Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:462

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
BK-19/00517
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:6648, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Inspecteur verneemt via de Belastingdienst/FIOD dat belanghebbende bankrekeningen in België aanhoudt/heeft aangehouden, op basis waarvan de Inspecteur belanghebbende in algemene zin verzoekt informatie te verstrekken over buitenlandse bankrekeningen. De Inspecteur stelt dat belanghebbende niet (volledig) aan het informatieverzoek voldoet en geeft daarom een informatiebeschikking. De Inspecteur heeft belanghebbende bij het geven van de informatiebeschikking echter bewust niets vermeld inzake de bij hem bekende, via de Belastingdienst/FIOD verkregen, informatie en daarmee samenhangend belanghebbende onvoldoende duidelijk gemaakt welke informatie de Inspecteur exact wenste te ontvangen. Deze werkwijze schiet het doel en de strekking van de informatiebeschikking voorbij, zodat deze niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-03-2020
V-N Vandaag 2020/680
FutD 2020-0921 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2020/1006 met annotatie van Mark Hendriks
NTFR 2020/1529 met annotatie van mr. I. van Wijk
V-N 2020/25.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00517

Uitspraak d.d. 10 maart 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Breda, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: [B] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 1 juli 2019, nummer SGR 19/1629.

Procesverloop

1.1.

Bij beschikking van 3 mei 2016 (de informatiebeschikking) heeft de Inspecteur met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen voor de jaren 2003 tot en met 2015 en de heffing van omzetbelasting voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 mei 2016 vastgesteld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan hem opgelegde verplichtingen.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de informatiebeschikking bezwaar gemaakt. Voor zover de informatiebeschikking betrekking heeft op de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen voor de jaren 2004 tot en met 2014, heeft de Inspecteur het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover de informatiebeschikking betrekking heeft op de (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen voor de jaren 2005, 2006 en 2007 en de naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het tijdvak 2005-2006 heeft de Inspecteur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant ingesteld. Van belanghebbende is geen griffierecht geheven.

1.4.

Op 28 februari 2019 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaak voor verdere behandeling en beslissing verwezen naar de Rechtbank.

1.5.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbende een termijn van zes weken gesteld, gerekend vanaf de dag van verzending van de uitspraak, om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.

1.6.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een bedrag van € 259 aan griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft het Hof nog de volgende stukken ontvangen:

  • -

    Op 16 januari 2020 van de zijde van belanghebbende een nader stuk met diverse producties;

  • -

    Op 17 januari 2020 van de zijde van de Inspecteur een toevoeging op de reeds ingediende stukken met twee bijlagen;

  • -

    Op 24 januari 2020 van de zijde van belanghebbende een nader stuk met diverse producties.

1.7.

De mondelinge behandeling van het zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 28 januari 2020. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Bij brief van 20 juli 2015 deelt de Belastingdienst/FIOD de Inspecteur het volgende mee:

“Bij onze dienst is bekend geworden dat [belanghebbende] (…) beschikt over een op haar naam gestelde bankrekening nummer: BE[***] bij de [C] in [D] België.

Deze bankrekening (zicht- en effectenrekening) is geopend op 10 mei 1993. Eerdere rekeningen van deze belastingplichtige bij deze bank werden in 2009 gesloten.

Op deze rekening zijn, voor zover bekend, contante stortingen gedaan volgens onderstaand overzicht:

22 augustus 2004 € 54.045

22 februari 2005 € 123.050

24 augustus 2007 € 257.055

23 augustus 2008 € 20.000

Op 16 februari 2014 bedroeg het saldo € 1.435.429,74.”

2.2.

Na de ontvangst van de onder 2.1 vermelde informatie verzoekt de Inspecteur belanghebbende bij brief van 23 juli 2015 om binnen drie weken na de dagtekening van de brief de volgende informatie te verstrekken:

“• Welke buitenlandse bankrekeningen bezat/bezit u vanaf 1 januari 2003? Graag hierbij de vermelding bij welke bankfilialen u deze rekeningen hebt/had.

• Graag ontvangen wij alle rekeningafschriften van deze rekeningen vanaf 1 januari 2003.

• In de gevallen dat u niet (tijdig) over de bankafschriften kunt beschikken verzoeken wij u het verloop van deze rekeningen en de saldi te vermelden

• Wat is de herkomst van de stortingen op deze rekeningen?

• Wie heeft of had er buiten u de beschikkingsmacht over de rekeningen?”

2.3.

Bij brief van 8 september 2015 deelt de Inspecteur belanghebbende mee dat hij tot dan geen reactie op zijn brief van 23 juli 2015 heeft mogen ontvangen en verzoekt hij belanghebbende “om ons binnen tien dagen van deze brief de gevraagde bescheiden toe te zenden”. Daarnaast verzoekt de Inspecteur belanghebbende om afschriften van de niet-zakelijke binnenlandse bankrekeningen vanaf 1 januari 2005 mee te zenden. De Inspecteur wijst belanghebbende erop dat zij op grond van artikel 47 Awr verplicht is “de gevraagde informatie te verstrekken en ter inzage aan te bieden”. Hij vervolgt:

“Indien u niet aan dit verzoek voldoet overwegen wij een informatiebeschikking te nemen zoals bedoeld in artikel 52a [Awr]. In dat geval zult u in een eventuele bezwaarfase in een nadelige bewijspositie komen en geconfronteerd worden met de zogenaamde omkering en verzwaring van de bewijslast. Het is dan aan u om te bewijzen dat belastingaanslagen onjuist zijn.”

2.4.

Op 15 oktober 2015 heeft gemachtigde een gesprek gehad met de Inspecteur. Naar aanleiding daarvan bericht gemachtigde de Inspecteur bij brief van 20 oktober 2015 het volgende:

“Het betreft de volgende rekeningen:

Duitsland, [E] : [F]

  • -

    [rekeningnummer] (saldo circa € 550,-)

  • -

    [rekeningnummer] (saldo thans circa € 27.500,-)

Deze bankrekeningen in Duitsland zijn vermeld in de jaarlijkse IB-aangiften van [belanghebbende].

Na de oprichting van de coöperatieve vereniging in [E] Duitsland, die zich richt op hulpverlening voor/aan kinderen is in 2014 in [G] een Stichting [H] opgericht.

In de loop van 2014 heeft [belanghebbende] ook in [G] een privérekening geopend. Deze staat nog niet vermeld op de IB aangifte 2014 omdat de rekening op 1 januari 2014 nog niet bestond. Het betreft de volgende rekening:

[G] , [I] , NLB [J] Banka

- [ [rekeningnummer] (saldo € 2.000).

De saldi zijn afkomstig van haar privébankrekening(en) in Nederland.”

2.5.

Bij brief van 26 oktober 2015 deelt de Inspecteur belanghebbende mee dat bij hem een bezwaarschrift omzetbelasting en drie bezwaarschriften inkomstenbelasting in behandeling zijn. Hij wijst belanghebbende erop dat de gemachtigde enkele in de brief van de Inspecteur van 23 juli 2015 gestelde vragen nog niet (volledig) heeft beantwoord en hij verzoekt belanghebbende deze vragen alsnog binnen één week volledig te beantwoorden.

2.6

Bij brief van 26 november 2015 maakt gemachtigde namens belanghebbende bezwaar tegen een nieuw nader onderzoek. Ter motivering merkt hij onder meer het volgende op:

“De belastingdienst heeft gedurende 7,5 jaar diepgaand en intensief onderzoek gedaan en niets kunnen vinden. Dit onderzoek was inmiddels afgerond en heeft geresulteerd in een voornemen uitspraak op bezwaar waarover partijen definitief overeenstemming hadden bereikt.

De wens van de belastingdienst (…) om na 7,5 jaar diepgaand onderzoek, waarbij;

- de gehele administratie en alle bankafschriften, zowel zakelijk als privé, over de jaren 2003 –

2011 zijn onderzocht,

- het gehele vermogensverloop van cliënte over de periode 2003-2011 is onderzocht, logisch natrekbaar is gebleken en akkoord is bevonden,

- niets in het nadeel van mijn cliënte is gevonden,

- de belastingdienst heeft erkend geen bewijs voor de ingenomen stellingen in het controlerapport boekenonderzoek uit 2008 te hebben kunnen vinden,

- het afgeronde boekenonderzoek heeft geresulteerd in een herhaald voornemen uitspraak op bezwaar in 2015,

- de zaak zich in de definitieve eindfase van afwikkeling bevond,

- partijen definitief overeenstemming hadden bereikt,

- een beëdigde getuigenverklaring waarin onder ede wordt verklaard dat alle beschuldigingen ten aanzien van [belanghebbende] te kwader trouw door derden achter de schermen zijn opgezet en georkestreerd om [belanghebbende] uit te schakelen, bekend is geworden,

- deze getuigenverklaring in lijn ligt met de bevindingen van de belastingdienst omdat in 7,5 jaar durend diepgaand onderzoek geen bewijs tegen [belanghebbende] is gevonden (…),

toch een nieuw nader onderzoek tegen belanghebbende op te willen starten, zonder bewijs, zonder nieuwe feiten en zonder redelijk op bewijs en deugdelijke gronden gebaseerd vermoeden en verdenking, is onrechtmatig.

(…)

Hierbij stel ik de belastingdienst formeel wegens onrechtmatige daad jegens [belanghebbende] aansprakelijk voor alle door [belanghebbende] geleden materiële en immateriële schade (….)

Uitsluitend (…) om een risico op een informatiebeschikking te voorkomen bied ik uiterst subsidiair aan om de belastingdienst voor de derde maal te voorzien van bankafschriften.”

2.7

In de informatiebeschikking vat de Inspecteur de onder 2.2 tot en met 2.6 vermelde correspondentie samen. Vervolgens stelt hij vast dat belanghebbende nog steeds niet aan haar informatieverplichting op grond van artikel 47 van de Awr heeft voldaan. Over de gevolgen van de informatiebeschikking merkt de Inspecteur het volgende op.

“Deze informatiebeschikking ziet (…) ook op de thans in behandeling zijnde bezwaarschriften.

U kunt er (…) ook voor kiezen om alsnog aan de bovengenoemde verplichting te voldoen. In dat geval verzoeken wij u om ervoor te zorgen dat de gewenste bescheiden per ommegaande in ons bezit komen.

(…)

Als u niet aan uw informatieverplichtingen voldoet en niet of niet tijdig bezwaar maakt tegen deze beschikking, wordt deze informatiebeschikking onherroepelijk. Dat brengt dan met zich mee dat u in een nadelige bewijspositie terecht komt (…) U dient dan namelijk te bewijzen dat die belastingaanslagen niet juist zijn, de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast.

Een bijkomend gevolg van de beschikking is, dat de termijn waarbinnen deze aanslagen kunnen worden opgelegd wordt verlengd (…).

2.8.

Met dagtekening 22 december 2016 ontvangt belanghebbende een brief van de Inspecteur betreffende ‘verslag van gevolgen onderzoek juistheid verschuldigde inkomsten- en omzetbelasting/bijlage boetebeschikking/mededeling vergrijpboete’. Daarin is onder andere het volgende opgenomen:

“Om de geldstromen in beeld te krijgen hebben wij u achtereenvolgens op 23 juli 2015 en op 8 september 2015 een vragenbrief gestuurd. Hierin vroegen wij u welke buitenlandse bankrekeningen u hebt of had vanaf 2003 en wij vroegen om de toezending van de afschriften van die rekeningen.

Namens u is door uw advocaat, meneer mr. [A] , enkele malen gereageerd. De reactie van uw advocaat van 26 november 2015 vermeldt dat u in het bezit bent van een Duitse en een tweetal Macedonische bankrekeningen. Die reactie bevat tevens de bewering dat wij de gevraagde bankafschriften al tweemaal ter beschikking zouden hebben gehad voor onderzoek hetgeen niet het geval is.

Zonder hier nu op alle, al dan niet lasterlijke, onderdelen van deze brief in te gaan moeten wij constateren dat nog steeds niet aan ons informatieverzoek is voldaan. De bescheiden waar wij om hebben gevraagd zijn niet verstrekt en de vragen die wij hebben gesteld zijn niet (volledig) dan wel onjuist beantwoord.

Daarom hebben we u op 3 mei 2016 een informatiebeschikking gezonden. U hebt de in die beschikking geboden mogelijkheid om alsnog de gevraagde bescheiden te verstrekken en de gestelde vragen juist en volledig te beantwoorden onbenut gelaten. Wel is door uw advocaat een bezwaarschrift tegen de informatiebeschikking ingediend.

U hebt dus herhaaldelijk en nadrukkelijk beweerd dat u, naast de in uw aangiften vermelde banktegoeden (en de minimale aanvulling daarop door te vermelden dat er nog een kleine Macedonische spaarrekening niet is aangegeven), niet over andere buitenlandse banktegoeden beschikt; of in die periode hebt beschikt.

Volgens ons ten dienste staande gegevens beschikt (of hebt u beschikt) u echter sinds 1993 over Belgische bankrekeningen waarvan in uw aangiften inkomstenbelasting nooit melding is gemaakt.

Op 26 februari 2014 wordt door de Belgische autoriteiten beslag gelegd op het gehele saldo van

€ 1.435.429,74 van uw Belgische bankrekeningen (BE***). Een dag later, om 16.00 uur, bent u van plan om het gehele bedrag contant op te nemen in biljetten van € 50. Dat is dan uiteraard niet meer mogelijk.

Ons is bekend geworden dat op bankrekening *** waarvan het saldo in beslag is genomen in ieder geval de volgende contante stortingen hebben plaatsgevonden:

- 28 augustus 2004 € 54.054

- 22 februari 2005 € 123.050

- 25 augustus 2007 € 257.055

Dit feit staat wel in een zeer schril contrast met de inhoud van de brief van 26 november 2015 waarin argumenten worden aangevoerd om ons van een onderzoek naar uw geldstromen af te houden. Die brief is opgemaakt nadat de Belgische autoriteiten al beslag op uw banktegoeden daar te lande hadden gelegd.”

De Inspecteur deelt in de brief voorts mee over de jaren 2004 tot en met 2014 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting op te leggen, alsmede vergrijpboetes.

Oordeel van de rechtbank

De Rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen:

“(…)

11. Artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) geeft [de Inspecteur] een ruime bevoegdheid bij de inwinning van informatie bij een belastingplichtige. Voor een belastingplichtige bestaat op grond van die bepaling de verplichting om aan [de Inspecteur] desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en/of boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, indien [de Inspecteur] zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing ten aanzien van die belastingplichtige (vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Indien niet volledig wordt voldaan aan deze verplichting, kan de inspecteur op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr een informatiebeschikking geven.

12. De rechtbank stelt vast dat de Belgische bankrekening vanaf 1993 op naam van [belanghebbende] stond en dat het saldo op deze rekening aanzienlijk was, hetgeen door [belanghebbende] ook niet is betwist. Naar het oordeel van de rechtbank kon [de Inspecteur] zich dan ook in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde informatie ter zake van de Belgische bankrekening van belang zou kunnen zijn voor de belastingheffing van [belanghebbende]. Dat [belanghebbende] de Belgische bankrekening, conform het bepaalde in het certificaat van dienstbaarheid, zou hebben overgedragen aan de orde of anderszins niet gerechtigd zou zijn tot de Belgische bankrekening is niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast is voor de gegeven informatiebeschikking, die ziet op de jaren 2005, 2006 en 2007, niet van belang dat in 2014 door de Belgische autoriteiten beslag is gelegd op de Belgische bankrekening en/of dat de tegoeden inmiddels door een criminele organisatie zouden zijn ontvreemd. De stelling dat [de Inspecteur] uit een eerder onderzoek reeds bekend was met het bestaan van de Belgische bankrekening, wat daar ook van zij, ontslaat [belanghebbende] niet van de verplichting informatie te verschaffen.

13. Van [belanghebbende] mag redelijkerwijs worden verwacht dat zij, na de herhaaldelijk gedane informatieverzoeken van [de Inspecteur], enige inspanning zou verrichten om alle gevraagde informatie ten aanzien van de Belgische bankrekening te verkrijgen. [belanghebbende] heeft onvoldoende bewijsstukken ingebracht, waaruit valt af te leiden dat zij dergelijke inspanningen heeft verricht en heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat zij redelijkerwijs niet over de door [de Inspecteur] gevraagde gegevens kon beschikken. De informatiebeschikking is terecht gegeven.

14. Wettelijk gevolg van het onherroepelijk worden van een informatiebeschikking is omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om daar van af te wijken. De rechtbank zal [belanghebbende] op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikking verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak passend.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep, standpunten en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de informatiebeschikking dient te worden vernietigd.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. De informatiebeschikking is onredelijk, buitenproportioneel, onrechtmatig en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De door de Inspecteur van belanghebbende met betrekking tot de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2005, 2006 en 2007 en de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 2005-2006 gevorderde informatie is irrelevant voor de belastingheffing in Nederland. De Inspecteur heeft zich niet gehouden aan artikel 6 lid 2 EVRM en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tot laatstgenoemde beginselen behoren de eisen van integriteit en onkreukbaarheid in zin van niet-omkoopbaar zijn. Naar blijkt al hetgeen belanghebbende in het geding heeft gebracht, heeft de Inspecteur niet aan deze eisen voldaan. Mocht de informatiebeschikking in stand worden gelaten, dan dient omkering en verzwaring van de bewijslast achterwege te blijven, te meer daar de door de Inspecteur gestelde vragen integraal zijn beantwoord, met uitzondering van de Belgische bankrekening van het [H] / [K] Ltd., voor wie belanghebbende de aandelen/de effectenrekening heeft gehouden.

4.3.

De Inspecteur beantwoordt de in geschil zijnde vraag ontkennend. Hij heeft de standpunten en hetgeen belanghebbende ter motivering daarvan heeft aangevoerd gemotiveerd weersproken.

4.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging de informatiebeschikking.

4.5.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het geschil

Overweging vooraf

5.1.

Belanghebbende heeft op 24 januari 2020 een nader stuk met drie bijlagen ingediend, waarvan de griffie van het Hof een kopie aan de Inspecteur heeft doen toekomen. De Inspecteur heeft ter zitting te kennen gegeven het stuk (nog) niet te hebben ontvangen. Nu belanghebbende het stuk niet met inachtneming van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn heeft ingediend en daarmee in het onderhavige geval de Inspecteur de mogelijkheid heeft ontnomen om zich voor de zitting te vergewissen van de inhoud van de stukken en hierop te kunnen reageren, is de Inspecteur geschaad in zijn procespositie. Het Hof verklaart de stukken dan ook tardief; zij maken geen onderdeel uit van de gedingstukken.

Grenzen van het geschil

5.2.

Naar ter zitting is vast komen te staan heeft de Inspecteur de reikwijdte van de informatiebeschikking beperkt tot:

- de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2004 tot en met 2014;

- de nog niet gedane uitspraken op bezwaar tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 2005, 2006 en 2007;

- de nog niet gedane uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 2005-2006.

Niet tussen partijen in geschil is dat de informatiebeschikking, voor zover daarin is vastgesteld dat belanghebbende met betrekking tot de in het “verslag van gevolgen onderzoek juistheid verschuldigde inkomsten- en omzetbelasting/bijlage boetebeschikking/mededeling vergrijpboete” van 22 december 2016 opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2004 tot en met 2014 niet aan de haar in artikel 47 van de Awr opgelegde informatieverplichtingen heeft voldaan, is vervallen als gevolg van het opleggen van die navorderingsaanslagen voordat de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Het Hof sluit zich aan bij dit gezamenlijke, naar zijn oordeel juiste standpunt van partijen.

5.3.

Gelet op het bovenstaande is in dit geschil uitsluitend aan de orde of de Inspecteur in de informatiebeschikking terecht heeft vastgesteld dat belanghebbende met betrekking tot de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 2005, 2006 en 2007 en de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 2005-2006 niet aan de haar in artikel 47 van de Awr opgelegde informatieverplichtingen heeft voldaan. Aan de vraag of de Inspecteur deze of deze en andere belastingaanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd, komt het Hof in dit geschil niet toe.

Beoordeling van het geschil

5.4.

Artikel 47 van de Awr geeft de inspecteur ruime bevoegdheden aan een belastingplichtige informatie te vragen. Het is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (HR 8 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8125). Voor het bestaan van de verplichting gevraagde gegevens te verstrekken is voldoende dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige van belang zouden kunnen zijn (HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Inzake door de inspecteur gestelde vragen naar een buitenlandse bankrekening is niet vereist dat als vaststaand kan worden aangenomen dat de belanghebbende in de desbetreffende jaren nog over de rekening beschikte; een redelijk vermoeden ter zake is voldoende (HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1017).

5.5.

Vaststaat dat de Inspecteur op 20 juli 2015 door de Belastingdienst/FIOD is geïnformeerd over het feit dat belanghebbende in België bankrekeningen aanhield. Daarbij heeft de Belastingdienst/FIOD inzake een specifieke rekening voorts melding gemaakt van een viertal contante stortingen, alsmede van de datum van de stortingen en het saldo van de rekening per 16 februari 2014. De informatie van de Belastingdienst/FIOD was voor de Inspecteur aanleiding op de voet van artikel 47 van de Awr informatie bij belanghebbende op te vragen.

5.6.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 47 van de Awr volgt dat de vragen die de Inspecteur stelt op grond van artikel 47 van de Awr individuele vragen dienen te zijn die om een individueel antwoord vragen (MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 287, nr. 3, p. 21).

Dir brengt naar het oordeel van het Hof mee dat de in de informatiebeschikking van 3 mei 2016 genoemde vragen zodanig individueel en specifiek verwoord dienden te zijn dat het voor belanghebbende duidelijk moet zijn geweest welke informatie en stukken de Inspecteur van hem wenste te ontvangen, zijnde informatie over buitenlandse banktegoeden aangehouden vanaf 1 januari 2003.

5.7.

De Inspecteur informeert belanghebbende echter niet omtrent de bij hem via de Belastingdienst/FIOD bekende informatie inzake de Belgische bankrekeningen en stelt aan belanghebbende op 25 juli 2015 (en nogmaals op 8 september 2015) op basis van artikel 47 Awr slechts de algemene vraag welke buitenlandse bankrekeningen zij heeft aangehouden vanaf 1 januari 2003. De Inspecteur stelt naar aanleiding van de diverse reacties van belanghebbende in de op 3 mei 2016 gegeven informatiebeschikking vast dat belanghebbende niet, dan wel niet volledig, de door de Inspecteur gestelde vragen heeft beantwoord. In de informatiebeschikking zijn nogmaals dezelfde algemene vragen inzake de buitenlande bankrekeningen opgenomen als in de voornoemde brieven van 25 juli en 8 september 2015.

5.8.

De informatiebeschikking is door de wetgever in het leven geroepen met als doel de rechtsbescherming van een belastingplichtige van de Belastingdienst te verbeteren. Bij het niet voldoen aan een informatieverzoek van de inspecteur kan pas omkering van de bewijslast volgen in het geval van een onherroepelijke informatiebeschikking. De informatiebeschikking biedt een belastingplichtige een rechtsingang om de rechtmatigheid van het informatieverzoek te laten toetsen. In de informatiebeschikking dient de Inspecteur te vermelden dat een bepaalde verplichting niet is nagekomen. In de wetsgeschiedenis van artikel 52a van de Awr is op dit punt het volgende vermeld:

“In de beschikking dient te worden opgenomen dat een bepaalde verplichting niet is nagekomen en dat artikel 25, derde lid, van de AWR daaraan bepaalde rechtsgevolgen verbindt. De beschikking dient niet slechts als aanknopingspunt voor een rechtsingang, maar ook om een moment van heroverweging te bieden aan zowel de informatieplichtige als aan de inspecteur en om in voorkomende gevallen de gelegenheid te geven om standpunten te verduidelijken. In dit licht ligt het voor de hand dat de inspecteur nauwkeurig omschrijft wat hij verwacht van de informatieplichtige en goed motiveert waarom hij meent dat het gevraagde relevant kan zijn voor de belastingheffing van deze betrokkene. (Kamerstukken 112008/09, 30 645, nr. 14, p.10 - 11).”

5.9.

In het onderhavige geval heeft de Inspecteur zowel in het informatieverzoek, als in de informatiebeschikking slechts in algemene bewoordingen opgenomen om welke informatie hij verzoekt (zijnde informatie omtrent buitenlandse banktegoeden), terwijl het verzoek was ingegeven door de specifieke informatie inzake Belgische bankrekeningen die de Inspecteur via de Belastingdienst/FIOD had ontvangen. Pas in de brief van de Inspecteur van 22 december 2016 (zijnde 17 maanden na de melding van de Belastingdienst/FIOD en 7,5 maand na het geven van de informatiebeschikking) licht de Inspecteur belanghebbende in omtrent de bij hem aanwezige informatie over de voornoemde bankrekeningen en constateert hij dat belanghebbende – nu zij geen melding van de bij de Inspecteur bekende rekeningen heeft gemaakt – niet (volledig) aan het informatieverzoek heeft voldaan. Deze gang van zaken is niet te verenigen met het doel van de informatiebeschikking, zijnde het bieden van rechtsbescherming inzake zowel de legitimiteit van het informatieverzoek, als (het voorkomen van) de omkering van de bewijslast. Het had op de weg van de Inspecteur gelegen om belanghebbende bij het vragen van informatie op de hoogte te brengen van de bij hem bekende informatie inzake de Belgische bankrekeningen (en de wijze waarop de Inspecteur deze informatie heeft verworven) en aan de hand hiervan bij belanghebbende nader te informeren naar gegevens omtrent deze rekeningen, waarbij de Inspecteur voorts in het algemene zin had kunnen vragen of belanghebbende over andere buitenlandse bankrekeningen beschikt. De Inspecteur heeft belanghebbende bij het vragen van informatie en het geven van de informatiebeschikking bewust in het ongewisse gelaten inzake de bij hem bekende informatie en daarmee samenhangend belanghebbende onvoldoende duidelijk gemaakt welke informatie de Inspecteur exact wenste te ontvangen. Deze werkwijze schiet het doel en de strekking van de informatiebeschikking voorbij, zodat deze niet in stand kan blijven. Hieraan doet niet af dat, naar de Inspecteur ter zitting heeft verklaard, de werkwijze in gevallen als dit niet ongebruikelijk is.

Slotsom

5.10.

Het hoger beroep is gegrond; beslist dient te worden als hierna vermeld.

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Het Hof zal de Inspecteur veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, die, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, worden vastgesteld op € 2.361 (1 punt voor het bezwaarschrift met een bedrag per punt van € 261 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1; 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de Rechtbank, 1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van het Hof met een bedrag per punt van € 525 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1).

6.2.

Voorts dient de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht ten bedrage van € 259 te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar,

  • -

    vernietigt de informatiebeschikking,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.361, en,

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 259 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door G.J. van Leijenhorst, E.M. Vrouwenvelder en P.J.J. Vonk, in tegenwoordigheid van de griffier J. de Vormer. De beslissing is op 10 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.

Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door P.J.J. Vonk en de griffier.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.