Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:707

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
200.257.774/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling samenwoning. Hoger beroep opengesteld tegen tussenvonnis dat (geen deelvonnis is maar) alleen eindbeslissingen behelst. Ontvankelijkheid. Eenvoudige gemeenschap: de woning. Is een overeenkomst met betrekking tot de verdeling tot stand gekomen. Uitleg correspondentie. Verdeling opbrengst woning en een contractuele boete, omdat de koper niet heeft afgenomen. Spaardepot. Overbruggingskrediet. Opheffing beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.257.774/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/518395/HA ZA 17-41

arrest van 4 februari 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. C.E. van der Starre te Oostvoorne,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. G.M. de Weerd te Rotterdam.

Het verloop van het geding

De man is op 8 april 2019 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 16 januari 2019 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen, hierna: het bestreden vonnis.

Bij memorie van grieven heeft de man zijn bezwaren tegen het bestreden vonnis geformuleerd. Tevens heeft de man zijn eis vermeerderd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden en incidenteel appel ingesteld.

Bij memorie van antwoord heeft de man de door de vrouw geformuleerde grieven bestreden.

Op verzoek van de vrouw heeft het hof pleidooi bepaald, dat is gehouden op 10 januari 2020.

Verschenen zijn de man met zijn advocaat en de vrouw met haar advocaat. De advocaten van partijen hebben beiden een pleitnotitie overgelegd. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Ter pleidooizitting is een akte genomen:

- een H12-formulier gedateerd 19 december 2019 en ingekomen bij het hof op 20 december 2019 van de zijde van de vrouw met zeven producties.

De vrouw heeft - daartoe ter pleidooizitting verzocht door het hof - haar verzoek ingekomen op 27 juni 2019 bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tot het leggen van conservatoir derdenbeslag met de bijbehorende stukken in het geding gebracht. Het hof beschouwt deze eveneens als genomen als akte.

Het hof heeft arrest gewezen op het procesdossier dat is gedeponeerd voor het pleidooi onder aanvulling van de pleitnota’s en voormelde akten.

De beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grieven zijn geformuleerd, gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de rechtbank in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

Beslissing rechtbank in proces-verbaal van 22 september 2017

2. Uit het genoemde proces-verbaal volgt dat de rechtbank op 22 september 2017 de navolgende beslissingen aan partijen heeft medegedeeld:

  1. dat de e-mail van 14 maart 2016, mede gelet op de gedragingen van partijen nadien (het huis is te koop blijven staan, een hoger bod van een bieder is aanvaard, beide partijen hebben de verkoopovereenkomst ondertekend, de man heeft geen stappen gezet om het huis na afspringen van deze verkoop alsnog aan hem te laten toedelen), geen overeenkomst van verdeling als bedoeld in artikel 3:182 BW inhoudt;

  2. dat het huis alsnog moet worden verdeeld;

  3. dat de wijze van verdeling zal zijn onderhandse verkoop aan een derde, door tussenkomst van de huidige makelaar, [volgt naam] , waarbij de verkoopinspanningen die door deze makelaar worden geadviseerd ook daadwerkelijk zullen worden verricht, waarbij kosten van de makelaar voor rekening van beide partijen komen;

  4. e huidige vraagprijs van € 695.000,- k.k. zal worden verlaagd indien en voor zover de verkopende makelaar dit adviseert, voor het eerst op 1 oktober 2017, maximaal in twee stappen van vijf procent per keer, waarbij telkens een termijn van zes maanden wordt aangehouden tussen iedere stap, met een bodem van € 625.000,-.

3. Voorts volgt uit het genoemde proces-verbaal dat partijen constateren dat er nog de navolgende geschilpunten zijn.

  1. het door de vrouw gestelde vergoedingsrecht van € 66.000,-;

  2. het door de man gestelde vergoedingsrecht van € 86.000,-;

  3. de verdeling van het spaardepot bij de Rabobank en van het boetebedrag van € 58.800,-;

  4. e laatprijs waartegen het huis kan worden verkocht alsmede een daartoe strekkend bevel met dwangsom.

4. Het verzoek van de advocaat van de vrouw om tussentijds appel te mogen instellen tegen het tussenvonnis van 22 september 2017 is bij brief van 13 maart 2018 van de griffie van de rechtbank afgewezen.

Bestreden vonnis 16 januari 2019

5. In rechtsoverweging 3.7 overweegt de rechtbank als volgt:

“De rechtbank heeft ter comparitie al beslist (en in het proces-verbaal van comparitie vastgelegd) dat, en waarom, tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over de verdeling van de woning. De rechtbank ziet geen reden om terug te komen op deze beslissing.

Deze beslissing impliceert dat beide partijen, die ieder voor de helft eigenaar waren van de woning, gerechtigd zijn tot de helft van de opbrengst van de woning. Onder opbrengst van de woning dient in dit verband te worden verstaan: zowel de geïncasseerde contractuele boete van € 58.800,- als de opbrengst van de woning. De rechtbank zal derhalve bepalen dat van zowel de geïncasseerde boete als de winst bij verkoop de ene helft dient te worden uitgekeerd aan de man en de andere helft aan de vrouw.”

6. De rechtbank heeft als volgt beslist:

4.1.

verleent beide partijen toestemming om in hoger beroep te komen van dit
tussenvonnis,

4.2.

verwijst de procedure naar de parkeerrol van 3 april 2019,

4.3.

houdt iedere nadere beslissing aan.

7. De rechtbank heeft in haar dictum geen einde gemaakt aan enig onderdeel van de rechtsstrijd, wel heeft de rechtbank in haar vonnis een aantal eindbeslissingen genomen. Door tussentijds appel open te stellen, kunnen partijen alle eindbeslissingen die zijn genomen door de rechtbank aan het hof voorleggen door middel van de door hen geformuleerde grieven.

8. Beide partijen hebben grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis. Gezien het feit dat de rechtbank in het bestreden vonnis expliciet naar de beslissingen in het proces-verbaal van 22 september 2017 verwijst, zal het hof ervan uitgaan dat de aldaar geformuleerde beslissingen onderdeel vormen van het bestreden vonnis.

De vordering van de man

9. In hoger beroep concludeert de man dat het het hof moge behagen, bij arrest, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, bij arrest:

te verklaren voor recht dat de e-mailcorrespondentie tussen partijen d.d. 18 november 2015, 14 maart 2016 en 16 maart 2016 een overeenkomst van verdeling tussen partijen in de zin van artikel 3:182 BW inhoudt;

te bepalen dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van verdeling inhoudt dat van de overwaarde minus verkoopkosten van het onroerend goed aan de [adres] te [plaatsnaam] ten bedrage van € 87.676,31 aan de vrouw € 18.250,- toekomt en aan de man het restant van € 69.426,31;

alsmede de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen het door haar van de verkoopopbrengst teveel ontvangen bedrag van € 25.588,15, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2018, althans vanaf de datum der dagvaarding tot aan de datum van algehele voldoening aan de man;

alsmede de vrouw te veroordelen tot opheffing van het door haar gelegde conservatoir beslag binnen 3 dagen na de betekening van het in dezen te wijzen arrest aan haar, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft;

primair te bepalen dat de van de heer [naam koper] geïncasseerde contractuele boete geheel toekomt aan de man, subsidiair een zodanige verdeling vast te stellen als het hof in goede justitie vermeent te behoren;

alsmede de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van het door haar reeds van de boete ontvangen bedrag van € 25.000,-, althans van het door het hof te bepalen bedrag dat de vrouw meer heeft ontvangen dan het aan haar toekomende deel van de boete, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2016, althans vanaf de datum der dagvaarding tot aan de datum van algehele voldoening aan de man;

primair te bepalen dat het spaardepot bij de Rabobank, de Rabobank OpbouwSpaarrekening, geheel toekomt aan de man, subsidiair een zodanige verdeling vast te stellen als het hof in goede justitie vermeent te behoren;

met veroordeling van de vrouw in de kosten van het hoger beroep en in eerste aanleg, zulks met bepaling dat over de proceskostenveroordelingen wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het in dezen te wijzen arrest.

De vordering van de vrouw in incidenteel appel

10. In incidenteel appel vordert de vrouw het bestreden vonnis te vernietigen voor zover daartegen door de vrouw is gegriefd en opnieuw rechtdoende:

Ten aanzien van het bedrag van de door de heer [naam koper] betaalde boete:

primair

te bepalen dat de man zijn deel in het boetebedrag ex artikel 3:194 lid 2 BW aan de vrouw verbeurt en de man uit dien hoofde te veroordelen tot betaling aan de vrouw van het volledige bedrag van € 27.654,58 dat de man zich uit het boetebedrag heeft toegeëigend, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van toe-eigening 3 november 2016 dan wel vanaf de datum van het te dezen te wijzen arrest tot aan de dag van algehele voldoening;

subsidiair

het gehele boetebedrag van € 58.800,- volledig aan de vrouw toe te delen, zonder enige verrekening van de waarde met de man.

Ten aanzien van het spaardepot bij de Rabobank:

primair te bepalen dat de man zijn deel in het spaardepot ex artikel 3:194 lid 2 BW aan de vrouw verbeurt en de man uit dien hoofde te veroordelen tot betaling aan de vrouw van het volledige bedrag van € 25.599,79 dat de man zich uit dit spaardepot heeft toegeëigend, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van toe-eigening 18 september 2016 dan wel vanaf de datum van het te dezen te wijzen arrest tot aan de dag van algehele voldoening;

subsidiair het gehele spaardepot volledig aan de vrouw toe te delen, zonder enige verrekening van de waarde met de man.

De man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Wijze van procederen

11. De wijze waarop partijen hebben geprocedeerd, maakt de zaak nodeloos complex, terwijl de werkelijke rechtsvragen redelijk beperkt zijn.

Enige feiten en juridisch kader

12. Partijen hebben met elkaar samengeleefd. Uit deze samenleving zijn twee kinderen geboren die thans woonachtig zijn bij de vrouw.

13. Partijen hebben de materiële gevolgen van hun samenleving vastgelegd in een notariële samenlevingsovereenkomst.

14. In artikel 1 van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen een regeling opgenomen voor hun wederzijdse verzorgingsplicht. Onder sub a van voormeld artikel is bepaald: “De comparanten voelen het als een plicht in elkaars verzorging te voorzien en bij te dragen in elkaars levensonderhoud tijdens de duur van hun samenleving;”

15. In artikel 4 van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen een regeling getroffen met betrekking tot roerende zaken en inboedel. Uit dit artikel volgt dat de inboedelgoederen in beginsel aan partijen in mede-eigendom toe behoren. Onder sub a van voormeld artikel is bepaald: “overigens bestaat er tussen hen geen gemeenschap van goederen;”

16. In artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen een regeling opgenomen met betrekking tot het eindigen van hun samenleving. Voor zover thans van belang, eindigt de samenleving: “a) door opzegging door één van de partijen op het tijdstip tegen welke de opzegging is gedaan. De opzegging geschiedt bij aangetekend schrijven gericht aan de wederpartij, waarbij een opzegtermijn van tenminste een maand in acht genomen moet worden; Ingeval de verblijfplaats van de wederpartij niet bekend is, zal de opzegging worden gedaan bij de notarisbewaarder van deze akte;”

17. In artikel 7 van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen een regeling getroffen met betrekking tot de verdeling van goederen die partijen in mede-eigendom toebehoren. Onder sub a van dit artikel is bepaald: “In het geval de samenleving anders dan door overlijden van één der partijen eindigt, worden de goederen welke hen gemeenschappelijk toebehoren, waaronder begrepen de gemeenschappelijke rekening en/of kas door hen verdeeld met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid en de zorgvuldigheid die uit hun relatie voortvloeit.”

18. Partijen hebben op 22 december 2006 in mede-eigendom aangekocht een woning te [plaatsnaam] aan de [plaatsnaam] (hierna ook wel: de woning of het goed). Dit betreft een eenvoudige gemeenschap, hetgeen impliceert dat ieder der partijen zijn eigen aandeel in het goed dient te financieren. Het betreft een aandelengemeenschap. Een eenvoudige gemeenschap kan geen schulden omvatten.

19. Het hof begrijpt dat partijen voor de financiering van hun aandeel in het goed een geldlening zijn aangegaan. Het hof gaat ervan uit dat partijen jegens de bank hoofdelijk aansprakelijk waren voor de schuld.

20. Het hof begrijpt dat partijen voor de aflossing van de geldlening een spaarrekening bij de bank hebben geopend (spaarhypotheek), die op beider naam stond. De vordering op de bank is een goed. Uit artikel 7 van de samenlevingsovereenkomst volgt dat partijen het saldo op de gemeenschappelijke spaarrekening als gemeenschappelijk beschouwen. Op de spaarhypotheek werd niet afgelost; zulks zou te zijner tijd geschieden uit het opgebouwde spaardepot.

21. Voorts heeft het hof begrepen dat er een hypothecaire overbruggingslening is gesloten van € 152.000,-. Tussen partijen bestaat een geschil uit wiens vermogen deze lening is afgelost.

22. De woning te [plaatsnaam] is op 6 juli 2018 verkocht en door partijen geleverd aan een derde. De verkoopsom was € 631.000,-. Uit de nota van afrekening van de notaris volgt dat partijen hebben ontvangen een bedrag van € 87.676,31; dit is derhalve de netto-opbrengst van de woning.

Kern van het geschil: is er een overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen met betrekking tot de verdeling van de woning?

23. Het hof overweegt als volgt. Of er een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en, zo ja, wat dan de inhoud is van de overeenkomst, is mede afhankelijk van hetgeen partijen hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs hebben mogen afleiden. Bij de uitleg van een overeenkomst is niet alleen de taalkundige betekenis van belang, maar is eveneens relevant de verhouding tussen partijen alsmede de wijze waarop zij zich feitelijk hebben gedragen.

24. Uit de eerste grief van de man volgt dat hij van mening is dat tussen hem en de vrouw een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de verdeling van de woning. Door de man is onder meer aangevoerd:

  • -

    In april 2015 is de vrouw feitelijk met de twee kinderen van partijen naar Spanje verhuisd. De man bleef in Nederland wonen. De relatie tussen partijen was niet beëindigd op het moment dat zij gescheiden zijn gaan leven.

  • -

    Als gevolg van het feit dat partijen gescheiden gingen wonen en ook geen gemeenschappelijke huishouding meer zouden voeren, bestond aan de zijde van beide partijen binnen hun relatie de behoefte om in financiële zin voor beiden duidelijkheid te creëren en om de financiën te splitsen.

  • -

    Vanuit de wens om de financiën te splitsen, heeft de man op 18 november 2015 aan de vrouw een voorstel gedaan, onder andere inhoudende: “(…) ik neem per 4 januari het economische eigendom van het huis over. Dus inclusief alle kosten, lasten, baten en de inboedel m.u.v. jouw persoonlijke spullen.”

  • -

    Op 14 maart 2016 stuurt de vrouw een e-mail aan de man waarin onder meer staat: “Mijn voorstel icm met jouw voorstel op 18-11 is: huis: jij neemt het huis over. mij zou bij verkoop voor 575.000,- opleveren 575.000 - 3.500,- = 571.500,- - 535000 = 36.500,- / 2 = 18250,- ik stel voor dat als je ooit het huis verkoopt. Je deze
    18.000,- 50/50 verdeelt over [kind een] en [kind twee] en vrij van inbreng stort als schenking op hun rekening.” Voorts staat in deze e-mail: “Deze mail is niet om ruzie te gaan maken of uit elkaar te gaan. Integendeel dit is om ieder z’n eigen keuzes te respecteren en dus die van jou te respecteren om niet te verkopen voor € 575.000.-.”

  • -

    Bij e-mail van 16 maart 2016 antwoordt de man: “Ok Beste groet!”

  • -

    De affectieve relatie is op 26 juni 2016 door de vrouw beëindigd.

25. Het hof begrijpt uit het verweer van de vrouw dat zij van mening is dat er niet een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de verdeling van de woning. Zij verwijst onder meer naar haar conclusie van antwoord in eerste aanleg, waarin zij onder meer heeft gesteld:

  • -

    De e-mailcorrespondentie tussen de man en de vrouw vond plaats ten tijde van de affectieve relatie van partijen en volgens uitdrukkelijke vermelding door zowel de man als de vrouw niet in het kader van de beëindiging daarvan. Deze correspondentie dient dan ook uitsluitend in dit licht te worden bezien.

  • -

    De man stelde in zijn e-mail van 18 november 2015 voor het economische eigendom van de woning over te nemen en dat de vrouw hem een volmacht met betrekking tot de verkoop van de woning zou geven. Reeds uit de gekozen terminologie wordt duidelijk dat de man hiermee niet doelde op een toedeling van de woning aan hem ex artikel 3:182 BW, maar op het exclusief gebruik van de woning door de man en dat hij het verkooptraject van de woning voor zijn rekening zou nemen. Dat hij daarbij niet alleen de baten zou ontvangen, maar ook de gebruikers- en eigenaarslasten voor zijn rekening zou nemen, is niet meer dan logisch.

  • -

    Toen de heer [naam koper] de met de man en vrouw gesloten koopovereenkomst niet nakwam, hebben de man en de vrouw gezamenlijk de hulp ingeroepen van mr. [volgt naam] . De heer [naam koper] heeft de contractuele boete van € 58.800,- vervolgens voldaan aan de man en de vrouw tezamen.

26. In haar memorie van antwoord heeft de vrouw nog gesteld:

  • -

    De overwaarde op de woning is enkel het gevolg van aflossingen die de vrouw op de hypotheekschuld heeft gedaan. Van enige autonome waardestijging van de woning is geen sprake. Partijen hebben de woning in 2007 aangekocht voor € 535.000,- en vervolgens voor € 139.464,09 laten verbouwen met geleend geld. De woning is in 2018 verkocht voor € 631.000,-. Zonder de door de vrouw gedane aflossingen van in totaal € 139.464,09 had de woning een onderwaarde gekend van € 43.464,09, exclusief de aan- en verkoopkosten.

  • -

    Overigens blijkt uit niets dat de vrouw op enig moment bereid is geweest afstand te doen van haar aanzienlijke vergoedingsrechten jegens de eenvoudige gemeenschap casu quo de man. In eerste aanleg heeft de man deze vergoedingsvorderingen van de vrouw bovendien uitdrukkelijk erkend tot een bedrag van € 66.000,-.

27. Het hof overweegt als volgt. De man heeft onder I van zijn vordering in hoger beroep gevorderd te verklaren voor recht dat de e-mailcorrespondentie tussen partijen van 18 november 2015, 14 maart 2016 en 16 maart 2016 een overeenkomst van verdeling tussen partijen in de zin van artikel 3:182 BW inhoudt. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen, is niet alleen de letterlijke tekst van de e-mailberichten van belang met betrekking tot de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en, zo ja, wat de inhoud van deze overeenkomst is. Vast staat dat partijen langdurig met elkaar hebben samengeleefd en uit hun relatie kinderen zijn geboren. Voorts hebben partijen een aantal gevolgen van hun samenleving vastgelegd in een notariële samenlevingsovereenkomst. In artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst is vermeld, voor zover van belang, dat de samenleving eindigt door opzegging door een der partijen, en dat deze opzegging dient te geschieden bij aangetekend schrijven. Door beide partijen wordt erkend dat de e-mailcorrespondentie heeft plaatsgevonden op een moment waarop tussen partijen nog een affectieve relatie bestond en geen van de partijen de wens had om de samenleving te beëindigen.

Uit de context waarin de e-mailwisseling heeft plaatsgevonden, volgt dat de affectieve relatie tussen partijen niet is beëindigd en dat zij enkel tot een financiële afwikkeling van de woning hebben willen komen. Uit de gewisselde stukken volgt dat de woning was gefinancierd met een hypothecaire geldlening aan welke lening een spaardepot was verbonden. Beide partijen waren jegens de bank verbonden. Er is pas verdeeld indien over alle aspecten met betrekking tot de verdeling overeenstemming tussen partijen bestaat, waaronder de financiële afwikkeling. Uit de e-mailwisseling volgt niet dat partijen overeenstemming hadden over de afwikkeling van de hypothecaire geldlening en het spaardepot. Door de man wordt zelf gesteld dat als gevolg van het feit dat partijen gescheiden gingen wonen er bij beide partijen de behoefte bestond meer duidelijkheid te creëren door hun financiën te splitsen. Gezien de feitelijke gang van zaken is het hof van oordeel dat hetgeen partijen in hun e-mailwisseling hebben gesteld betrekking heeft op een situatie dat de relatie tussen partijen zou worden voortgezet. De man had dit naar het oordeel van het hof ook als zodanig kunnen begrijpen. Bovendien heeft de man niet kort na zijn akkoordverklaring in zijn e-mailbericht van 16 maart 2016 handelingen verricht waaruit volgt dat hij toedeling wenste van het aandeel van de vrouw in de woning. Voorts volgt uit het handelen van beide partijen dat zij beiden de woning in verkoop hebben gegeven alsmede dat zij beiden aan mr. [volgt naam] opdracht hebben gegeven om de contractuele boete te innen toen koper [naam koper] niet bereid was om zijn verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst inzake de woning na te komen.

Uit dit alles volgt dat naar het oordeel van het hof tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de verdeling van de woning. De desbetreffende grief van de man treft dus geen doel.

Opbrengst woning en contractuele boete

28. In grief II stelt de man dat de rechtbank in het bestreden vonnis ten onrechte heeft overwogen dat partijen gelijkelijk gerechtigd zijn tot de helft van de verkoopopbrengst van de woning.

29. Uit zijn grieven III en IV volgt dat de man van mening is dat de rechtbank in het bestreden vonnis ten onrechte heeft overwogen dat zowel de man als de vrouw gerechtigd zijn tot de helft van de contractuele boete die zij van koper [naam koper] hebben ontvangen. De man heeft verder aangevoerd dat hij schade heeft geleden als gevolg van het feit dat de koop geen doorgang heeft gevonden.

30. Door de vrouw is verweer gevoerd. In haar memorie van antwoord, randnummer 94, stelt de vrouw: “Dit vergoedingsrecht is (in eerste instantie) een aanspraak jegens de eenvoudige gemeenschap van woning en dient (zoveel mogelijk) uit de verkoopopbrengst voldaan te worden. Pas wanneer na voldoening van vergoedingsrechten nog sprake is van een surplus, kan gesproken worden van overwaarde. NB: over de rest van de vergoedingsvorderingen van de vrouw heeft de rechtbank nog niet beslist. Het gaat om een totaalbedrag van € 139.464,09 exclusief wettelijke rente, zodat van enige overwaarde per saldo helemaal geen sprake is.” De vrouw concludeert dat grief II geen doel kan treffen.

31. Met betrekking tot de boete van koper [naam koper] is de vrouw van mening dat zij een zelfstandig recht jegens de koper heeft.

32. Het hof overweegt als volgt. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen, is de woning een eenvoudige gemeenschap, te weten een aandelengemeenschap. Gezien de aard van deze gemeenschap kan de vrouw geen vorderingen hebben op deze eenvoudige gemeenschap. Een andere vraag is, of de vrouw een regresvordering op de man heeft voor zover zij het aandeel van de man in het goed heeft gefinancierd. Het hof komt hier nog op terug.

33. In goederenrechtelijke zin zijn beide partijen gerechtigd tot de opbrengst van het goed naar rato van zijn of haar aandeel in het goed, in dit geval ieder voor de helft.

34. Met betrekking tot de contractuele boete overweegt het hof als volgt. Uit productie 6 behorende bij de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie volgt dat de man en vrouw met de heer [naam koper] een overeenkomst hebben gesloten voor de verkoop van de woning. De vrouw is derhalve partij bij deze overeenkomst en ook zij is met de koper het boetebeding overeengekomen voor het geval de koper niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst voldoet. Voorts volgt uit de brief van mr. [volgt naam] dat hij namens de man en vrouw op koper [naam koper] de boete heeft verhaald van € 58.880,-. Naar het oordeel van het hof is de vrouw jegens de heer [naam koper] contractueel gerechtigd tot de boete nu zij medecontractant is. Dit brengt mee dat zij met de man - ieder voor de helft - draagplichtig is voor de kosten die gemoeid zijn met de inning van die boete.

Spaardepot

35. De man heeft in grief V gesteld dat de rechtbank in het bestreden vonnis ten onrechte heeft bepaald dat ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van het saldo op de Rabo OpbouwSpaarrekening per de datum waarop de vrouw voor het laatst heeft bijgedragen aan het voeden van deze rekening.

36. De man is primair van mening dat hij alleen gerechtigd is tot het saldo. In zijn visie volgt dit uit de regeling die hij met de vrouw heeft getroffen zoals vastgelegd in de
e-mailcorrespondentie zoals hiervoor vermeld.

37. Subsidiair is de man van mening dat met betrekking tot het saldo van de Rabo OpbouwSpaarrekening gekeken dient te worden uit wiens vermogen het saldo van de rekening is gevormd. In het najaar van 2013 is de Rabo OpbouwSpaarrekening gestart. Op de peildatum van 1 januari 2016 bedroeg het saldo op de rekening € 20.085,22. De Rabo OpbouwSpaarrekening werd gevoed uit de gemeenschappelijke rekening van partijen. Omdat de man meer op de gemeenschappelijke rekening van partijen heeft gestort, is hij van mening dat hij gerechtigd is tot € 12.653,69 en de vrouw tot € 7.431,53 met betrekking tot het saldo van de Rabo OpbouwSpaarrekening.

38. Door de vrouw is verweer gevoerd. De vrouw stelt in haar memorie van antwoord, randnummer 121, dat op grond van de samenlevingsovereenkomst het saldo op de Rabo OpbouwSpaarrekening aan partijen gezamenlijk toebehoort. De vrouw betwist eveneens de door de man gestelde relevantie van de herkomst van het geld en/of de gerechtigdheid tot het geld. De Rabo OpbouwSpaarrekening is tot 29 juli 2019 gevoed uit de gemeenschappelijke rekening van partijen. Met betrekking tot het saldo dient in de visie van de vrouw uitgegaan te worden van het saldo per 29 juli 2016.

39. Uit het incidentele appel van de vrouw volgt dat zij van mening is dat de man zijn aandeel in het saldo van de Rabo OpbouwSpaarrekening alsmede zijn aandeel in de contractuele boete aan haar heeft verbeurd op basis van artikel 3:194 lid 2 BW. Door de man is verweer gevoerd. De man is van mening dat hij niet de intentie heeft gehad om geld te verduisteren.

40. Het hof overweegt als volgt. De artikelen 3:189 tot en met 3:194 BW zijn uitsluitend van toepassing op de in artikel 3:189 BW genoemde bijzondere gemeenschappen. De vordering op de Rabobank van partijen is geen gemeenschap in de zin van art 3:189 BW, hetgeen tot gevolg heeft dat het door de vrouw ingeroepen artikel 3:194 lid 2 BW geen toepassing kan vinden. Hetzelfde geldt voor de stelling van de vrouw met betrekking tot de contractuele boete van de heer [naam koper] . De incidentele grieven van de vrouw treffen dus geen doel. Voor zover de vrouw subsidiair nog betoogt dat haar vordering op grond van de redelijkheid en billijkheid voor toewijzing in aanmerking komt, verwerpt het hof dat betoog. De door de vrouw gestelde omstandigheden rechtvaardigen niet dat de boete van € 58.800,- alsmede het spaardepot uitsluitend toekomen aan de vrouw. De vrouw was zelf contractspartij bij de koop-verkoop van de woning op grond waarvan de boete verschuldigd was en had die boete zelf kunnen invorderen. Met betrekking tot het spaarsaldo was de vrouw eveneens volledig op de hoogte en had zij ook bij de bank navraag kunnen doen omtrent het saldo.

41. Met betrekking tot de verdeling van het saldo van de Rabo OpbouwSpaarrekening is het hof van oordeel dat het saldo op de datum waarop de relatie feitelijk is beëindigd aan partijen gemeenschappelijk toekomt. Uit de gewisselde stukken volgt dat de relatie van partijen feitelijk is beëindigd op 26 juni 2016. Voorts volgt uit de stellingen van partijen dat het saldo op de Rabo OpbouwSpaarrekening is ontstaan uit gelden die afkomstig zijn van de en/of rekening van partijen. Deze laatste en/of rekening werd door beide partijen gevoed. Ten aanzien van de gelden die partijen op die en/of rekening hebben gestort, mag er in redelijkheid van worden uitgegaan dat die in beginsel bestemd zijn voor gemeenschappelijk gebruik. Nu partijen ook expliciet met elkaar zijn overeengekomen dat de saldi op de gemeenschappelijke rekeningen gemeenschappelijk zijn, acht het hof een gelijke verdeling van het saldo op de gemeenschappelijke Rabo OpbouwSpaarrekening in overeenstemming met hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen. De grief van de man treft dus geen doel.

Vergoedingsrecht of regresvordering ter zake het overbruggingskrediet?

42. De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat zij een vergoedingsvordering heeft op de eenvoudige gemeenschap van € 66.000,-. Subsidiair stelt zij een regresvordering te hebben op de man voor de helft van voormeld bedrag. De vrouw stelt dat de man ook heeft erkend dat hij dit bedrag aan haar verschuldigd is. De vrouw verwijst naar productie 24 van haar conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, te weten een brief van de man aan de vrouw, waarin de man het volgende schrijft: “Met betrekking tot de aflossing van het overbruggingskrediet en bouwdepot van € 152.000,- op de woning en jouw wens tot terugbetaling van een deel van dit bedrag (€ 66.000,-) het volgende: Het resterende deel van het bouwdepot (€ 86.000,-) is door mij gefinancierd. Dat kun je ook goed zien aan de ontwikkeling van mijn vermogen in de jaren 2007 en 2008. In principe sta jij daardoor een bedrag van € 10.000,- bij mij in het krijt. Zoals mijn advocaat ook aan jouw advocaat heeft geschreven hebben wij wat mij betreft dit aspect afgewikkeld met onze afspraak van maart 2016. Mocht jij toch willen vasthouden aan jouw vordering van € 66.000,- dan zal ik mijn vordering van € 86.000,- ook inbrengen bij de notaris.”

43. Voorts heeft de vrouw gesteld bij akte wijziging/vermeerdering eis en uitlating van 20 december 2017, onder randnummer 3: “De vrouw blijkt naast de gemelde € 66.000,- tevens nog € 23.464,09 en € 50.000,- uit eigen middelen te hebben afgelost (productie 36: bankafschriften aflossingen). Van de totale overbruggingslening van € 152.000,- heeft de vrouw derhalve in totaal een bedrag van € 139.464,09 afgelost.” Volgens de vrouw hebben partijen niet het volledige bouwdepot gebruikt alleen tot het bedrag dat de vrouw heeft afgelost. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de vrouw een tweetal bankafschriften verstrekt. Uit die afschriften volgt dat de bedragen van € 23.464,09 en € 50.000,- van haar ING rekening zijn overgeboekt naar de Rabobank Rotterdam. In de randnummers 60 en 61 geeft zij de kasstroom aan van hoe de overbruggingslening is afgelost. In randnummer 62 geeft de vrouw exact aan dat zij het bedrag van de overbruggingslening - feitelijk verstrekt € 139.464,09 - volledig uit haar vermogen heeft afgelost. Onder XII van haar vermeerdering van eis vordert zij (samengevat) subsidiair dat de man aan haar betaalt de helft van het bedrag van € 139.464,09 zijnde € 69.732,05.

44. Bij akte van 8 november 2017 heeft de man zijn vordering vermeerderd. De man heeft gesteld dat hij een vergoedingsvordering heeft van € 86.000,-. Met betrekking tot het bouwdepot van de woning heeft de man gefinancierd een bedrag van € 86.000,- Het totale bouwdepot/de overbruggingslening was € 152.000,-. Uit het betoog van de man volgt dat de vrouw de helft daarvan had dienen te dragen, zijnde € 76.000,-. De vrouw heeft echter gefinancierd een bedrag van € 66.000,- hetgeen zou impliceren dat de man een regresvordering heeft op de vrouw van € 10.000,-.

45. In zijn pleitnota van 6 november 2018 gaat de man nader in op de aflossing van het bouwdepot/de overbruggingslening van € 152.000,-. In zijn recapitulatie stelt hij te hebben afgelost: € 12.535,91 in 2008, € 23.464,09 contant door de man voldaan, € 50.000,- gemuteerd in verband met de verkoop van de vorige woning van de man. De man betwist niet dat de vrouw in 2008 een bedrag van € 66.000,- heeft afgelost op de overbruggingslening. In zijn visie volgt uit productie 37 die door de vrouw in het geding is gebracht expliciet dat hij € 86.000,- heeft afgelost op de lening.

46. Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor reeds is overwogen, betreft de woning een eenvoudige gemeenschap, waarbij partijen ieder hun eigen aandeel dienen te financieren. Gezien de aard van de eenvoudige gemeenschap kunnen partijen geen vergoedingsrechten hebben jegens de eenvoudige gemeenschap. De overbruggingslening heeft betrekking op een woning die partijen in mede-eigendom toebehoorde. Dit impliceert dus dat beide partijen gelijkelijk draagplichtig zijn met betrekking tot deze lening. Als de vrouw de lening volledig uit haar vermogen aflost, ontstaat er een regresvordering van de vrouw op de man voor de helft van het bedrag dat zij heeft afgelost. Niet weersproken is door de man dat de vrouw een bedrag van € 66.000,- heeft afgelost. Het debat beperkt zich tot de vraag of de aflossingen van € 50.000,- en € 23.464,09 eveneens afkomstig zijn uit het vermogen van de vrouw. Het hof is van oordeel dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond dat voormelde bedragen uit haar vermogen afkomstig zijn. De vrouw heeft de bedragen vanaf haar ING rekening overgemaakt naar de Rabobank. Het hof kan in voldoende mate de geldstromen vaststellen. Het betoog van de man acht het hof niet overtuigend en niet onderbouwd. Dat de man contant € 23.464,09 aan Poolse vaklieden heeft voldaan, heeft hij niet aangetoond. Gezien de omvang van deze contante betalingen, had het op zijn weg gelegen om kwitanties in het geding te brengen. Ook zijn verklaring met betrekking tot het bedrag van € 50.000,- heeft de man niet onderbouwd. In tegenstelling tot de vrouw heeft de man de geldstromen niet onderbouwd met schriftelijke bescheiden.

Recapitulatie

47. De woning te [plaatsnaam] is op 6 juli 2018 door partijen aan een derde verkocht en geleverd. Dit volgt uit de nota van afrekening van het notariskantoor [volgt naam] van 6 juli 2018. De netto verkoopopbrengst van de woning is € 87.676,31. Beide partijen zijn gerechtigd tot de helft van dit bedrag.

48. Beide partijen zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de boete van € 58.800,- die de heer [naam koper] heeft voldaan. Beiden zijn ieder voor de helft draagplichtig voor de kosten die gemoeid zijn met de inning van die boete.

49. Beide partijen zijn gelijk gerechtigd tot het saldo van de Rabo OpbouwSpaarrekening per datum 26 juni 2016.

50. De deelvordering van de man op de vrouw van € 27.764,- is door de rechtbank afgewezen. De man heeft hiertegen geen grief geformuleerd.

51. De deelvordering van de man op de vrouw van € 11.117,- is door de rechtbank afgewezen. De man heeft hiertegen geen grief geformuleerd.

52. De deelvordering van de man met betrekking tot de inboedel is door de rechtbank afgewezen. De man heeft hiertegen geen grief geformuleerd.

53. Met betrekking tot de vorderingen tot verkoop van de woning hebben partijen geen belang meer nu de woning is verkocht en geleverd aan een derde.

54. De kosten die gemoeid zijn met de verkoop van de woning aan een derde dienen door partijen gezamenlijk te worden gedragen. Partijen hebben tegen de desbetreffende beslissing van de rechtbank geen grief gericht.

55. De vordering van de vrouw jegens de man met betrekking tot het door haar gemiste woongenot is door de rechtbank afgewezen. De vrouw heeft hiertegen geen grief gericht.

56. De vordering van de man jegens de vrouw met betrekking tot door hem betaalde kosten van de woning nadat de vrouw de woning had verlaten, is door de rechtbank afgewezen. Door de man is hiertegen geen grief tegen gericht.

Beslag

57. De man is van mening dat de vrouw ten onrechte conservatoir beslag heeft laten leggen onder de hiervoor vermelde notaris ter zake van de helft van de verkoopopbrengst van de woning.

58. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot opheffing van het beslag aangezien zij een vordering heeft op de man van ten minste € 66.000,-.

59. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, heeft de vrouw een regresvordering op de man van € 69.732,05. Naar het oordeel van het hof is het conservatoir beslag door de vrouw derhalve terecht gelegd en is er geen grond voor opheffing daarvan.

Proceskosten

60. Gelet op de relationele verhouding die tussen partijen heeft bestaan, acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

61. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat beide partijen gelijkelijk gerechtigd zijn tot de netto verkoopopbrengst van de woning van € 87.676,31, alsmede tot het bedrag van € 58.880,- inzake de door heer [naam koper] verbeurde boete;

bepaalt dat de kosten die gemoeid zijn met de verkoop van de woning aan een derde, alsmede de kosten die gemoeid zijn met de inning van de door de heer [naam koper] verbeurde boete door partijen gezamenlijk dienen te worden gedragen, ieder voor de helft;

verklaart voor recht dat beide partijen gelijkelijk gerechtigd zijn tot het saldo van de Rabo OpbouwSpaarrekening per 26 juni 2016;

veroordeelt de man om aan de vrouw te voldoen de somma van € 69.732,05 ter zake van haar regresvordering met betrekking tot de door haar gedane aflossing op het overbruggingskrediet;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep en wel in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af:

- de deelvordering van de man op de vrouw van € 27.764,-;

- de deelvordering van de man op de vrouw van € 11.117,-;

- de deelvordering van de man met betrekking tot de inboedel;

- de vorderingen van partijen tot verkoop van de woning;

- de vordering van de vrouw jegens de man met betrekking tot door haar gemist woongenot;

- de vordering van de man jegens de vrouw met betrekking tot door hem betaalde kosten van de woning nadat de vrouw de woning had verlaten;

wijst af hetgeen partijen over en weer meer en anders hebben gevorderd, waaronder de vordering van de man tot opheffing van het door de vrouw gelegde conservatoir beslag op straffe van een dwangsom.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, F. Ibili en M.A.J. Burgers-Thomassen, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2020 in aanwezigheid van de griffier.