Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:482

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
22-004143-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artt. 244 en 248 Sr. Meermalen ontucht plegen met kleinkind. Veroordeling tot gevangenisstraf van 26 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, proeftijd van 5 jaren. Bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar. Toewijzing vordering benadeelde partij en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Gebruik voor het bewijs, ook voor wat betreft de freguente van het misbruik, van de verklaring van het jonge slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004143-19

Parketnummer: 10-712063-18

Datum uitspraak: 19 maart 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte]

geboren te [plaats] op [datum],

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 5 maart 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, onder de algemene en bijzondere voorwaarden als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, met bevel dat de bijzondere voorwaarden en het aan de reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 juli 2016 tot 10 mei 2018 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [naam slachtoffer] (geboren op [datum]), handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- brengen van en/of wrijven met zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [naam slachtoffer] en/of

- betasten van en/of wrijven met zijn, verdachtes, hand over de vagina en/of de schaamstreek van die [naam slachtoffer], terwijl die [naam slachtoffer] aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden, zoals deze door de rechtbank zijn opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat de bewezenverklaarde periode dient te worden verkort. De verdachte stelt zich immers op het standpunt dat de ontuchtige handelingen met zijn kleindochter [naam slachtoffer] op drie verschillende tijdstippen, alle in 2018 gelegen, en dus niet vanaf 23 juli 2016, hebben plaatsgevonden.

Bovendien heeft de raadsman partiële vrijspraak van het onderdeel ‘seksueel binnendringen van het lichaam’ en derhalve ook van het eerste gedachtestreepje bepleit, nu de verdachte dit onderdeel stellig ontkent en zich hiervoor onvoldoende bewijs in het dossier bevindt.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Vooropgesteld wordt dat [naam slachtoffer] in een kindvriendelijke studio door een gecertificeerd zedenrechercheur tevens gediplomeerd verhoorder van jonge getuigen van de politie eenheid Rotterdam is gehoord. Van dat verhoor bevindt zich een “verbatim transcriptie” in het dossier. Op grond daarvan stelt het hof vast dat het slachtoffer uitvoerig is bevraagd omtrent de ten laste gelegde ontuchtige handelingen. Het hof acht van belang dat deze verklaring met betrekking tot voor het tenlastegelegde essentiële onderdelen specifieke en significante details bevat. Zo heeft [naam slachtoffer] in het studioverhoor verklaard dat opa heel veel keren over/op haar plasser heeft gewreven/gedrukt, zeker meer dan twintig keer. Zij gaf in het verhoor aan dit te weten, omdat zij dit geteld heeft, maar dat zij het op enig moment niet meer kon volgen. [naam slachtoffer] heeft voorts aangegeven dat het heel vaak gebeurde als haar moeder moest werken, maar ook iedere dag als zij bij opa en oma moest gaan logeren. Als opa ging wrijven en drukken zat hij heel vaak op de bureaustoel en een enkele keer op bed. De verklaring van [naam slachtoffer] bevat hierover geen tegenstrijdigheden en vindt wat betreft het feit dat zij seksueel is misbruik steun in de verklaring van de verdachte.

Gelet op het voorgaande volgt het hof, ook voor wat betreft de frequentie van het misbruik, anders dan de rechtbank, de verklaring van [naam slachtoffer]. Dit leidt het hof dan ook tot de conclusie dat de ontuchtige handelingen veel vaker dan drie keer en niet alleen in 2018 moeten hebben plaatsgevonden.

Het hof acht voorts bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onderdeel ‘seksueel binnendringen in het lichaam’. Ook hierbij gaat het hof uit van de verklaring van [naam slachtoffer] nu de details die [naam slachtoffer] hierover geeft in haar verklaring zeer specifiek zijn. [naam slachtoffer] heeft hierover verklaard dat zij de punt van de nagel in haar gaatje heeft gevoeld en dat dit pijn veroorzaakte.

Dat de verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt vindt bovendien ondersteuning in zijn tegenover de politie afgelegde verklaring van 1 juli 2018, inhoudende dat hij bij de aanvang van de vagina heeft geduwd tussen de schaamlippen (p. 10 en 11 verklaring verdachte).

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de bewezenverklaarde periode schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 juli 2016 tot 10 mei 2018 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [naam slachtoffer](geboren op [datum] ), handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- brengen van en/of wrijven met zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [naam slachtoffer] en/of

- betasten van en/of wrijven met zijn, verdachtes, hand over de vagina en/of de schaamstreek van die [naam slachtoffer], terwijl die [naam slachtoffer] aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gedurende de bewezenverklaarde periode meermalen ontuchtige handelingen gepleegd met zijn kleindochter, waarbij ook sprake was van seksueel binnendringen van het lichaam. Het misbruik begon toen zij zeven of net acht jaar oud was. Het misbruik vond plaats in de woning van de verdachte, wanneer hij en zijn vrouw op hun kleindochter pasten. Aldus handelend heeft de verdachte het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Hierbij heeft hij op grove wijze misbruik gemaakt van de tussen hem en zijn kleindochter bestaande vertrouwensrelatie en zijn psychische overwicht als opa. De verdachte heeft bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar ongestoorde seksuele en emotionele ontwikkeling. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. Algemeen bekend is dat jeugdige slachtoffers van dergelijke zedendelicten in de regel nog geruime tijd en soms levenslang de psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen op zo jonge leeftijd is aangedaan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een zedendelict met [aanduiding slachtoffers]. Dit betreft een oude veroordeling uit [datum].

Het hof heeft tevens acht geslagen op een Pro Justita rapportage, opgemaakt en ondertekend door J. Yntema, psycholoog d.d. 1 juli 2019.

Volgens deze gedragsdeskundige is de verdachte lijdende aan een ongespecificeerde parafiele stoornis en persisterende depressieve stoornis. Doordat de verdachte in zijn jeugd langdurig is misbruikt is zijn seksuele script veranderd. De hervorming van het seksuele script en de daaruit voortvloeiende parafiele stoornis van de verdachte heeft mogelijk een rol gespeeld bij het verrichten van de seksuele handelingen bij een minderjarige. De verdachte lijkt wel te beseffen dat dit iets is wat niet mocht, maar heeft onvoldoende kunnen inschatten wat de gevolgen voor het slachtoffer zouden kunnen zijn. De psycholoog oordeelt dat voornoemde stoornis ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig was en de gedragingen en gedragskeuzes van de verdachte deels heeft beïnvloed. Hij concludeert dat de verdachte als verminderd ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Nu de conclusie van Yntema wordt gedragen door zijn bevindingen en wordt gesteund door hetgeen ook overigens op de terechtzitting in hoger beroep is gebleken, neemt het hof die conclusie over en maakt het die tot de zijne.

Op grond hiervan komt het hof tot het oordeel dat sprake is geweest van een verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit. Ook hiermee houdt het hof rekening, nu in het voordeel van de verdachte.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op reclasseringsrapporten d.d. 27 maart 2019 en 7 augustus 2019, inhoudende onder andere het advies aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met de navolgende bijzondere voorwaarden op te leggen, kort gezegd: een meldplicht, ambulante behandeling bij de Waag (met een mogelijke doorverwijzing naar een andere zorginstelling als de ASVZ), het geven van toestemming aan de reclassering om informatie aan derden te verstrekken of te vragen, en medewerking verlenen aan de uitvoering van een convenant tussen reclassering en politie.

Gelet op het Voortgangsverslag toezicht d.d. 28 februari 2020 constateert het hof dat er thans al uitvoering wordt gegeven aan de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden gelet op de in eerste aanleg opgelegde dadelijke uitvoerbaarheid.

De raadsman heeft betoogd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf thans niet opportuun is. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat een ambulante behandeling bij De Waag van de verdachte inmiddels al is aangevangen, waardoor de kans op recidive laag moet worden ingeschat, maar ook en meer in het bijzonder dat de verdachte de zorg draagt voor zijn echtgenote die vanwege een fysieke beperking in een rolstoel zit, terwijl zijn echtgenote met zeer serieuze depressieve klachten kampt en eens temeer wanneer de verdachte niet langer voor haar zou kunnen zorgen.

Het hof heeft oog voor de omstandigheden van verdachtes echtgenote, maar gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De ernst van dit feit en de – ten opzichte van de rechtbank langere bewezenverklaarde periode - rechtvaardigen naar ’s hofs oordeel in beginsel een gevangenisstraf als door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof zal de omstandigheid dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt ten gunste van de verdachte betrekken bij de strafoplegging.

Alles afwegende, acht het hof daarom een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk een passend en geboden reactie.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op de omstandigheid dat het bewezen verklaarde misdrijf is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen

hetgeen in de voornoemde rapportages van de gedragsdeskundigen omtrent de persoon van de verdachte is gerapporteerd en het hiervoor aangehaalde uittreksel Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens een zedendelict dat meermalen is begaan, is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat er thans ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom beveelt het hof dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Proeftijd

Het hof overweegt dat in bepaalde gevallen een proeftijd kan worden opgelegd van maximaal tien jaren, te weten indien er ernstig rekening moet worden gehouden met het feit dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (artikel 14b, tweede lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafrecht). Deze mogelijkheid is in de wet opgenomen teneinde voor een langere periode controle te kunnen houden op de veroordeelde, bijvoorbeeld in gevallen van ontucht.

Het hof acht sprake van een dergelijke situatie. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte er ter terechtzitting in hoger beroep geen blijk van gegeven volledig inzicht te hebben in de drijfveren van zijn handelen, en heeft hij slechts summier inzicht getoond in de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Nu er, zoals reeds overwogen, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, acht het hof, langduriger toezicht dan gebruikelijk geboden. Met het oog daarop ziet het hof dan ook aanleiding om de ten aanzien van de aan het voorwaardelijk deel van de straf te verbinden proeftijd op vijf jaren te stellen.

Vordering tot schadevergoeding [naam slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [naam slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.000,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof acht aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid en rekening houdende met de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend - voor toewijzing tot een bedrag van € 7.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 7.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 57, 244 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 5 (vijf) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

-dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op nader te bepalen tijdstippen te melden bij Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

-dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling bij de Waag of een soortgelijke zorgverlener zal stellen, zolang de behandelaren dit nodig vinden, in samenspraak met de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

-dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [naam slachtoffer];

-dat de veroordeelde toestemming aan de reclassering geeft om aan hen die voor de uitvoering van begeleiding en toezicht van belang zijn informatie te verstrekken en te vragen en dat de veroordeelde meewerkt aan het convenant tussen reclassering en politie, dat onder meer inhoudt dat hij door de wijkagent bezocht kan worden in huis of omgeving.

Geeft aan de genoemde reclasseringsinstelling de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 72 (tweeënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 juli 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout,

mr. A.S.I. van Delden en mr. J. Candido, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 maart 2020.

Mrs. G. Knobbout en J. Candido zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.