeld met de vraag of hij hem geld kon lenen en of hij dat geld naar de winkel kon brengen. [appellant] voert aan dat het vreemd is dat [geïntimeerde] dit verzoek zou hebben gedaan nog voordat de (door [geïntimeerde] gestelde) afspraak in de winkel tussen [geïntimeerde] en [appellant] werd gemaakt. Ook deze tegenwerping leidt niet tot een andere conclusie. Opvallend is dat [getuige 4] consequent is op dit punt. Zowel in zijn schriftelijke verklaring als in zijn mondelinge verklaring als getuige vertelt hij over dit telefonische verzoek. Het is bovendien ook niet zo vreemd als [appellant] suggereert: zoals [geïntimeerde] terecht opmerkt is het zeer wel mogelijk dat in een eerder contact tussen [geïntimeerde] en [appellant] het betalen van een boete al als mogelijke oplossing naar voren is gebracht en dat [geïntimeerde] daar dus op heeft geanticipeerd. Uit de verklaring van de door [appellant] voorgebrachte getuige [getuige 5] lijkt ook te volgen dat er meerdere momenten zijn geweest waarop is gesproken over de financiële afwikkeling van de beëindiging van de huurovereenkomst.

10.3.

Tot slot is er nog het argument van [appellant] dat het vreemd is dat er geld is geleend om een boete te kunnen betalen, terwijl de boete ook verrekend had kunnen worden met de waarborgsom. [geïntimeerde] heeft daar terecht tegen ingebracht dat de afspraak luidde dat [appellant] de waarborgsom pas zou terugbetalen als hij een nieuwe huurder zou hebben gevonden. Verrekening was dus op dat moment niet aan de orde.

10.4.

Tegenover de voldoende geloofwaardige en overtuigende verklaringen van de vier getuigen van [geïntimeerde] leggen de getuigenverklaringen van [getuige 5] en [getuige 6] en de schriftelijke verklaring van Tahtahi onvoldoende gewicht in de schaal in het voordeel van [appellant]. In dat verband is met name van belang dat [getuige 5] op de vraag of [appellant] ooit heeft gezegd dat [geïntimeerde] de waarborgsom terug zou krijgen als hij een boete zou betalen, heeft verklaard dat niet zeker te weten. Voorts heeft de verklaring van Tahtahi minder zwaarwegende bewijswaarde, omdat hij niet als getuige is gehoord en er dus geen gelegenheid is geweest hem vragen te stellen.

11. De conclusie luidt dat het appel faalt en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de kosten van [geïntimeerde] in appel zal worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden eindvonnis van 26 oktober 2018;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten, in appel tot op heden aan de kant van [geïntimeerde] begroot op € 324,- aan griffierecht en € 759,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, M.A.F. Tan - de Sonnaville en J.I. de Vreese-Rood en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2020 in aanwezigheid van de griffier.