Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:742

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
2200112919
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wederspannigheid. Verweer tot ontslag van alle rechtsvervolging in verband met een epileptische aanval ten tijde van tenlastegelegde wordt verworpen, nu niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001129-19

Parketnummer: 09-246093-18

Datum uitspraak: 20 maart 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 8 maart 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te onbekend (Marokko) op [geboortedag] 1978,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 6 maart 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, waarvan één week voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 december 2018 te Rijswijk, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever], Hoofdagent van politie Eenheid Den Haag, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten het ter voorkoming dat [verdachte] zichzelf (verder) zou verwonden naar de grond begeleiden van die [verdachte] en/of vervolgens het onder controle brengen/houden van die [verdachte], door die [aangever] in zijn arm te bijten, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een bloeduitstorting bij die [aangever] ten gevolge heeft gehad;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 december 2018 te Rijswijk,

een ambtenaar, [aangever], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door hem in zijn arm te bijten.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan één week voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om redenen van doelmatigheid vernietigen, omdat de bewijsvoering en strafmotivering naar het oordeel van het hof aanpassing behoeven.

Bespreking verweer epileptische aanval

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe
- kort en zakelijk weergegeven – betoogd dat de gedragingen die aan de verdachte zijn tenlastegelegd voortkomen uit een op dat moment bij hem plaatshebbende epileptische aanval, hetgeen opzet uitsluit. Subsidiair zou de verdachte vanwege diezelfde reden een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomen en heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte was ten tijde van het aan hem verweten gedrag bijzonder dronken. Dat kan zonder meer zijn bizarre (met zijn hoofd tegen een muur bonken), maar vooral ook agressieve, gedrag verklaren. Op het moment dat opsporingsambtenaar [aangever] aan de arm van de verdachte trok draaide de verdachte zijn hoofd in de richting van de arm van de opsporingsambtenaar en beet hem in zijn arm. De verdachte handelde hierbij (kennelijk) doelgericht en daarmee dus ook opzettelijk. De verdachte werd direct daarop aangehouden.

Uit het dossier kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat de verdachte toen (ook) een epileptische aanval had, terwijl deze ook overigens niet aannemelijk is geworden. Het is juist dat de verdachte bekend is met epilepsie. De neuroloog dr. [neuroloog] omschrijft in zijn brief van 11 februari 2019 hetgeen bij de verdachte geschiedt tijdens een dergelijke aanval. Samengevat: het plotselinge algehele verlies van lichaamscontrole gepaard gaande met heftig schokken en schudden. Wanneer de verdachte daadwerkelijk een epileptische aanval had gehad, kan het dus niet anders dan dat dit voor eenieder en dus ook voor de aanwezige verbalisanten onmiskenbaar duidelijk en zichtbaar moet zijn geweest. Zij hebben hierover echter niets gerelateerd.

Het voorgaande maakt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 december 2018 te Rijswijk, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever], Hoofdagent van politie Eenheid Den Haag, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten het ter voorkoming dat [verdachte] zichzelf (verder) zou verwonden naar de grond begeleiden van die [verdachte] en het onder controle houden van die [verdachte], door die [aangever] in zijn arm te bijten, terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een bloeduitstorting bij die [aangever] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft de raadsvrouw – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, zoals hiervoor nader uiteengezet onder ‘Bespreking verweer epileptische aanval’.

Er is op grond van het verhandelde ter terechtzitting geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, nu het hof het immers niet aannemelijk acht geworden dat de verdachte een epileptische aanval heeft gehad ten tijde van het voorval. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan

wederspannigheid door zich met geweld tegen een opsporingsambtenaar te verzetten. De verdachte heeft een politieagent gebeten terwijl deze hem met een collega in bedwang wilde houden, nota bene om te voorkomen dat de verdachte zichzelf zou verwonden. Het bijten van een agent is een bijzonder naar feit. Er is sprake van letsel bij de politieagent. Dit handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door opsporingsambtenaren wordt gediend. Opsporingsambtenaren moeten ongehinderd door gedrag als dat van de verdachte hun werk kunnen doen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit. Het hof heeft voorts gelet op artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, waaruit volgt dat gelet op hetgeen is bewezen verklaard het zogeheten taakstrafverbod van toepassing is.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Met het opleggen van een voorwaardelijke straf wordt mede beoogd de verdachte te weerhouden van het opnieuw plegen van een strafbaar feit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 181 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

1 (één) week, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer,

mr. F.W. van Lottum en mr. J.H. Crijns,

in bijzijn van de griffier mr. C.M.A. Ellens-Veenhof.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 maart 2020.

Mr. J.H. Crijns is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.