Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:544

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-01-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
200.252.396-01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident tot inzage op de voet van art. 21, 22 en 843a Rv in een procedure tot vernietiging of herroeping van arbitrale vonnissen gedeeltelijk toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummer : 200.252.396/01

Zaaknummer arbitrage : PCA CASE NO. 2015-36

arrest in het incident ex art. 21, 22 en 843a Rv d.d. 28 januari 2020

inzake

de Russische Federatie,

zetelende te Moskou, Russische Federatie,

verzoekster,
hierna te noemen: de Russische Federatie,
advocaat: mr. M.E. Koppenol-Laforce te Rotterdam,

tegen:

1 Everest Estate LLC,

gevestigd te Kyiv, Oekraïne,

2. Edelveis-2000 PE,

gevestigd te Kyiv, Oekraïne,

3. Fortuna CJSC,

gevestigd te Dnipro, Oekraïne,

4. UBK-Invest CJSC,

gevestigd te Dnipro, Oekraïne,

5. Niva-Tour LLC,

gevestigd te Kyiv, Oekraïne,

6. Imme LLC,

gevestigd te Kyiv, Oekraïne,

7. Planeta PE,

gevestigd te Dnipro, Oekraïne,

8. Krim Development LLC,

gevestigd te Dnipro, Oekraïne,

9. Aerobud PJSC,

gevestigd te Kyiv, Oekraïne,

10. Privatoffice LLC,

gevestigd te Dnipro, Oekraïne,

11. Dayris LLC,

gevestigd te Dnipro, Oekraïne,

12. Diline Ltd, LLC,

gevestigd te Oliva, Yalta, Krim,

13. Broadcasting Company Zhisa LLC,

gevestigd te Kyiv, Oekraïne,

14. Privatland LLC,

gevestigd te Dnipro, Oekraïne,

15. Dan-Panorama LLC,

gevestigd te Dnipro, Oekraïne,

16. Sanatorium Energetic LLC,

gevestigd te Dnipro, Oekraïne,

17. AMC Finansovyy Kapital LLC,

gevestigd te Dnipro, Oekraïne,

18. AMC Financial Vector LLC,

gevestigd te Dnipro, Oekraïne,

19. [naam 1],

wonende te [woonplaats] ,

verweerders,

hierna gezamenlijk te noemen: Everest c.s.,

advocaat: mr. M. van de Hel-Koedoot te Amsterdam.

1
1. Het verloop van het geding

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding door de Russische Federatie van 29 augustus 2018 met producties;

- de conclusie van antwoord van Everest c.s. van 26 maart 2019 met producties;

- de conclusie van repliek van de Russische Federatie van 16 juli 2019, tevens incidentele vordering tot inzage met producties;

- de conclusie van antwoord in het incident van Everest van 30 juli 2019 met vier producties;

- het pleidooi in het incident van 7 november 2019 en de daarbij overgelegde pleitnota’s en producties;

- de akte van de kant van Everest c.s. van 12 november 2019 met producties en de antwoordakte van de Russische Federatie van 26 november 2019 met producties.

1.2

Ten slotte is arrest in het incident gevraagd op de voor het pleidooi overgelegde kopiedossiers.

2 De feiten

i. Everest c.s. heeft op 19 juni 2015 een verzoek tot arbitrage ingediend bij het Permanente Hof van Arbitrage (PHA). Aanleiding daarvoor is dat Everest c.s. van mening is dat haar investeringen op de Krim zijn onteigend en zij daarvoor onder meer schadevergoeding wenst. Everest c.s. baseerde haar vorderingen op een tussen de Russische Federatie en Oekraïne gesloten bilateraal investeringsverdrag (het BIT).

ii. De Russische Federatie heeft het PHA bij brief van 12 augustus 2015 en begeleidende brief van 15 september 2015 laten weten dat zij elk scheidsgerecht, hoe ook samengesteld, onbevoegd acht om over de tegen haar ingestelde vorderingen te beslissen.

iii. Het scheidsgerecht is vervolgens samengesteld als volgt: dr. A.R. Sureda, voorzitter, en prof. W.M. Reisman en prof. dr. R. Knieper, arbiters. Vastgesteld is dat Den Haag de plaats van arbitrage zal zijn.

iv. De arbitrageprocedure is gesplitst in een deel handelend over de bevoegdheid van de arbiters (on jurisdiction) en een deel over de vorderingen zelf (on the merits). Op 20 maart 2017 heeft het scheidsgerecht zijn ‘Decision on Jurisdiction’ gegeven en geoordeeld dat het bevoegd was. Op 2 mei 2018 heeft het scheidsgerecht in zijn ‘Decision on the merits’ de vorderingen van Everest c.s. grotendeels toegewezen.

3 De vorderingen

3.1

In de hoofdzaak vordert de Russische Federatie vernietiging dan wel herroeping van de tussen Everest c.s. en de Russische Federatie in arbitrage gewezen vonnissen van 20 maart 2017 en 2 mei 2018.

3.2

In het incident vordert de Russische Federatie, op de voet van artikelen 21, 22 en 843a Rv, inzage in bepaalde (hierna onder 3.3. omschreven) stukken van Everest c.s.

De Russische Federatie verzoekt het hof om eerst en vooraf:

(i) Everest c.s. te veroordelen om aan de Russische Federatie binnen twee weken na

betekening van de uitspraak in het incident een afschrift te verstrekken van de door haar genoemde bescheiden; en

(ii) te bepalen dat Everest c.s. een dwangsom van € 50.000,- per dag (of deel van een

dag) verbeurt indien zij niet tijdig en volledig voldoet aan de veroordeling om een

afschrift van de betreffende bescheiden te verstrekken.

3.3

De Russische Federatie wil inzage in de volgende stukken die Everest c.s. volgens haar onder zich heeft, of die Everest c.s. redelijkerwijs van derden kan verkrijgen:

(I) Stukken die zien op de fraude door PrivatBank en de precieze rol van Everest c.s.

daarin:

a. Het Kroll rapport (zie §§ 367-368 van de conclusie van repliek);

b. Stukken die benodigd zijn om te beoordelen of Everest c.s. tegen zakelijke

voorwaarden financiering verkreeg, waaronder:

(i) kredietovereenkomsten op basis waarvan Everest c.s. direct of indirect geld verkreeg van PrivatBank,

(ii) alle stukken die zien op de in dat verband door Everest c.s. gevestigde

zekerheden en

(iii) de volledige goedgekeurde jaarrekeningen van Everest c.s. over de jaren 2013 en 2014; en

c. de correspondentie, onderzoeksbevindingen, processtukken en besluiten van de autoriteiten in Portugal, Italië, Letland en Cyprus die zien op de maatregelen als bedoeld in § 374 van de conclusie van repliek;

(II) Stukken die zien op strafrechtelijk onderzoek alsook het aanbieden van geld om

dergelijke strafrechtelijke onderzoeken af te kopen. In het bijzonder de strafdossiers

- daaronder begrepen alle stukken die zien op strafrechtelijk onderzoek en/of

vervolging - waarover Everest c.s. beschikken of redelijkerwijs kunnen

beschikken inzake:

a. de steekpenningen die [X] betaalde aan president [Y] (zie onder

andere §§ 351-354 van de conclusie van repliek);

b. de misstanden bij de privatisering van het Tavria Complex (zie hoofdstuk

3.8.5.c van de conclusie van repliek);

c. de ontvoering van [Z] door [L] (§ 384 van de conclusie van repliek) en

d. het beramen van een moord op [M] zoals besproken in het artikel van

The Telegraph van 4 december 2015, waaronder de getuigenverklaring van

[M] , de bandopname van het gesprek met de Oekraïense

openbare aanklager en het andere bewijs wat door [B] is aangevoerd (zie § 384 van de conclusie van repliek).

Strijd met de goede procesorde

4.1

Everest c.s. is van mening dat de vordering van de Russische Federatie alleen al moet worden afgewezen omdat zij onnodig laat in de procedure is ingesteld.

4.2

Everest c.s. moet worden toegegeven dat de conclusie van repliek een (behoorlijk) laat moment is om een vordering tot inzage van stukken in te stellen. Maar daar staat tegenover dat de Russische Federatie al bij dagvaarding (punt 427) aan Everest c.s. heeft verzocht (en gesommeerd) om het Kroll rapport te overleggen met een beroep op artikel 21 Rv. De late vordering (na het eerdere verzoek) dient te worden afgewogen tegen het belang van waarheidsvinding, die gediend kan zijn met het overleggen van bepaalde stukken. Om die reden zal de vordering niet op deze formele grond worden afgewezen.

Vereisten voor inzage in het algemeen

5.1

De Russische Federatie baseert haar vordering op de artikelen 21, 22 en 843a Rv. Aangezien alleen artikel 843a Rv een wettelijke grondslag vormt voor een dergelijke vordering, zal het verzoek van de Russische Federatie aan de hand van de in dat artikel gestelde vereisten worden beoordeeld.

5.2

Artikel 843a Rv geeft een inzagerecht in stukken die kunnen bijdragen tot het bewijs van bepaalde feiten. Daarom dient allereerst te worden vastgesteld waarvoor de Russische Federatie de gevraagde stukken nodig heeft. Zij heeft aangegeven dat zij de bescheiden wil hebben om haar stellingen te onderbouwen dat (i) de investeringen van Everest c.s. in strijd met de wet zijn en (ii) er sprake is van bedrog en het achterhouden van stukken in de arbitrageprocedure.

5.3

Artikel 843a Rv stelt een aantal eisen aan het inzagerecht:

a. De Russische Federatie moet partij zijn bij de rechtsbetrekking die in geschil is.

b. De Russische Federatie moet een rechtmatig belang hebben bij inzage in de gevorderde bescheiden, dat wil zeggen dat de stukken relevant zijn voor haar rechtspositie, in die zin dat zij daarmee haar vordering (nader) kan onderbouwen.

c. Het moet gaan om “bepaalde bescheiden”, dat wil zeggen dat de stukken zo concreet moeten zijn aangeduid dat duidelijk is waarop aanspraak wordt gemaakt.

d. Everest c.s. moet de stukken te harer beschikking of onder haar berusting hebben.

5.4

Everest c.s. is van mening dat niet aan deze eisen is voldaan.

5.5

Vooropgesteld wordt dat de beoordeling zal plaats vinden aan de hand van de door de Russische Federatie in hoofdstuk 8 van de conclusie van repliek gegeven argumenten, inclusief de verwijzingen in dat hoofdstuk naar andere paragrafen van de repliek of van de dagvaarding. Daarnaast wordt acht geslagen op de bij pleidooi aangevoerde stellingen en de naar aanleiding van het verzoek van het hof na het pleidooi overgelegde stukken en daarop gegeven toelichting en opmerkingen.

(I) Inzage in stukken die zien op de fraude door PrivatBank

6.1

De Russische Federatie vordert in de eerste plaats inzage in het Krollrapport (zie 3.3., I onder a.). Zij licht dit verzoek als volgt toe. Onderzoekbureau Kroll heeft op verzoek van de Nationale Bank van Oekraïne onderzoek gedaan naar de solvabiliteit van banken in Oekraïne. Uit het onderzoek bleek dat bij PrivatBank langdurig fraude is gepleegd. De Russische Federatie heeft geen inzage in het rapport. Volgens haar kan Everest c.s. er eenvoudig aankomen, omdat [X] , die (indirect) aandeelhouder is van Everest c.s., het rapport heeft.

6.2

Everest c.s. voert hiertegen aan dat alle gevorderde documenten betrekking hebben op “fraude door PrivatBank” waarvan Everest c.s. niets weet. De Russische Federatie heeft volgens Everest c.s. ook niet toegelicht waarom deze fraude relevant is voor de vernietigingsprocedure jegens Everest c.s.

6.3

Ter zitting van het hof is de relatie tussen PrivatBank en Everest c.s. besproken. Everest c.s. heeft daar verklaard dat zij in de arbitrageprocedure een powerpoint-presentatie heeft vertoond waaruit de positie van [X] ten opzichte van Everest c.s. blijkt. In die presentatie heeft zij laten zien dat [X] van vijf vennootschappen de Ultimate Beneficial Owner (UBO) is, en daarnaast investeerder in een aantal investeringsmaatschappijen. Everest c.s. heeft toegezegd de slides waarop deze gegevens staan bij akte te overleggen. Dat heeft zij ook gedaan en de Russische Federatie heeft daarop, eveneens bij akte, gereageerd.

6.4

De overgelegde slides bevatten geen nieuwe informatie. Daarop is alleen te zien welke eigendommen zijn onteigend en wie daarvan de eigenaren zijn. Geen van de eigenaren heet PrivatBank of [X] . Wel blijkt eruit dat bepaalde eigendommen geleased waren aan Privatbank en bepaalde eigendommen “were associated with Mr. [X] ”.

Daarnaast heeft Everest c.s. in haar akte verwezen naar de ‘Transcript of Hearing on Jurisdiction’, 15 december 2016 (productie RF-10), pagina 84-90, waar de positie van Everest c.s. door hun advocaat wordt toegelicht. Dit gebeurde in antwoord op de vraag van de arbiters welke reden er is om de claimants in die procedure (Everest c.s.) tezamen te beoordelen. Het scheidsgerecht begrijpt dat de betrekking van de claimants tot [X] een reden daarvoor zou zijn en wil graag verduidelijking van die relatie. In antwoord daarop verklaarde de raadsman van Everest c.s. eerst dat [X] en [P] de grootste aandeelhouders zijn van PrivatBank en dat [L] een zakenrelatie is van [X] .

Vervolgens zette hij uiteen dat de eerste groep eigendommen – bestaande uit zes onroerende zaken, te weten Fiesta (eigendom van AMC Financial Vector LLC, AMC Finansovyy Kapital LLC en Planeta PE), Admiralteisky (eigendom van AMC Finansovyy Kapital LLC en Krim Development LLC), Nautilus Apartment Complex (eigendom van Everest Estate LLC, Edelveis-2000 PE en Dubilet), Solnechny Bereg (eigendom van Fortuna CJSC), Novaya Yaila (eigendom van UBK-Invest CJSC) en Niva Hotel (eigendom van Niva-Tour LLC) – werd gefinancierd en gemanaged door PrivatBank. Volgens de verklaring van Pavlenko, hoofd van de onroerend-goed-sectie van PrivatBank in Ukraine, heeft PrivatBank haar onroerende zaken binnen de bank gebracht en hem benoemd tot manager van het onroerend goed, aldus nog steeds de raadsman.

De tweede groep eigendommen bestaat uit onroerende zaken, zoals Lazurny Bereg, die werden ontwikkeld door een onderneming genaamd ‘Privatland’. Privatland was door PrivatBank georganiseerd als een dochtermaatschappij (althans zij was nauw verbonden aan PrivatBank) voor de ontwikkeling van onroerende zaken. Boglyubov was grotendeels of geheel de ‘beneficial owner’ van Lazurny Bereg.

De derde groep eigendommen bestaat uit onroerende zaken waarvan publiekelijk bekend was dat zij eigendom waren van hetzij [P] of [L] . Hotel Crimea was eigendom van [L] en werd geëxploiteerd door een bedrijf van [P] . [L] en [P] waren samen de ‘beneficial owner’ van Sanatorium Energetic

De volgende groep eigendommen bestaat uit de twee eigendommen van Diline, een klein hotel en een privévilla ernaast. Deze twee eigendommen vormen onderdeel van een groter resort, Tavria, dat eigendom is van PrivatBank.

De vijfde groep eigendommen bestaat uit kantoren van PrivatBank.

De laatste groep eigendommen omvat Aerobud and Zhisa. [X] is een minderheidsaandeelhouder van Aerobud en Zhisa is eigendom van een omroepmaatschappij, waarvan [X] de belangrijkste aandeelhouder is.

6.5

Verder blijkt uit de door Everest c.s. bij haar akte overgelegde bijlage 22 van het Kirilyuk Report dat de uiteindelijk economisch gerechtigde van Diline en van Dayris [X] is.

6.6

Volgens de hiervoor geciteerde stukken en volgens de door de Russische Federatie overgelegde judgment van de Court of Appeal (civil division) te Londen van 15 oktober 2019 in de zaak van Privatbank tegen [X] en anderen (productie RFL-163, rov. 7 e.v.) was [X] ook grootaandeelhouder van PrivatBank en de persoon die ‘controlled the Bank’.

6.8

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten staat voldoende vast dat er nauwe banden (hebben) bestaan tussen Everest c.s. en [X] en (al dan niet via [X] ) tussen Everest c.s. en PrivatBank.

6.9

Wat betreft de fraude door PrivatBank heeft de Russische Federatie gewezen op een publicatie van de Nationale Bank van Oekraïne (NBU) op zijn website over de bevindingen van Onderzoekbureau Kroll. Volgens deze publicatie zijn de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek dat de door PrivatBank van burgers en bedrijven ontvangen fondsen werden gebruikt om investeringen te doen en zakelijke ondernemingen binnen en buiten Oekraïne te financieren ten gunste van de aandeelhouders van de bank. De meeste leningen werden verstrekt aan partijen die banden hadden met de aandeelhouders. De Russische Federatie stelt dat onder meer Everest c.s. profiteerden van de fraude door PrivatBank en dat het Krollrapport daar meer inzicht in biedt. Zij hoopt met het Krollrapport te kunnen bewijzen dat de investeringen in de onroerende zaken die eigendom zijn van Everest c.s. onwettig zijn.

6.10

Met het voorgaande heeft de Russische Federatie voldoende aannemelijk gemaakt dat zij rechtmatig belang heeft bij inzage in het Krollrapport.

6.11

De Russische Federatie heeft aangegeven dat de rechtsbetrekking in geschil de vordering is die Everest c.s. op basis van de arbitrale vonnissen tegen haar stelt te hebben. Voor zover het Krollrapport kan dienen als bewijs dat de investeringen in de onroerende zaken die eigendom zijn van Everest c.s. onwettig zijn, is het relevant voor de beoordeling van de bevoegdheid van het scheidsgerecht en is voldaan aan de in artikel 843a Rv gestelde eis (hiervoor in 5.3 onder a. weergegeven) dat de vordering ziet op stukken aangaande de rechtsbetrekking in geschil.

7.1

Everest c.s. heeft aan de Russische Federatie tegengeworpen dat de gevorderde documenten in het bezit zijn van derden, zodat zij ook feitelijk niet bij machte is om inzage te geven in de documenten.

7.2

Artikel 843a lid 1 Rv bepaalt dat inzage kan worden gevorderd van bepaalde bescheiden van degene die deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft. De woorden “tot zijn beschikking” moeten ruim worden opgevat. Zij doelen niet alleen op het fysiek onder zich hebben van de stukken, maar ook op het ter beschikking kunnen krijgen van de bescheiden door ze bij een derde op te vragen. Nodig is dan wel dat de aangesprokene in een zodanige verhouding staat tot de derde, dat hij jegens die derde aanspraak op afgifte kan maken, zoals het geval is bij gelieerde rechtspersonen. Met de in 6.4 e.v. aangegeven verbanden tussen Everest c.s. en [X] is voldoende aannemelijk geworden dat Everest c.s. jegens [X] aanspraak kan maken op afgifte van het Krollrapport. Everest c.s. heeft niet betwist dat [X] over het Krollrapport beschikt.

8.1

De conclusie uit het voorgaande is dat Everest c.s. zal worden verplicht om aan de Russische Federatie inzage te verlenen in het Krollrapport. Zij dient zich in te spannen om dat rapport te verkrijgen. Als zij zich erop wil beroepen dat zij niet aan het rapport kan komen, dient zij aan te tonen dat zij haar inspanningsverplichting is nagekomen.

8.2

Vanwege de mogelijkheid dat het Krollrapport vertrouwelijke passages bevat over derden, zal het inzagerecht worden beperkt tot die delen die betrekking hebben op handelingen van PrivatBank en haar aandeelhouders ten aanzien van investeringen in Everest c.s. en die delen die betrekking hebben op Everest c.s. Van de overige delen behoeft geen inzage te worden verleend. Als zich gegevens waarin geen inzage behoeft te worden verleend bevinden op dezelfde bladzijde als gegevens die wel onder het inzagerecht vallen, kunnen de eerstbedoelde gegevens zwart worden gemaakt.

Everest c.s. dient een verklaring van een – bij voorkeur Nederlandse - notaris te overleggen dat alle hiervoor genoemde gegevens uit het Krollrapport ter inzage zijn verstrekt.

8.3

Vanwege het vermoedelijke belang van het Krollrapport voor de zaak zal daarnaast aan Everest c.s. worden bevolen om de in 8.2 bedoelde delen van het Krollrapport aan het hof te overleggen.

9.1

De Russische Federatie vordert verder (I onder b) inzage in stukken die benodigd zijn om te beoordelen of Everest c.s. tegen zakelijke voorwaarden financiering heeft verkregen.

9.2

De vordering tot verkrijging van deze stukken is, zoals deze nu luidt, te onbepaald. Niet uit te sluiten valt dat de vordering kan worden gepreciseerd na inzage in het Krollrapport. De beslissing ten aanzien van dit punt zal dan ook worden aangehouden in afwachting van verduidelijking daarvan naar aanleiding van de inzage in het Krollrapport.

10.1

In de derde plaats vordert de Russische Federatie onder I (c) inzage in correspondentie, onderzoeksbevindingen, processtukken en besluiten van de autoriteiten in Portugal, Italië, Letland en Cyprus die zien op de maatregelen bedoeld in § 374 van de conclusie van repliek. In deze paragraaf wordt aangevoerd dat de fraude en witwaspraktijken door de PrivatBank niet beperkt zijn tot de Oekraïne, maar dat ook de filialen van de PrivatBank in de genoemde landen in verband zijn gebracht met fraude en witwassen.

10.2

De vordering is niet alleen te onbepaald, maar ook is onvoldoende duidelijk gemaakt dat de gestelde fraude van buitenlandse filialen van de PrivatBank van belang is voor de rechtspositie van de Russische Federatie ten opzichte van Everest c.s. en met name is onduidelijk op welke wijze deze gegevens van belang kunnen zijn voor het bewijs dat zij wenst te leveren, dat de investeringen van Everest c.s. in strijd met de wet zijn dan wel dat sprake is van bedrog van de zijde van Everest c.s.

10.3

Deze vordering zal dus worden afgewezen.

II Inzage in stukken die zien op strafrechtelijk onderzoek en op het aanbieden van geld om deze onderzoeken af te kopen.

11.1

Onder het kopje ‘stukken die zien op strafrechtelijk onderzoek’ vraagt de Russische Federatie (II onder a) inzage in de strafdossiers inzake de steekpenningen die [X] aan president [Y] betaalde (§§ 351-354 van de conclusie van repliek). In de genoemde paragrafen wordt erop gewezen dat president [Y] [X] hielp om controle te krijgen over de staatsonderneming Ukrnafta. Wat Everest c.s. betreft wordt aangegeven dat zij het vastgoed verkreeg tegen onzakelijke prijzen.

11.2

Deze vordering is niet alleen te onbepaald, maar bovendien is onvoldoende aangegeven welk verband deze stukken hebben met Everest c.s. en met het bewijs dat de Russische Federatie wil leveren. De enkele stelling dat Everest c.s. vastgoed verkreeg tegen onzakelijke prijzen is daarvoor onvoldoende, nu geen enkel verband wordt gelegd met de gestelde omkoping van president [Y] .

11.3

Deze vordering zal dus worden afgewezen.

12.1

Daarnaast vordert de Russische Federatie inzage in strafdossiers inzake de misstanden bij de privatisering van het Tavria Complex. Zij verwijst naar hoofdstuk 3.8.5.c. van de conclusie van repliek. Deze vordering is in alle opzichten te onbepaald om te worden toegewezen. Het Tavria Complex behoort als zodanig ook niet tot de investeringen van Everest c.s. Diline bezit alleen twee gebouwen in het complex. Daarnaast wordt wat betreft de strafdossiers genoemd in § 397 van de conclusie van repliek aangegeven dat er vanwege fraude strafrechtelijke actie is ondernomen tegen een aantal personen, o.a. [naam 2] , gouverneur [de gouverneur] , burgemeester [de burgemeester 1] en [de burgemeester 2] . Everest c.s. behoort niet tot de genoemde personen en niet is aangegeven dat Everest c.s. banden met hen heeft. De namen van deze personen komen niet voor in de onder 5.3 weergegeven uiteenzetting over de eigendomsverhoudingen bij Everest c.s. Wel noemt de Russische Federatie de namen van [X] en [Y] , maar het onderzoek tegen hen zag blijkens noot 648 van de conclusie van repliek op steekpenningen, waarover onder 11.1 al is geoordeeld.

12.2

Ook deze vordering zal dus worden afgewezen.

13.1

Ten slotte vordert de Russische Federatie inzage in strafdossiers inzake de ontvoering van [Z] door [L] (II onder c)) en het beramen van de moord op [M] (II onder d). Verwezen wordt naar § 384 van de conclusie van repliek. Daar wordt aangevoerd dat [L] een zakenpartner van [X] is, die persoonlijk betrokken was bij de ontvoering van [Z] , het hoofd van het Oekraïense Land Management Agency. Verder wordt daar aangevoerd dat [M] heeft verklaard dat hij door [X] werd bedreigd en vervolgens is mishandeld.

13.2

De Russische Federatie heeft niet aangegeven welk verband er is tussen de gevorderde stukken en het bewijs dat de Russische Federatie wil leveren. Dat kon van hen worden gevergd omdat zij niet stelt dat Everest c.s. bij de ontvoering of de moordaanslag was betrokken.

13.3

De vordering zal dus worden afgewezen.

Slotsom

14.1

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering tot inzage in het Krollrapport met enige beperkingen zal worden toegewezen. De Russische Federatie zal op grond van de wettelijke regeling de kosten van inzage voor haar rekening moeten nemen. In verband met het feit dat het rapport vermoedelijk bij een derde moet worden opgevraagd, zal de termijn waarbinnen aan de vordering moet worden voldaan, worden gesteld op zes weken. Aan het bevel zal geen dwangsom worden verbonden, maar als Everest c.s. niet aan het bevel voldoet zal zij onderbouwd dienen aan te geven welke inspanningen zij zich heeft getroost om de beschikking te krijgen over het Krollrapport.

De beslissing over de vordering onder I onder b zal worden aangehouden. Voor het overige wordt de vordering afgewezen. De beslissing omtrent de kosten zal worden aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak.

14.2

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor akte overlegging Krollrapport door Everest c.s.

Beslissing

Het hof:

in de incidenten:

- veroordeelt Everest c.s. om aan de Russische Federatie binnen zes weken na

betekening van de uitspraak in het incident op kosten van de Russische federatie een afschrift te verstrekken van de delen van het Krollrapport, zoals omschreven onder 8.2;

- stelt vast dat de redelijke kosten van het afschrift tot een maximum van € 500,- door de Russische Federatie zullen worden gedragen;

- beveelt Everest c.s. om afschriften van de delen van het Krollrapport omschreven onder 8.2. aan het hof over te leggen;

- beveelt Everest c.s. om bij akte een verklaring van een notaris over te leggen zoals omschreven in 8.2;

- beveelt Everest c.s. om, als zij niet in staat is om de onder 8.2. omschreven delen over te leggen, bij akte uiteen te zetten hoe zij haar onder 8.3 omschreven inspanningsverbintenis is nagekomen;

- houdt de beslissing over de vordering onder I onder b aan;

- weigert de overige gevraagde voorzieningen;

- houdt de beslissing omtrent de kosten aan tot de beslissing in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rol van 10 maart 2020 voor akte overlegging van de onder 8.2. omschreven delen van het Krollrapport door Everest c.s.;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Olthof, D.A. Schreuder en P. Glazener en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2020 in aanwezigheid van de griffier.