Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:746

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
2200118019
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mensensmokkel; Art. 197a lid 1 en lid 2 Sr. Transport met vrachtwagen via Duitsland, Nederland, Hoek van Holland richting Groot-Brittannië met de ferry. Vrijspraak vanwege het ontbreken van bewijs voor de wetenschap van de verdachte met betrekking tot de aanwezigheid van Iraakse vrouw met haar 2 jonge kinderen in de laadruimte van de vrachtwagen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001180-19

Parketnummer: 10-754509-18

Datum uitspraak: 19 maart 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

blijkens het door de verdachte ter zitting in hoger beroep op schrift gestelde adres, wonende op het navolgende buitenlandse adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 5 maart 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, in of omstreeks de periode van 15 maart 2018 tot en met 16 maart 2018 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, althans in Nederland en/of te Gronau (Duitsland), althans in Duitsland en/of in Polen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van enig ambt of beroep, te weten zijn beroep van (vrachtwagen)chauffeur, een ander of anderen, te weten drie, althans één of meer, personen met de Iraakse nationaliteit, althans van buitenlandse afkomst,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Polen en/of Duitsland en/of Groot-Brittannië, en/of genoemde personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft

en/of

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Polen en/of Duitsland en/of Groot-Brittannië, en/of genoemde personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft

door

- bovengenoemde personen in de laadruimte van een vrachtwagen te (laten) vervoeren door Polen en/of Duitsland en/of Nederland, en/of

- een ticket aan te (laten) schaffen voor de ferry

([ferrymaatschappij]) naar Groot-Brittannië en/of

- met bovengenoemde personen in de laadruimte van een vrachtwagen naar het controlepunt van de Koninklijke Marechaussee te (laten) rijden met als doel uit te reizen naar Groot-Brittannië,

en (aldus) de doorreis en/of het transport en/of toegang door/naar en/of het verblijf in Polen en/of Duitsland en/of Nederland en/of Groot-Brittannië georganiseerd en/of gefaciliteerd

terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s), wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis of dat verblijf wederrechtelijk was.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf, met dien verstande dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde

zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor

de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

De verdachte heeft verklaard niets te hebben geweten van de aanwezigheid van de Iraakse vrouw en haar twee jonge kinderen, die op 16 maart 2018 te Hoek van Holland zijn aangetroffen in de laadruimte van de door de verdachte bestuurde vrachtwagen. Direct bewijs voor het tegendeel ontbreekt. De betreffende wetenschap van de verdachte kan naar het oordeel van het hof ook niet worden afgeleid uit de feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien zoals die uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken.

Het hof betrekt bij dit oordeel het volgende.

Op basis van de verklaring van de aangetroffen Iraakse vrouw en de overige bevindingen van het onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gaat het hof ervan uit dat de Iraakse vrouw met haar kinderen op 16 maart 2018 omstreeks 6.30 uur in de laadruimte van de vrachtwagen is gestapt op een parkeerplaats te Gronau (Duitsland), waar de vrachtwagen met oplegger, die met lading onderweg was van Polen naar Groot-Brittannië, sinds circa 22.00 uur de vorige avond geparkeerd stond in verband met de verplichte rusttijd van 9 uren voor de chauffeur en de bijrijder. De Iraakse vrouw is naar de betreffende locatie gebracht door een andere persoon, die haar ook heeft geholpen met instappen in de vrachtwagen. Zij heeft de chauffeur (de verdachte) en de bijrijder van de vrachtwagen niet gezien. Omstreeks 7.00 uur is de verdachte met de vrachtwagen gaan rijden in de richting van Hoek van Holland.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zijn opdrachtgever via het navigatiesysteem van de vrachtwagen op elk moment zonder tussenkomst van de chauffeur kon zien waar de vrachtwagen zich bevond. Het hof acht dit niet onaannemelijk. Bezien in het licht van de overige omstandigheden van het geval, betekent dit naar het oordeel van het hof dat de verdachte niet betrokken hoeft te zijn geweest bij enige afstemming over de plaats en het tijdstip van het instappen door de Iraakse vrouw en haar kinderen. Uit de beschikbare bewijsmiddelen kan ook niet worden afgeleid dat de verdachte bij een dergelijke afstemming betrokken is geweest of op andere wijze daarvan wist.

Dat er aanwijzingen zijn dat de tachograaf van de vrachtwagen is gemanipuleerd, maakt het voorgaande niet anders. Verondersteld dat het de verdachte is geweest die dat heeft gedaan, hetgeen overigens niet is komen vast te staan, kan daaruit naar het oordeel van het hof nog niet worden afgeleid dat dit moet zijn geschied om te verhullen waar de vrachtauto die nacht heeft stilgestaan. Immers was die locatie nog steeds vermeld in de historische gegevens van het navigatiesysteem van de vrachtwagen, terwijl uit het dossier blijkt dat er een andere voor de hand liggende reden was om de tachograaf te manipuleren, namelijk dat de verdachte die nacht te laat was met het nemen van de verplichte rust.

Voorts is niet gebleken dat voor het instappen van de vrouw en haar kinderen in de vrachtwagen de medewerking van de verdachte noodzakelijk is geweest. Zo is niet komen vast te staan dat de vrachtwagen daarvoor op een bepaalde ongebruikelijke manier zou moeten zijn geparkeerd, zoals de advocaat-generaal in hoger beroep heeft aangevoerd. Dat zulks nodig was geweest voor het beladen van de vrachtwagen, betekent nog niet dat dit ook nodig was voor het instappen van personen in de vrachtwagen. Evenmin kan uit de beschikbare bewijsmiddelen worden afgeleid dat het de verdachte moet zijn geweest die na het instappen van de Iraakse vrouw en haar kinderen de laadruimte van de vrachtwagen heeft verzegeld, of dat hij moet hebben geweten dat een ander dat toen heeft gedaan.

Tot slot kan op grond van de beschikbare bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat de verdachte moet hebben gemerkt dat de Iraakse vrouw en haar kinderen in de laadruimte van de vrachtwagen zijn gestapt.

Nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de Iraakse vrouw en haar kinderen in de laadruimte van de door hem bestuurde vrachtwagen en er voorts geen aanknopingspunten zijn om te moeten oordelen dat sprake was van het door de verdachte bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van dergelijke personen in de vrachtwagen, concludeert het hof dat het voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde vereiste opzet niet wettig en overtuigend is bewezen.

Naar het oordeel van het hof is grond van al hetgeen hiervoor is overwogen niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia,

mr. M.A.J. van de Kar en mr. J. Candido, in bijzijn

van de griffier mr. C.E. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 maart 2020.

Mr. J. Candido is buiten staat dit arrest te ondertekenen.