Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:496

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
BK-19/00689
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:10818, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het Hof neemt in aanmerking dat belanghebbende voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingebracht die aannemelijk maken, gelet ook op de op de zitting gegeven toelichting, die de conclusie rechtvaardigen dat de gemeente op het kritieke moment ernstig is tekortgeschoten in het belanghebbende - en met hem andere tot betaling van parkeerbelasting bereid zijnde parkeerders - behoorlijk in staat te stellen de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-03-2020
V-N Vandaag 2020/756
FutD 2020-0979
Belastingblad 2020/193
V-N 2020/25.21.5
NTFR 2020/2235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00689

Uitspraak van 13 maart 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zoetermeer, de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 26 september 2019, nr. 19/2993.

Overwegingen

1. Belanghebbende is voor het op 13 december 2018 parkeren van zijn auto een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Zoetermeer van € 63,50 (€ 1,50 belasting en € 62 kosten) opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

2. Tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 47 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 128 is geheven. De Heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend. De griffier heeft de Heffingsambtenaar bij aangetekende brief, verzonden op 12 november 2019 naar Postbus 15, 2700 AA Zoetermeer, uitgenodigd een verweerschrift in te dienen. Uit informatie van PostNL blijkt dat de brief op dat adres is uitgereikt.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 6 maart 2020. Belanghebbende is verschenen, de Heffingsambtenaar niet. De Heffingsambtenaar is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 28 januari 2020 naar Postbus 15, 2700 AA Zoetermeer, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd op de zitting te verschijnen. Uit informatie van PostNL blijkt dat de brief op dat adres is uitgereikt.

5. Op 13 december 2018 om 12.10 uur heeft belanghebbende zijn auto geparkeerd op de tijdelijke parkeerplaats aan de [A] te [Z] , een door burgemeester en wethouders van de gemeente [Z] aangewezen locatie waar tegen voldoening van parkeerbelasting kan worden geparkeerd. De daar door bebording aangewezen parkeerautomaat is defect op het moment dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting wil voldoen. Op de parkeerautomaat is aangegeven dat, als deze buiten werking is, de verschuldigde parkeerbelasting bij een andere automaat moet worden voldaan. De naheffingsaanslag is het gevolg van de bij controle gedane vaststelling dat voor de auto geen parkeerbelasting is voldaan.

6. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

3. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4. [ Belanghebbendes] stelling dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar onbevoegdelijk zijn vastgesteld door [B] B.V. ( [B] ) slaagt niet (vgl. Hof Den Haag 17 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2731). Uit het door [de Heffingsambtenaar] overgelegde 'Mandaat en machtigingsbesluit heffing en invordering gemeentelijke parkeerbelastingen' van 7 september 2010 (Mandaatbesluit) volgt dat aan 'parkeercontroleurs in dienst van [B] die door de gemeente [Z] zijn aangesteld als onbezoldigd ambtenaar' mandaat is verleend voor het vaststellen van naheffingsaanslagen inzake parkeerbelasting. Uit het besluit met kenmerk ST/SB/B&P 12/19892 van 18 december 2012 blijkt dat medewerkers van [B] tot onbezoldigd ambtenaar zijn benoemd met ingang van 2 januari 2013. Daarnaast volgt uit het Mandaatbesluit dat aan de directeur van [B] de bevoegdheid is gemandateerd om zorg te dragen voor de afdoening van bezwaar- en beroepschriften inzake naheffingsaanslagen parkeerbelastingen.

5. [ Belanghebbendes] stelling dat [B] een commercieel bedrijf is en het daarom onacceptabel is dat dit bedrijf verantwoordelijk is voor zowel het opleggen en innen van naheffingsaanslagen als de afhandeling van bezwaren, slaagt evenmin. De enkele omstandigheid dat [B] een commerciële onderneming exploiteert, maakt niet dat daarmee gehandeld zou worden in strijd met integriteitsregels. Een naheffingsaanslag parkeerbelasting kan slechts worden opgelegd in het geval dat de verschuldigde belasting niet is betaald. [B] kan daar geen invloed op uitoefenen. Zij heeft hierbij immers slechts een controlerende functie. Dat de gemeente voor de diensten van [B] een vergoeding betaalt maakt niet dat daardoor integriteitsregels of rechtsregels worden geschonden.

6. Niet in geschil is dat de bij [belanghebbende] bekende parkeerautomaat op het parkeerterrein, waarnaar een bord op de parkeerplaats verwijst, defect was. Uit het arrest van de Hoge Raad van 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3117, volgt dat de plicht om parkeerbelasting te betalen niet vervalt als de dichtstbijzijnde automaat defect is. In dat geval moet parkeerbelasting worden voldaan bij een andere parkeerautomaat in de buurt. Op de defecte automaat stond blijkens de door [belanghebbende] overgelegde foto ook aangegeven dat indien de automaat buiten werking is, er dient te worden betaald bij een andere automaat. Uit de door [de Heffingsambtenaar] overgelegde foto’s volgt dat er twee andere parkeerautomaten in de nabijheid van de defecte automaat aanwezig waren. Die automaten staan naar het oordeel van de rechtbank zodanig dicht bij de defecte automaat, dat [belanghebbende] die bij een onderzoek in de omgeving had kunnen en moeten zien. Dat het bord op de parkeerplaats naar de defecte automaat wijst, neemt niet weg dat op [belanghebbende] als parkeerder de plicht rustte om een andere parkeerautomaat te zoeken om de parkeerbelasting te voldoen. [De Heffingsambtenaar] heeft de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

7. In hoger beroep zijn dezelfde geschilpunten aan de orde als bij de Rechtbank. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

8. Voor dit geval concludeert het Hof, anders dan de Rechtbank, tot afwezigheid van de vereiste rechtmatigheid van de naheffingsaanslag. Het Hof neemt in aanmerking dat belanghebbende voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingebracht die aannemelijk maken, gelet ook op de op de zitting gegeven toelichting, die de conclusie rechtvaardigen dat de gemeente op het kritieke moment ernstig is tekortgeschoten in het belanghebbende - en met hem andere tot betaling van parkeerbelasting bereid zijnde parkeerders - behoorlijk in staat te stellen de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Uit wat de Heffingsambtenaar in de bezwaar- en beroepsprocedure heeft aangevoerd dan wel anderszins zijn onvoldoende feiten en omstandigheden te putten die op het tegendeel wijzen. Opmerking verdient dat het hier gaat om een (tijdelijke) uitbreiding van het aanwezige parkeerterrein en dat onvoldoende en onduidelijke bebording - waaronder zelfs, naar belanghebbende bij latere opname van de feitelijke situatie heeft moeten constateren, in de verkeerde richting wijzend - en als gevolg van de hoogte van de twee andere groene, lage, als een kast uitziende parkeerautomaten door het grote contingent geparkeerde auto’s vanaf de plaats van de defecte automaat aan het zicht onttrokken, het belanghebbende praktisch onmogelijk heeft gemaakt bij het voldoen aan zijn onderzoeksplicht een (werkende) parkeerautomaat te vinden om de door hem verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Intussen is, naar belanghebbende op de zitting - op zich aannemelijk - heeft verklaard, het probleem van het slecht tot niet kunnen zien van de automaten door de gemeente in ieder geval vanaf 3 maart 2020 opgelost. Volgens belanghebbende staan thans vijf parkeerautomaten zichtbaar voor een ieder op of nabij het parkeerterrein.

9. Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende. Zijn stelling over de bevoegdheid van [B] B.V. als Heffingsambtenaar op te treden, wat daarvan zij, hoeft geen behandeling.

10. Het hoger beroep is gegrond.

11. Niet is gebleken dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

12. De Heffingsambtenaar dient belanghebbende de griffierechten van in totaal € 175 (€ 47 + € 128) te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar,

- vernietigt de naheffingsaanslag, en

- gelast de Heffingsambtenaar belanghebbende € 175 aan griffierechten te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 13 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.